Verschenen
in de Academische Boekengids 43, maart 2004.
Robbert
Dijkgraaf
De twintigste eeuw begon
met twee intellectuele kanonschoten. In 1900 ontdekte Max Planck de
quantummechanica
en publiceerde Sigmund Freund zijn meesterwerk Die Traumdeutung. Tussen
deze twee pijlers van de fysica en de psychoanalyse
zou het leven plaats vinden van de theoretisch fysicus Wolfgang Pauli,
in datzelfde
jaar geboren in Wenen. Onlangs verscheen zijn wetenschappelijke
biografie No Time to be Brief van zijn oud-leerling
Charles Enz
Pauli was een onomstreden
wonderkind, zelfs in de stad van Mozart. Als beginnend student schreef
hij een
paar jaar na Einstein het gezaghebbende
artikel over de algemene relativiteitstheorie. Door zijn leermeester
Arnold
Sommerfeld was hij gevraagd een bijdrage te geven voor de prestigieuze Encyclopädie der Mathematischen
Wissenshaften. Daar stond hij tussen de groten der aarde —
Einsteins
meesterwerk kraakhelder uitgelegd in 237 pagina’s en 394 voetnoten.
Niet alleen
was hij op het gymnasium de stof al machtig geworden, hij bleek er
moeiteloos
mee te kunnen jongleren. Het was alsof zijn jonge geest, niet bezwaard
door
enige voorkennis, de nieuwe inzichten van Einstein direct in
machinetaal had
vastgelegd.
Hoewel Pauli niet veel
langer aan de relativiteitstheorie zou werken, heeft Einstein dit
briljante debuut
nooit vergeten. In een ontroerend moment bij de viering van Pauli’s
Nobelprijs
in 1945 op het Instiute for Advanced Study in Princeton, waar Pauli de
oorlogsjaren grotendeels had doorgebracht, noemde Einstein hem met
zoveel
woorden zijn geestelijke zoon en troonopvolger. Pauli ervoer dat moment
als een
kroningsritueel en vond het eeuwig jammer dat dit gebaar nergens
officieel gedocumenteerd
was.
In de twintiger jaren werd
Pauli wereldberoemd als één van de pionieren van de
quantummechanica. Samen met
onder andere Werner Heisenberg en Paul Dirac was hij onderdeel van die
briljante groep twintigers die ons wereldbeeld voor altijd zou
veranderen. Hij deed
de ene na de andere briljante vondst. Zo was hij de eerste die
Heisenbergs abstracte
formulering van de quantumtheorie wist toe te passen op het concrete
geval van
het waterstofatoom en zo het spectrum van het heuristische Bohr-model
wiskundig
te reproduceren. Hij werd waarschijnlijk het beroemdst door zijn
uitsluitingprincipe:
twee deeltjes met halftallige spin, zoals elektronen of protonen, met
precies
de zelfde eigenschappen kunnen nooit dezelfde positie innemen. Het
Pauli-principe
is er voor verantwoordelijk dat atomen elkaar afstoten en dat daarom
materie hard
aanvoelt en stabiel is, dat wil zeggen niet in elkaar zakt.
Ook ontdekte hij met
potlood en papier het bestaan van een nieuw deeltje — het neutrino, een
mysterieus
spookdeeltje dat zo zwak gekoppeld is aan alle andere deeltjes dat het
nauwelijks
direct te meten is. Per seconde zoeven er zo’n honderd miljard
neutrino’s ongehinderd
door uw duimnagel.
Pauli was een theoreticus
pur sang. Berucht was zijn invloed op
experimenten, die op onverklaarbare wijze altijd misgingen in zijn
aanwezigheid,
altijd ten koste van de experimentator, nooit van Pauli. De ultieme
versie van
dit effect vond plaats toen men in een laboratorium ten einde raad een
emmer
water op een halfopenstaande deur had gezet om Pauli een nat pak te
bezorgen.
Maar men had buiten het Pauli-effect gerekend: de emmer bleef keurig
staan toen
hij binnenkwam.
Pauli kon als geen ander
mensen genadeloos op hun nummer zetten. Hij was een gesel voor zijn
collega’s. “Dass ist nicht einmaal falsch” is zijn
befaamde karakterisering. Toen hij op latere leeftijd een onduidelijk
verhaal
van de oude meester Werner Heisenberg moest aanhoren, stuurde hij hem
een
postkaart met daarop slechts een lege rechthoek getekend. Daaronder
stond: “Dit
is om de wereld te laten zien dat ik kan schilderen als Titiaan. Alleen
de technische
details ontbreken.”
In deze biografie wordt
wel de schaduwkant van een scherpe geest duidelijk.
Pauli is uniek geweest in zijn succes om anderen van goede ideeën
af te
schrikken, vaak door een achteloos gemaakte maar goedgeplaatste
neerbuigende
opmerking. Zo wist hij Ralph Kronig (van 1939 tot 1969 hoogleraar en
later
rector in Delft) af te houden van het idee dat elektronen een interne
spin
hebben, dat ze als het ware om hun as kunnen tollen. “Das
ist ja ein ganz witziger Einfall”,
maar het had duidelijk geen relatie met de werkelijkheid, volgens
Pauli. Negen
maanden daarna kwamen de jonge Leidse studenten Samuel Goudsmit en
George Uhlenbeck
(die beiden hun loopbaan grotendeels in de Verenigde Staten zouden
vervolgen)
onafhankelijk van Kronig met hetzelfde idee. Zij zijn met de
elektronenspin wereldberoemd
zijn geworden, ook al hebben ze niet, zoals bijna iedere fysicus denkt,
daarvoor de Nobelprijs voor gekregen.
