<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet type="text/xsl" href="maidenspeechTable.xsl"?>
<root>
    <maidenspeech speaker="Asscher" MPid="03138" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2008-01-29" topic="Vereenvoudiging vergunningen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-744-747.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-744-747.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="7" number-of-words="1619" number-of-unique-words="679" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Ondernemen</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Economie <pm:entity> ICT</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Staatsveiligheid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Zorg en gezondheid <pm:entity> Verzekeringen</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Verkeer <pm:entity> Water</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Verkeer <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Asscher" MPid="03138"/>
                <speaker name="Sylvester" MPid="03027"/>
                <speaker name="Terpstra" MPid="02811"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef nu het woord aan de heer Asscher, die zijn maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-744-747.1.2" speaker="Asscher" party="VVD" function="De heer" title="De heer Asscher  (VVD)" MPid="03138">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.1" speaker="Asscher" function="De heer" MPid="03138">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Asscher (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Asscher</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.1.2">Mevrouw de voorzitter. Rijksbrede aanpassing van regels omtrent de reductie en vereenvoudiging van vergunningen teneinde de regeldruk te verminderen ofwel de Verzamelwet vereenvoudiging vergunningen. Het is duidelijk dat de verkorte titel van deze wet de lading geenszins dekt. In de samenvatting blijft slechts de vereenvoudiging van vergunningen over en wordt al niet meer gesproken over de reductie. Dat geeft op duidelijke wijze een aantal manco's aan die aan deze wet kleven respectievelijk een gebrek aan ambitie van de staatssecretaris. Dit is de wet van de gemiste kansen en een staatssecretaris van gemiste kansen en te weinig ambitie. In de memorie van antwoord vermeldt de staatssecretaris dat na een begin in 2006 met een reductie van circa 10% van alle vergunningen, er in 2007 een reductie was gepland van ongeveer 71%. Is deze reductie ook gehaald? Voor 2008 rest nog slechts 12% en voor het volgende kalender jaar het saldo van 7%. Er is toegezegd dat 22% van de 248 stelsels geschrapt kan worden en 42% van de 1,17 miljoen vergunningen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.1.3">Dit leidt dan wel tot een heel bijzondere staatsrechtelijke gang van zaken: aan de Eerste Kamer wordt een verzamelwet voorgelegd waarvan de staatssecretaris zelf mededeelt dat reeds 81% van de voorstellen in die wet vervat, is uitgevoerd. Met een positieve houding ten opzichte van het kabinet zouden we kunnen concluderen dat de staatssecretaris blijkbaar zeer voortvarend te werk is gegaan; met een kritische, respectievelijk staatsrechtelijke blik kunnen wij de staatssecretaris vragen op grond van welke verzamelwet deze schijnbaar goede resultaten dan wel zijn geboekt. Wij willen dan ook gaarne vernemen hoe de staatssecretaris aankijkt tegen deze staatsrechtelijke mosterd na de maaltijd.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.1.4">Het verwijt dat het project traag loopt en weinig oplevert, wordt door de staatssecretaris niet onderschreven. Maar dat hangt dan wel geheel af van de achtergrond waartegen en de normen waarmee men de metingen verricht en juist daar schiet de ambitie onzes inziens tekort. Als voorbeeld wil ik een horecaondernemer noemen die overweegt een nieuw bedrijf te starten. Hij krijgt nu, in 2008, te maken met 94 wetten, 8 ministeries, 21 inspecties en 55 punten waarop geïnspecteerd gaat worden. Het is dus een illusie te stellen dat 81% van de vermindering en vereenvoudiging van vergunningen en regeldruk reeds bereikt is. Dat hangt helemaal af van wat als beginpunt wordt genomen. Deze Hardwerkende Ondernemer wordt zo bijna de mogelijkheid ontnomen, succes te hebben door het woud van nu nog steeds fungerende regels.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.1.5">Mevrouw de voorzitter. Ik vraag mij af of de regering, de ministeries en zelfs ook het parlement niet mede vaak de oorzaak zijn van deze enorme bureaucratische regeldruk. Bij elk schijnbaar probleem wordt al snel geroepen om een regel. En zoals bekend komen er steeds meer voorschriften en regels uit "Brussel". Terwijl wij hier vandaag een poging doen regels af te schaffen, naar mijn mening een flauwe poging, voeren wij tegelijkertijd elders weer meer regels in. Een voorbeeld daarvan is het energielabel dat verplicht gesteld is voor alle woningen. Het leidt op termijn dan ook tot 3,5 miljoen te maken labels tegen een geschatte administratieve last van 350 tot 500 mln. En dat terwijl men zich kan afvragen of het meer nut heeft dan het vermelden van het energie verbruik in euro's per vierkante meter. Wij zijn allen gemeenschappelijk verantwoordelijk voor het invoeren van regels met misschien wel een grotere snelheid dan het afschaffen ervan. Van enige zelfbeperking van de kant van de ministeries of gemeenten vind ik heel weinig terug en dat is zeer teleurstellend.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.1.6">Het is menig ondernemer duidelijk dat er nog veel knelpunten zijn bij de gemeenten. In het bestuursakkoord van juni 2007 worden vier elementen afgesproken: de VNG licht de modelverordeningen door, de gemeenten werken aan een reductie van 25% van de administratieve lasten en lichten de lokale vergunningen door en werken aan verbetering van de dienstverlening. De Taskforce regeldruk gemeenten houdt zich hier vooral mee bezig en er zijn maatregelen voor de procesondersteuning van die gemeenten. Het klinkt allemaal goed bedoeld maar slechts 250 gemeenten zijn ermee bezig. Ik vraag van de staatssecretaris dan ook de toezegging dat hij druk uitoefent op de gemeenten die nog niet meedoen om hen, met behoud van hun autonomie en met kracht van argumenten te overtuigen van de wenselijkheid van het meewerken aan het bestuursakkoord en de reductie van vergunningen. Dat zal vooral nut kunnen hebben indien die gemeenten die nog niet meedoen de Ondernemersgerichte Algemene Plaatselijke Verordeningen invoeren. Om nog eens een voorbeeld te noemen van een makkelijk te corrigeren teveel aan verschillende regels. In Amsterdam hebben 10 van de 14 stadsdelen een eigen en onderling verschillende bomenverordening waardoor er een bureaucratie ontstaat die nergens voor nodig is. Ook in de Flora- en Faunawet zijn verordeningen en gedragsregels opgenomen die elkaar tegenspreken. De door de regering onlangs ingevoerde verpakkingsbelasting verhoogt weer de administratieve lasten voor duizenden ondernemers.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.1.7">Men kan zich afvragen waarom de VVD-fractie zich zo druk maakt over een wetsontwerp dat blijkbaar al ten dele is uitgevoerd en dat door eenieder als positief bestempeld wordt. Dat heeft toch vooral te maken met het maatschappelijk beeld dat wij hebben over wat politiek gewenst is. Wat voor een maatschappij willen wij eigenlijk? Dat is de achtergrond waartegen dit wetsontwerp getoetst zou moeten worden. Het ligt dus principieel. Het is het beeld waarin de mens zich volledig kan ontplooien, in alle vrijheid kan leven en een ondernemende Nederlander succes kan hebben. Dat is stellig niet een maatschappij die vooral bestaat uit een overheid die regels bedenkt en vervolgens veel ambtenaren aan het werk zet om die regels uit te voeren en te controleren. Dat is ook niet een maatschappij waarin de overheid wel weet wat goed voor de burger is, de betuttelende en bevoogdende maatschappij die nu aan de horizon verschijnt. Nee, dat is een maatschappij met gelijke kansen voor de burger, met gelijkwaardigheid tussen mensen maar geen gelijkheid en één die gebaseerd is op een evenwichtige afweging tussen de vrijheid van handelen en meningsuiting enerzijds en respect voor anderen en hun rechten anderzijds. Een samenleving waarin de overheid de mensen niet overspoelt met regels en de burger niet constant de maat neemt. Een samenleving die in eerste instantie uitgaat van vertrouwen in de burger die het niet nodig maakt voor bijna elke handeling een vergunning te moeten aanvragen. Dat is de achtergrond waartegen ik zelf regelgeving en wetten wil toetsen, zo u wilt het credo van mijn persoonlijke politieke inzet.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.1.8">Mevrouw de voorzitter, dat is ook waarom ik dit goedbedoelde wetsontwerp tekort vind schieten. Er kan nog zoveel meer gebeuren. Door de ontkenning van de trage gang van zaken doet de regering alsof zij werkelijk wat bereikt heeft. Maar het kan zoveel beter als het aspiratieniveau maar wat hoger lag. Zo krijgen wij weer de indruk, die deze regering zo vaak wekt, van symboolpolitiek. Van het vooruitschuiven van de problemen en van een te laag aspiratieniveau. Na deze beschouwing kan men zich afvragen wat dan wel de mening van de VVD-fractie over deze wet is. Wel, wij zullen dit van harte ondersteunen als het een begin en een aanzet is tot meer. Als het een eindpunt is van een tevreden staatssecretaris dan is het een treurig begin van dit politieke jaar. Wij zien de reactie van de staatssecretaris met belangstelling tegemoet.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.2.1">Mijnheer Asscher, ik wil u van harte feliciteren met uw maidenspeech over de Verzamelwet vereenvoudiging vergunningen. De materie van het wetsvoorstel spreekt u duidelijk aan. Het afschaffen van het woud van de regels waarmee het bedrijfsleven wordt geconfronteerd, heeft bij u hoge prioriteit, zo hebt u verleden jaar juli laten optekenen in het VVD-magazine Provincie en Gemeente. Bij uw maidenspeech hebt u zich al een bijzonder kritisch Kamerlid getoond vanuit een herkenbare liberale visie.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.2.2">Uw lidmaatschap van deze Kamer is helaas bijzonder. Waarom helaas? In dit huis hebben maar weinig ondernemers zitting. U constateerde dat zelf ook in eerder genoemd artikel. U bent al ruim 30 jaar president-directeur van de Koninklijke Asscher Diamantmaatschappij in Amsterdam: een echt familiebedrijf van naam en faam, al 153 jaar. U vervult naast uw hoofdfunctie een groot aantal bestuursfuncties in diezelfde sector. Zo bent u voorzitter van het Diamantcollege, voorzitter van de Dutch Diamond Manufacturers Association en vicevoorzitter van de European Diamond Manufacturers Council. Ik wil hier echter niet onvermeld laten dat u ook buiten de sfeer van die werkkring bijzonder actief bent in het Amsterdamse maatschappelijke en politieke leven. Zo bent u bestuurslid van het Olympisch Stadion in Amsterdam en van dierentuin Artis. Eerder was u ook lid van het dagelijks bestuur van het Joods Historisch Museum en voorzitter van onder meer de Amsterdamse en Buitenveldertse Montessorischolen, de Stichting Werkgemeenschap Orthopedagogische Zorg, de Japan Trade Council en Jumping Amsterdam.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.2.3">In uw partij was u al jong actief, met name als voorzitter van de JOVD, afdeling Groningen, maar u was ook lid van de selectiecommissie van de VVD-fractie voor de Tweede Kamerverkiezingen en van 1994 tot 2000 voorzitter van de VVD-kamerkring Amsterdam. Mensen die u kennen, dichten u een goed politiek inzicht toe.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.2.4">Als ik de vergelijking mag maken tussen uw werk als diamantair en uw lidmaatschap van deze Kamer, dan zie ik een mooie overeenkomst tussen die twee. Bij beide kan een groot aantal facetten tot schittering en glans worden gebracht. U bent nauw betrokken geweest bij de uitzonderlijke ontwikkeling van de zogenoemde Royal Asscher Cut: een werkwijze waardoor een diamant maar liefst 16 facetten meer heeft dan een gewone briljant en die haar schittering nog diverser en mooier maakt. Als de daar toegepaste werkwijze model staat voor de vervulling van uw lidmaatschap van deze Kamer, staat ons nog veel moois te wachten. Ik wens u bij die werkzaamheden alle succes toe.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-744-747.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Asscher, ik wil u van harte feliciteren met uw maidenspeech over de Verzamelwet vereenvoudiging vergunningen. De materie van het wetsvoorstel spreekt u duidelijk aan. Het afschaffen van het woud van de regels waarmee het bedrijfsleven wordt geconfronteerd, heeft bij u hoge prioriteit, zo hebt u verleden jaar juli laten optekenen in het VVD-magazine Provincie en Gemeente. Bij uw maidenspeech hebt u zich al een bijzonder kritisch Kamerlid getoond vanuit een herkenbare liberale visie.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Benedictus" MPid="" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2009-11-24" topic="Differentiatie fosfaatgebruiksnorm" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20092010-10-250.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20092010-10-250.1.6" which-speech-in-topic="5" number-of-paragraphs="12" number-of-words="2171" number-of-unique-words="874" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Bodem</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Landbouw <pm:entity> Dieren</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Schaap" MPid="03162"/>
                <speaker name="Smaling" MPid="03164"/>
                <speaker name="Eigeman" MPid="03006"/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
                <speaker name="Benedictus" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Benedictus, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20092010-10-250.1.6" speaker="Benedictus" party="CDA" function="De heer" title="De heer Benedictus  (CDA)" MPid="">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.1" speaker="Benedictus" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Benedictus (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Benedictus</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.1.2">Voorzitter. De leden van de CDA-fractie hebben met waardering kennisgenomen van het gewijzigd wetsvoorstel. Dit is een volgende stap op weg naar het realiseren van de doelstellingen van het Europese beleid voor een betere kwaliteit van het oppervlaktewater. Mijn fractie heeft, samen met de VVD-fractie, al eerder vragen gesteld over de generieke invulling van de wijzigingen en de bijbehorende middelenvoorschriften. Door het verleden van de mestwetgeving valt nu niet te ontkomen aan allerlei wettelijke verplichtingen. Nederland staat hier met de handen op de rug gebonden, maar soms weten gevangenen met de handen op de rug gebonden nog te ontsnappen, dus let op!</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.1.3">De CDA-fractie is er niet van overtuigd dat alle mogelijkheden, nu of in de toekomst, worden gebruikt om tot meer maatwerk over te gaan. De agrarische sector werd door Minas uitgedaagd om met creatieve oplossingen te komen om een financiële heffing te voorkomen. Door de keuze voor algemene regels zoals de gebruiksnormen in plaats van individuele besluitvorming is er te weinig en soms zelfs geen ruimte voor maatwerk op bedrijfsniveau, hoewel de minister daarover iets genuanceerder lijkt te denken gelet op het antwoord op onze vragen. Gezien de grote diversiteit binnen de sector bestaat daar echter juist wel dringend behoefte aan. De generieke benadering gaat voorbij aan de bijzonderheden die zich op bedrijfsniveau voordoen en die juist een afwijking kunnen rechtvaardigen.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.1.4">De minister onderkent dit ook in het Actieplan 2010-2013. Daarin staat: "Het huidig mestbeleid wordt als belemmerend ervaren en wordt gezien als een ontkenning van het uniek zijn van iedere individuele ondernemer." Hierdoor heeft de mestwetgeving een verstarrend effect. Nieuwe ontwikkelingen die juist bij het oplossen van de milieuproblematiek een rol spelen, kunnen niet snel genoeg worden vertaald in regelgeving. Een belangrijk aspect is dat daardoor de creativiteit en het innovatief vermogen van de sector – de meest innovatieve sector ter wereld volgens een deskundige op dit gebied – onvoldoende worden gestimuleerd. Nee, zelfs eerder worden tegengehouden! Zo voldoet in een aanzienlijk deel van ons land, met name in de klei- en veengebieden, het grondwater al aan de stikstofnormen, maar krijgt men desondanks te maken met generieke maatregelen zoals kortere uitrijtijden.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.1.5">Sommige graasdierbedrijven moeten mest afvoeren, maar mogen wel kunstmest gebruiken. Innovaties worden in deze sector dus niet intrinsiek gestimuleerd door de huidige mestregelgeving. Die hebben we meer dan nodig, broodnodig zelfs, ook bij de invulling van de eisen van de Kaderrichtlijn Water. De overheid zet inderdaad in op een breed innovatiebeleid. De CDA-fractie waardeert het zeer dat dit in het komende actieplan staat, maar dat is wel topdown georganiseerd. Zij ziet graag dat in de komende periode wordt gekeken hoe de sector gestimuleerd kan worden om ruimte te creëren, zodat in het volgende actieplan meer ruimte voor maatwerk zit en op bedrijfsniveau actie kan worden ondernomen. Wij vragen de minister om samen met de sector stappen te zetten om de voorlopers te stimuleren door het afwijken van de generieke gebruiksnormen toe te staan, mits de oppervlaktewaterkwaliteit dat toestaat. In het voorliggende actieplan heeft de minister immers de mogelijkheid tot actualisatie, een ander woord voor aanpassing, van gebruiksnormen. Die ruimte is er.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.1.6">In de inleidingen die ik hier over derogatie heb gehoord, is gezegd dat dit een vorm van gedogen is. Dat is natuurlijk niet zo. Derogatie doet recht aan de verhoogde vruchtbaarheid van de grond in Nederland en aan het andere klimaat, waardoor wij meer gewassen en meer oogst van de grond kunnen halen dan bijvoorbeeld van de dorre vlakten in Spanje. Het is dus niet gedogen, maar tegemoetkomen aan de specifieke kwaliteiten die er zijn. Ik antwoord de heer Koffeman dat de klimaatsverandering hier natuurlijk ook aan bijdraagt. De teeltperiode wordt juist verlengd. Je kunt eerder gewassen oogsten en ze kunnen langer doorgroeien. De mestruimte wordt daardoor vergroot.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.1.7">Ik geef nog een voorbeeld dat is aan te vullen met vele andere. De gewaskeuze is van belang voor de benutting van fosfaat, dit is al eerder gesteld. Gewassen met een groot wortelstelsel, zoals koolzaad, zijn beter in staat om fosfaat uit de bodem op te nemen. Dat zou van pas kunnen komen op de fosfaatverzadigde gronden. Je kunt dan ook denken aan toepassingen als wortelschimmels en het telen van nagewassen. Ondernemers zouden beloond moeten worden voor het meetbaar uitmijnen van de fosfaatverzadigde gronden. Wellicht kan dit een nieuwe blauwgroene dienst worden. Graag een reactie hierop van de minister.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.1.8">De heer De Rooij is afgelopen september in Groningen gepromoveerd op zijn uitgebreide en dikke proefschrift "Kan de meststoffenwet gemist worden? Een studie naar de mogelijkheden en wenselijkheid van integratie van de Meststoffenwet in de Wet milieubeheer". Hij gaat omstandig in op de mogelijkheden van harmonisatie en integratie van de Meststoffenwet en de Wet milieubeheer. De Meststoffenwet heeft volgens deze dissertatie een centraal en sectoraal karakter, terwijl de Wet milieubeheer een overwegend decentraal en integraal karakter heeft. De integratie van beide wetten kan een voordeel opleveren als een activiteit op meerdere, onderling uitwisselbare, compartimenten van het milieu effecten kan hebben die door beide regelingen worden bestreken. Nu kan nog gemakkelijk overheveling van de verontreiniging van het ene compartiment naar het andere plaatsvinden. Zo leiden emissiearme stalsystemen wel tot een lagere ammoniakuitstoot, maar tegelijkertijd tot een hoger stikstofgehalte in de meststoffen. Het belangrijkste voordeel van integratie is volgens dr. De Rooij dat een individueel vergunningsysteem ontstaat dat meer ruimte biedt aan maatwerk. De CDA-fractie vraagt de minister uit te zoeken wat de voor- en nadelen van de integratie van beide wetten zijn, met name voor meer ruimte voor maatwerk op bedrijfsniveau. Ik begrijp dat de minister deze vraag niet vanmiddag al kan beantwoorden</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.1.9">De effectiviteit en handhaafbaarheid van de regelgeving. In de landelijke evaluatie van de Meststoffenwet is getracht inzicht te krijgen in de effecten van de maatregelen in de landbouw op de regionale oppervlaktewaterkwaliteit. Uit die evaluatie bleek dat de huidige monitormiddelen en analysemethodieken ongeschikt zijn om de effecten van de maatregelen in de landbouw op die kwaliteit te beschrijven. Volgens het RIVM-briefrapport van afgelopen september is een causale relatie tussen de toegepaste teelt en de kwaliteit van het oppervlaktewater niet te onderbouwen. Er zijn te weinig meetdata van locaties met een dominante teelt, behalve grasland. Uit de gegevens van emissieregistratie en de regionale studies blijkt dat de diffuse belasting vanuit de landbouw qua omvang fors bijdraagt aan de belasting van het regionale oppervlaktewater. Soms denk je dat die alles bijdraagt, maar het is ongeveer de helft. De andere helft komt uit andere bronnen. Variatie in het aandeel landbouw geeft echter geen robuuste relatie voor stikstof, volgens het rapport van het RIVM. Het afstromend oppervlak met het hoogste aandeel landbouw laat een gemiddelde waterkwaliteit zien. We spreken dan over de helft van de oppervlakten. Het afwaterend oppervlak met het kleinste aandeel landbouw daarentegen geeft voor stikstof een relatief minder goede waterkwaliteit. Het areaal met het hoogste aandeel landbouw laat zelfs een beter beeld zien. Het is niet duidelijk welke bron of welk proces hiervoor verantwoordelijk is. De aanpak van de diffuse belasting is bijzonder lastig en vraagt dus inzicht in de stofstromen op perceelniveau.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.1.10">Zo kan vernatting leiden tot een lagere stikstofuitspoeling, maar tegelijkertijd tot een hogere fosfaatuitspoeling door desorptie van gebonden fosfaat. Daarnaast kunnen verblijftijd en denitrificatie in het systeem beïnvloed worden door peilverandering. Het toepassen van peilveranderingen kan meerdere effecten hebben. In natuurgebieden zijn beide zaken regelmatig aan de orde, waardoor de waterkwaliteit negatief beïnvloed kan worden zonder dat dit voldoende in beeld is, terwijl het op het conto van een andere sector komt te staan, de verkeerde sector voor sommigen.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.1.11">Het handhaven van deze complexe wet gebeurt enerzijds administratief en anderzijds via toezicht op uitrijverboden en applicatiemethoden. Bij de handhaafbaarheid zijn vraagtekens te plaatsen vanwege de massaliteit, complexiteit, bijzonder zware administratieve lasten en de tekortschietende monitoring. Ter illustratie: jaarlijks veranderen 620.000 percelen van status – ik heb begrepen dat ze nu zelfs kleiner worden – er vinden jaarlijks meer dan 300.000 mesttransporten plaats en er zijn meer dan 1200 mestintermediairs actief. Ga daar maar eens aan staan. De CDA-fractie ziet graag dat er een meer toegesneden meting van de waterkwaliteit komt om een effectiever beleid te kunnen voeren en om van de andere kant de handhaafbaarheid te verbeteren. Ik hoor graag een reactie van de minister hierop.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.1.12">Het laatste korte onderwerp. In de beantwoording van de vragen van de SP-fractie over een toekomstig fosfaattekort gaat de minister in op de mogelijke besparingen van fosfaat in de landbouw. In haar brief van afgelopen donderdag, samen met haar collega van VROM, zijn ook de andere aspecten van fosfaatbesparing buiten de landbouw uitvoerig toegelicht. De CDA-fractie is blij dat het beleid dat voorligt, bijdraagt aan fosfaatbesparingen. Maar volgens ons wordt in de reactie onvoldoende gereflecteerd op andere mogelijkheden, zoals een rol voor de huishoudens en een betere benutting van diermeel.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.1.13">Bij de rol voor de huishoudens denkt het CDA niet in eerste instantie aan het eten van minder vlees, zoals de PvdD deed – dat vinden wij te betuttelend – maar aan een vermindering van voedselverliezen. In Nederland is dat binnen de huishoudens ongeveer 10% tot 20% van de consumptie. Over de gehele voedselketen bedraagt het verlies naar schatting zelfs 30% tot 50%. Slachtafval, in het bijzonder botten, bevat zeer veel fosfaat, maar diermeel mag in Nederland en andere Europese landen niet worden gebruikt vanwege de BSE-problematiek, in meststoffen, veevoer noch visvoer. Is het inmiddels niet tijd om dit beleid te herzien, in Europees verband? Ik hoor gaarne een reflectie van de minister.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.2.1">Dank u wel, mijnheer Benedictus. Ik wil u graag als eerste feliciteren met uw maidenspeech. Het is een goed gebruik in de senaat om de maidenspeech niet zomaar voorbij te laten gaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.2.2">In uw inleiding hebt u zojuist benadrukt dat het bij het voorgestelde beleid niet zozeer moet gaan om de aanwending van middelen, maar om het doel en de beoogde effecten van wetgeving. Dat is in het algemeen een goed uitgangspunt voor een senator. Ons is ook duidelijk geworden dat u over dit onderwerp spreekt met kennis van zaken. Ik had eerst staan "met de klompen in de mest", maar dat zou verkeerd uitgelegd kunnen worden. Daarom zeg ik maar, figuurlijk uiteraard, met de klompen in de klei. Ook dat is wat leden in deze Kamer siert: gezaghebbend op basis van hun maatschappelijke en professionele ervaring en vanwege hun functioneren in bestuurlijke organisaties elders in de samenleving.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.2.3">U gaf in uw maidenspeech ook blijk van een sectoroverstijgende benadering van het vraagstuk, waarbij u de doelmatigheid en de uitvoerbaarheid van het voorgestelde beleid belicht in de context van aanpalende beleidsvelden en eveneens de Europese dynamiek. Daarmee laat u zien dat u beschikt over een basishouding die past bij een lid van de Eerste Kamer: eerst opzij kijken voor je inkopt. Met dit alles spreek ik overigens geen oordeel uit.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.2.4">U was na aanvang van uw loopbaan vijftien jaar werkzaam als dierenarts en aansluitend vijf jaar als directeur van het Gezondheidscentrum voor Dieren Noord-Nederland. Door deze ervaring kent u de praktijk op de boerenerven, de zorgen van de agrarische beroepsbevolking en de afstand tussen het beleid en de situatie te velde. U was en bent nauw verbonden met brede ontwikkelingen en aspecten van de agrarische sector, zowel op het vlak van onderwijs, diergezondheid als behoud van het agrarisch natuurgebied. Met deze brede oriëntatie hebt u zich gaandeweg ook in bestuurlijke functies verdienstelijk gemaakt. Daarnaast was u op vele fronten actief in het CDA, onder meer als lid en voorzitter van de commissie gemeentelijk verkiezingsprogramma en acht jaar als redactielid van het tijdschrift Bestuursforum.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.2.5">Uw kennis van en betrokkenheid bij het culturele erfgoed van het Friese land maakt u tot een hartstochtelijk pleitbezorger voor de Friese taal. Een missie die u als voorzitter van de Steatekomitee Frysk kracht hebt bijgezet. De Friezen hebben het wat dat betreft verder geschopt dan de Limburgers. Van de Friezen naar de Papoea's is voor u een kleine stap. Dat mag blijken uit uw inzet voor deze bevolkingsgroep op Oost-Timor en uw praktische inzet voor microkredieten en beurzen voor studenten ten behoeve van Papoea's.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.2.6">Voor uw aantreden als lid van deze Kamer hebt u zes jaar de bevolking van Friesland vertegenwoordigd in de provinciale staten. In de afgelopen twee jaar was u tevens vicevoorzitter van die staten. Namens het CDA voerde u het woord over complexe onderwerpen als het ontvolken van het platteland en, in samenhang daarmee, de achterstand en armoede in gebieden die economisch structureel achterblijven. Met vasthoudendheid en kracht van argumenten hebt u aandacht gezocht, en ook gevonden, voor dit taaie vraagstuk, dat ook in andere delen van het land steeds meer wordt gevoeld. Collega-statenleden hebben u in de achterliggende periode ook leren kennen als een tactvol onderhandelaar die bruggen wist te slaan tussen uiteenlopende maatschappelijke belangen en politieke opvattingen. Die eigenschap zal u ongetwijfeld ook in dit huis van pas komen.</p>
