Verschenen in De Groene Amsterdammer, 12 juni 2004

IJsschotsen springen

Een van de overeenkomsten tussen kunstenaars en exacte wetenschappers is een hoge frequentie van een zeldzame afwijking, synesthesie geheten. Dat is een vorm van zintuiglijke verwarring waarbij onwillekeurige associaties worden gemaakt tussen letters en kleuren, of vormen en smaken, of kleuren en muziek. Toen de Finse componist Jean Sibelius werd gevraagd welke kleur de kachel geschilderd moest worden, antwoordde hij ‘f-groot’. De kachel werd dus groen.

Ikzelf zie letters, cijfers en woorden in technicolor. Maandag is bruin, de 7 flessengroen en Frankrijk korenblauw. Mijn alfabet is een bonte stoet, met een aantal stevige primaire kleuren: een oranje E, een blauwe K, een rode R. Maar het bevat ook veel gewassen tinten. Als penseelstreken in een aquarel liggen aan het einde van het alfabet de U, V en W naast elkaar in parelgrijs, melkblauw en zeegroen. De grote uitzondering is de A die bestaat uit een nieuwe kleur, niet van deze wereld. Deze kan het best beschreven kan worden als tegelijkertijd blauw en rood. De twee kleuren geven elkaar daarbij geen meter en liggen met precies dezelfde intensiteit tegen elkaar aan. Op een zwartwitfoto zou mijn A een uniforme grijze tint aannemen. Maar in volle kleuren roept het de illusie op van een popart schilderij of een VVD verkiezingsposter.

Toen ik laatst bovenstaande ontboezeming schreef in de Academische Boekengids kreeg ik opvallend veel en meestal verbaasde reacties. Er was ook een bemoedigende e-mail van de Nederlandse synesthesievereniging die mij prijsde dat ik zo eerlijk over mijn afwijking had durven te schrijven — alsof ik zojuist out of  the closet was gekomen. Een korte rondgang aan de lunchtafel van mijn onderzoeksgroep leerde dat ik zeker niet alleen was. Er waren zo een handvol collega’s te vinden met dezelfde afwijking. Het verschijnsel komt dan ook opvallend vaak voor onder natuurkundigen. Zo schrijft de bekende theoretisch fysicus Richard Feynman: "When I see equations, I see the letters in colors — I don't know why. As I'm talking, I see vague pictures of Bessel functions from Jahnke and Emde's book, with light-tan j's, slightly violet-bluish n's, and dark brown x's flying around. And I wonder what the hell it must look like to the students." Het is de precisie van dat licht violet-blauwige dat de synestheet verraadt.

Er wordt de laatste tijd veel meer onderzoek naar synesthesie gedaan. Zo moet in een veld bedrukt met 2-en een paar verdwaalde 5-en gemakkelijker te onderscheiden zijn omdat voor mij hun blauwe kleur zo opvalt in die zee van rood — als een paar korenbloemen in een veld papavers. Onderzoekers beweren dat dit zelfs helpt als die cijfers op hun kop staan. Maar helemaal waar kan dat niet zijn: een negen is een zes op z’n kop en toch is voor mij de ene reebruin en de andere lichtroze.

Een van de theorieën is dat synesthesie ontstaat als een onvolledige scheiding van de zintuigen in een vroeg stadium van de ontwikkeling van de hersenen, een soort lekkende tussenschotten.Er is dus geen sprake van een aangeleerde associatie, omdat bijvoorbeeld de juffrouw van de kleuterschool eens en voor altijd de cijfers een kleurtje heeft gegeven.Zoals gebeurt met die arme kleuters in Israel die bij ieder cijfer een kleur en een vorm krijgen aangeleerd, inclusief de nul die gevisualiseerd moet worden als een “roze kubus zonder omvang”. Ik kon dit inzicht laatst proefondervindelijk vaststellen toen ik in de klas van mijn zoontje een knalblauwe 5 zag hangen, terwijl hij me zojuist thuis zonder een moment van aarzeling had geantwoord dat de 5 rood is. Er is inderdaad een duidelijke erfelijke component. De schrijver Vladimir Nabokov zag een roze M, voor zijn vrouw Vera was die blauw, de M van hun zoon Dimitri was paars alsof de genen gemengd waren.

Dit zintuiglijke burengerucht is een mooie metafoor voor het gebruik van metaforen —  een “metametafoor”. Dat zie je ook in de wetenschap, bijvoorbeeld in de fysica. Daar zijn een aantal prachtige beelden en vergelijkingen geformuleerd die heel verschillend zijn maar rustig naast elkaar mogen bestaan. Zo zien we elektronen vaak als deeltjes, microscopisch kleine biljartballetjes, die kunnen bewegen, botsen en verstrooien. Maar dan is het plotseling afgelopen. We veranderen moeiteloos van beeld en ineens is het elektron een golf die zich kan uitspreiden, tegelijkertijd door twee poortjes kan gaan of een andere golf kan uitdoven. Soms werkt het ene beeld, soms het andere. Belangrijk is dat je moet weten wanneer je het beeld moet loslaten. Een groep die absoluut niet kunnen loslaten zijn crackpots, de amateur-geleerden die het universum helemaal doorhebben. Als het heelal bestaat uit vliegende schilpadden of draaiende kubussen dan blijft dat zo tot het bittere end. Dan gaat de aanhanger als het ware met de metafoor mee over de klip.

Het vermogen van perspectief te kunnen wisselen zonder de focus op het verschijnsel te verliezen is een van de kwaliteiten van een goede wetenschapper. Niels Bohr noemde dit verschijnsel complementariteit en probeerde het tot een complete wereldvisie uit te breiden. Met weinig succes. Hij zette het Yin Yangteken op zijn wapenschild, maar uiteindelijk gingen New Age-aanhangers ermee aan de haal.

In mijn eigen onderzoeksgebied dat de elementaire deeltjes en de relativiteitstheorie probeert te verenigen zijn die metaforen en hun bijbehorende blikwisselingen van groot belang. Het is zelfs zo dat we de theorie alleen maar vanuit een aantal zeer voorzichtig gekozen perspectieven kunnen begrijpen zonder dat er nu een overkoepelende visie bestaat. Er komt zelfs de gedachte op dat zo’n helikoptervisie misschien wel helemaal niet mogelijk is.

Zo spring je als fysicus van beeld naar beeld, alsof je ijsschotsen springend een rivier oversteekt. Even glijd je soepel over het gladde ijs, totdat je de grens bereikt en het donkere water opdoemt. Dan spring je over op de nieuwe schots. Liefst zonder uit te glijden of om te kijken, zoef je verder. Het is de snelste manier om naar de overkant te komen.

Robbert Dijkgraaf