Een tweede beroemd
incident was zijn brute optreden bij een voordracht in Princeton van de
toen
zeer jonge Chinese fysicus C.N. Yang, die in 1954 het concept van een
niet-Abelse ijktheorie introduceerde. Nu is deze Yang-Mills-theorie een
fundamenteel uitgangspunt voor de gehele moderne fysica. Maar toen was
Pauli zo
neerbuigend, dat Yang zijn voordracht halverwege moest staken. Pauli
was
trouwens zo kritisch — en dat is veel betekend — omdat hij als enige in
de zaal
al eerder over dit probleem had nagedacht.
Rond 1930 brengen een
aantal noodlottige gebeurtenissen Pauli geestelijk aan het wankelen.
Zijn moeder
vergiftigt zichzelf. Zijn rammelende huwelijk met een
cabaretière strandt. Hij
verlaat, als gedoopte jood, de katholieke kerk. In het Hamburgse
nachtleven leert
hij stevig drinken. Hij verhuist naar de prestigieuze ETH in
Zürich en raakt in
een diepe depressie. Daar komt hij terecht bij de psychiater Carl
Gustav Jung.
Deze is erg in Pauli geïnteresseerd, zo “tjokvol archaïsch
materiaal” vindt hij
hem. Pauli gaat onder behandeling en krijgt de opdracht zijn dromen op
te
schrijven.
Dat moet je nu net niet aan
een genie vragen. Met mathematische precisie begint Pauli zijn dromen
te documenteren.
Weinig mensen weten dat de droomanalyse van Jung volledig op de eerste
vierhonderd
dromen van Pauli is gebaseerd. Het lijkt moeilijk een minder
representatieve
proefpersoon te vinden.
Tot ontsteltenis van de
fysici maar tot grote vreugde van alle new
age goeroes sindsdien, blijven Pauli en Jung corresponderen en gaan
zelfs
uiteindelijk samenwerken. Pauli zal zijn gehele leven zijn dromen
noteren. Maar
na zijn dood in 1958 verbrand zijn tweede vrouw deze documenten
allemaal, omdat
zij deze maar gekunsteld vond en bang was dat dit aspect van Pauli een
eigen
leven zou gaan leiden. Alleen de exemplaren die hij naar Jung stuurde
zijn
bewaard gebleven.
Pauli’s dromen hebben een
prachtig surrealistisch karakter. Een sleuteldroom is De
wereldklok, Pauli’s verbeelding van de perfecte harmonie en
symmetrie waarnaar hij in zijn werk streefde:
“Er is een horizontale en
verticale cirkel, met een gemeenschappelijk centrum. Dit is de
wereldklok. Hij
wordt gedragen door een zwarte vogel. De verticale cirkel is een blauwe
schijf
met een witte rand in 4×8 = 32 gedeeld. Een wijzer draait rond.
De horizontale
schijf heeft vier kleuren. Er staan vier kleine mannetjes met slingers
op. Er
omheen ligt de ring, die eerst donker was maar nu goud, en die vroeger
door vier
kinderen gedragen was.”
Pauli’s dromen
weerspiegelen zijn worsteling met de spanning tussen de binnen- en
buitenwereld
—“de smalle weg die naar de waarheid voert, tussen de blauwe damp van
de
mystiek en de steriele rationaliteit, vol met valkuilen waar je aan
beide
kanten kan afvallen,” schrijft hij. In zijn droom Die
Klavierstunde beschrijft hij dit gevoel als volgt: “In de
oudere school worden de woorden begrepen maar niet de betekenissen, in
de
nieuwere worden alleen de betekenissen niet de woorden begrepen.” Ook
geeft hij
in zijn dromen lezingen aan “die fremde
Leute”, een seminariumgehoor dat tot zijn verbazing meer wil weten
over
zijn gevoelsleven.
Dit dilemma tussen de
twee elkaar uitsluitende werelden van natuurwetenschap en innerlijk
leven was
Pauli niet vreemd. Toen Heisenberg in 1925 net zijn befaamde
onzekerheidsrelatie
had gevonden, die zegt dat je van een deeltje niet tegelijk de positie q en de impuls p kan meten, schrijft
Pauli hem: “Je kunt met je q-oog of met je p-oog
kijken, maar als je beide ogen opent wordt je gek.”
Het boek van Enz is niet
lichtverteerbaar, en zeker niet briljant geschreven, met een overdaad
aan noten,
referenties en formules. Toch roept het met zijn Zwitserse precisie een
schat
van ruwe gegevens op, waardoor het mogelijk wordt tussen de regels door
de mens
Pauli althans gedeeltelijk te reconstrueren. Wat opvalt, is dat hij met
zijn
scherpe en kritische geest zeker zichzelf niet spaarde — hij was brutally honest over zijn eigen gebreken,
zeker aan het einde van zijn relatief korte leven (Pauli stierf in
1958). Daarmee
is deze wetenschappelijke biografie toch een ontroerend document
geworden
Maar pas op voor het
Pauli-effect. Mijn favoriete foto betrapt hem bij een zeer
onkarakteristiek
sportief moment bij een potje voetbal bij een instituutsuitje. Hij
kijkt met
een duivelse glimlach in de lens. Het linkerbeen is ver uit gestrekt.
Vlak bij
de lens doemt de naderende voetbal op. Het was de laatste foto die met
dat
toestel gemaakt zou worden.
Charles P. Enz, No
Time to be Brief: A scientific biography of Wolfgang Pauli,
Oxford University Press, 2002.