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.2.7">Ik wens u veel succes met uw verdere werkzaamheden in deze Kamer. Ik schors de vergadering enkele ogenblikken, zodat de leden de heer Benedictus kunnen feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.3">
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.3.1">De beraadslaging wordt geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.4">
                        <p docno="h-ek-20092010-10-250.1.6.4.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Dank u wel, mijnheer Benedictus. Ik wil u graag als eerste feliciteren met uw maidenspeech. Het is een goed gebruik in de senaat om de maidenspeech niet zomaar voorbij te laten gaan.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Castricum" MPid="01886" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1999-11-30" topic="Taxivervoer" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-202-215.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-202-215.1.5" which-speech-in-topic="4" number-of-paragraphs="16" number-of-words="2185" number-of-unique-words="829" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Markttoezicht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Verkeer <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Baarda" MPid="02837"/>
                <speaker name="Bierman-Beukema toe Water" MPid="02261"/>
                <speaker name="Terlouw" MPid="01719"/>
                <speaker name="Castricum" MPid="01886"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Van Vugt" MPid="02287"/>
                <speaker name="Van der Lans" MPid="02267"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Castricum. Ik wijs erop dat dit wetsvoorstel kennelijk zo bijzonder is dat nu ten derden male een maidenspeech wordt gehouden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-202-215.1.5" speaker="Castricum" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Castricum  (PvdA)" MPid="01886">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1" speaker="Castricum" function="De heer" MPid="01886">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Castricum (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Castricum</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.2">Voorzitter! Het regent maidenspeeches vanmiddag!</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.3">Afgelopen weekend zijn bij een grote controle in Valkenswaard de chauffeurs van vijftig taxi's en bussen tegen de lamp gelopen, omdat er iets mis was met hun voertuigen, zo meldde Radio 1. Dat is niet mooi. Ik hoop dat het om kleinigheden ging, maar dan nog. Ik hoop dat het om kleinigheden ging, maar dan nog. Mensen die lijf en leden toevertrouwen aan ondernemers die er hun beroep van hebben gemaakt tegen betaling personen te vervoeren moeten ervan op aan kunnen, dat ze in goede handen zijn en dat regels daadwerkelijk gehandhaafd worden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.4">Hoewel het niet gebruikelijk is, zo heb ik inmiddels na een paar maanden in de Kamer begrepen, dat hier de gebeurtenissen van de dag worden doorgenomen, meende ik er goed aan te doen deze actualiteit "mee te nemen" omdat zij rechtstreeks verband houdt met het onderwerp waarover wij vandaag praten.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.5">Deregulering en marktwerking hebben tijdens de algemene beschouwingen, twee weken geleden, veel aandacht gekregen, niet in de laatste plaats door de bijdrage van mijn fractievoorzitter, die in haar betoog genuanceerd was, maar die het uiteindelijk – veel fracties hebben erover gesproken – daarheen heeft weten te leiden, dat de regering met een notitie komt waarin de verschillende elementen van de MDW-operatie – marktwerking, deregulering, wetgevingskwaliteit – nog eens op hun merites zullen worden bezien. Voor de Taxiwet, die wij vandaag bespreken, komt die notitie te laat. De weg die het wetsontwerp heeft afgelegd was lang en moeilijk. Na de uitvoerige debatten in de Tweede Kamer, zowel in commissieverband enkele jaren geleden als plenair kort voor het zomerreces, zijn de opvattingen van de collega's aan de overkant kenbaar gemaakt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.6">Hoewel het enthousiasme in onze Eerste-Kamerfractie binnen de perken is gebleven, was er eensgezindheid over de noodzaak dat de taxibranche een beetje wordt opgeschud. De minister is daarbij, zoals ik in de stukken vele malen heb kunnen lezen, niet over één nacht ijs gegaan. Desondanks heeft ook zij de nodige twijfels over de uiteindelijke uitkomst van de operatie. Het kan ook moeilijk anders. De heer Terlouw heeft er ook op gewezen dat niemand in staat is om precies aan te geven wat de nieuwe Taxiwet, als onderdeel van de Wet Personenvervoer, op zal leveren. Wat vaststaat is dat er iets moet gebeuren. Wat verstandig is, is dat de minister de nodige veiligheidskleppen heeft ingebouwd. Wat we mogen hopen is dat die niet in werking hoeven te worden gesteld, omdat het doel van de operatie goeddeels kan worden gerealiseerd.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.7">Voorzitter! Het is een berekening die waarschijnlijk niet tot achter de komma klopt maar ver zal ik er niet naast zitten, anders word ik hier of later wel gecorrigeerd. Wanneer we de medeburgers beneden de 18 jaar niet meetellen zijn we in Nederland in het tegelijk rijke en zorgelijke bezit van een personenauto per twee inwoners. Sinds 1986, om een willekeurig jaartal te nemen, is de verkeersdrukte met bijna 60% gestegen. Dit jaar, 1999, zullen naar verwachting meer dan 700.000 personenauto's en bestelwagens aan wat wel "het park" wordt genoemd, worden toegevoegd.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.8">In het gekrioel dat achter die cijfers schuilgaat proberen zo'n 17.000 taxi's een weg te vinden, als het moet met nog wat meer enthousiasme dan de gemiddelde weggebruiker. Gezamenlijk "scoren" die taxi's tussen de 1 en 2% van de totale mobiliteit, meer een dan twee heb ik uit de stukken begrepen. Het lijkt niet veel maar gezien de functie van de taxi moet die prestatie niet worden onderschat. Het moet wel beter.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.9">"De hoofddoelstelling van het gewijzigd voorstel van de deregulering taxivervoer is om structureel een aanzienlijk grotere rol van de taxi in het personenvervoer te bereiken", laat de minister van Verkeer en Waterstaat ons in de memorie van antwoord weten. Hoewel ik er enigszins verbaasd over ben dat in de beleidsmaatregelen om de groei van de personenautokilometers te beperken (Beleidseffectrapportage 1998) het woord taxi niet voorkomt, lijkt me dat een nobel toegevoegd streven. De vraag is echter wat het concreet betekent. Wanneer acht de minister deze nu nog omstreden operatie geslaagd? Welke beleidsconsequenties denkt zij te moeten trekken wanneer nog in haar lopende ambtsperiode het tegendeel zal gebeuren van wat zij verwacht? Ik stel deze vragen omdat de minister ook zelf nogal omzichtig schrijft en spreekt over de uitkomst die zij verwacht. De nieuwe wet- en regelgeving heeft al veel kruim gekost en zal nog veel inzet vergen. Van decentralisatie naar centralisatie, waar in de "vervoersketen" het streekvervoer en delen van de spoorwegen een tegengestelde beweging maken, maar zich tegelijkertijd steeds nadrukkelijker op de taximarkt begeven. Van de vanzelfsprekendheid van dienstverlening het klokje rond in stad en land naar de vrijheid om zelf te beslissen waar en wanneer wel of niet gereden wordt en tegen welke prijs. De minister zal begrijpen dat wij best begrip kunnen opbrengen voor de terughoudendheid die zij ook zelf aan de dag legt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.10">Voorzitter! Meer prijsdynamiek, meer mogelijkheden om als beroepsbeoefenaar in de markt te komen, afschaffing van het toerbeurtsysteem. Dat is, wederom in MDW-termen, de kern van dit voorstel. De voorbeelden van gelijksoortige ontwikkelingen in sectoren als de makelaardij en het notariaat kan ik, heel eerlijk gezegd, niet goed beoordelen. Van de binnenvaart ben ik een beetje beter op de hoogte. Een vergelijking daarmee gaat in ieder geval niet op, omdat er langs verschillende kanalen honderden miljoenen guldens in die sector zijn geïnvesteerd vooraleer de liberalisering een feit kon worden. En ook hierbij kan pas op langere termijn worden bezien, wat het effect van de maatregelen voor de binnenvaart zelf en voor het vervoersbeleid in meer algemene zin zal zijn. Overigens juichen wij het toe dat de kosten en baten van het MDW-project beter in beeld gebracht gaan worden. Wellicht dat daardoor én door monitoring en evaluaties het draagvlak voor het beleid versterkt kan worden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.11">Het is, denk ik, een eufemisme wanneer ik zeg dat het met het draagvlak voor de nieuwe Taxiwet op dit moment nog niet buitengewoon goed gesteld is. In onze schriftelijke inbreng hebben wij de minister gevraagd wat zij verstaat onder "ontwikkelingen die leiden tot brokken en die niet in het belang van de passagier of de ondernemer zijn". Haar antwoord is duidelijk. De vrees bestaat dat het met name in de grote steden wel weer eens zou kunnen gaan rommelen, zoals eerder – of nog steeds? – het geval was bij de toetreding van Taxi Direct in Amsterdam en de Treintaxi in Amsterdam en andere steden. Terecht laat de minister er geen misverstand over bestaan: intimidatie dient tot uitsluiting te leiden. En terecht ruimt zij ook een ander misverstand uit de weg: tarieven dienen publiek bekend te worden gemaakt, ze dienen in en op de auto zichtbaar te zijn en er kan niet over worden onderhandeld. Ik heb het gevoel dat op dit laatste punt veel voorlichting nodig is, omdat dit voor veel reizigers nog absoluut onduidelijk is. Wellicht zou er, wanneer er in de branche zelf geen draagvlak is om hier een massieve campagne tegenaan te zetten, voor de overheid een taak zijn weggelegd om de burger op dit vlak te informeren.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.12">Voorzitter! Ik voeg hieraan naar aanleiding van de discussie van vanochtend in mijn fractie nog iets toe. Bij ons rees de vraag, hoe het zit met de acceptatieplicht, nu en straks bij de nieuwe wetgeving. Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik het antwoord op deze vraag schuldig moest blijven. Ik vraag de minister dan ook of zij hierover haar licht zou willen laten schijnen, waarbij ik uiteraard met name aan ouderen en gehandicapten denk.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.13">Een hoofdstuk apart in de kleurrijke geschiedenis van de Nederlandse taxi – het is ook al door vorige woordvoerders gezegd – wordt gevormd door het "Schipholvervoer", meer in het bijzonder door de status aparte die de nationale luchthaven bezit, zoals de heer Baarda het noemde, ook als het om de taxi gaat. Hoewel ik begrip kan opbrengen voor de bijzondere positie die Schiphol ook voor de toekomst claimt, denk ik dat het beter zou zijn als het zich naar de nieuwe situatie voegde. De luchthaven heeft gewezen op het belang van de kwaliteit van het vervoer, omdat het voor miljoenen mensen om de eerste kennismaking met ons land gaat. Dit mag zo zijn, doorslaggevend is het in onze ogen niet. Met de nieuwe Taxiwet wordt juist kwaliteit en een gedifferentieerd aanbod beoogd. Het zou moeilijk te verdedigen zijn, wanneer een van de belangrijkste marktplaatsen die ons land kent op het gebied van taxi's, van de deregulering wordt uitgezonderd. Terecht heeft de minister Schiphol erop gewezen dat het taxibeleid, dat men ook in de toekomst denkt te voeren, wezenlijk strijdig is met de nieuwe wet. Al dan niet via de NMA wordt er, zo heb ik begrepen, toegewerkt naar een min of meer op Schiphol toegesneden model waarin de markt toch kan worden geopend. Mij dunkt, dat het moeilijk is uit te leggen, wanneer het bij één uitzondering blijft.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.14">Zoals ik al eerder aangaf, is het aandeel van de taxi in de mobiliteit beperkt, al mag het belang ervan niet worden onderschat. Dit laatste heb ik ook gezegd. Dit geldt zowel voor de straattaxi als voor het contractvervoer. De minister beoogt de positie van de taxi in de keten van het totale personenvervoer aanzienlijk te versterken. Ik heb mij wel eens afgevraagd of dat met gesloten beurs kan. Zo goed als het collectief openbaar vervoer ook in de nieuwe situatie een financiële band met de overheid zal onderhouden, zo goed lijkt het mij denkbaar dat onder omstandigheden ook het meer individuele openbaar vervoer, als onderdeel van de keten, tegemoet wordt gekomen. Veiligheid op straat en leefbaarheid van het platteland behoren tot de prioriteiten van alle overheden. Daar wordt in alle opzichten veel in geïnvesteerd. Tegen die achtergrond is het niet goed te begrijpen dat veel burgers in de avonduren steeds meer afhankelijk worden van de diensten die particuliere auto's nu eenmaal 24 uur per dag kunnen bieden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.15">De minister verwacht van de nieuwe Taxiwet een aanmerkelijke groei van het vervoer. In Amsterdam is daar enthousiast op gereageerd. De taxicentrale moet de tarieven met 10% tot 20% gaan verhogen om aan de zegeningen van de deregulering het hoofd te kunnen bieden. Is dat mogelijk een gevolg van de afwaardering van de vergunningwaarde? Ik mag wel zeggen dat dit een van de hoekstenen van de nieuwe Taxiwet is. In de Tweede Kamer, alsook in de schriftelijke inbreng van deze Kamer, heeft dit onderwerp veel aandacht gekregen. Een- en andermaal heeft de minister geschetst op welke manier en met welke faciliteiten aan dit probleem het hoofd wordt geboden. Ook ons is geworden dat het in bruikleen geven of ondershands verkopen van de ondernemersvergunning strafbaar is, maar nu ook weer niet zó strafbaar, dat een versnelde afschrijving van de goodwill niet sinds 1998 tot de mogelijkheden zou behoren. Rest overigens de oorspronkelijke vraag: mag ervan worden uitgegaan dat dit voor een groep netelig en serieus probleem uiteindelijk op een aanvaardbare manier wordt opgelost?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.16">In de memorie van antwoord wordt de vraag over de herinrichting van de opstelplaatsen van een operatie opgewaardeerd tot een operette. Ik vermoed dat dit een drukfoutje is. Het zou wel op een operette kunnen uitdraaien, wanneer de wet wordt ingevoerd en belangrijke infrastructuur niet is aangepast. Een stuurgroep heeft inmiddels een onderzoek naar de herinrichting besproken. Wat zijn de bevindingen? Ook als de zaak bevredigend geregeld is – ik denk overigens dat dit nog een drukfout is – zal dat niet tot uitstel leiden, zo las ik. De vraag is echter wat er gebeurt als er geen bevredigende regeling tot stand komt. Een variant op de gestelde vraag is: wie bepaalt, betaalt?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.1.17">Ik sluit af met datgene waarmee ik begon. Wij hebben geen blind vertrouwen in de resultaten van het voorgestelde beleid, maar geven de minister het voordeel van alle twijfels, die zij ook zelf heeft. Natuurlijk hopen wij van harte dat haar doelstellingen meer dan waar worden gemaakt. Daarvoor is het onder andere noodzakelijk dat de invoering en de uitvoering van de nieuwe Taxiwet worden begeleid door een handhavingspraktijk, die het streven naar kwaliteit daadwerkelijk ondersteunt. Wie kiest voor deregulering en centralisatie neemt daarmee een zware last op de schouders. Ik hoop dat ook die last met overtuiging en overtuigingskracht wordt gedragen. Want the invisible hand van Smith en van de heer Terlouw kan gauw ontaarden in heel veel kleine onzichtbare handjes, die één grote worden.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.2.1">Mijnheer Castricum, aan het begin van uw maidenspeech noemde u de actualiteit. Ik wijs erop dat u uw carrière begonnen bent met de actualiteit, namelijk als journalist. U bent zeer snel terechtgekomen in de politiek. Sinds 1977 zat u in de Tweede Kamer, waarin u een jaar of achttien gezeten hebt. Daarna hebt u een jaar of vijf in het Europees Parlement gezeten. Wij merken in dit huis hoe belangrijk de Europese wet- en regelgeving voor ons werk is. Daarom heeft de Partij van de Arbeid er naar mijn mening zeer goed aan gedaan, iemand als u naar dit huis af te vaardigen. Wij hopen allemaal veel van uw ervaring op dit punt te leren. Ik wens u geluk met uw maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.5.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Coppoolse" MPid="03134" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-05-22" topic="Invoering kwalificatieplicht" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20062007-917-919.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20062007-917-919.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="7" number-of-words="1126" number-of-unique-words="485" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Onderwijs en wetenschap <pm:entity> Beroepsonderwijs</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Onderwijs en wetenschap <pm:entity> Voortgezet onderwijs</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Zorg en gezondheid <pm:entity> Jongeren</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Kalsbeek-Schimmelpenninck van der Oije" MPid="03011"/>
                <speaker name="Coppoolse" MPid="03134"/>
                <speaker name="Linthorst" MPid="02927"/>
                <speaker name="Meulenbelt" MPid="03019"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Coppoolse, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20062007-917-919.1.3" speaker="Coppoolse" party="CDA" function="De heer" title="De heer Coppoolse  (CDA)" MPid="03134">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.1" speaker="Coppoolse" function="De heer" MPid="03134">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Coppoolse (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Coppoolse</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.1.2">Voorzitter. Het verheugt mij zeer dat ik nog net voor het sluiten van de zittingstermijn mijn maidenspeech mag houden. Naar verwachting valt die samen met mijn laatste bijdrage aan het plenaire debat in dit huis. Het verheugt mij ook dat ik hier de staatssecretaris van Onderwijs mag ontmoeten. Ook voor haar is het een "maidenoptreden". Mijn fractie wenst de staatssecretaris veel succes toe in dit uitdagende ambt. Te beginnen met vandaag, want de jeugd verdient dat.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.1.3">Het nu voorliggende wetsvoorstel wil een forse bijdrage leveren aan de verbetering van kansen van jongeren, maar ook aan de kwaliteit van onze samenleving. Jongeren krijgen meer zicht op een goede integratie in de arbeidsmarkt. Tevens is het een betekenisvolle bijdrage aan de "aanval op de uitval". Bij een geslaagde implementatie van dit wetsvoorstel zal voortijdig schoolverlaten fors worden gereduceerd; de inschatting is zo'n 35%. Indirect zit de betekenis van dit wetsvoorstel in een beperking van de integratieproblematiek, het voorkomen van criminaliteit en betere sociale cohesie. De CDA-fractie staat dan ook zeer positief ten opzichte van de invoering ervan.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.1.4">Om de invoering tot een succes te maken is het essentieel dat een intensieve leerplichthandhaving wordt toegepast. Terecht worden de nodige maatregelen genomen en de middelen toegezegd om deze intensivering waar te maken. De praktijk van de afgelopen jaren wijst uit dat niet alle gemeenten hetzelfde niveau bereiken en dat de discipline bij de registratie van de onderwijsinstellingen niet overal gelijk is. In de praktijk – en ik heb dat ook zelf ervaren – is er toch een behoorlijk verschil tussen de good en de bad practises, overigens met aanzienlijke gevolgen voor de betrokken jeugd. Bij de jeugdhulpverlening in mijn gewest wisten zij een aantal jaren geleden exact de gemeenten te duiden die veel en weinig investeerden. Dat zegt iets.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.1.5">In de nota naar aanleiding van het verslag wordt aangegeven dat de regering de vinger aan de pols houdt en zal kijken in hoeverre aanvullende maatregelen nodig zijn om de naleving van de Leerplichtwet door scholen en gemeenten te verbeteren. Heeft de regering op basis van het huidige wettelijke instrumentarium voldoende mogelijkheden om waar nodig op dit punt voldoende bijsturing af te dwingen? Die vraag wordt mede gevoed door het feit dat de laatste jaren veel bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn neergelegd op lokaal niveau en bij de onderwijsinstellingen. Het CDA heeft dit ook ondersteund.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.1.6">Bij het terugdringen van het voortijdig schoolverlaten – wat sociaal-maatschappelijk zeer gewenst is – is de CDA-fractie zich ervan bewust dat de aanval op uitval breder ingezet moet worden dan alleen met deze wet. In het advies van de Raad van State en in de memorie van toelichting wordt hierbij uitvoerig stil gestaan. Ook bij de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer is de staatssecretaris hierop uitvoerig in gegaan. Wij gaan er dan ook van uit dat al die andere instrumenten met voortvarendheid ingezet gaan worden. Het aantal van 57.000 voortijdig schoolverlaters moet in 2010 worden teruggebracht tot 35.000. Deze ambitie heeft de steun van mijn fractie. Wij worden graag op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.1.7">Het wetsontwerp geeft aan dat er jongeren zijn voor wie het behalen van een startkwalificatie te hoog gegrepen is. Leerlingen van het praktijkonderwijs en uit cluster 2 en 3 van de Wet op de expertisecentra worden vrijgesteld van de kwalificatieplicht. Mijn fractie heeft bij het verslag aandacht gevraagd voor kinderen uit cluster 4 en dan vooral de jongeren met een autistische aandoening. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt gesteld dat cluster 4-jongeren veelal geen cognitieve beperkingen hebben, maar dat er sprake is van gedragsproblematiek en dat daardoor geen generieke uitzondering voor deze cluster gemaakt kan worden. De duiding van die cluster 4-jongeren blinkt volgens ons niet uit in nuance in deze tekst. Mijn fractie destilleert wel uit het antwoord dat er, als er geen ruimte is voor een generieke uitzondering, wel ruimte zou moeten zijn voor een specifieke uitzondering. Voor veel jongeren met een autistische aandoening zou dit een zegen zijn, want voor hen is het echt niet haalbaar om te voldoen aan die kwalificatieplicht.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.1.8">De nu voorliggende tekst is echter tamelijk nauw geredigeerd. Kan de staatssecretaris ons bevestigen dat er op basis van het gestelde in de nota naar aanleiding van het verslag wél ruimte is voor specifieke uitzonderingen? Een toezegging van de staatssecretaris op dit punt zou ons zeer welkom zijn.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.2.1">Mijnheer Coppoolse, ik wil u graag van harte feliciteren met uw maidenspeech over de wijziging van onder andere de Leerplichtwet, een onderwerp dat u na aan het hart ligt. Naast uw politieke activiteiten en ook voordat de politiek uw beroep werd, hebt u tientallen jaren in het onderwijs gewerkt bij diverse scholen in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. U bent nog niet zo lang lid van deze Kamer, namelijk pas sinds 16&#160;januari dit jaar. U zei zelf al dat u na 5&#160;juni niet terugkeert. Aan het commissiewerk hebt u de afgelopen maanden echter actief deelgenomen. Als klap op de vuurpijl hebt u vandaag, op de laatste volle vergaderdag voordat een deel van de Kamer afscheid neemt, een bijdrage geleverd aan het plenaire debat in deze Kamer. Dat dit nog kon, heeft niet alleen u maar ook ons verheugd. Ik wil u dan ook graag feliciteren met uw betoog over dit wetsvoorstel.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.2.2">Ik wil het nog even kort over uzelf hebben. Uw eerdere politieke carrière lag in Zeeland, waar u van 1987 tot 2004 lid bent geweest van provinciale staten van Zeeland. De laatste acht jaar van die periode was u ook werkzaam als gedeputeerde, onder meer belast met de portefeuilles sociale zaken, grensoverschrijdende samenwerking, de Deltawerken, sport, jeugdzorg en – hoe kan het ook anders – onderwijs. Voor het CDA bent u al heel lang actief. Vanaf 1965 bent u gedurende verschillende perioden voorzitter geweest van diverse kieskringen en afdelingen. Sinds 2003 bent u voorzitter van het CDA Zeeland. Daarnaast bent u lid van het partijbestuur van het CDA.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.2.3">Uw leven heeft altijd gebruist van bestuurlijke activiteit. U bent een van degenen die zich ook bijzonder sterk hebben gemaakt voor natuurbehoud en verantwoord landschapsbeheer. Daarbij kwamen uw professie en politieke dadendrang bijeen. Uw lidmaatschap van deze Kamer is weliswaar van korte duur, maar de waardering voor uw inzet hier tot nu toe, deskundigheid en ervaring is er niet minder om. Zeker in Zeeland is uw toetreden tot deze Kamer niet onopgemerkt gebleven, want met u had Zeeland weer een senator. Ik wens u toe dat u de dagen die u nog in dit huis resten, als heel plezierig en zinvol zult ervaren. Daar ben ik ook van overtuigd. Nogmaals proficiat met uw maidenspeech.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.2.4">Ik schors de vergadering enkele ogenblikken om ook anderen de gelegenheid te geven om u te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-20062007-917-919.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Coppoolse, ik wil u graag van harte feliciteren met uw maidenspeech over de wijziging van onder andere de Leerplichtwet, een onderwerp dat u na aan het hart ligt. Naast uw politieke activiteiten en ook voordat de politiek uw beroep werd, hebt u tientallen jaren in het onderwijs gewerkt bij diverse scholen in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. U bent nog niet zo lang lid van deze Kamer, namelijk pas sinds 16&#160;januari dit jaar. U zei zelf al dat u na 5&#160;juni niet terugkeert. Aan het commissiewerk hebt u de afgelopen maanden echter actief deelgenomen. Als klap op de vuurpijl hebt u vandaag, op de laatste volle vergaderdag voordat een deel van de Kamer afscheid neemt, een bijdrage geleverd aan het plenaire debat in deze Kamer. Dat dit nog kon, heeft niet alleen u maar ook ons verheugd. Ik wil u dan ook graag feliciteren met uw betoog over dit wetsvoorstel.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="De Boer" MPid="" party="ChristenUnie" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-07-10" topic="Criteria voor scholen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20062007-1229-1235.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20062007-1229-1235.1.5" which-speech-in-topic="4" number-of-paragraphs="14" number-of-words="1809" number-of-unique-words="670" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Onderwijs en wetenschap <pm:entity> Basisonderwijs</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Onderwijs en wetenschap <pm:entity> Overige vormen van onderwijs</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Onderwijs en wetenschap <pm:entity> Voortgezet onderwijs</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Dupuis" MPid="02263"/>
                <speaker name="Linthorst" MPid="02927"/>
                <speaker name="Van de Beeten" MPid="02290"/>
                <speaker name="De Boer" MPid=""/>
                <speaker name="Meulenbelt" MPid="03019"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer De Boer, die zijn maidenspeech zal houden. Dit is de laatste maidenspeech voor het reces.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5" speaker="De Boer" party="ChristenUnie" function="De heer" title="De heer De Boer  (ChristenUnie)" MPid="">
                    <speech party="ChristenUnie" docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1" speaker="De Boer" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer De Boer (ChristenUnie)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>De Boer</naam>
                                <partij>ChristenUnie</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.2">Voorzitter. Deze bijdrage is ook namens de fractie van de SGP.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.3">Bij een discussie over de leerplicht hebben we te maken met in ieder geval twee verantwoordelijkheden. Allereerst is er de verantwoordelijkheid van ouders en andere opvoeders voor de opvoeding en daarmee voor het onderwijs van hun kinderen. Zij dragen de verantwoordelijkheid om hun kinderen op te voeden en te onderwijzen naar de waarden en normen waarvan zij menen dat die goed zijn voor hun kinderen. In een pluriforme samenleving als de Nederlandse kom je verschillende waarden- en normenstelsels tegen, die voor ouders leidend zijn bij de opvoeding van hun kinderen. Deze pluriformiteit in onze Nederlandse samenleving heeft geleid tot een onderwijsstelsel dat ouders veel mogelijkheden biedt. Deze ruimte bij opvoeding en onderwijs is ook in het verleden breed gedragen. Zo schreef Troelstra in een artikel in Het Volk in 1901 al dat ouders de gelegenheid zouden moeten hebben om onderwijs te verkrijgen voor hun kinderen dat strookt met hun geestesgesteldheid. Hij verklaarde zich tegen "staatsdwang op geestelijk gebied". Veel later noemde Van Kemenade de vrijheid van onderwijs een kenmerk van ons staatsbestel, waarin verdraagzaamheid en culturele pluriformiteit als essentiële kenmerken worden beschouwd. Deze waarden liggen aan de basis van de onderwijsvrijheid, een vrijheid die past bij een samenleving die ruimte biedt voor verscheidenheid op het terrein van waarden en normen – aldus Van Kemenade.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.4">De andere verantwoordelijkheid is die van de overheid. De overheid moet de ouders in de gelegenheid stellen om hun verantwoordelijkheid voor hun kinderen te dragen. De overheid moet daartoe dan ook de goede mogelijkheden bieden. Bovendien heeft de overheid er een terecht algemeen belang bij dat kinderen voor het welzijn, het welvaren en de toekomst van ons land deugdelijk onderwijs ontvangen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.5">In ons land zijn beide verantwoordelijkheden samengekomen in artikel 23 van de Grondwet. In dat artikel stelt de overheid zich immers garant voor voldoende onderwijs en voor financiële middelen, terwijl ouders voldoende ruimte krijgen om eigen scholen op te richten. Vrijheid van onderwijs, van richting, oprichting en van inrichting dus; een drieslag. Willen ouders voor hun school rijkssubsidie krijgen, dan moet hun school aan een aantal bij wet geregelde voorwaarden voldoen. Dan is er ook toezicht van de inspectie. Overigens is ook binnen het bijzonder onderwijs toezicht altijd geaccepteerd. Sterker nog, in het begin van de twintigste eeuw hadden grote groepen bijzondere scholen ook nog een eigen inspectie.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.6">Ouders kunnen er ook voor kiezen om hun school zelf te betalen. Maar ook dan zijn er eisen die de overheid aan dergelijke niet-bekostigde scholen stelt, zij het dat het een gering aantal eisen is.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.7">En nu komen we bij het wetsvoorstel dat thans ter bespreking voor ons ligt. Laten we vooropstellen, dat het te prijzen is in de staatssecretaris dat zij de deugdelijkheid, of zo u wilt de kwaliteit van het onderwijs hoog in het vaandel heeft. Dat is ook wel nodig: volgens de inspectie en het schooltoezicht – en ik beperk me nu tot het basisonderwijs – presteren veel scholen gewoon slecht. Ik schrok ervan dat het op dit moment ongeveer 100 bekostigde basisscholen betreft, met naar ik schat tussen de 15.000 en 20.000 leerlingen. Dat vraagt om actie.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.8">Bij de niet-bekostigde particuliere scholen betreft het maar een gering aantal leerlingen. Maar dat neemt niet weg, dat ook de kinderen op die scholen recht hebben op goed onderwijs. Daar moet de overheid op toezien. Daar heeft de overheid ook het instrument van de inspectie voor beschikbaar. Artikel 23 van de Grondwet geeft immers aan, dat ook niet-bekostigde scholen onder toezicht van de inspectie staan. En de inspectie inspecteert ook inderdaad. Het rapport "Niet bekostigd onderwijs" van augustus 2006 doet verslag van het inspectieonderzoek bij de 39 niet-bekostigde basisscholen. Dit onderzoek werd afgerond op 1&#160;oktober 2005.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.9">Ik wil de staatssecretaris graag confronteren met de uitslag van dit onderzoek en op grond daarvan een voorlopig standpunt innemen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.10">Van de 37 niet bekostigde basisscholen kregen er 29 een positief advies. Inmiddels is een aantal scholen gesloten of bekostigd geworden, zodat in het rapport wordt vermeld dat nog slechts twee niet-bekostigde basisscholen die eind 2005 een negatief advies kregen, open zijn. Vervolgens is er bij deze scholen onderzoek gedaan waarbij de criteria die thans in het wetsvoorstel genoemd worden, ook werden aangelegd. Uit dit onderzoek blijkt dat met name "radicaal vernieuwende basisscholen" niet aan de aangepaste criteria voldoen. Echter, ook dan blijkt dat aan het eind van het schooljaar 2005-2006 nog slechts 5 scholen niet aan de criteria voldoen. De inspectie schrijft dan ook in het voorwoord bij hun rapport: "Het werk van de inspectie heeft grote impact gehad op het scholenbestand. Veel (radicale) vernieuwers sloten hun deuren toen hen duidelijk was wat er 'nodig is' om een school in de zin van de Leerplichtwet draaiende te houden."</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.11">Toch wil de staatssecretaris in de leerplichtwet voor het niet-bekostigd onderwijs artikel 8 en grote delen van artikel 9 en artikel 10 van de Wet op het basisonderwijs opnemen. Dat zijn juist de artikelen die zich direct bemoeien met de inrichting van het onderwijs. Deze artikelen hebben betrekking op de deugdelijkheid van het onderwijs. Echter, die eisen worden in artikel 23 lid 5 van de Grondwet alleen gesteld aan het "geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs" en niet aan niet-bekostigde scholen. Het is dan ook niet voor niets dat de Raad van State onder andere adviseerde om artikel 8 van de WBO niet in de leerplichtwet op te nemen. Graag horen wij van de staatssecretaris inhoudelijke argumentatie waarom zij dit deel van het advies van de Raad van State niet heeft overgenomen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.12">Voor onze fracties is het beperken van de vrijheid van inrichting een principiële zaak. Er moeten wel heel zwaarwegende argumenten zijn om daarmee akkoord te kunnen gaan. Voor onze fracties lijkt het nauwelijks te verdedigen om voor het probleem van de deugdelijkheid van het niet-bekostigd onderwijs het zware kanon van ingrijpen in de grondwettelijke vrijheid van inrichting in stelling te brengen. Naar de mening van onze fracties is de inspectie mans genoeg om met de beschikbare middelen de kwaliteit van deze scholen te toetsen en daarover te adviseren. Het aangehaalde onderzoek van de inspectie legt daar overtuigend bewijs van af, maar we vernemen graag de verdediging van de staatssecretaris.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.13">Een ander punt dat in het kader van dit wetsvoorstel ter sprake is gekomen, betreft de leerplicht van kinderen van ouders die vrijstelling van de plicht tot inschrijving op een school of instelling hebben gekregen. Ook mevrouw Linthorst sprak daarover; zij heeft daarover een motie ingediend. Met name gaat het daarbij om kinderen van ouders die bezwaar hebben tegen de richting van alle binnen redelijke afstand bestaande scholen, en om kinderen die op lichamelijke of psychische gronden ongeschikt zijn om tot een school of instelling te worden toegelaten. Voor deze kinderen bestaat geen leerplicht en ook is niet bekend of en hoe ze onderwijs ontvangen, al zullen er zeker ouders zijn die zorgen dat hun kinderen via huisonderwijs voldoende worden opgeleid.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.14">De staatssecretaris heeft dit probleem onderkend maar ervoor gekozen oplossingen ervoor buiten het onderhavige wetsvoorstel om te regelen. Wel heeft zij recent informatie gegeven over het aantal kinderen waarom het gaat. Tot mijn grote schrik zijn er thans meer dan 1900 kinderen die op lichamelijke of psychische gronden geen onderwijs ontvangen, ondanks de vele mogelijkheden in het zmok-onderwijs. Dit aantal is veel hoger dan in ieder geval ik wist. Daarnaast is er een veel kleiner aantal leerlingen waarvan de ouders op denominatieve gronden hun kinderen niet naar een school sturen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.1.15">In de brief van 6&#160;juli geeft de staatssecretaris aan in december aanstaande met een brief te zullen komen over hoe ze dit probleem wil aanpakken. Eerlijk gezegd, vinden wij dit vaag. Bovendien vraag je je af waar wij mee bezig zijn: deze grote groep kinderen nog even laten voor wat het is en wel de grondwettelijke vrijheid van inrichting inperken voor een kleine, wel te traceren en wel te inspecteren groep particuliere scholen. De motie van de PvdA-fractie heeft op dit punt dezelfde strekking als wat ik heb gezegd. Ik ga ervan uit dat "voldoende onderwijs" ook huisonderwijs kan zijn. Ouders kunnen daarbij zelf bezien op welke wijze zij onderwijs geven. Een aantal ouders wil niet worden verplicht om hun kinderen naar een instituut te sturen. In ieder geval wil ik van de staatssecretaris een gedegen uitleg van het beleid horen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.2.1">Mijnheer De Boer, ik wil u graag van harte feliciteren met uw buitengewoon heldere maidenspeech over de wijziging van de Leerplichtwet 1969 met betrekking tot criteria voor particuliere scholen. Het kan geen toeval zijn dat u uitgerekend bij een dergelijk onderwerp uw maidenspeech houdt, want u bent een onderwijsman bij uitstek. Dat blijkt niet alleen uit uw curriculum vitae maar ook uit uw inbreng van vandaag.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.2.2">U volgde de gereformeerde kweekschool in Enschede en studeerde vervolgens algemene theoretische en historische pedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. U bent onderwijzer geweest op een gereformeerde basisschool en directeur van achtereenvolgens de schoolbegeleidingsdienst te Zwolle en de bestuursorganisatie gereformeerd onderwijs in Wezep. Van 1999 tot 2001 was u voorzitter van de centrale directie van de Hogeschool Zwolle.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.2.3">U bent al heel lang politiek actief, lange tijd vooral achter de schermen. Zo was u lid van de jongerenafdeling van het GPV, lid van het bestuur van het GPV, voorzitter van de GPV-kiesvereniging Kampen en voorzitter van de kandidaatstellingscommissie voor de Tweede Kamerverkiezingen in 2002. Verder bent u – het houdt niet op – lid geweest van het curatorium van de Mr. G. Groen van Prinsterer Stichting, het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie. Van 1986 tot maar liefst de invoering van het dualistisch bestel in gemeenten in 2002 bent u lid geweest van de gemeenteraad van Kampen. Intussen bent u in januari 2001 wethouder geworden en tot de verkiezingen van vorig jaar in die functie verantwoordelijk geweest voor de portefeuilles cultuur, sociale zaken en – hoe kan het anders – onderwijs. U hebt vanuit die verantwoordelijkheid vooral de bouw van onderwijs- en culturele voorzieningen een belangrijke stimulans kunnen geven.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.2.4">Mensen uit de Kampense politiek karakteriseren u als een politicus die tegelijkertijd bevlogen en bescheiden is; zo hoort u nog eens wat. U weet in politiek moeilijke discussies de spanning te breken en zaken te relativeren. U schijnt een echte samenbinder te zijn, die daarbij wel zijn eigen lijn vasthoudt. De verwachting die men, althans in Kampen, van u heeft over de invulling van uw lidmaatschap van deze Kamer, is dat wij u zullen meemaken als een heel goede debater met een geweldige dossierkennis. Mochten uw voormalig collega's gelijk krijgen – ik heb geen enkele reden om daaraan te twijfelen – dan zullen wij nog heel veel van u vernemen, met het nodige plezier, in dit huis.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.2.5">Ik wens u alle succes toe en geef de collega's graag de gelegenheid voor felicitaties.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.3">
                        <p docno="h-ek-20062007-1229-1235.1.5.3.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer De Boer, ik wil u graag van harte feliciteren met uw buitengewoon heldere maidenspeech over de wijziging van de Leerplichtwet 1969 met betrekking tot criteria voor particuliere scholen. Het kan geen toeval zijn dat u uitgerekend bij een dergelijk onderwerp uw maidenspeech houdt, want u bent een onderwijsman bij uitstek. Dat blijkt niet alleen uit uw curriculum vitae maar ook uit uw inbreng van vandaag.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="De Graaf" MPid="" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2004-04-27" topic="Overleveringswet" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-1328-1335.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-1328-1335.1.7" which-speech-in-topic="6" number-of-paragraphs="6" number-of-words="1159" number-of-unique-words="508" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Strafrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Internationaal <pm:entity> Europese zaken</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Witteveen" MPid=""/>
                <speaker name="Kohnstamm" MPid="02667"/>
                <speaker name="Koekkoek" MPid="02524"/>
                <speaker name="De Wolff" MPid="02281"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="De Graaf" MPid=""/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer De Graaf, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7" speaker="De Graaf" party="VVD" function="De heer" title="De heer De Graaf  (VVD)" MPid="">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.1" speaker="De Graaf" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer De Graaf (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>De Graaf</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.1.2">Mevrouw de voorzitter. De VVD-fractie zegt de minister dank voor de uitgebreide en overwegend heldere beantwoording van de schriftelijke vragen en zijn reactie op de kanttekeningen bij het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel strekt tot implementatie in de Nederlandse wetgeving van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Unie. Doel van het kaderbesluit is vereenvoudiging en versnelling van de bestaande uitleveringsprocedure tussen de EU-lidstaten. De VVD-fractie is een groot voorstander van vereenvoudiging en versnelling van procedures, ook in Europees verband, mede omdat de bureaucratie hierdoor daadwerkelijk wordt teruggedrongen. Wij verwachten ook dat dit niet het laatste wetsvoorstel met een dergelijke strekking zal zijn, gelet op de zich steeds verder ontwikkelende Europese juridische ruimte.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.1.3">Tegelijkertijd beseffen wij dat juist dit soort voorstellen vraagt om een kritische toetsing aan de in ons rechtsstelsel bestaande rechtswaarborgen. Naar onze mening heeft dit wetsvoorstel gedurende de uitgebreide behandeling in de Tweede Kamer en de behandeling tot nu toe in dit huis die toets der kritiek doorstaan. Waar wij wel tegen aanlopen, is het feit dat het hier een uitvoeringswet betreft. Dat impliceert dat met de totstandkoming van het Europees kaderbesluit de marges van de nationale bewegingsruimte zijn bepaald.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.1.4">In de inleiding van de memorie van antwoord refereert de minister nog eens met nadruk aan de voorgeschiedenis van het wetsvoorstel, te weten de onderhandeling van het kaderbesluit in de tweede helft van 2001. Voorgaande sprekers hebben hier ook op gewezen. De minister heeft hier ook aan gerefereerd bij de behandeling in de Tweede Kamer. Dat is volgens ons begrijpelijk, want de voorbereiding van de positiebepaling van Nederland tijdens de korte tijd van onderhandelingen in Brussel heeft in vrijwel wekelijks overleg met de vaste commissie voor Justitie in de Tweede Kamer plaatsgevonden. Ten behoeve van dat overleg heeft de minister schriftelijk over de diverse elementen van het kaderbesluit, de knelpunten en de voortgang bericht. Onder meer het verdwijnen van de politieke toets van de minister van Justitie en de concentratie van de procedure bij één gerecht zijn toen aan de orde geweest. Een en ander heeft toen niet tot vergaande discussie geleid. Beide Kamers der Staten-Generaal hebben uiteindelijk met het kaderbesluit ingestemd, aldus de minister. En wie schetst zijn verbazing dat bij de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel alles nog eens dubbel en dwars wordt overgedaan. Mijn vraag is wat de minister nu eigenlijk met zijn verwijzingen naar de voorgeschiedenis bedoelt heeft te zeggen. Zint hij wellicht op een andere werkwijze bij een volgende gelegenheid van Europese regelgeving, mede met het oog op het halen van de invoeringsdatum? Kortom, welke gevolgen zouden de beide Kamers naar de mening van de minister moeten verbinden aan een intensief voortraject in Europees verband van de Nederlandse uitvoeringswetgeving?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.1.5">Op grond van de Overleveringswet worden, anders dan op grond van de Uitleveringswet, de overleveringsprocedures niet langer gevoerd door de regeringen, maar door de justitiële autoriteiten van de lidstaten. Dit betekent onder meer dat de toetsing door de minister van Justitie van de beslissing van de rechter komt te vervallen. Dat het openbaar ministerie als uitvaardigende en uitvoerende instantie van een Europees aanhoudingsbevel een zeer belangrijke rol zal gaan spelen in overleveringsprocedures, is door de minister nog eens benadrukt in zijn memorie van antwoord. Wat blijft, is de politieke verantwoordelijkheid van de minister voor het doen en laten van het openbaar ministerie in dergelijke procedures. De minister formuleert dit als volgt: "Het spreekt vanzelf dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor het openbaar ministerie zich ook uitstrekt tot het optreden van het openbaar ministerie in overleveringszaken. Er is daarom geen sprake van vermindering van de democratische controle op de toepassing van de overlevering."</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.1.6">Hoe nu, indien het openbaar ministerie, ingeval van een verzoek om overlevering, om inhoudelijke of procedurele redenen niet ontvankelijk wordt verklaard door de overleveringsrechter, waardoor de zaak wordt beëindigd en vervolgens de verwijten van de uitvaardigende lidstaat niet van de lucht zijn? Hoe denkt de minister in zo'n geval invulling te geven aan zijn ministeriële verantwoording, nu in het algemeen zijn politiek toetsende rol als gevolg van het wetsvoorstel zal zijn uitgespeeld? Komt hij dan nog wel verder dan het constateren van een bedrijfsongeval? Kan de minister ons op dit punt nog eens bijlichten?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.1.7">Ter afronding moet ons nog één ding van het hart. Wij hebben ons verbaasd over het feit dat in de tekst van het wetsvoorstel in dit stadium van de behandeling nog zo veel verschrijvingen en onzorgvuldigheden voorkomen. Van het ministerie van Justitie, het neusje van de zalm op wetgevingsgebied, mag toch beter worden verwacht? Gaarne wachten wij de antwoorden van de minister af.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.2.1">Mijnheer De Graaf, gefeliciteerd met uw maidenspeech. U hebt uw maidenspeech gehouden over een wetsvoorstel waarover u in de schriftelijke voorbereiding niet alleen schriftelijke vragen hebt gesteld, maar waarbij u ook een aantal redactionele kanttekeningen hebt geplaatst. U bent schriftelijk uitgebreid ingegaan op het onzorgvuldige gebruik van het Nederlands en wel zodanig dat de op zichzelf onjuiste stelling dat u aan de Universiteit van Groningen behalve in het publiekrecht ook in de Nederlandse taal afstudeerde, zeer overtuigend is.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.2.2">Uw lidmaatschap van de Eerste Kamer is een nieuwe stap in uw lange loopbaan in het openbaar bestuur. Uw ervaring, met name met het lokaal bestuur, is groot: begonnen op het ministerie van Binnenlandse Zaken in 1975, via de gemeenteraad van Voorschoten, burgemeester van Leersum en burgemeester van Vught naar nu, sinds 1999, burgemeester van Apeldoorn. Apeldoorn biedt u als elfde stad van Nederland vele uitdagingen, maar daarnaast moet het in deze koninklijke stad voor u goed toeven zijn als oud-voorzitter van de Federatie van Oranjeverenigingen in Nederland en ook als oud-voorzitter van de Stichting Gouden Huwelijk Prinselijk Paar in 1986-1987. Bij een deel van onze bevolking hebt u zich daarnaast als burgemeester van Apeldoorn welhaast onsterfelijk populair gemaakt door – dat is morgen precies een jaar geleden – een koninklijke onderscheiding uit te reiken aan de Havenzangers.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.2.3">Naast vele nevenfuncties op lokaal en regionaal vlak hebt u ook landelijk van uw betrokkenheid bij onze samenleving doen blijken. Zo hebt u zich 21 jaar bestuurlijk ingezet, ook landelijk, voor het Nederlandse Rode Kruis. Ook uw plaatsvervangende voorzitterschap van het Nationaal Comité 4 en 5&#160;mei van 1991 tot 1996 en uw lidmaatschap van het dagelijks bestuur van de Nederlandse Oorlogsgravenstichting wil ik niet onvermeld laten. Uw Kamerlidmaatschap bracht u ertoe, terug te treden als voorzitter van de Vereniging tot behartiging der belangen van burgemeesters. Juist ook vanwege de actuele discussies rondom de positie van burgemeesters getuigt dit naar mijn inzicht van zuiver denken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.2.4">Mijnheer De Graaf, zuiverheid, niet alleen in het hanteren van onze taal maar ook in het scheiden van verantwoordelijkheden, uw lange ervaring in het lokaal bestuur en uw brede maatschappelijke betrokkenheid maken dat u bijzonder welkom bent in deze Kamer. Ik wens u van harte veel succes toe bij uw werkzaamheden hier!</p>
                    </speech>
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.3" speaker="De Graaf" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer De Graaf (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>De Graaf</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.3.2">Dank u wel, voorzitter.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.4">
                        <p docno="h-ek-20032004-1328-1335.1.7.4.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer De Graaf, gefeliciteerd met uw maidenspeech. U hebt uw maidenspeech gehouden over een wetsvoorstel waarover u in de schriftelijke voorbereiding niet alleen schriftelijke vragen hebt gesteld, maar waarbij u ook een aantal redactionele kanttekeningen hebt geplaatst. U bent schriftelijk uitgebreid ingegaan op het onzorgvuldige gebruik van het Nederlands en wel zodanig dat de op zichzelf onjuiste stelling dat u aan de Universiteit van Groningen behalve in het publiekrecht ook in de Nederlandse taal afstudeerde, zeer overtuigend is.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="De Vries" MPid="" party="RPF/GPV" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1999-12-13" topic="Algemene financiële beschouwingen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-319-350.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-319-350.1.9" which-speech-in-topic="8" number-of-paragraphs="17" number-of-words="2081" number-of-unique-words="849" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Ondernemen</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Belasting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Energie</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Economie <pm:entity> ICT</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Boorsma" MPid="02841"/>
                <speaker name="Stevens" MPid="02874"/>
                <speaker name="Hilarides" MPid="02865"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Wöltgens" MPid="01908"/>
                <speaker name="Ter Veld" MPid="02715"/>
                <speaker name="Van Bruchem" MPid="02285"/>
                <speaker name="De Vries" MPid=""/>
                <speaker name="Schuyer" MPid="02870"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer De Vries. Ook hij houdt zijn maidenspeech.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-319-350.1.9" speaker="De Vries" party="RPF/GPV" function="De heer" title="De heer De Vries  (RPF/GPV)" MPid="">
                    <speech party="RPF/GPV" docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1" speaker="De Vries" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer De Vries (RPF/GPV)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>De Vries</naam>
                                <partij>RPF/GPV</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.2">Mijnheer de voorzitter! Van alle landen van de Europese Unie is ons land het enige waar de belastingdruk sinds 1975 is gedaald. Stonden wij 24 jaar geleden nog aan de top van de toenmalige Europese Gemeenschap, vandaag ligt de belastingdruk blijkens een onderzoek van de Europese Associatie van Belastingbetalers precies op het gemiddelde van de Europese Unie. Mijn fractie en ook die van de SGP, namens wie ik ook mag spreken, achten dat een gelukwens waard, zowel aan de regering, als aan de burgers. Het huidige gunstige economische klimaat in ons land en vooral de lage werkloosheid, is, voorzover het van mensen afhangt, mede aan deze lastendaling te danken.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.3">Maar, zo voeg ik daaraan toe, het doel van de lastendaling is daarmee nu ook wel bereikt. Tegelijk voelen we namelijk her en der de knelpunten die het lang volgehouden stringente beleid heeft veroorzaakt. Op diverse beleidsterreinen liggen onze uitgaven, als percentage van het bruto nationaal product, beneden het gemiddelde in vergelijkbare Europese of OESO-landen; ik denk aan het onderwijs, de gezondheidszorg en de defensie. Weliswaar is zo'n vergelijking niet alles bepalend – het zou immers kunnen zijn dat wij hetzelfde efficiënter doen – maar als tegelijk uit juist die sectoren noodkreten klinken over financiële krapte, dan hebben die toch ten minste het vermoeden van redelijkheid. Voor de homogene groep internationale samenwerking is een vast percentage van het BNP afgesproken. Waarom doen we dat daar wel en niet op andere gebieden? Dat kan een nuttig ijkpunt zijn op terreinen waar de behoeften in beginsel onbegrensd zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.4">Onder deze omstandigheden hechten onze fracties dan ook niet meer zo aan verdere generieke lastenverlichting als doel op zichzelf. De daling van het begrotingstekort zien we wel graag gehandhaafd met het oog op een gezonde financiële situatie op de lange termijn. Bij de huidige economische voorspoed lijkt ons een overschot van 1% BNP een redelijk doel om tot versnelde vermindering van de staatsschuld te komen. Als er middelen beschikbaar zijn voor lastenverlichting, willen we die liever gericht inzetten ten gunste van de mensen met de laagste inkomens en dan is het van secundair belang, of dat gebeurt via de belasting of in de sfeer van overheidsuitgaven. Daarnaast is iedereen gebaat bij een behoorlijk niveau van onderwijs, zorg en publieke veiligheid. Wij willen de regering dan ook aansporen om naast lastenverlichting als automatische bestemming voor bepaalde meevallers of een deel daarvan, ook verbetering van de kwaliteit van publieke voorzieningen op te nemen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.5">Het zal duidelijk zijn, mijnheer de voorzitter, dat wij niet enthousiast kunnen zijn over de lastenverlichting zoals die vervat is in het Belastingplan 2000. Vooral de verhoging van het arbeidskostenforfait achten we niet de beste besteding van beschikbare middelen. Zeker, er zijn nog steeds te veel mensen die buiten het arbeidsproces staan, maar om hen aan het werk te helpen zijn veel gerichtere instrumenten nodig dan zo'n voor iedereen geldende verlaging van het bruto loon. Of een ander doel, bevordering van loonmatiging, hierdoor zal worden bereikt, is ook nog lang niet zeker.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.6">Het arbeidskostenforfait was oorspronkelijk bedoeld als aftrekpost voor kosten die mensen in verband met hun werk moesten maken. Voor het gemak van de fiscus werd dat in een forfait gegoten, dat voor de meesten toereikend was. Wie meer kosten had, kon ook die aftrekken met een specificatie. Inmiddels is de wet deze aftrekpost ook als arbeidsmarktinstrument gaan gebruiken en daarmee is hij van karakter veranderd. Hij doet nu geen recht meer aan individuele verschillen in de hoogte van arbeidskosten. Dat heeft zelfs geleid tot een kritische uitspraak van de Hoge Raad. In het Belastingplan 2000 wordt dit oneigenlijk gebruik niet verder opgevoerd, maar de door de Hoge Raad gesignaleerde onbillijkheid voor mensen met veel echte arbeidskosten wordt ook niet ongedaan gemaakt. Dat lijkt ons in een rechtsstaat geen goede zaak. Waarom is het advies van de Raad van State om hieraan grote prioriteit te geven niet opgevolgd? Een beroep op de budgettaire consequenties, zoals in de memorie van toelichting wordt gedaan, is toch niet gepast jegens diegenen die door deze regeling benadeeld zijn? Hetzelfde moet gezegd worden van de differentiatie in het autokostenforfait. "Het kan niet" past niet erg bij de reputatie van deze staatssecretaris als fiscale alleskunner!</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.7">Mijnheer de Voorzitter! Ik sprak over de lastenverlichting via het arbeidskostenforfait. Vreemd is dat het effect van deze lastenverlichting op het nettoloon meteen meer dan ongedaan gemaakt door een extra verhoging van het tarief in de laagste schijf met een opbrengst van 1,4 mld. vanwege de fiscalisering van de omroepbijdragen. Wij hebben aan die maatregel op inhoudelijke gronden al geen behoefte, maar dit neveneffect is een extra argument tégen. We spannen ons wel graag in om het laagste tarief laag te houden. Het past ook niet in de doorgaande lijn van dit wetsvoorstel en het wetsvoorstel inzake de belastingherziening 2001. Die zijn er juist op uit om de lasten te verschuiven van directe naar indirecte heffingen. Hier wordt een bestemmingsheffing vervangen door verzwaring van de loon- en inkomstenbelasting. Hoe moet ik dit rijmen?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.8">Wij hebben in beginsel geen bezwaar tegen verschuiving van lastendruk van het inkomen naar de bestedingen. Dan dient echter wel een rechtvaardige verdeling naar draagkracht extra in het oog te worden gehouden. Het aangewezen instrument voor belastingheffing op bestedingen is de BTW met haar twee tarieven. Willen we speciale producten nog extra belasten, dan moet daarvoor een goede reden zijn. Er zal een motief aangewezen moeten worden waarom het wenselijk is de consumptie van een bepaald goed af te remmen. Dat motief is er als het gaat om zaken die het milieu belasten. Daarom hebben we een Wet belastingen op milieugrondslag. Vandaag stelt de regering ons echter voor, in die wet een belasting op leidingwater op te nemen. In het debat in de Tweede Kamer heeft de regering erkend dat het verband tussen drinkwater en milieu heel dun is. Vanuit milieubelangen valt deze belasting dan ook nauwelijks te verdedigen. Misschien is het tegendeel zelfs het geval. De aanleg van de waterleiding in de vorige eeuw heeft mogelijk meer aan de volksgezondheid bijgedragen dan alle medische uitvindingen samen!</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.9">De regering is voor haar verdediging nu teruggevallen op de algemene doelstelling van verschuiving van directe naar indirecte belastingen. Maar waarom dan uitgerekend het leidingwater als object voor een extra heffing? Die kan natuurlijk gemakkelijk geïnd worden en het verbruik zal door de hogere prijs niet of nauwelijks worden beïnvloed. Dat is prettig voor de begroting. Het lijkt erop alsof in het regeerakkoord met een natte vinger een bedrag is ingevuld voor "andere milieubelastingen dan energieheffingen" (700 mln.) en dat de staatssecretaris zich nu in alle bochten moet wringen om dat waar te maken, tot schade van de effectiviteit en de overtuigingskracht. Maar voor een accijns of wat daarmee te vergelijken is, moeten toch méér gronden kunnen worden aangewezen?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.10">Om dezelfde reden plaatsen we ook een vraagteken achter de frisdrankaccijns. Deze heffing verschuiven naar alcoholische dranken lijkt ons een goed idee! Wij verwachten van de drinkwaterheffing geen ander gevolg dan dat er middelen vrijkomen voor terugsluis of positieve prikkels. Maar dat is toch geen doel in zichzelf? En hoe zal de heffing op huishoudelijk afval tot zuinigheid bijdragen, zolang in veel gemeenten elk huishouden een vast bedrag aan afvalstoffenheffing betaalt?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.11">In verband met de verhoging van de afvalstoffenheffing zou ik de regering nog twee vragen willen stellen. Allereerst sluit ik mij aan bij de opmerkingen van de heer Stevens over de recycling van oud papier.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.12">Op de tweede plaats wijs ik erop dat gemeenten die gebonden zijn aan de Afvalverwerking regio Nijmegen, zich ernstig zorgen maken over de lastenverzwaring mede omdat hiermee tegelijk een korting van ƒ 35 per ton vervalt. Deze regio heeft al de hoogste kosten, omdat de ARN op last van hogere overheden een duur concept van afvalverwerking gebruikt, aangeduid met de letters GAVI. Ziet de regering nog mogelijkheden deze gemeenten tegemoet te komen?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.13">Aan het compenseren van verschuivingen van directe naar indirecte belastingen in de sfeer van de loon- en inkomstenbelasting, zitten haken en ogen. Ik heb er geen moeite mee dat inspanningen die leiden tot een zuinig gebruik van energie en water, beloond worden. Maar niet elk grootgebruik komt voort uit gebrek aan zuinigheid. Het kan ook veroorzaakt worden door de gezinsgrootte en daarmee wordt geen rekening gehouden bij de compensatie. Wat de grote gezinnen betreft heeft het kabinet gewezen op de, overigens geringe, verhoging van de kinderbijslag. Wij zien die echter meer als beperkte ongedaanmaking van de krasse verlaging die onder het vorige kabinet heeft plaatsgevonden. Er zou dus voor de grote gezinnen nog wel wat meer gedaan kunnen worden in verband met de ecotaks.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.14">In verband met de kinderbijslag is er onlangs weer enige discussie geweest of het zinvol is dat alle ouders die krijgen ongeacht hun eigen inkomen. Niet iedereen heeft dat geld immers in dezelfde mate nodig. Dat laatste is waar. Anderzijds is er binnen dezelfde inkomensgroep wel degelijk verschil in draagkracht tussen een huishouden zonder kinderen en bijvoorbeeld een gezin met drie kinderen in het voortgezet onderwijs. Aangezien onze belastingen hiermee geen rekening houden, zie ik de kinderbijslag als een vorm van correctie daarop. Het is bovendien een groot goed dat de kinderbijslag kan worden aangevraagd en uitgekeerd zonder de administratieve rompslomp van inkomensgegevens. Wel zou naar onze mening een andere ingreep te overwegen zijn die toch recht doet aan het verschil in belang van de kinderbijslag voor rijke en arme gezinnen. Zou het geen overweging verdienen deze bijslag tot het belastbaar inkomen te rekenen en dan de uitkeringen zo te verhogen dat de uitkomst voor de schatkist neutraal is? Netto hebben de laagstbetaalden er dan meer aan dan de hogerbetaalden, terwijl het stelsel eenvoudig blijft.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.15">Kunnen de bewindslieden al meedelen of de verlaging van de BTW op enkele arbeidsintensieve diensten op 1 januari zal ingaan en of Nederland inderdaad drie categorieën mag aanwijzen? Wil de regering erop toezien dat de BTW-verlaging aan de klanten wordt doorgegeven? Wat is het motief om schilderwerk te beperken tot huizen ouder dan 15 jaar? Maakt dat de uitvoering van de regeling niet te gecompliceerd? Laten de Europese regels twee tarieven voor dezelfde dienstverlening toe?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.16">Onze fracties betreuren het dat er op de top van Helsinki nog geen resultaat is geboekt op het gebied van belastingen. Wij denken dan zowel aan de belastingheffing op rente en dividenden als aan de onderlinge concurrentie tussen de lidstaten in de belastingen voor bedrijven. Op het eerste punt heeft Nederland groot belang; op het tweede verwachten onze medeleden in de EU ook een stap van onze kant. Gezien de animo van buitenlandse ondernemingen om hun hoofdkantoor hier te vestigen, zal dat wel niet helemaal uit de lucht gegrepen zijn. Het zou daarom goed zijn als onze regering niet de blanke onschuld speelt, maar zich bereid toont om erover te praten in EU-verband. Eventuele stappen hoeven natuurlijk niet eenzijdig te zijn. Grote landen zoals Engeland en Frankrijk mogen niet buiten schot blijven. Maar uiteindelijk is een begrenzing van deze vorm van concurrentie in ieders belang.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.17">Onze fracties volgen met belangstelling de discussie aan de overzijde over de belastingherziening 2001 en de veranderingen die in de loop van die behandeling in de voorstellen zullen worden aangebracht. Wij spreken de hoop uit dat wij in deze Kamer voor de overweging van deze belangrijke voorstellen de tijd zullen krijgen die ze verdienen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.1.18">Tot slot heb ik nog een vraag over de domeinen. Door de veranderingen in de krijgsmacht komen af en toe militaire terreinen vrij voor andere doeleinden. Het Rijk biedt die dan te koop aan. Soms betreft dat terreinen die in het militaire gebruik hun natuurwaarde hebben behouden of in de ecologische hoofdstructuur liggen. Provincies of natuurbeschermingsorganisaties zouden die graag willen kopen, maar hun klacht is dat het Rijk een dusdanige commerciële prijs vraagt dat alleen projectontwikkelaars die kunnen opbrengen. Maar daarmee gaat het terrein voor de natuur verloren. Is de regering bereid in zulke gevallen niet alleen economische, maar ook ecologische overwegingen te laten gelden?</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.2.1">Ik wens de heer De Vries graag geluk met het houden van zijn maidenspeech. Net als de vorige spreker is zijn praktijk in de praktische politiek gelegen geweest in de gemeenteraad, in dit geval van Amersfoort. Daarnaast is zijn belangrijkste professionele bezigheid gelegen geweest in de journalistiek; hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad al vanaf 1974. Voor die tijd was hij medewerker van de Tweede-Kamerfractie. Zo luisterend vandaag, moet dat voor die fractie een heel goede tijd zijn geweest. Ik wens de heer De Vries nogmaals van harte geluk.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.9.3.1">De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="De Vries" MPid="01724" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-07-09" topic="Volkenrechtelijk mandaat" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20062007-1157-1171.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20062007-1157-1171.1.4" which-speech-in-topic="3" number-of-paragraphs="18" number-of-words="2828" number-of-unique-words="915" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Internationaal <pm:entity> Militaire missies</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="De Graaf" MPid=""/>
                <speaker name="Vliegenthart" MPid=""/>
                <speaker name="De Vries" MPid="01724"/>
                <speaker name="Böhler" MPid="03135"/>
                <speaker name="Kuiper" MPid=""/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
                <speaker name="Russell" MPid=""/>
                <speaker name="Schouw" MPid="03025"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer De Vries, die eveneens zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4" speaker="De Vries" party="PvdA" function="De heer" title="De heer De Vries  (PvdA)" MPid="01724">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1" speaker="De Vries" function="De heer" MPid="01724">
                        <stage-direction type="spreker">De heer De Vries (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>De Vries</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.2">Mevrouw de voorzitter. De vorige spreker begon met de opmerking dat hij de jongste is van deze Kamer, ik kan u verzekeren dat ik mij nog menig dag erg goed voel.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.3">De regering heeft ons een notitie gestuurd en een aantal vragen beantwoord. Daarvoor dank. Het doel van de notitie is om in overleg met de Eerste en Tweede Kamer tot een nadere plaatsbepaling te komen. De notitie is dus volgens de regering niet helemaal af.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.4">Ik zal eerst iets zeggen over de omschrijving van het onderwerp. Het coalitieakkoord legt vast dat een adequaat volkenrechtelijk mandaat is vereist bij deelname aan missies met inzet van Nederlandse militairen. Omdat het hier over volkenrecht gaat, neem ik aan dat de regering van oordeel is dat ook militaire interventies waarbij geen Nederlandse militairen zijn betrokken, op zo'n adequaat volkenrechtelijk mandaat moeten berusten. Wat betekent het woord "adequaat" hier eigenlijk? De regering probeert een voorbeeld te geven van een niet-adequaat mandaat en schrijft dat het dit is "als een autorisatie van de Verenigde Naties verlopen is en niet verlengd". Dat lijkt mij geen goed voorbeeld. Volgens mij kan het woord "adequaat" beter geschrapt worden, want een beetje adequaat en een beetje mandaat lijkt mij geen goede basis voor besluitvorming.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.5">De notitie maakt overigens duidelijk dat de omschrijving in het coalitieakkoord ook in andere opzichten niet erg precies is. Allereerst moet volgens de notitie worden vastgesteld of geweldstoepassing en uitzending van militairen in overeenstemming is met het internationale recht. Met andere woorden: is er een rechtsgrondslag? Nederland hecht daar om twee redenen zeer veel betekenis aan: in de eerste plaats vanwege de Grondwet, het bevorderen van de internationale rechtsorde, en in de tweede plaats vanwege de reputatie van Den Haag als juridische hoofdstad van de wereld. Wij zijn het daar uiteraard van harte mee eens. Een militaire missie die in overeenstemming is met het internationale recht moet dus volgens de regering voldoen aan twee te onderscheiden vereisten. Ten eerste is er een rechtsgrondslag, want de hoofdregel is dat geweld in internationale verhoudingen niet is toegestaan tenzij er een uitzondering van toepassing is. Ten tweede is er een mandaat voor een missie. Dat betreft het verlenen van de opdracht met daarin de politieke en militaire doelstellingen en de specifieke taakomschrijving.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.6">De notitie gaat over het verlenen van militaire steun, maar geeft aan dat er een verband is met het verlenen van politieke steun "in welke mate en op welke manier die dan ook verleend wordt". Politieke steunverlening is van een andere orde dan deelname aan een militaire missie, aldus de notitie, maar ook voor de politieke steunverlening is het bestaan van een volkenrechtelijke rechtsgrondslag een vereiste. Kunnen de ministers aangeven of dat volgens hen dezelfde rechtsgrondslag is als bij een militaire missie?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.7">De hoofdregel is dat geweld in internationale relaties niet is toegestaan. Deze regel kent twee mogelijke uitzonderingen die een rechtsgrondslag voor militair optreden kunnen opleveren. De eerste is gelegen in artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties, dat het recht op individuele of collectieve zelfverdediging erkent. De tweede algemeen aanvaarde uitzondering op het geweldsverbod die een rechtsgrondslag oplevert, is toestemming, autorisatie, door de VN-Veiligheidsraad. De Veiligheidsraad staat dan expliciet het gebruik van "all necessary means" of "alle necessary measures" toe, sinds enige tijd, want de Veiligheidsraad wil volgens de notitie zeker stellen dat in resoluties die op hoofdstuk 7 van het Handvest zijn gebaseerd, waarin niet expliciet een dergelijke machtiging tot geweldsgebruik wordt gegeven, geen impliciete machtiging tot geweldsgebruik kan worden gelezen. Het komt mij overigens voor dat dit al uit de tekst en de opbouw van hoofdstuk 7 van het Handvest helder blijkt. Het hoofdstuk kent immers verschillende artikelen die expliciete besluitvorming voor zowel niet-militaire als militaire maatregelen tegen staten inhouden. Is de regering het met mij eens dat op basis van een resolutie die niet expliciet het gebruik van geweld toestaat, nooit geweld mag worden gebruikt?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.8">Naast deze algemene rechtsgrondslagen zijn er nog enkele afgeleide rechtsgrondslagen zoals een uitnodiging van het gastland of humanitaire interventies. De regering meent dat in een humanitaire noodsituatie ingrijpen op politieke en morele gronden nodig kan zijn. Mijn fractie volgt de regering hierin, maar realiseert zich met de regering dat het inderdaad een nooduitgang betreft die slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden gebruikt.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.9">Dat geldt ook als in de VN-Veiligheidsraad één lid militair ingrijpen in verband met een ernstige en grootschalige schending van mensenrechten zou tegenhouden. Het gaat dan wel om uitzonderlijke omstandigheden, stelt de regering, want er zijn grote gevaren, zoals misbruik, uitholling van het geweldsverbod en ondergraving van de positie van de Veiligheidsraad. Hiermee moet derhalve met de grootst mogelijke terughoudendheid worden omgegaan. Als niet één maar een aantal permanente leden van de VN-Veiligheidsraad zich tegen het gebruik van geweld tegen een ander land uitspreekt, kan in elk geval van een rechtsgrond voor het optreden niet meer worden gesproken. Vindt de regering dit ook?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.10">Mijn fractie kan zich in algemene zin goed vinden in datgene wat wel in deze notitie staat, maar het heeft haar bevreemdt dat in het hele stuk, waarin heel veel landen en heel veel interventies worden genoemd, het woord "Irak" niet voorkomt, terwijl toch algemeen wordt aangenomen dat de afspraak in het coalitieakkoord vooral met het begin van de oorlog tegen Irak te maken had. Misschien vergis ik mij, maar als deze volkenrechtelijke analyse nog verder wordt uitgewerkt, valt met name te denken aan een analyse van de geoorloofdheid van de militaire aanval op Irak.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.11">Alvorens nog een aantal vragen aan de regering voor te leggen, merk ik op dat de betekenis van de voorgelegde notitie natuurlijk in en aan de praktijk moet worden getoetst. Dan wordt bepaald in welke mate regering en parlement zich door het volkenrecht gebonden weten. Nederland, het land van Hugo de Groot, heeft op dit gebied een imponerende geschiedenis. De notitie van de regering vermeldt dan ook terecht de Grondwet en de reputatie van Den Haag als de juridische hoofdstad van de wereld. Om die reden kan ik niet verhelen dat de wijze waarop de minister van Buitenlandse Zaken zich kort geleden in de Tweede Kamer bij herhaling over het volkenrecht en zijn beoefenaren uitliet, mijn fractie in het verkeerde keelgat is geschoten. Op 4&#160;april jongstleden beantwoordt de minister de volgende vraag van de heer Pechtold: "Zegt de minister van Buitenlandse Zaken nu dat er geen internationaal juridische twijfels bestonden over een inval in Irak en de Nederlandse steun daarvoor?" De minister antwoordt daarop: "Als je twee juristen bij elkaar zet, heb je drie verschillende opvattingen. Minimaal twee, maar ik durf te zeggen vaak zelfs drie!" Even later zegt hij: "Ik kan zo met een jurist komen die zegt dat het niet legitiem is, maar ik kan er ook met een komen die zegt dat het wel legitiem is." Weer even later zegt de minister: "De discussie gaat nu over de vraag of dit onomstreden is of niet. Maar ook daarvoor geldt wat ik eerder zei: als ik twee juristen haal, krijg ik drie meningen."</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.12">Dit zijn laatdunkende opmerkingen over het recht en zijn beoefenaren en roept de vraag op welke opvattingen de minister nu eigenlijk over het volkenrecht heeft. Het lijkt mij moeilijk voor deze minister om geloofwaardig in het buitenland Den Haag als juridische hoofdstad van de wereld aan te prijzen als zijn gesprekspartners door hun ambassadeurs de Handelingen van de Tweede Kamer hebben laten bestuderen. De kans daarop is waarschijnlijk gering, maar erg wervend klinkt het in ieder geval niet: Kom naar Den Haag, u weet wel, de juridische hoofdstad van de wereld, waar alle twee juristen drie meningen hebben! Het zou in dit perspectief geen kwaad kunnen als de minister in deze Kamer zijn opvattingen over de betekenis van het volkenrecht uiteen zou zetten. Bestaat dit volgens hem louter uit elk wat wils, uit een juridische grabbelton voor politici die hun eigen gelijk zoeken of erkent de minister dat ook hier sprake is van recht?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.13">Natuurlijk zijn er wel tegengestelde opvattingen. Juristen zijn zelfs opgeleid in de wetenschap dat aan een zaak verschillende kanten kunnen zitten. Het audi et alteram partem is voor iedereen die rechten studeert, een eerste gebod. Altijd luisteren naar de andere kant, altijd kijken of er andere aspecten aan een zaak zitten. Op een gegeven moment moet er echter een rechtsoordeel geveld worden. Op grond van die rechtsoordelen en besluiten over verschillende zienswijzen die met verschillende normen, waarden en belangen kunnen samenhangen, ontwikkelt zich in de loop der tijd een vaste rechtsopvatting. Dat grote beschavingsproces behoort niet door een minister te worden geridiculiseerd. Het is des te pijnlijker dat dit gebeurd is in een debat over een oorlog waarvan de verschrikkingen tot op de dag van vandaag hun nasleep hebben.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.14">Er is nog een ander punt waarvoor ik aandacht vraag. In de afgelopen tijd zijn interne stukken die dienden ter voorbereiding van de besluitvorming in de aanloop naar de oorlog in Irak bekend geworden. Dat hoort niet. Dat is te betreuren en dat moet worden tegengegaan. Ik ga vandaag niet op die stukken in. Maar het antwoord van de regering op de vragen 14 en 15 lijkt mij niet juist. Er wordt herhaald wat de minister van Buitenlandse Zaken eerder in de Tweede Kamer met klem heeft betoogd:"Ik kan niet genoeg onderstrepen dat de regering verantwoording aflegt over beleidskeuzen die worden gemaakt, maar niet over het interne proces dat aan die beleidskeuze ten grondslag ligt." Het staat buiten kijf dat de regering zich voor haar beleidskeuzen moet verantwoorden. De vraag of de interne voorbereiding van deze beleidskeuze zorgvuldig is geweest, is uitzonderlijk relevant. Het is het recht van de regering om elke intern aangedragen overweging of elk intern aangedragen feit terzijde te leggen, maar zij hoort zich daarvoor wel te verantwoorden. Het is in een volwassen democratie niet goed genoeg om te zeggen dat men een oorlog politiek steunt en voor dat standpunt steun krijgt van een meerderheid in de Kamer. Aanhangers van een andere zienswijze hebben er recht op, te vernemen waarom de regering hun feiten en inzichten heeft verworpen. Parlement en bevolking horen ook inzicht te hebben in de afweging die de regering heeft gemaakt en op grond waarvan zij bepaalde feiten of opvattingen heeft afgewezen, dan wel aanvaard. Dit klemt te meer als het om besluiten gaat met de meest ingrijpende gevolgen en waarbij tijdens de afwegingsperiode ook naaste bondgenoten zoals Duitsland en Frankrijk de argumentatie om een oorlog te beginnen niet deugdelijk achtten. Alleen de eigen opvatting uitdragen, is ook niet goed genoeg wanneer de secretaris-generaal van de Verenigde Naties– die ik gemakshalve in dit opzicht maar als een volkenrechtelijk expert beschouw – verklaart dat de oorlog waaraan de regering steun verleende, illegaal was.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.15">Het punt dat ik wil maken, is dit. De argumentatie die tot steun aan een oorlog heeft geleid, hoort niet alleen de eigen keuze te verdedigen, maar ook en vooral tegengestelde opvattingen op z'n minst met argumenten te weerleggen en waar mogelijk te ontzenuwen. De regering had zelf volledige openheid behoren te geven over haar opvattingen en de opvattingen van anderen. Wellicht wezen die in een andere richting, maar zij had zelf moeten aangeven waarom zij daaraan geen gevolg wilde verbinden. Als de regering dat had gedaan, had zij niet alleen de rijksrecherche moeten vragen om lekken op te sporen, maar had zij ook – zonder de indruk te wekken betrapt te zijn – gewoon kunnen wijzen op de zorgvuldige manier waarop zij zelf tot het besluit was gekomen. Dat was sterk geweest. Het wegstoppen van andere opvattingen en het betreuren dat zij toch bekend geworden zijn, is zwak.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.16">Een onzorgvuldig besluit kan onder omstandigheden goed uitpakken en een zorgvuldig besluit kan ook wel eens slecht uitpakken, maar die constatering kan natuurlijk niet tot de conclusie leiden dat je besluiten niet zorgvuldig hoeft te nemen en ook niet tot de conclusie dat een kabinet zich niet voor de wijze waarop een afweging heeft plaatsgehad, hoeft te verantwoorden. Dit is niet nieuw. De ministers zijn er toch mee bekend dat bij parlementaire enquêtes alle interne documenten, ook die waaruit ambtelijke adviezen blijken, worden opgevraagd. De bewindspersonen hebben zich zo nodig te verantwoorden voor de wijze waarop zij met die opvattingen of feiten zijn omgegaan. Dat is allemaal gebaseerd op hetzelfde artikel 68 van de Grondwet dat ook de dagelijkse informatierelatie tussen regering en parlement bepaalt. De beginselen van behoorlijk bestuur vragen een zorgvuldige verantwoording en onderbouwing van overheidsbesluiten. Die beginselen gelden ook voor een kabinet, zeker als over het steun aan een oorlog beslist. Het lekken van interne documenten moet altijd worden tegengegaan. Maar het publiek afleggen van verantwoording, ook over afgewezen opvattingen en feiten, dient onder alle omstandigheden plaats te vinden.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.17">Voorzitter. Tot slot heb ik nog twee vragen. Ik heb bij de aanvang van mijn bijdrage gesteld dat het in dit debat niet gaat over de wenselijkheid van een onderzoek naar de besluitvorming met betrekking tot de oorlog tegen Irak. Ik moet eigenlijk zeggen dat ik dat niet gesteld heb omdat anderen dat al gesteld hadden. Ik heb dat weggelaten. Wij spreken nu alleen over de notitie van de regering. De betekenis van de opvattingen die de regering heeft neergelegd in de notitie kan natuurlijk niet worden vastgesteld zonder de beantwoording van de vraag hoe de regering oordeelt over de volkenrechtelijke grondslag voor die oorlog. Paste de oorlog tegen Irak in de kaders die deze notitie aangeeft? Was er een rechtsgrond die de regering noodzakelijk vindt zonder dat door de VN-Veiligheidsraad expliciet tot gebruik van geweld was gemachtigd? Is het juist dat er helemaal geen mandaat was, terwijl de regering dat noodzakelijk vindt? Hoe kan de minister-president spreken van een adequaat volkenrechtelijk mandaat als er helemaal geen mandaat is geweest?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.18">In de Tweede Kamer is de vraag gesteld of de Nederlandse regering ruimte zag voor een aanvalsoorlog tegen Iran. Het is algemeen bekend dat de mogelijkheid daarvan zonder veel schroom door sommigen wordt geopperd. De minister heeft aanvaarding van de desbetreffende motie ontraden in afwachting van de thans voorliggende notitie. Vandaag kan hij dus in alle scherpte de vraag beantwoorden of de constatering van de heer Wilders dat volgens de minister een aanvalsoorlog tegen Iran volkenrechtelijk ook zonder expliciete machtiging van de VN-Veiligheidsraad rechtens mogelijk is en derhalve ook politiek en militair gesteund kan worden, juist is.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.1.19">Voorzitter. Wij wachten de reactie van de regering af.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.2.1">Mijnheer De Vries, ik citeer: "Ons systeem lokt voorleesvergaderingen uit omdat de gehele Kamer zich richt tot de regering. Er wordt nauwelijks iets gedaan aan echte politiek. Niet in die zin dat er strategieën, methodieken en doeleinden worden ontworpen. Politiek bestaat voornamelijk uit sussen, soezen, overtuigen en kalmeren." Dit zijn uw woorden, die herhaaldelijk zijn terug te vinden in de ontelbare interviews die u heeft gegeven in de afgelopen 35 jaar dat u actief bent in de politiek. En toch blijft u pogen, daarin verandering te brengen; nu in de Eerste Kamer en vandaag met uw inbreng in het debat over het volkenrechtelijk mandaat bij de uitzending van militairen. Ik feliciteer ook u van harte met uw maidenspeech. Ik zou kunnen zeggen: u wordt op uw wenken bediend, want u had voor uw debuut als senator wellicht geen beter onderwerp kunnen treffen. Maar wie weet, misschien heeft u het er ook een beetje toe geleid.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.2.2">Uw wens om in de politiek vooral te debatteren over de toekomst, over langetermijnthema's zoals integratie, de toekomst van het Koninkrijk en de toekomst van Europa, kunt u zelf hier mede in vervulling doen gaan. U heeft al een lange politieke en bestuurlijke carrière achter de rug. Die heeft zich in zodanige openbaarheid afgespeeld dat deze van mijn kant nauwelijks toelichting meer behoeft. Opvallend in die carrière is dat u vrijwel overal voor gevraagd bent en dat u sommige functies eigenlijk liever niet wilde vervullen. "Het is een eer om gevraagd te worden en een zegen om die beker aan je voorbij te zien gaan", zo spreekt u in menig interview over het ministerschap. Maar van u stamt ook de uitspraak dat het "Kamerlidmaatschap de mooiste baan is als je van mensen en politiek houdt". En dat doet u. U heeft ooit voor de politiek gekozen en bedrijft haar nog steeds met passie, al schijnt u aan het begin van uw carrière ook wel eens getwijfeld te hebben of u niet liever in de wetenschap was verdergegaan of zelfs toneelspeler was geworden. Niet velen weten dat u nog van andere markten thuis bent. Zo bent u bezig, een thriller te schrijven en bent u lid van het Goethetrio. Ook maakt en zingt u eigen liederen. Maar een zwanenzang, mijnheer De Vries, zullen wij hier voorlopig niet van u horen. Niet zingend, maar debatterend op het scherpst van de snede zullen wij u hier meemaken. Dat maakt u meer dan van harte welkom in deze Kamer. Ik heet u in het bijzonder welkom als Ondervoorzitter van deze Kamer en wens u veel succes in de senaat toe.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.3">
                        <p docno="h-ek-20062007-1157-1171.1.4.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer De Vries, ik citeer: "Ons systeem lokt voorleesvergaderingen uit omdat de gehele Kamer zich richt tot de regering. Er wordt nauwelijks iets gedaan aan echte politiek. Niet in die zin dat er strategieën, methodieken en doeleinden worden ontworpen. Politiek bestaat voornamelijk uit sussen, soezen, overtuigen en kalmeren." Dit zijn uw woorden, die herhaaldelijk zijn terug te vinden in de ontelbare interviews die u heeft gegeven in de afgelopen 35 jaar dat u actief bent in de politiek. En toch blijft u pogen, daarin verandering te brengen; nu in de Eerste Kamer en vandaag met uw inbreng in het debat over het volkenrechtelijk mandaat bij de uitzending van militairen. Ik feliciteer ook u van harte met uw maidenspeech. Ik zou kunnen zeggen: u wordt op uw wenken bediend, want u had voor uw debuut als senator wellicht geen beter onderwerp kunnen treffen. Maar wie weet, misschien heeft u het er ook een beetje toe geleid.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Doesburg" MPid="02283" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2000-02-22" topic="Economische Zaken" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-725-769.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-725-769.1.6" which-speech-in-topic="5" number-of-paragraphs="16" number-of-words="2897" number-of-unique-words="1121" number-of-interruptions="1">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Hofstede" MPid=""/>
                <speaker name="Luijten" MPid="02936"/>
                <speaker name="Schoondergang-Horikx" MPid="02937"/>
                <speaker name="Pitstra" MPid="02868"/>
                <speaker name="Doesburg" MPid="02283"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Terlouw" MPid="01719"/>
                <speaker name="Jorritsma-Lebbink" MPid="02737"/>
                <speaker name="Ybema" MPid="02976"/>
                <speaker name="Hofstede" MPid=""/>
                <speaker name="Luijten" MPid="02936"/>
                <speaker name="Schoondergang-Horikx" MPid="02937"/>
                <speaker name="Pitstra" MPid="02868"/>
                <speaker name="Doesburg" MPid="02283"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Terlouw" MPid="01719"/>
                <speaker name="Jorritsma-Lebbink" MPid="02737"/>
                <speaker name="Ybema" MPid="02976"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Doesburg, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-725-769.1.6" speaker="Doesburg" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Doesburg  (PvdA)" MPid="02283">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1" speaker="Doesburg" function="De heer" MPid="02283">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Doesburg (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Doesburg</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.2">Mijnheer de voorzitter! In de memorie van toelichting noemt de minister het bereiken van macro-economische stabiliteit en het bevorderen van micro-economische flexibiliteit de pijlers onder haar beleid. Het eerste lijkt een succes, aan het tweede wordt gewerkt. Daarom slechts een enkele opmerking. Daarna zal ik aandacht besteden aan een drietal onderwerpen: het economisch beleid in brede zin, kennisontwikkeling en -verspreiding en ruimte voor economische activiteit.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.3">Mijn fractie heeft zorgen over de stijging van de lokale lastendruk, die nogal eens voortvloeit uit rijksbeleid. Deze stijging is strijdig met de doelstellingen van de eerste pijler. Kan de minister daar iets over zeggen?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.4">Een ander element in het bevorderen van macrostabiliteit is het bevorderen van marktwerking. Dat heeft ook een internationale component. In dit kader is de positie van Oost-Europa en die van de ontwikkelingslanden in het geding. Doet Nederland er echt alles aan om in internationale fora hun belangen zoveel mogelijk te bevorderen? Wij vragen extra aandacht, met name in het kader van de EG en de WTO. Terecht maakt de minister in haar begroting melding van de steeds betere verhouding tussen economische groei en de belasting van het milieu. Wij vinden dat ook terug in het milieuprogramma van het ministerie van VROM. Dat is zeker reden voor tevredenheid. De drie genoemde onderwerpen blijven echter over.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.5">Voorzitter! Een algemeen beleidskader of, liever nog, een visie op de ontwikkeling en de positionering van de Nederlandse economie in de eenentwintigste eeuw vinden wij niet terug. Het departement van Economische Zaken dat niet zwemt in de middelen en over een relatief klein apparaat beschikt, moet zijn taak verrichten middels het overreden of – misschien mag ik dat ook zeggen – het verleiden van andere departementen en beleidsmakers tot het bij hun besluitvorming rekening houden met de economische gevolgen van hun handelen. Dat wordt een stuk gemakkelijker, als er een aansprekend, intellectueel uitdagend concept op tafel ligt, zoals dat van het industriebeleid van minister Van den Brink die in de jaren vijftig een enorme stimulans gaf aan wat Van Zanden in zijn economische geschiedenis van Nederland de big bang van de Nederlandse economische ontwikkeling noemt. Zoiets ligt er nu niet en dat is jammer. Ik geef toe dat dit moeilijk is in dit land van donkergrijze luchten en "doe maar gewoon", maar toch_ Het is een beetje zoals Musil zegt: "Als er werkelijkheidszin bestaat, dan moet er ook mogelijkheidszin bestaan." Mogelijkheidszin betekent dat er gedacht wordt aan een Nederland dat in Europa de rol vervult die bijvoorbeeld Hong Kong of, liever nog, Singapore in Azië vervult. Ook kan gedacht worden aan een draaischijf van de economie, gericht op kennisintensieve producten en internationale dienstverlening in het vlak van IT, marketing, design, distributie in de meest brede zin van het woord en financiële diensten.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.6">In het rapport The future of the global economy vergeleek de OESO de ontwikkeling van Singapore en Argentinië. Singapore was rond 1900 een arme uithoek van het Britse koloniale rijk; Argentinië een van de economische tijgers, rijk aan grondstoffen en met een bloeiende industrie. Nu heeft Singapore een inkomen per hoofd van de bevolking dat hoger ligt dan dat van bijna alle leden van de EG en komt Argentinië niet verder dan zo'n 8000 dollar. Uit de vergelijking blijkt – ik citeer Schwartz –: "this highlights the evolution from an economic order in which the clever and organised use of natural resources was sufficient for succes, to an economic order based on knowledge, in which the exploitation of natural resources is not only insufficient, it is not even necessary." Hij stelt dat in de kenniseconomie bepaalde oude wetten niet meer opgaan. Zo lijkt de wet van het dalend grensnut niet te gelden voor de kennisindustrie. Sterker nog, hier lijkt sprake van een stijgend grensnut. Een heel aardig voorbeeld dat mij door een fractiegenoot werd aangereikt, geeft aan hoe groot de verandering is. Als je iemand op straat vraagt wat duurder is, een kilo goud of een kilo tomatenzaad, dan zal het antwoord ongetwijfeld luiden: een kilo goud. Er zit een factor twee verschil in. Die kilo tomatenzaad is tweemaal zo duur als die kilo goud. En dat is verpakte kennis, hier in Nederland ontwikkeld. Dat geeft aan hoe groot de verandering is.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.7">Groei is mogelijk. In de Verenigde Staten is de economie de afgelopen jaren fors meer gegroeid dan in Europa. Natuurlijk is groei geen doel op zichzelf. Groei wordt door ons nagestreefd om daarmee de middelen beschikbaar te krijgen om te werken aan een betere samenleving, om te investeren in milieu, zorg en dergelijke. Mijn fractie meent dan ook dat in de Nederlandse economie sprake moet blijven van groei. Voorwaarden daarvoor zijn: vasthouden van de kwaliteit in het onderwijs, het inlopen van de achterstand in investeren en het bevorderen van modern ondernemerschap. Realisatie van die groei is in hoge mate een kwestie van mentaliteit. En dat is de paradox van de kennisrevolutie. De nieuwe economie biedt enorme mogelijkheden, maar daar moet je wel iets voor doen en vooral iets voor willen. Zoals Weber zegt: "In the end, the location of the new economy is not in the technology, be it in the microchip or the global telecommunications network; it is in the human mind." De Nederlanders moeten de mogelijkheden van de nieuwe economie beter leren zien en gebruiken. Dat vraagt om visionair, inspirerend beleid en institutionele verandering.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.8">Een voorbeeld. De TU-Delft onderzocht hoe de Nederlandse institutionele besluitvormingsstructuur zich verhoudt tot die in andere landen. Met uitzondering van Engeland bleek Nederland het meest centralistisch bestuurde land. Een centraal gestuurd systeem doet slechts een beperkt beroep op de eigen inventiviteit en denkkracht van werkers buiten het centrum. In Nederland leidt dat tot de suboptimalisering van de grootste investering in dit land ooit gedaan, namelijk die in de opleiding van jonge mensen in de tweede helft van de 20ste eeuw. Nog nooit in de geschiedenis waren er zoveel academici en HBO'ers. Bedrijven hebben allang geleerd deze schat aan creativiteit en denkkracht te benutten. Bij de overheid lijkt dat nog niet altijd het geval. Kan de minister zeggen of zij bereid is delegatie van bevoegdheden en met name ook territoriale decentralisatie te bevorderen? Dat vraag ik in deze stad, waar decentralisatie nog vaak als twee woorden wordt geschreven.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.9">Een mogelijk eerste stap op weg naar een economische strategie voor Nederland was de publicatie "De economische kracht van Nederland", een toepassing van Porters' analyse op de concurrentiekracht van landen. De ook in deze studie groot genoemde rol van de Nederlandse overheid vereist meer nog dan elders dat de overheid "uitdaagt en stimuleert, eerder dan beschermt". Dat uitdagen ligt naar het oordeel van mijn fractie op de weg van het departement van Economische Zaken. Nederland moet meer denken in termen van kansen in stede van het gebruikelijk handelen naar aanleiding van problemen. In een land met nogal risicomijdend management en een dito overheid is niet het gebrek aan kansen het probleem, maar het niet benutten daarvan. Kansen zijn bij uitstek bederfelijke waar. Men moet ze grijpen als ze zich voordoen. Wie zijn kansen benut, bemerkt niet zelden dat problemen hanteerbaar worden of zelfs vanzelf verdwijnen Kijk maar naar het onwaarschijnlijk grote begrotingstekort van de VS, dat dankzij economische groei opeens terugloopt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.10">Nog een voorbeeld van wat ik bedoel. In november jongstleden verscheen de "Toets op het concurrentievermogen". Het meest gelezen deel, de executive summary, loopt niet over van positivisme. Een greep uit hoofdstuk 1: "Lage participatie, armoedeval, leerachterstand, hoge lastendruk, smal draagvlak, fiscale benadeling zelfstandigen, lage private R&amp;D." Nog een enkel zinnetje: "De sterke banencreatie betekent echter ook dat de direct inzetbare arbeidsreserve de bodem begint te naderen." Zo maak je van je successen nog een probleem! Dat wilden wij toch, een lage werkloosheid? Is dat echt zo? Ik vraag mij af of dit waar is. Gegeven de arbeidsparticipatie die in Nederland rond de 60% ligt, zou je ook heel iets anders kunnen zeggen in zo'n publicatie van het ministerie, bijvoorbeeld: "De grote dynamiek van de Nederlandse economie leidde tot een forse banengroei, zodat voor het eerst sinds jaren sprake is van enige spanning op de arbeidsmarkt. Gelukkig beschikt ons land nog over een grote arbeidsreserve, dewelke wij als volgt denken te activeren." Daarna volgt het plan van de minister van EZ. In dit verband verwijs ik graag naar de onlangs door mijn partij gepubliceerde notitie "De kleur van grijs". Hierin wordt een groot aantal maatregelen genoemd dat het mogelijk maakt dat ouderen, één van de groepen met een lage participatiegraad, blijven deelnemen aan het arbeidsproces. Ik noem er enkele: loskoppelen eindloonpensioen, deeltijdpensioen, bijscholen, specifiek gericht op deze groep, maar het kan ook gelden voor bijvoorbeeld WAO'ers, en maatregelen in de fiscale sfeer, zoals het niet of minder heffen van premies bij 55-plussers.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.11">De periode, waarin wij leven, is vergelijkbaar met die van de industriële revolutie, vol van economische hectiek. Voor wie het wil zien, biedt de nabije toekomst een nieuw perspectief. Het genoemde gebrek aan mogelijkheidszin geldt meer ministeries dan alleen EZ. Een treffend voorbeeld daarvan is de wijze waarop men is omgegaan met de ICES-middelen. Ook daar te veel probleemgericht denken. Waar EZ substantieel bijdraagt aan deze investeringen, heeft de minister de allocatie van ICES-middelen natuurlijk vanuit de nationale economische ontwikkeling bekeken. Voor investeringen is het sleutelwoord: optimaliseren. De grote snelle groeiers vinden wij in Zuid-Oost-Nederland. Van de kleine 70 mld. die beschikbaar was, is slechts een klein deel in deze "groeiregio" neergeslagen. Bezien wij het nationale investeringsbeleid bijvoorbeeld met behulp van de matrix van de Boston Consulting Group, dan rijzen er nogal wat vragen. In het Nederlands beleid worden de "stars" als cash cow gebruikt. Is dat wel verstandig? Op grond waarvan – anders dan het obligate roepen dat de Randstad de grootste problemen heeft – is deze keuze gemaakt?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.12">In "Kiezen of delen" worden alleen de geformuleerde investeringswensen tegen het licht gehouden. Waar zijn die wensen eigenlijk vandaan gekomen? Waarom zijn wensen en vooral mogelijkheden in andere delen van het land buiten beschouwing gelaten? Was er wel ooit sprake van een integrale weging bij enig departement? Bij de voorbereiding van deze begrotingsbehandeling kon niemand mij daarover informeren. Als die weging heeft plaatsgevonden, kan de minister mij daar dan enige cijfers van geven? Voorlopig moet ik vaststellen dat de eenzijdige keuze voor West-Nederland zeer vergaande consequenties heeft. Wil de minister daarom eens op de volgende stelling reageren? Als de ICES-middelen optimaal geïnvesteerd zouden worden, dus daar waar het rendement in termen van economische ontwikkeling het grootst is, dan zou het Nederlands BNP in 2005 2% à 3% hoger kunnen liggen dan nu. Dit zou iets van 10 à 12 mld. extra overheidsinkomsten per jaar betekenen, nog ongeacht de kostenvoordelen. In dat geval is het dus mogelijk om het noorden ieder jaar 2 mld. te geven en dan houden wij nog over.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.13">Ten aanzien van kennisontwikkeling en -verspreiding is mijn fractie tevreden over de resultaten van het beleid. Ons land doet het goed. Het aantal personen dat behoort tot het zogenaamd wetenschappelijk en technologisch arbeidspotentieel steeg tussen 1995 en 1997 met 5,5%, terwijl de totale groep van 18 tot 64 jaar in de periode slechts met een 0,5% steeg. In Nederland is dit potentieel daarmee groter dan in enig ander land van de EU. Het is deze groep die de innovaties tot stand brengt nodig voor behoud en ontwikkeling van de Nederlandse economische positie in de wereld. Het potentieel voor innovatie is daarmee aanwezig. De Nederlandse R&amp;D-positie is vergeleken met die van de VS en Japen de afgelopen jaren verbeterd. Gezien het beschikbaar potentieel lijkt verder oprukken mogelijk. Wellicht moet de minister wat meer aandacht schenken aan innovatie in de dienstensector. Gegeven het relatief hoge aantal alfa's en gamma's onder Nederlandse hooggeschoolden en de sterke groei van de onderzoeks- en ontwikkelingsuitgaven in de dienstensector liggen hier zeker mogelijkheden. Aan het somberen over zo weinig bèta's doet mijn fractie dus niet mee. Nederland heeft wellicht een zeer goede toekomst, juist in de dienstensector.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.14">Voor lager geschoolden had de voorganger van minister Jorritsma een aantal goede initiatieven. Omdat de kennismaatschappij doorwerkt in alle facetten van de samenleving, is voortdurende scholing ook voor hen van groot belang. Wat wordt daar op het ogenblik aan gedaan? Een ander punt is het stimuleren van R&amp;D. Wij moeten onder ogen zien dat dit zeer forse bedragen vergt. Zo is mijn fractie gelukkig met de extra middelen voor biotechnologie, maar stelt tezelfdertijd vast dat het beschikbare bedrag, zelfs vergeleken met een kleiner land als België, bescheiden is. Kan de minister zeggen of het fiscale verschil in behandeling van dit soort investeringen voldoende is om de budgettaire verschillen te compenseren?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.15">De nota Ruimtelijke economisch beleid biedt een goede basis voor de discussie over de vijfde nota. In het TNO-rapport De economie van steden en stadsgewesten wordt de economische groei in 25 stadsgewesten voorspeld. De top tien bestaat, afgezien van Utrecht en Amsterdam op de plaatsen vier en zes, uit steden in Brabant en Gelderland. Terecht wordt in dit rapport opgemerkt dat congestie en ruimtegebrek dreigen voor deze in het rapport onder de aanduiding "Boom(ing)-regio" genoemde gewesten. Ook in de nota van de minister wordt voor ruimtetekort gewaarschuwd, vooral bij een sterke economische groei en die hebben wij nu. Mijn fractie vraagt de minister daarom, bijzonder alert te zijn op het correct inschatten van de behoefte aan bedrijfsterreinen. Ik wil niet zeggen dat het ruimtelijk instrument gebruikt wordt om de ontwikkeling van Zuid-Oost-Nederland af te remmen, maar naar mijn ervaring is het RO-beleid geen grote stimulans. Vele bedrijven zouden veel meer kunnen als er meer ruimte beschikbaar was. In dit kader valt het op dat Groningen, Friesland en Drenthe tezamen een groter areaal aan bedrijfsterreinen beschikbaar hebben dan Brabant of Gelderland, hoewel deze elk, qua aantal inwoners, oppervlak én regionaal product, groter zijn dan de drie eerder genoemde provincies samen. Dit verdient naar de mening van mijn fractie bijzondere aandacht. Voor wishful thinking koop je niet zoveel in de economie.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.16">In dit kader stel ik nog enkele vragen over Rotterdam. Omdat zeer forse bedragen zijn besteed aan onderzoek naar de toekomst van de haven, weten wij nu precies hoeveel bedrijfsterrein beschikbaar is en hoeveel nog nodig is. Kiest de minister nu voor de "inbreidingsoptie"? Of gaat zij voor uitbreiding van de Maasvlakte? Kan een eventuele keuze worden toegelicht? Waarom is de inbreidingsoptie pas zo laat in beeld gebracht?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.1.17">Terecht merkt de minister op dat de internationale concurrentie steeds sterker zal woeden op het vlak van het vestigingsklimaat. De kwaliteit daarvan wordt in hoge mate bepaald door de infrastructuur. Om Nederland als geheel aantrekkelijk te houden, ware dan ook een evenwichtiger aanpak bij de besteding van de beschikbaar komende middelen te overwegen, vooral omdat Nederland, zoals de minister terecht stelt, een onlosmakelijk deel is van het Noordwest-Europese kerngebied. In dat kader is het denken in Den Haag iets waar je vraagtekens bij kunt zetten. De A4 van Amsterdam naar Den Haag wordt een achterlandverbinding genoemd en de aansluiting van de A73 in de richting Venlo, Keulen, Base en Frankfurt wordt een regionale verbinding genoemd. Dat duidt in ieder geval op een buitengewoon grote lenigheid van geest bij de opstellers van het MIT.</p>
                    </speech>
                    <speech party="" docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.2" speaker="Jorritsma-Lebbink" function="Minister" MPid="02737">
                        <stage-direction type="spreker">Minister Jorritsma-Lebbink</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Minister</aanspr>
                                <naam>Jorritsma-Lebbink</naam>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.2.2">Voorzitter! Die naam is totstandgekomen onder een CDA/PvdA-kabinet. Daar weet ik eerlijk gezegd niet zoveel meer van.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.3" speaker="Doesburg" function="De heer" MPid="02283">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Doesburg (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Doesburg</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.3.2">Ze vragen mij tegenwoordig ook nog wel is wat er vroeger gebeurd is, terwijl ik toen ergens anders een functie bekleedde. Daar heb ik natuurlijk helemaal niets mee te maken.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.3.3">Voorzitter! Het gaat erom dat Noordrijn-Westfalen voor Nederland veruit de belangrijkste handelspartner is. Een gigantisch deel van onze export gaat daarnaartoe en daar komt een zeer groot deel van onze import vandaan. Het is van uitermate groot belang dat je op die infrastructuurnetwerken goed aansluit. Ik weet dat zij zich grote zorgen maken over de wijze waarop die verbindingen lopen tussen Noordrijn-Westfalen en Nederland. En daar gaat het in dit debat om.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.3.4">Tot slot maak ik een opmerking over de door de minister als "zeer forse impuls" omschreven 1,2 mld. voor het noorden. Het totale investeringsbedrag van de ICES beliep een kleine 70 mld. Als wij daar nou zo'n 20 mld. aftrekken voor typisch nationale projecten zoals de HSL en de Betuwelijn, blijft er ongeveer 50 mld. over. Het aandeel van de drie noordelijke provincies in het nationaal product is iets meer dan 8%. Bij een evenredige verdeling kreeg het noorden, zelfs als je krap rekent, zo'n 3,5 à 4 mld. In de huidige verdeling krijgt het noorden dus eigenlijk alleen maar minder minder dan de rest van de rest van Nederland. "Ontwikkelingsbijdrage" leek mij daarom een passender aanduiding.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.4.1">Ik wens de heer Doesburg gaarne geluk met het houden van zijn maidenspeech. De electorale grondslag van de Eerste Kamer ligt in de provincie. Dat houdt niet in dat ook alle leden hun verleden in de provincie hebben gevormd, maar dat is voor de heer Doesburg wel het geval. Dat lag duidelijk in de provincie Gelderland. Gedurende zeer lange tijd was hij lid van de provinciale staten van Gelderland. Hij was penningmeester van zijn fractie, vice-fractievoorzitter, fractievoorzitter en gedeputeerde. Als zodanig was hij ook zeer verweven met het economisch leven van Gelderland, ook met de energievoorziening. De sporen die daar zijn getrokken, werden in deze eerste bijdrage in deze Kamer duidelijk voortgezet. Mijn hartelijke gelukwensen.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.5">
                        <p docno="h-ek-19992000-725-769.1.6.5.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Dölle" MPid="02262" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1999-07-06" topic="Gemeentelijke herindeling" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19981999-1588-1591.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19981999-1588-1591.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="6" number-of-words="871" number-of-unique-words="458" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Gemeenten</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Dölle" MPid="02262"/>
                <speaker name="Schoondergang-Horikx" MPid="02937"/>
                <speaker name="Peper" MPid="02901"/>
                <speaker name="Dölle" MPid="02262"/>
                <speaker name="Schoondergang-Horikx" MPid="02937"/>
                <speaker name="Peper" MPid="02901"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Dölle, die zijn maidenspeech uitspreekt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2" speaker="Dölle" party="CDA" function="De heer" title="De heer Dölle  (CDA)" MPid="02262">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2.1" speaker="Dölle" function="De heer" MPid="02262">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Dölle (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Dölle</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2.1.2">Mijnheer de voorzitter! Drie oude en eerbiedwaardige instellingen van openbaar bestuur, de gemeenten Bergen, Egmond en Schoorl worden in dit wetsvoorstel samengevoegd tot een nieuwe kustgemeente die, in ieder geval voorlopig, de naam Bergen draagt. Het is bekent dat het CDA kritisch en soms argwanend staat tegenover een voortdurende schaalvergroting in het lokale bestuur. Overigens niet alleen daar. Burgers en hun organisaties en plaatselijke gemeenschappen zijn gebaat bij een zo zichtbaar en nabij mogelijk gemeentebestuur. Voor christen-democraten is de gemeente niet hetzelfde als de gemeenschap, maar zijn deze beide wel op bijzondere wijze op elkaar betrokken. Ze hebben een geschiedenis met elkaar. Mensen komen bij voortduring in het geweer wanneer men aan hun gemeenten komt: van Brederwiede tot Rosmalen, van Drenthe tot Twente, van Amsterdam tot Rotterdam. Burgers die opkomen vóór een overheid: het blijft een zeldzaam tafereel.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2.1.3">Wij begrijpen heel goed dat in een gedecentraliseerde eenheidsstaat zoals de onze en gelet op minimumstandaarden voor behoorlijk openbaar bestuur, de schaal niet heilig kan worden verklaard. Maar anderzijds is schaal geen waardevrije grootheid. Het moet geen pure afgeleide worden van bestuurskundige analyses of speculaties en al helemaal geen speelbal van allerlei strategische gevechten die hogere overheden of bureaucratieën of zelfs andere gemeenten met elkaar voeren. In een tijd dat de nationale staat steeds meer veren moet laten aan een ondanks alles steeds verder integrerend Europa, in een tijd waarin de roep om gemeenschapszin, sociale cohesie en civil society aanzwelt als een bolwerk tegen een uit elkaar vallende maatschappij, in een tijd ook waarin vormen van kleinschalige en flexibele overheidsinterventies de toekomst lijken te hebben, moet men dubbel voorzichtig zijn lokale, politieke domeinen steeds grootschaliger te maken. Slechts bij substantiële knelpunten moet schaalvergroting worden overwogen.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2.1.4">Natuurlijk maakt het groot verschil wanneer gemeenten uit zichzelf samenvoeging voorstellen, maar hoe vrijwillig is vrijwillig? Vaak, zeker ook bij de geboorte van de nieuwe gemeente Bergen, helpen andere overheden nogal eens een handje mee. Alkmaar wil niet met te veel kleintjes om de regionale tafel zitten. Noord-Holland legt mede daarom een zware hypotheek op het begin van het besluitvormingstraject. Op de achtergrond werpt het kabinetsbeleid ten aanzien van de gemeentelijke herindeling zijn schaduw over de betrokken gemeenten. Inmiddels dient vastgesteld te worden dat het samenvoegingstraject praktisch moeilijk valt af te breken. Gaandeweg is het bestuurlijk draagvlak, zij het niet zonder tumult in Bergen, steviger geworden. Het CDA zal overigens niet geheel zonder reserve, zoals duidelijk mag zijn, instemmen met dit wetsvoorstel. Wij zullen komende samenvoegingen, ook al heten ze vrijwillig, niet op voorhand voor zoete koek slikken. Wij behouden ons per situatie een eigen oordeel voor.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2.1.5">Het Europees Handvest inzake lokale autonomie dat bij ons sinds 1990 geldt, schrijft in artikel 5 voor dat bij wijziging van gemeentegrenzen de plaatselijke gemeenschappen moeten worden geraadpleegd, "zo mogelijk door middel van een referendum waar dit wettelijk is toegestaan" (statutory provisions in het Verklarend rapport). In de memorie van antwoord wijst de regering erop dat volgens het Verklarend rapport raadpleging direct of indirect (via de raad) kan gebeuren. In datzelfde Verklarend rapport wordt er echter op gewezen dat ten tijde van de verdragsluiting sommige landen wel en andere (zoals Nederland) geen wettelijk geregeld referendum kenden. Nu Nederland echter onverhoopt lijkt over te stappen van die laatste groep naar de eerste categorie lijken de kaarten anders te liggen. Wij kunnen toch moeilijk aannemen dat de uitdrukking "zo mogelijk door een referendum waar dit wettelijk is toegestaan" een lege frase is, een volstrekt overbodige herinnering voor landen die een referendum hebben. Wij zijn het eens met de regering dat een referendum niet beslissend is. Het is ook niet dwingend voorgeschreven. Het verdrag lijkt op z'n minst en normatieve voorkeur uit te spreken voor dat instrument. Wij horen daarover graag de mening van de regering.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2.1.6">Tot slot artikel 6 van het wetsvoorstel. De raad van de nieuwe gemeente Bergen zal vrijwel zeker vijf jaren en vier maanden "zitten". De bewoordingen van artikel 6, lid 3, maken het echter theoretisch mogelijk dat de indeling (eveneens in afwijking van de ARHI) vrijwel twee jaren voor lokale verkiezingen plaatsvindt waaraan het artikel het gevolg verbindt dat de raad dan zes jaren minus één dag zou zitten. Kennelijk wordt een termijn van bijna zes jaar in bijzondere omstandigheden voor mogelijk gehouden.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2.1.7">Heeft het regeringsvoornemen zoals dat dit weekend tot ons kwam – waarbij al dan niet wordt geanticipeerd op de commissie-Elzinga; gemeenteraadsverkiezingen in 2003 – nog betekenis voor de gemeente Bergen of in het algemeen heringedeelde gemeenten?</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2.2.1">Ik wens de heer Dölle geluk met zijn maidenspeech.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2.2.2">Bij de samenstelling van de nieuwe Eerste Kamer is het mij opgevallen dat de universiteit ruimschoots is vertegenwoordigd, niet alleen in de vorm van studenten zoals vorige week bleek, maar vooral in de vorm van hoogleraren. Dat laatste komt het karakter van deze Kamer als Kamer van reflectie ten goede.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2.2.3">De heer Dölle heeft zijn spoor ruimschoots in zijn partij getrokken. Dat blijkt uit de principiële stellingname die hij zo-even duidelijk naar voren heeft gebracht. Het viel mij ook op dat de publicaties van zijn hand bestaan uit zijn dissertatie over ongeschreven staatsrecht. Mag ik mij zonder enige politieke bedoeling de opmerking veroorloven dat het referendum daartoe tot nog toe behoort.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-19981999-1588-1591.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Eigeman" MPid="03006" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2004-04-19" topic="V&amp;W/Infrastructuurfonds" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-1200-1220.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-1200-1220.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="29" number-of-words="4129" number-of-unique-words="1336" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Eigeman" MPid="03006"/>
                <speaker name="Lemstra" MPid="02268"/>
                <speaker name="Pormes" MPid="02295"/>
                <speaker name="Van den Oosten" MPid="03009"/>
                <speaker name="Van Raak" MPid="03035"/>
                <speaker name="Schouw" MPid="03025"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Van harte welkom, dames, maar het woord is en blijft toch eerst aan deze Kamer. Daarom geef ik nu het woord aan de heer Eigeman voor zijn maidenspeech.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2" speaker="Eigeman" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Eigeman  (PvdA)" MPid="03006">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1" speaker="Eigeman" function="De heer" MPid="03006">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Eigeman (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Eigeman</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.2">Voorzitter. Het motto dat ik boven deze maidenspeech heb gezet is: Hoop is ergens voor werken,Omdat het goed is, niet alleenOmdat het kans van slagen heeft.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.3">Ik begin met zo'n persoonlijk motto, omdat ik vind dat in de politieke professie van vandaag techniek, procedures en protocol overheersen. Ik denk dat het goed is om bij tijd en wijle aandacht te besteden aan zaken als perspectief, inspiratie en het gevoel geven aan mensen dat het ergens over gaat. Burgers moeten zich kunnen herkennen. Wij moeten iets van herkenning reproduceren in dit huis. Vandaar dat ik heb gekozen voor het motto: Hoop is ergens voor werken,Omdat het goed is, niet alleenOmdat het kans van slagen heeft.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.4">Dit motto is van Vaclav Havel.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.5">Mevrouw de voorzitter. De bewindslieden van VW zitten op goud. Bedoelen wij dan hun budget? Ruim 6 mld euro, dat is een belangrijk gegeven, maar niet doorslaggevend. Hebben wij het over de organisatie van Verkeer en Waterstaat? Dat helpt ook, de bewindslieden staan in een rijke traditie van ontwerpen, maken en beheren. De Partij van de Arbeidfractie wil als het gaat om het exploiteren van die goudmijn vooral duiden op de sector: de bedrijven, de medeoverheid en de burgers. De begroting van de VW is doortrokken van woorden die erop duiden dat de minister en de staatssecretaris weet hebben van die rijkdom. Echter, het ontbreekt aan de toverformule. Hoe de mijn te ontsluiten? Om het in economische termen te zeggen: waar vinden wij in de aanpak van deze bewindslieden de multiplier? Waar sluiten zij aan op het innovatief, het ontwikkelend vermogen van de sector?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.6">In de regio Gorinchem is een mooi initiatief van gemeenten en bedrijfsleven: het Dubbeldekkerproject, een nieuwe verbinding over de Merwede, een verbinding in twee lagen. Bedrijven en lagere overheid steken hun nek uit. Doen de bewindslieden mee? De VW-organisatie aarzelt, het project past niet in de planning, wijkt af in beheersvorm, maar lost wel een majeur probleem op uit de top 3 van de files. Het sluit bovendien aan op het eigen krachtig appèl van de bewindslieden in hun beleidsagenda "om mee te helpen aan de aanpak van die problemen". Bovendien is er een prachtkans om te schakelen tussen verschillende onderdelen in de begroting van Verkeer en Waterstaat. In het kader van "Ruimte voor de rivier" start binnenkort de planologische kernbeslissing. De staatssecretaris moet een oplossing vinden voor het knelpunt van de "landhoofden" van de bestaande brug over de Merwede, ziedaar. Zij kan nog werk met werk maken ook! Gaat zij mee in maatschappelijke creativiteit en gaat zij voor resultaat of laten zij en de minister het bij de keur aan voornemens, onderzoeken en voorbereiding van proefnemingen waarmee hun begroting zo rijk gevuld is? Hoe maakt het kabinet, hoe maken de bewindslieden op dit beleidsveld hun verantwoordelijkheid waar? Zijn de bewindslieden bereid in de planning van het MIT te schuiven om maatschappelijk initiatief te honoreren met als concreet voorbeeld het Dubbeldekkerproject?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.7">Zoeken de minister en de staatssecretaris Europa op, is een volgende belangrijke vraag voor de Partij van de Arbeidfractie. Onze eerste ervaring met deze Kamer in nieuwe samenstelling is niet bemoedigend. De Kaderrichtlijn Water had op 22&#160;december 2003 een Nederlandse vertaling moeten hebben. De begroting is er nog optimistisch over, maar wij weten inmiddels beter. Wij beschikken over een overzicht van regelgeving uit Brussel, die om vertaling vraagt, maar willen de bewindslieden ook duiden wat de urgentie is? Belangrijker nog: wij willen dat de minister en de staatssecretaris de Kamer inzage geven in regelgeving die nu wordt voorbereid en waarop Nederland invloed kan uitoefenen, zodat specifieke voorwaarden en omstandigheden worden meegewogen. De Kaderrichtlijn Water heeft ons geleerd dat Nederland in de voorbereiding onvoldoende alert geweest is om "eigen" bijzondere omstandigheden in te brengen. Het Alterrarapport toont aan dat nauwelijks acht geslagen is op het gegeven dat onze historie een ander referentiekader biedt dan hoger gelegen gebieden in Europa. Ik wil een kritische vraag stellen over de procesaanpak: kan de staatssecretaris aangeven hoe het mogelijk is dat op de valreep een belangwekkend rapport (het Alterrarapport) verscheen zonder dat daarvan melding was gemaakt in de aanloop naar 22&#160;december 2003, de datum waarop de richtlijn geïmplementeerd had moeten zijn. Voor ons is het een symptoom van het gebrek aan geïntegreerd beleid. Kan de staatssecretaris aangeven hoe zij dit in de toekomst denkt te voorkomen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.8">Wij zullen ongetwijfeld nog over de Kaderrichtlijn water en het Alterrarapport spreken en de inhoud ervan laat ik voor dit moment liggen op een punt na. Onlangs zei de staatssecretaris dat zij in de nadere aanpak de landbouw wil ontzien. Mijn fractie vindt het niet verstandig om nu al dit schot voor de boeg te geven. Hoe verhoudt die opvatting van de staatssecretaris zich met bijvoorbeeld het belang van milieukwaliteit? Is het niet zaak dat de sectoren eisen aan elkaar stellen en op die basis tot een werkbare aanpak komen voor de implementatie van de Kaderrichtlijn water.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.9">Welke visie hebben de bewindslieden op het gebruik van internationale contacten bij het ontwikkelen van nieuwe kennis? Het valt mij als voorzitter van de commissie Leefmilieu en energie van de Beneluxraad op dat er interessante initiatieven zijn om samen te werken bijvoorbeeld bij de aanpak van de ring Antwerpen. Die initiatieven krijgen echter weinig aandacht. Is de regering bereid om daar meer werk van te maken, zeg maar benchmarking in Beneluxverband, leren van onderop?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.10">Waarom is het belangrijk dat het sturend vermogen werkt en dat we effectief gebruik maken van Europese samenwerkingsrelaties? Namens de Partij van de Arbeid zal ik aandacht schenken aan een aantal essentiële opgaven. Voor ons staat voor de vraag voorop op welke wijze deze bewindslieden hun krachten zullen inzetten voor duurzame oplossingen. Zij zitten op goud en de wijze waarop zij dat inzetten, zullen wij mede beoordelen op de effecten voor duurzame ontwikkeling, op de vraag of er sprake is van innovatieve bijdragen aan behoud van milieu en aan het sparen ruimte, van grondstoffen en van energie. Het beleid van het ministerie van Verkeer en Waterstaat en de activiteiten van het ministerie hebben invloed op de gezondheid en de veiligheid van mensen en op de fysieke condities van stad en land. Zij leveren een bijdrage aan economische ontwikke ling, maar ook aan de kansen van mensen om mee te doen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.11">Onze boodschap is dat er dwars door de rijkskokers heen meerwaarde te verkrijgen is. Onderschrijven de bewindslieden het belang van die boodschap en zijn er terreinen waarop dit reeds is gebeurd? Welke bijdrage levert bijvoorbeeld Rijkswaterstaat hieraan? Hoe sturen zij die machtige kennisbank zo aan dat integrale, multidisciplinaire oplossingen tot stand komen? Misschien is het de bias van een voormalig gemeentebestuurder, maar het is mijns inziens de grootste zwakte van het bestuurlijk bestel op rijksniveau dat integraal rijksbeleid ontbreekt. De natuurlijke reflex van de verschillende rijksorganisaties is om het vooral zelf, binnen de eigen technische kaders, op te pakken, overigens met de beste bedoelingen van het eigen vakgebied. Het is een bestuurlijke uitdaging voor de bewindslieden om dit te doorbreken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.12">Het voornemen van het kabinet om de nota Ruimte, de nota Mobiliteit en de voornemens voor een vitaal platteland samen op te pakken, heeft de hartelijke steun van mijn fractie. Als wij echter kennis nemen van de begroting en bijvoorbeeld onder de kop "Stil en schoon vervoer" een reeks nuttige – dat wel – onderzoeken tegenkomen en voornemens om te stimuleren en zelfs een pilot, bekruipt ons wel de vraag waar de samenhang kan worden gevonden. Veiligheid, water en mobiliteit zijn belangrijke prestatievelden voor Verkeer en Waterstaat. Zij staan niet op zichzelf. Hoe wordt bijgedragen aan duurzame ontwikkeling, versterking van het innovatief vermogen en verbetering van de integrale aanpak?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.13">Duurzaam is niet alleen een onderwerp voor economische hoogtij, een soort maatschappelijke luxe, maar een investering in de toekomst. Mijn fractie wil hieraan in de komende tijd nadrukkelijk meer aandacht besteden, ook kabinetsbreed. Wij willen nu scherper zicht op het rendement van de inzet van de middelen van het ministerie van Verkeer en Waterstaat in termen van duurzaamheid. Willen de minister en de staatssecretaris ons inzage geven in dat rendement: waar dringen zij de milieubelasting terug, waar en hoe sparen zij ruimte? Willen zij toezeggen om dit inzicht te bieden?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.14">Op een lijn met duurzaamheid staat het thema veiligheid. Veiligheid in vervoersmiddelen, veiligheid van vervoersmiddelen en veiligheid in de omgeving (havens, stations en dergelijke). De aanslagen in Madrid hebben opnieuw aangetoond dat onze westerse samenleving kwetsbaar is. Ook hier moet worden gekozen voor een aanpak met een combinatie van "partnership" en sturen. Burgers en bedrijven mogen van de overheid vragen om de grootst mogelijke zekerheid en om garanties.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.15">Dit huis is juist de plek om vragen te stellen hoe ver dit gaat. In de begroting van het ministerie van Verkeer en Waterstaat wordt op bladzijde 83 gesteld: "De sturingsfilosofie en de managementaandacht ten aanzien van veiligheid in de spoorsector gaat uit van de gedachte dat elke dode er een teveel is." Dat klinkt heel nobel en heel straight, het belooft ook veel, maar maken wij het waar? Er is mijns inziens sprake van een kennisparadox. Hoe meer wij weten, hoe onzekerder wij worden. Wij vinden een discussie over veiligheidsnormen en risicoacceptatie noodzakelijk en willen daarover de discussie aangaan. Dat wordt een lastige politieke discussie, die echter wel noodzakelijk is, omdat er anders geen grenzen worden getrokken. Stimuleer het publieke debat, doe zelf mee en maak je kwetsbaar!</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.16">Het politieke bedrijf is niet vrijblijvend, want de publieke zaak vereist mensen die perspectief durven te schetsen en het risico durven nemen dat ze worden tegengesproken. Sterker nog: democratische politiek en democratische bestuurders zijn op zoek naar tegenspraak. Omdat het goed en zinvol is, ga je het gesprek aan en probeer je de toekomst te duiden. Daarbij laat je je bijstaan door de burger in zijn eindeloze verschijningsvormen en sta je de burger bij. Laat je niet bij voortduring regeren door de macht van het getal, het ritme van het horloge en de terreur van het imago. Wat zijn wij bereid om hierin te investeren en hoe verhoudt zich dat tot andere beslissingen, bijvoorbeeld over bereikbaarheid en toegankelijkheid? Staatssecretaris Van Geel heeft enige maanden geleden een poging gedaan, het debat hierover te openen. Het is echter wonderlijk stil gebleven.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.17">Het is naar het oordeel van de PvdA-fractie noodzakelijk om de grenzen van het bestuurlijk bereik te verkennen, juist ook om de geloofwaardigheid van het openbare bestuur overeind te houden. Opnieuw noem ik staatssecretaris Van Geel, omdat hij deze week de discussie over de belasting van dieselmotoren in grootstedelijke gebieden heeft aangekaart. Dat is een discussie die alleen effect kan hebben als wij het maatschappelijk debat over grenzen echt durven te voeren. Het is een keuze tussen meer geld voor het terugdringen van het aantal van 5000 doden door diesel en meer geld voor verkeersveiligheid.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.18">De overheid moet zich tot het uiterste inspannen om rampen en zware ongevallen te voorkomen, maar moet ook zo eerlijk zijn om burgers op het uur U aan te geven dat dit "uiterste" ook wordt bepaald door de acceptatie van regels en het geld dat wij daarvoor beschikbaar kunnen en willen stellen. Delen de bewindslieden mijn opvatting dat aan het beheersen van risico's en het voeren van adequaat veiligheidsbeleid grenzen te stellen zijn? Kunnen zij hun eigen grenzen aangeven en meer in het bijzonder hoever zij willen gaan met het geven van veiligheidsgaranties? Zijn zij verder bereid om burgers bij deze discussie te betrekken? Mijn fractie zou graag zien dat u publiekelijk stelling neemt in het debat over de spanning tussen enerzijds het individu dat steeds meer ruimte voor risico wil – zie de vermaaksindustrie en het gewaagd toerisme – en anderzijds collectief steeds meer zekerheid eist.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.19">Schiphol is in meer dan één opzicht cruciaal. Het is in feite een meervoudige gordiaanse knoop. Er is de knoop van het deskundigheidsdenken. Hoe gaan wij om met de kenniswapenwedloop en de stoet van deskundigen, die zich heeft verbonden met de verschillende kampen? Maar er is ook de knoop van het leefbaarheidsdenken: jouw werkgelegenheid verpest mijn nachtrust en bezorgt mijn collega haar vakantieplezier. En dan de knoop der knopen, die van het geloofwaardig overheidsoptreden: er zijn normen gesteld, zijn die te handhaven? Hoe combineren wij economische ontwikkeling en behouden wij tegelijkertijd de normen die nodig zijn om de milieubelasting in de hand te houden?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.20">Wij hebben in het kennismakingsgesprek met de bewindslieden reeds aangekondigd dat wij helderheid willen krijgen over de motie-Baarda. Bewaakt men bijvoorbeeld daadwerkelijk het buitengebied, conform de PKB '95, zoals aangegeven in de Handelingen waarin de behandeling van de motie-Baarda is vastgelegd? Overigens is ook bij de uitvoering van deze motie de geloofwaardigheid van de overheid in het geding.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.21">Belangrijker nog vindt mijn fractie het dat in 2005 bij de evaluatie van de gewijzigde Luchtvaartwet een betere relatie met medeoverheden en groepen van actieve burgers is ontstaan. Die evaluatie krijgt meerwaarde, wanneer u bereid bent te investeren in een steviger draagvlak. Dat kost tijd en aandacht en vergt inspanningen van het ministerie. Zo zal moeten worden nagegaan of oplossingen die van onderop komen, bruikbaar zijn. Misschien is niet elke inbreng bruikbaar, maar wel heeft vrijwel elke inbreng waarde. Als een betrokken burger de idee oppert om de Polderbaan onder een helling aan te leggen en onder het maaiveld te laten eindigen, kun je dat met een ingenieursblik in het laboratorium afdoen, maar je kunt dat meedenken ook honoreren door erop in te gaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.22">Schiphol is belangrijk voor onze economische ontwikkeling. Daar sluit ook de PvdA-fractie haar ogen niet voor. Wij verdienen veel geld aan deze luchthaven, die bovendien een onmisbare schakel is in veel van onze internationale contacten. Dat zijn de baten waar alle Nederlanders profijt van hebben. Het zijn ook baten waarbij een breed publiek belang in het geding is, dat door de overheid geborgd moet worden. Wij weten ook dat een luchthaven per definitie overlast geeft. Geluid is een belangrijke factor in het totaal aan lasten, lasten waar een deel van de Nederlanders mee te maken heeft. De PvdA wil dat een deel van de baten ingezet wordt om de geluidsoverlast terug te dringen. De discussie hierover gaat overigens te veel over normen en te weinig over het effect op de omgeving. Het administratieve gelijk lijkt soms de inzet van het debat, maar daar heb je niet veel aan als je weer eens wakker ligt. Geluidsproblematiek heeft een zekere subjectieve inslag en dat is lastig als je de pretentie hebt dat alles te meten is. Net als veiligheidsbeleid is het voor een deel een zaak van emotiemanagement. Daar kan men op technische en wetenschappelijke gronden badinerend over doen, maar elke wethouder Verkeer en Milieu kan vertellen hoe men daaraan ten gronde kan gaan. De staatssecretaris zal die psychologische component in haar aanpak moeten verdisconteren, want alleen dan kan aan burgers enigszins duidelijk worden gemaakt voor welk dilemma wij staan. Het kabinet zal in de discussie over Schiphol nooit als glorieus winnaar uit de bus komen; dat moet het ook niet willen. Het moet de overheid echter wat waard zijn om aan geloofwaardigheid te winnen. Ook bij de privatisering van Schiphol speelt het borgen van het publiek belang een hoofdrol. Schiphol is een monopolist en die positie vergt extra aandacht voor de positiebepaling van de overheid. De PvdA-fractie bepleit een zorgvuldige afweging en twijfelt aan het doorzetten van de privatisering, juist omwille van de al eerder genoemde geloofwaardigheid.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.23">Water en waterstaat zijn opnieuw in discussie. Na de glorie van de Deltawerken is er twijfel over de veiligheid; over de kwaliteit van het water moet strijd geleverd worden en het bestuurlijk bestel staat onder druk. Ik zeg "opnieuw" omdat Nederland al zo lang met het water in de slag is. Overigens lang niet altijd als probleem. "Creatief met water" zou een aardig motto kunnen zijn voor onze geschiedenis met water. Op die manier kijkt mijn fractie ook nu naar de nieuwe opgaven: klimaatveranderingen, Europese dimensie, ruimtelijk perspectief, bronnen van technologische vernieuwing. Voorwaarde daarvoor is een actieve overheid, in de gehele cyclus, voor vrijwel elk aspect, of het nu gaat om de kwaliteit van de bodem, het beheersen van de kwantiteit, de dijken of de Noordzee. Ook over de toekomst van het bestuurlijk bestel, de waterschappen, is het laatste woord in deze kabinetsperiode nog niet gezegd. Kan de staatssecretaris aangeven hoe zij die discussie wil inrichten? Het is voor mijn fractie de vraag of er gelet op de zware taakstelling voor de overheden, en in het bijzonder voor de waterschappen, veel gemorreld moet worden aan het bestuurlijk systeem.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.24">Het is een beetje van deze tijd om alles maar op zijn kop te zetten met als argument dat de burger behoefte heeft aan die verandering. Ik heb zo mijn bedenkingen bij dat motief. De burger wil serieus genomen worden, staat open voor een eigen, vaak bescheiden, rol bij veranderingen en verbeteringen en dergelijke. Bij de aanpak van wateropgaven moeten burgers naar mijn mening de kans krijgen om zich te informeren en invloed uit te oefenen op planvorming. Het is echter maar de vraag of burgers zitten te wachten op grootscheepse bestuurlijke ingrepen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.25">Ik maak graag nog een enkele opmerking over Ruimte voor de rivier. Mijn herkomst uit het Rivierenland wil ik hier niet verloochenen. De staatssecretaris spreekt over een benodigde afvoercapaciteit voor de Rijn van 16.000 m3 in 2015, maar is dat werkelijk afdoende? Waarop baseert zij dat? Is daarbij rekening gehouden met maatregelen in Duitsland? De stroomgebiedenbenadering uit de Kaderrichtlijn water is even noodzakelijk voor het capaciteitsbeheer. Kan de staatssecretaris aangeven of daarvan sprake is? Als ultieme maatregel worden nog steeds de overloopgebieden genoemd. De staatssecretaris spreekt daarover wat vergoelijkend in de begroting: "Het restrisico kan in principe verkleind worden door de keuze voor een gecontroleerde overstroming." Het zal je land maar wezen. Je zult maar in Kekerdom wonen. Kan de staatssecretaris de betekenis van dat restrisico duiden in relatie tot een afweging voor het betrokken gebied? Ook hier geldt de relatie met de buurlanden, met name met Duitsland. Kan de staatssecretaris de Kamer informeren over de effecten van een aanpak in het stroomgebied van de Rijn? Is een bovenstroomse aanpak van de Rijn mogelijk zodat radicale ingrepen als die van noodoverloopgebieden kunnen worden voorkomen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.26">Mobiliteit is van invloed op leefbaarheid en kwaliteit en geen op zichzelf staand vraagstuk. Mobiliteit is ook geen zaak van individuele verantwoordelijkheid; het gaat om een complex samenstel van voorzieningen waarin keuzes gemaakt moeten worden. Beprijzing, spreiding van voorzieningen en staat van onderhoud zijn politieke vraagstukken. Keuzes beïnvloeden elkaar en grijpen in op kansen van burgers. De minister kiest in deze periode voor een zwaar onderhoudsprogramma. Mijn fractie steunt haar daarin want het is één van de manieren waarop in duurzaamheid geïnvesteerd kan worden. Wel rijst de vraag welke criteria gehanteerd worden voor het plannen van en het prioriteit geven aan onderhoudswerkzaamheden. Is dat alleen zaak van technische normen en van levensduur? Speelt de invloed op de omgeving een rol, bijvoorbeeld het sneller terugdringen van geluidsoverlast bij snelwegen? Ook op het punt van onderhoud doet zich weer een kans voor om in te springen op het eigen initiatief van de sector, in dit geval de provincies. Onlangs verscheen in het blad Provincies.nl een artikel over het overnemen van het onderhoud van ongeveer 1000 km weg die niet behoort tot het autosnelwegennet en die toch onderhouden wordt door het Rijk. De provincies hebben gezamenlijk aangegeven, in te zijn voor overname. Hoe staat de minister daar tegenover? Volgens berekeningen van het IPO kan het zuiniger. Kent de minister die berekeningen? Is zij bereid om deze op te vragen en in te gaan op de bereidheid van de provincies om het onderhoud over te nemen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.27">Mobiliteit heeft ook betrekking op de kansen van mensen; dat geldt zowel voor het voorzieningenniveau als voor de prijsstelling. De benadering van het kabinet geeft ons voor beide invalshoeken reden tot zorg. De minister legt de nadruk op de individuele verantwoordelijkheid en op het principe dat de gebruiker een kostendekkende vergoeding betaalt. De 207 mln euro ophoging van de gebruikersvergoeding tot 2010 komt dus ten laste van de reiziger. Kan de minister ons inzicht geven in de effecten op de prijzen van het openbaar vervoer?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.28">Wie dagelijks per trein reist, zal zorg hebben over de kwaliteit. De treinen mogen beter op tijd rijden dan één à twee jaar terug – dat is althans mijn eigen ervaring – maar de capaciteit staat nog steeds onder druk. Treinen in de spits zijn nog steeds overvol. Is de staatssecretaris bereid met de NS en andere marktpartijen afspraken te maken over de gewenste kwaliteit? In de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat is de op stapel staande evaluatie van de Wet personenvervoer 2000 reeds aan de orde geweest bij gelegenheid van enkele technische wijzigingen van die wet. Wij zouden het op prijs stellen om nader te worden geïnformeerd over de aard, de opzet, de inhoud en het tijdpad van de op handen zijnde evaluatie van de genoemde wet. Het gaat daarbij om zaken zoals de zogeheten concessieoverschrijdende verbindingen, de overname van het materieel en de overgang van het personeel. Ook de bereikbaarheid baart de PvdA-fractie zorgen en ook hierbij gaat het om samenhang. Welke samenhang zien bewindslieden met Ruimte en met Vitaal platteland? Wat mogen reizigers in regio verwachten? Hoe schakelen bewindslieden medeoverheden in?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.29">Ik noem een voorbeeld. Al zeker tien jaar praten wij in Nederland over Randstadspoor en over de omvang van dat nieuwe net. Mij valt op dat realisatie daarvan in een soort omgekeerde salamitactiek gestalte krijgt. De zuidelijke aftakking naar Geldermalsen en Tiel en naar Dordrecht en Gorkum wordt vrijwel nooit in zijn geheel bekeken. Bovendien wordt zij vaak primair beoordeeld vanuit regionaal belang. Stukje bij beetje komt het nieuwe net er, maar veeleer als een soort concessie aan regio's dan als een bijdrage aan de oplossing van de fileproblemen op de A2 en de A27. Eén van de hoofdoorzaken van files in Nederland is de fijnmazige vertakking van afslagen van het rijkswegennet. Met een ruime invulling van Randstadspoor kan daaraan wat worden gedaan. Verbetering en verfijning dragen bij aan het terugdringen van het regionale verkeer. Hoe kijkt de minister tegen zo'n meer integrale benadering aan? Is zij bereid om ook hierbij het MIT aan een kritische beschouwing te onderwerpen en tot nadere prioriteitstelling te komen voor het zuidelijke traject van het Randstadspoor? In elk geval kan een gesprek met medeoverheden hierover meer klaarheid brengen. Is de minister daartoe bereid?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.1.30">In vogelvlucht zijn wij langs een aantal belangrijke vraagstukken gegaan. De PvdA-fractie heeft met nadruk aandacht gevraagd voor de effecten van duurzame ontwikkeling in de aanpak van de bewindslieden van Verkeer en Waterstaat op mobiliteit en water. De fractie vraagt eerlijkheid, openheid en minder nadruk op een technocratische normstelling in de aanpak inzake veiligheid en risicobeleid in algemene zin en de aanpak van Schiphol in het bijzonder. Geïnvesteerd moet worden in geloofwaardigheid en samenwerking met medeoverheden, met het bedrijfsleven en met burgers die hun creativiteit aan de bewindslieden en aan ons uitlenen. De minister en staatssecretaris moeten in het kabinet strijden voor meer samenhang.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.2.1">Mijnheer Eigeman, proficiat met uw maidenspeech! Het beleidsterrein van Verkeer en Waterstaat is niet het enige dat u interesseert. Dat blijkt al uit het feit dat u zich na uw studie politicologie gedurende de eerste tien jaar van uw loopbaan heeft gewijd aan het onderwijs. De bredere scoop van het openbaar bestuur blijkt uit uw participatie in het bestuur van het mooie Culemborg. Aanvankelijk was u daar raadslid en later tien jaar lang, tot 1999, wethouder, waarvan de laatste vijf jaar als loco-burgemeester. Ik zei al dat u zich niet alleen het beleidsterrein van verkeer en waterstaat eigen heeft gemaakt. In Culemborg waren het ook de terreinen van sociale zaken, cultuur, volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu. Niet voor niets bent u recent voorzitter geworden van de commissie Leefmilieu en Energie van het Beneluxparlement.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.2.2">Uw huidige functie bij de VNG combineert u met een interessante en voor de Kamer relevante hobby: politieke filosofie. U begon uw maidenspeech met een motto ontleend aan het prachtige gedicht van Havel. U heeft dat gedicht vorig jaar eveneens voorgedragen tijdens een lezing op het zogenaamde bewegingscongres, waarop u namens de PvdA aandacht vroeg voor bezinning op wat u noemde "de wezenstaak van het politieke bedrijf". Daarbij ging u in op drie punten: de noodzaak van meer inspiratie en bevlogenheid bij de politiek, de behoefte bij de politiek aan meer respect en de noodzaak van het investeren door politici in vertrouwen als democratisch verschijnsel om het gevaar af te wenden dat de publieke zaak een zaak van vrijblijvendheid wordt. Wat u daar heeft gezegd, heb ik tot mij genomen. Voor iemand zoals u die dit beargumenteerd beoogt, zal het Kamerlidmaatschap geen vrijblijvende aangelegenheid zijn. Ook daarom heten wij u hier van harte welkom. Ik wens u heel veel succes!</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-20032004-1200-1220.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Engels" MPid="" party="D66" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2004-11-30" topic="Nationale minderheden" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20042005-299-313.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20042005-299-313.1.9" which-speech-in-topic="8" number-of-paragraphs="10" number-of-words="1072" number-of-unique-words="480" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Migratie en integratie <pm:entity> Integratie</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van Thijn" MPid="01363"/>
                <speaker name="Dölle" MPid="02262"/>
                <speaker name="De Graaf" MPid=""/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Van Raak" MPid="03035"/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Engels, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20042005-299-313.1.9" speaker="Engels" party="D66" function="De heer" title="De heer Engels  (D66)" MPid="">
                    <speech party="D66" docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.1" speaker="Engels" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Engels (D66)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Engels</naam>
                                <partij>D66</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.1.2">Mevrouw de voorzitter. Vandaag spreken wij, of beter gezegd: spreekt de Eerste Kamer voor de tweede keer over de goedkeuringswet voor het kaderverdrag. In de praktijk van het verdragsrecht is dit vrij ongebruikelijk, zo niet betrekkelijk zeldzaam. De achtergronden en redenen van de aanhouding van dit dossier zijn bekend en genoegzaam door voorgaande sprekers gememoreerd. Als in dienstjaren nog betrekkelijk jonge senator acht ik het niet gepast de geschiedenis van dit verdrag en de parlementaire behandeling ervan nog eens uitgebreid over het voetlicht te brengen.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.1.3">Ook voor de fractie van D66 was de interpretatie van het in het verdrag niet gedefinieerde begrip nationale minderheid in 2001 kernpunt van de discussie. Sindsdien zijn de feiten en omstandigheden echter niet onaanzienlijk gewijzigd. Dit geldt allereerst voor de nationale en internationale maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Bovendien zijn intussen op verschillende posities nieuwe politiek-bestuurlijke spelers actief. Ik realiseer mij nu dat dit ook voor mij geldt. Tot slot is het voorstel van de regering over de inhoud van de bij het wetsvoorstel gevoegde verklaring over de invulling van het begrip nationale minderheid substantieel gewijzigd. Wij kunnen ons daarbij niet geheel aan de indruk onttrekken dat tussen beide veranderingen een zeker verband bestaat.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.1.4">Blijkens zijn brief van 16&#160;december 2003 motiveert het kabinet de gewijzigde inhoud van de verklaring met een politiek-strategisch en een politiek-inhoudelijk argument.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.1.5">Het politiek-strategische argument is, dat voor de eerdere verklaring waarin – behalve de Friezen – ook personen die behoren tot de doelgroepen van het integratiebeleid, tot nationale minderheid waren verheven en dat daarvoor geen meerderheid in deze Kamer te vinden is. Ik ga er voorshands niet van uit dat het kabinet het oordeel van de Eerste Kamer in de toekomst tot voornaamste punt van afweging wil maken, maar ik laat de minister uiteraard de vrijheid om daar een andere mening over te geven. Als ik het goed zie, moeten wij veeleer aannemen dat het kabinet bezorgd is over de ontstane vertraging in de ratificatieprocedure.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.1.6">Het politiek-inhoudelijke argument is dat zich inmiddels een omslag voltrekt in het integratiebeleid: minder acceptatie van verschillen, meer gedeeld burgerschap. Wat hier verder van zij, met dit argument zegt het kabinet naar mijn oordeel dat onder de huidige feiten en omstandigheden een verbinding van het beleid inzake culturele minderheden met het integratiebeleid ook inhoudelijk niet langer opportuun is.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.1.7">Mijn fractie heeft zich in 2001 in positieve zin uitgesproken over de toen voorliggende interpretatie van het begrip nationale minderheid en de daarop gestoelde verklaring bij het verdrag. De vraag rijst of de gewijzigde en daarmee beperkte interpretatie welke thans voor ligt, aanleiding kan zijn om terug te komen op het eerder uitgesproken standpunt vóór de goedkeuring van het kaderverdrag te stemmen.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.1.8">Voor de fractie van D66 weegt thans zwaar dat het kaderverdrag nu binnen afzienbare tijd zal worden geratificeerd. Het is weliswaar niet een verdrag met op voorhand direct door de burgers in te roepen rechten, maar het ontleent niettemin betekenis aan het feit dat voor het eerst een bindend verdrag voor de bescherming van minderheden tot stand kan komen. De aard van de bescherming en de betekenis van de term minderheden is weliswaar binnen de grenzen van culturele eigenheid, maar dat doet niet af aan de signaalfunctie van het kaderverdrag. Op internationaal-rechtelijk niveau zouden met andere woorden nieuwe initiatieven tot ontplooiing kunnen komen voor een verdergaande bescherming van minderheden.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.1.9">Mijn fractie heeft voorts in toenemende mate moeite met de vaststelling dat Nederland zo langzamerhand terecht is gekomen in het rechterrijtje van landen die wel ondertekend, maar nog niet geratificeerd hebben. Dit past naar ons oordeel niet echt meer bij het in artikel 90 van de Grondwet neergelegde beginsel van de bevordering van de internationale rechtsorde.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.1.10">Als derde en laatste punt vraag ik nog uw aandacht voor het volgende. Adequate en werkelijke bescherming van minderheden gaat uiteindelijk verder en is ook veel breder dan bescherming van culturele minderheden en van doelgroepen van integratiebeleid. Deze bescherming is bovendien niet in de laatste plaats afhankelijk van onze nationale wetgeving. In dit perspectief is de finale betekenis van dit verdrag, zoals ook mijn voorganger Jan Terlouw op 29&#160;mei 2001 zei, dat het een instrument is voor een internationale dialoog over de behandeling van minderheden.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.1.11">Op grond van de drie hiervoor genoemde overwegingen spreekt de fractie van D66 vandaag opnieuw uit dat zij voor de goedkeuring van het kaderverdrag zal stemmen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.2.1">Mijnheer Engels. Ik feliciteer u met uw maidenspeech. Uw curriculum vitae overziende was het niet zozeer de vraag of, maar veeleer wanneer u lid zou worden van deze Kamer. In de afgelopen decennia heeft u zich immers niet alleen geïnteresseerd getoond in de theorie van het functioneren van de overheid, maar heeft u ook deelgenomen aan de onderscheiden delen van de trias politica, de wetgevende, de rechterlijke en de uitvoerende macht.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.2.2">U bekleedde het lidmaatschap van de gemeenteraden van Eelde en Tynaarloo, was wethouder en loco-burgemeester van Eelde en van 1999 tot 2004 lid van de provinciale staten van Drenthe. Sedert 1988 bekleedt u ook de nevenfunctie van rechter, als plaatsvervanger eerst in Groningen en later in Assen. En sinds 7&#160;september jongstleden mag u deel uitmaken van deze Kamer als lid van de fractie van D66.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.2.3">U bent als hoogleraar verbonden aan de Thorbecke-leerstoel, indertijd ingesteld door de VNG. U heeft in uw wetenschappelijke leven gepubliceerd over onze Grondwet en over allerlei hervormingen in het openbaar bestuur waarover in deze tijden zowel binnen als buiten het parlement zoveel wordt gediscussieerd. Het zal voor u interessant zijn te ervaren hoe wetenschappelijke inzichten zich verhouden tot de politieke praktijk van alledag aan het Binnenhof.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.2.4">Tot slot: u maakte recentelijk nog deel uit van de stuurgroep van de commissie die door de minister van BZK is ingesteld om de Wet dualisering gemeentebestuur te evalueren. Wij hebben begrepen dat u het lidmaatschap van deze commissie met een zekere spijt hebt opgegeven voor het lidmaatschap van deze Kamer. Ik weet zeker dat deze gevoelens van spijt, en ik reken er als voorzitter op dat dit vandaag al zal zijn, plaats zullen maken voor gevoelens van diepe dankbaarheid en grote trots dat u met 74 collegae hier de werkzaamheden van de senaat mag verrichten.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.2.5">Ik wens u van harte veel succes daarbij.</p>
                    </speech>
                    <speech party="D66" docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.3" speaker="Engels" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Engels (D66)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Engels</naam>
                                <partij>D66</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.3.2">Dank u zeer.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.4.1">Ik geef de collegae nu de gelegenheid om de heer Engels te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.5">
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.5.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.6" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.6.1">Ik schors de beraadslaging tot 16.00 uur.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.7">
                        <p docno="h-ek-20042005-299-313.1.9.7.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Engels. Ik feliciteer u met uw maidenspeech. Uw curriculum vitae overziende was het niet zozeer de vraag of, maar veeleer wanneer u lid zou worden van deze Kamer. In de afgelopen decennia heeft u zich immers niet alleen geïnteresseerd getoond in de theorie van het functioneren van de overheid, maar heeft u ook deelgenomen aan de onderscheiden delen van de trias politica, de wetgevende, de rechterlijke en de uitvoerende macht.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Essers" MPid="03007" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2003-09-02" topic="Comptabiliteitswet" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20022003-967-978.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20022003-967-978.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="8" number-of-words="1274" number-of-unique-words="553" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Burgerlijk recht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Rabbinge" MPid="02284"/>
                <speaker name="Essers" MPid="03007"/>
                <speaker name="Schuyer" MPid="02870"/>
                <speaker name="Van Middelkoop" MPid="02973"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Zalm" MPid="01630"/>
                <speaker name="Rabbinge" MPid="02284"/>
                <speaker name="Essers" MPid="03007"/>
                <speaker name="Schuyer" MPid="02870"/>
                <speaker name="Van Middelkoop" MPid="02973"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Zalm" MPid="01630"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Essers, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20022003-967-978.1.3" speaker="Essers" party="CDA" function="De heer" title="De heer Essers  (CDA)" MPid="03007">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.1" speaker="Essers" function="De heer" MPid="03007">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Essers (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Essers</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.1.2">Mevrouw de voorzitter. Het zal u na de schriftelijke behandeling niet verrassen dat de leden van de CDA-fractie zeer kritisch staan tegenover het thans te behandelen wetsvoorstel. Het voorstel stuit bij de leden van deze fractie op ernstige bezwaren. Verder kunnen er de nodige kanttekeningen worden geplaatst bij de veronderstelde effectiviteit en efficiencyvoordelen van deze regeling. Wij achten dit wetsvoorstel in strijd met ons uitgangspunt van spreiding van verantwoordelijkheid, waarbij de overheid zich dient te beperken tot haar kerntaken. De instellingen waarop dit wetsvoorstel ziet, zoals universiteiten en hogescholen, zijn sinds vele jaren vertrouwd met het invulling geven aan de dereguleringsgedachte leidend tot decentrale bestuursautonomie en decentraal toezicht.</p>
                        <p docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.1.3">Het in het wetsvoorstel geïntroduceerde gedwongen geïntegreerd middelenbeheer, ook wel aangeduid als verplicht schatkistbankieren, leidt tot het wegvallen van de treasury-functie en is daarmee met de dereguleringsgedachte in strijd. Daarvoor zou alleen reden zijn als er aanwijzingen bestaan dat de instellingen waarop dit wetsvoorstel ziet, de rechtspersonen met een wettelijke taak, in jargon de RWT's, een onverantwoord riskant treasury-beleid zouden voeren. Daarvan is echter geen sprake. Sterker nog, op pagina 13 van de nota naar aanleiding van het verslag in de Tweede Kamer merkt de minister letterlijk op dat "de bestuurspraktijk bij RWT's, waaronder het beheer van publieke financiële middelen in het algemeen door de betrokken bestuurders met een groot besef van verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend". Om excessen, zoals de Ceteco-affaire te voorkomen, zijn reeds op verschillende niveaus maatregelen genomen. Daarvoor is dit wetsvoorstel dan ook niet nodig en zou het overigens ook te laat komen. Ik verwijs naar de door de minister van OCW in juli 2001 uitgevaardigde regeling Belenen en beleggen, die sectorspecifiek de beleggingsmogelijkheden en het beheer van de liquide middelen van universiteiten vastlegt. Het opleggen van een verplichting tot schatkistbankieren kan naar onze mening slechts dan aan de orde komen als vaststaat dat deze maatregelen niet tot het beoogde resultaat leiden. Daarvan is echter tot op heden niets gebleken. Uitgaande van onze visie op de inrichting van de samenleving en de daarmee gepaard gaande verdeling van verantwoordelijkheid, zien wij dan ook geen reden de verplichting op te leggen om de treasury-functie van deze instellingen over te hevelen naar het ministerie van Financiën. Daarmee is niet gezegd dat wij te allen tijde tegen het ongedaan maken van het overdragen van bevoegdheden zijn, maar dan zal wel de noodzaak daarvan moeten worden aangetoond.</p>
                        <p docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.1.4">Ook het argument dat als gevolg van dit wetsvoorstel de doelmatigheid kan worden verbeterd, kan de leden van de CDA-fractie niet overtuigen. Waarom zou een eigen treasury-functie, die de mogelijkheid biedt van een eigen middelenbeheer op maat, minder doelmatig zijn dan een gecentraliseerde treasury? Tegenover het voordeel voor het Rijk dat als gevolg van het poolen van overschotten en tekorten op macroniveau de rente kan worden geminimaliseerd, waardoor aantrekkelijke tarieven aan de instellingen kunnen worden doorberekend, staan naar onze mening ook nadelen. Banken zijn immers in de praktijk bereid aan deze instellingen aantrekkelijke kortingen te verlenen in het kader van een integrale dienstverlening. Die integrale dienstverlening kan bestaan uit financiering, middelenbeheer, betaaldiensten, borgstellingen, verzekeringen en advisering. Door het wegvallen van de financierings- en beheerstaken zal deze bereidheid naar verwachting afnemen. Het is naar onze mening te eenvoudig om te veronderstellen dat het nadeel als gevolg van het wegvallen van deze voordelen zal wegvallen tegen de goedkopere kredietfaciliteiten bij het Rijk. In ieder geval is nader onderzoek nodig om dat te kunnen vaststellen. Tot een zodanig onderzoek roep ik de minister van Financiën dan ook gaarne op. Bovendien, als schatkistbankieren voor de RWT's zo aantrekkelijk is, waarom zou het dan niet aan de eigen keuze van deze instellingen kunnen worden overgelaten om hiertoe over te gaan in plaats van dit verplicht te stellen? Daar komt bij, dat de beoordeling van de kredietwaardigheid van RWT's waarschijnlijk beter kan worden overgelaten aan professionele banken dan aan het betrokken vakministerie, waarvan het wetsvoorstel uitgaat. Ook zal de centralisatie van de treasury-functie naar onze inschatting tot aanzienlijke extra kosten bij het ministerie van Financiën en de vakministeries leiden.</p>
                        <p docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.1.5">Het voorstel staat naar onze mening ook op gespannen voet met de in het hoofdlijnenakkoord van dit kabinet gemaakte afspraak dat er minder regels moeten komen. Biedt een heroverweging van dit wetsvoorstel niet een uitgelezen kans om dat streven onmiddellijk in de praktijk te brengen?</p>
                        <p docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.1.6">Ik heb nog enkele vragen aan de minister van Financiën die nog niet of onvoldoende zijn beantwoord tijdens de schriftelijke behandeling. In de eerste plaats, kan de minister aangeven hoe het overleg tussen hem en de onderwijsinstellingen over de uitgangspunten van dit wetsvoorstel en de praktische uitvoerbaarheid ervan tot dusverre is verlopen en waartoe dit overleg concreet heeft gevoerd? De schriftelijke voorbereiding heeft op dit punt niet voldoende helderheid opgeleverd. Ik verwijs in dit verband ook naar de brief van 21 oktober 2002 van de voorzitter van de VSNU, de heer D'Hondt, aan de toenmalige minister van Financiën, de heer Hoogervorst, waarin hij meldt dat er uitvoeringsproblemen zijn, zoals de afhandeling van het bankverkeer, en dat de geboden leenfaciliteit voor de universiteiten niet aantrekkelijk is. Gaarne verkrijg ik de visie van de minister hierop.</p>
                        <p docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.1.7">Mijn tweede vraag is wat de precieze stand van zaken is van het overleg met andere RWT's waarvoor dit wetsvoorstel gevolgen zal hebben, waaronder de politiekorpsen.</p>
                        <p docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.1.8">Mijn derde vraag is, hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot het bestaan van de Stichting Waarborgfonds HBO waarbij het hypotheekrecht op de gebouwen van de hogescholen berust. Verwacht de minister in dit verband dat ook hogescholen gebruik kunnen maken van de leenfaciliteit bij het Rijk? Is hij bereid daarbij af te zien van het vragen van hypothecaire zekerheid of andere garanties? En hoe wil de minister voorkomen dat, als voor deze kwestie een oplossing wordt gevonden, de financieel sterke hogescholen gebruik zullen maken van de leenfaciliteit bij het Rijk, terwijl de financieel zwakkere hogescholen die onroerend goed bezitten met een relatief lage executiewaarde een beroep zullen doen op het Waarborgfonds? Eventueel gevolg daarvan kan zijn dat door de concentratie van slechte risico's bij dit fonds, diens wettelijk verankerde taken in het gedrang kunnen komen.</p>
                        <p docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.1.9">Tot slot vraag ik de minister om te bevestigen dat de strekking van de brief van zijn ambtsvoorganger aan de voorzitter van de Eerste Kamer van 6 december 2002 is dat zowel de initiële A- en B-lijsten als toekomstige wijzingen van die lijsten bij algemene maatregel van bestuur door middel van een voorhangprocedure bij beide Kamers worden vastgesteld. Ik wacht het antwoord van de minister af.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.2.1">Mijnheer Essers, u bent hoogleraar belastingrecht aan de Universiteit van Brabant in Tilburg, de universiteit waar u fiscale economie studeerde en waar u ook bent gepromoveerd. U bent tevens gasthoogleraar in Bologna, Wenen, Osnabrück en Parijs en redacteur van diverse fiscale bladen. Met uw schat aan ervaring en deskundigheid bent u hier meer dan welkom. Daarnaast bent u welkom omdat wij in deze Kamer, althans in de huidige samenstelling, over weinig economen beschikken.</p>
                        <p docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.2.2">Mag de Kamer verheugd zijn met uw komst, de inwoners van uw woonplaats Loon op Zand zullen mogelijk eerder onder de indruk zijn geraakt van een andere activiteit van u. Uw internationale activiteiten hebben namelijk niet verhinderd dat u, afkomstig uit Limburg, wonend in Brabant, uw Zuid-Nederlandse identiteit tot haar recht laat komen door het voorzitterschap van de Koninklijke Harmonie Sophia's Vereeniging. Ik vraag de Kamer mij de opmerking te vergeven dat dit deze Zuid-Limburgse Kamervoorzitter deugd doet. Ik wens u van harte geluk bij uw verdere werkzaamheden. Gefeliciteerd met uw maidenspeech!</p>
                        <p docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.2.3">Ik geef de Kamer nu de gelegenheid om de heer Essers te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-20022003-967-978.1.3.3.1">De vergadering wordt korte tijd geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Essers, u bent hoogleraar belastingrecht aan de Universiteit van Brabant in Tilburg, de universiteit waar u fiscale economie studeerde en waar u ook bent gepromoveerd. U bent tevens gasthoogleraar in Bologna, Wenen, Osnabrück en Parijs en redacteur van diverse fiscale bladen. Met uw schat aan ervaring en deskundigheid bent u hier meer dan welkom. Daarnaast bent u welkom omdat wij in deze Kamer, althans in de huidige samenstelling, over weinig economen beschikken.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Franken" MPid="" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2005-03-15" topic="Statuut Europese vennootschap" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20042005-815-825.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20042005-815-825.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="17" number-of-words="2691" number-of-unique-words="975" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Werk <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Ondernemen</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Burgerlijk recht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Internationaal <pm:entity> Europese zaken</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Franken" MPid=""/>
                <speaker name="Broekers-Knol" MPid="02296"/>
                <speaker name="Tan" MPid="02277"/>
                <speaker name="Donner" MPid="02380"/>
                <speaker name="De Geus" MPid="02393"/>
                <speaker name="Franken" MPid=""/>
                <speaker name="Broekers-Knol" MPid="02296"/>
                <speaker name="Tan" MPid="02277"/>
                <speaker name="Donner" MPid="02380"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik heet van harte welkom de ministers Donner en De Geus en geef het woord aan de heer Franken voor zijn maidenspeech.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20042005-815-825.1.2" speaker="Franken" party="CDA" function="De heer" title="De heer Franken  (CDA)" MPid="">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1" speaker="Franken" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Franken (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Franken</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.2">Voorzitter. Het onderwerp, dat vanmiddag op de agenda staat, vormt niet bepaald het middelpunt van de politieke belangstelling. Ik denk dat wij die politieke belangstelling volgende week krijgen. Het onderwerp van vandaag is meer iets voor de zwoegers in het vooronder. Er is ook lang gezwoegd om het zover te krijgen, dat er twee wetsontwerpen kunnen worden afgerond, waardoor de Europese vennootschap het daglicht zal zien.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.3">Eigenlijk is de ideeënvorming over dit onderwerp al in 1897 begonnen met een artikel van de Italiaan Fedozzi, die schreef, dat een vennootschap met een Europees statuut wel eens een belangrijk instrument zou kunnen zijn voor de integratie van de Europese markten. Er is een Nederlandse dissertatie van 1993, die de geschiedenis van de realisering van dit gedachtegoed tot op dat moment beschrijft. Een markant punt daarbij is de oratie van mr. P. Sanders aan de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam van 1959, welke de titel draagt "Naar een Europese NV?" Hij staat positief tegenover deze vraag, waarbij het naar zijn mening gaat "om het scheppen van een nieuwe juridische vorm naast de reeds bestaande, een vorm, waarvan bepaalde ondernemingen gebruik kunnen doch niet hoeven te maken". Een van zijn voorbeelden betreft de samensmelting van nationale luchtvaartmaatschappijen. De als resultaat van een fusie gevormde nieuwe onderneming heeft dan een Europees etiket. Dit zou voor onze Flying Dutchman een aardige suggestie zijn geweest alvorens deze ging schuilen onder een Franse paraplu.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.4">Sanders is vervolgens vereerd met het verzoek van de Europese Commissie, een ontwerpverordening voor een supranationale rechtsvorm te maken. Zijn voorontwerp van 1966, waarin de Latijnse benaming Societatis Europeae werd gekozen – Latijn was kennelijk toen nog de lingua franca in Europa – heeft in 1970 tot een eerste Commissievoorstel geleid. In 1975 kwam een volgend voorstel en gaandeweg werden in de diverse aanpassingen van het vennootschapsrecht onderwerpen uit het ontwerp-Sanders min of meer "weggeharmoniseerd". Toch bleef er voldoende over, maar de voortgang daarmee raakte in een impasse ten gevolge van onenigheid over de beoogde medezeggenschap van de werknemers binnen de SE. In 1989 is de draad weer opgepakt, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot een afsplitsing van de regeling van het vennootschapsrecht in een verordening en van de medezeggenschap van werknemers in een richtlijn tot aanvulling van het statuut van de SE. Verordening en richtlijn zijn op elkaar afgestemd, maar over de uitvoering daarvan zijn heel wat vragen gerezen.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.5">In de memorie van toelichting van de uitvoeringswet noemt de minister van Justitie de SE een belangrijk Europees instrument dat moet dienen tot: 1. het faciliteren van de herstructurering van ondernemingen gericht op een Europese dimensie, met name door grensoverschrijdende fusies van vennootschappen;2. het maximeren van de bewegingsvrijheid door grensoverschrijdende zetelverplaatsing;3. uniformering waardoor juridische en administratieve kosten worden gereduceerd;4. het slechten van psychologische belemmeringen.Sanders noemde dat laatste punt overigens ook al. Een SE heeft een Europese uitstraling en verdient daarmee maatschappelijk aanzien. Het is dan ook een politiek signaal dat het realiseren van het instrument van de Europese vennootschap een verdere stap is in de eenwording van de Europese markt, een signaal dat serieus wordt genomen.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.6">Dat is de voornaamste reden voor de behandeling vandaag. Daarnaast is deze behandeling van belang omdat er bij het langdurige proces van vormgeving - ook na de parlementaire behandeling zoals die tot dusver heeft plaatsgevonden - vragen zijn overgebleven. Voor de praktijk is het belangrijk dat over deze vragen zoveel mogelijk helderheid wordt gegeven.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.7">Voorzitter. Bij die openstaande vragen waaraan ik refereer, zal ik mij tot een aantal praktische in het oog lopende punten beperken. Inmiddels is er al een belangrijke hoeveelheid relevante literatuur verschenen. Ik verwijs daartoe onder andere naar het ruim 300 pagina's tellende preadvies voor de Vereniging Handelsrecht in 2004 van De Kluiver, Dumoulin, Witteveen en Bellingwout, het recente boek van Van Veen c.s., uitgegeven in de bekende serie Recht en Praktijk, en de Collected Papers over The European Company, samengesteld door Jonathan Rickford en bijeengebracht naar aanleiding van een congres over dit onderwerp in de Leidse Pieterskerk.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.8">Grosso modo kunnen de vraagpunten die de verordening en de richtlijn oproepen in twee categorieën worden ondergebracht. De eerste categorie betreft de juridische vormgeving van de SE als zodanig en het aanzienlijk aantal onduidelijkheden dat mede het gevolg is van het feit dat het Nederlandse vennootschapsrecht van Boek 2 BW en de SE-verordening lang niet altijd goed op elkaar zijn afgestemd. De tweede categorie betreft de vele vragen die betrekking hebben op de regeling van de medezeggenschap, zoals de richtlijn die aangeeft. Beide categorieën overlappen elkaar waar het betreft de toepassing en de toepasselijkheid van het Nederlandse structuurregime.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.9">Met betrekking tot de eerste categorie heeft de fractie van het CDA in het voorlopig verslag al een aantal specifieke vragen gesteld waarop de minister in de memorie van antwoord is ingegaan. De CDA-fractie is hem daarvoor erkentelijk. Met betrekking tot de categorie van vragen over de medezeggenschap heeft de CDA-fractie vooropgesteld eraan te hechten dat bij verkrijging van een SE door een buitenlandse vennootschap of een elders in de EG gevestigde SE de medezeggen- schapssituatie op dat moment wordt gefixeerd. Dit is met name van belang om de doeleinden van de Verordening te waarborgen – een versoepeling van het grensoverschrijdend verkeer – zonder echter de Nederlandse regeling van medezeggenschap, in het bijzonder het structuurregime, te ondergraven. In antwoord op deze vraag heeft de minister in de memorie van antwoord een en ander opgemerkt over de diverse wijzen waarop een Nederlandse SE onder controle van een buitenlandse rechtspersoon kan worden gebracht. Waar het de CDA-fractie in dit verband echter in het bijzonder om ging, was de vraag naar toepasselijkheid, en eventueel voortgezette toepassing, van het structuurregime. Ook in de gedachtewisseling in de Tweede Kamer is daarover reeds het een en ander naar voren gebracht. De achtergrond van deze vraag was of het niet veel praktischer zou zijn om in geval van een Nederlandse SE uit te gaan van toepasselijkheid van de structuurregeling totdat de SE daadwerkelijk wordt gecontroleerd door een buitenlandse entiteit. Zou dat ook niet veeleer stroken met de uitgangspunten van de richtlijn, die er juist op gericht zijn nationale medezeggenschapsregimes te beschermen?</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.10">In de beraadslagingen in de Tweede Kamer over de structuurregeling heeft het debat zich toegespitst op de vraag naar de eventuele vrijstelling van dochter-NV's en -BV's van een SE. Dit is nu mogelijk gemaakt door daartoe in de statuten van de (moeder-)SE een aantal kernbepalingen van de structuurregeling van overeenkomstige toepassing te verklaren. Wat ik evenwel in die discussie nog heb gemist, is waarom een Nederlandse SE niet zondermeer kan worden onderworpen aan de structuurregeling. Ik stel het op prijs wanneer de minister daar nader op wil ingaan. Een praktisch punt in dit verband is de vraag hoe de regel van artikel 2:161a BW in de statuten van een SE kan worden opgenomen. Deze regel bepaalt dat na collectief ontslag van commissarissen de ondernemingskamer een nieuwe commissaris benoemt, die vervolgens een definitieve raad voordraagt. Hoe gewenst op zichzelf ook, deze regel lijkt mij te strijden met het voorschrift in de Verordening, in het bijzonder artikel 40, dat de leden van het toezichthoudend orgaan steeds door de algemene vergadering worden benoemd. Wellicht kan de minister, mede ten behoeve van de rechtspraktijk, hier nog een antwoord op geven.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.11">De structuurregeling was het eerste punt dat ik aan de orde wilde stellen. Het tweede betreft het monistisch stelsel. We weten dat ten aanzien van de SE de mogelijkheid bestaat te kiezen tussen een monistisch, dan wel een dualistisch systeem. Het dualistische stelsel is in de Nederlandse praktijk goed bekend en zal daarom geen bijzondere problemen opleveren. Dit is echter anders bij het monistisch stelsel: in dat geval kent de SE één bestuursorgaan. Uit overweging 14 bij de Verordening kan worden opgemaakt dat in dit bestuursorgaan zowel besturende leden als leden met een toezichthoudende taak zitting dienen te hebben. In de tekst van de Verordening, artikel 43 en volgende, treft men een dergelijk voorschrift echter niet aan. Zou men dan statutair kunnen bepalen dat de vennootschap slechts executives kent? De notaris kan zich in elk geval niet beroepen op de Verordening als het gaat om het omschrijven van de functie van een "met het houden van toezicht belast" lid van het bestuursorgaan. Bovendien laat ons nationale vennootschapsrecht een dergelijke scheiding van functies binnen hetzelfde orgaan niet toe. Hoe nu te handelen?</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.12">Van belang is verder de vraag van de leden van de VVD-fractie over het aansprakelijkheidsregime voor de met toezicht belaste leden van het bestuur in een monistisch bestuursorgaan. De minister heeft hierop geantwoord dat een lid van het bestuursorgaan dat zijn taak niet behoorlijk vervult, aansprakelijk kan zijn jegens de vennootschap volgens artikel 2:9 BW. Dat spreekt mijns inziens vanzelf, dat is nogal wiedes! Je kunt er alleen over twisten of een taakverdeling daarop van invloed is. Ik hoor echter graag van de minister hoe het staat met de zogenaamde "externe aansprakelijkheid" van de non-executives in een monistisch stelsel. Ik denk hierbij aan de aansprakelijkheid wegens onder meer belasting- en premieschulden en jegens derden op grond van onrechtmatige daad. Zijn deze leden aan hetzelfde regime onderworpen als de leden die met het uitvoerende bestuur zijn belast?</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.13">Het lijkt mij zonder nadere regeling niet duidelijk hoe de statutaire vormgeving van het monistische stelsel eruit moet zien. Het heeft mijn fractie dan ook verbaasd dat de minister in de memorie van antwoord aangeeft dat de huidige regeling voldoende is en het niet nodig is om deze thans uitsluitend voor de SE aan te pakken. Hij wil dat pas in het kader van de modernisering van het ondernemingsrecht bezien. Naar de mening van mijn fractie verdient het aanbeveling om, met gebruikmaking van artikel 43 lid 4 van de verordening, in de nabije toekomst een nadere uitwerking van de statutaire inrichting van het monistische stelsel te geven. Wereldwijd vertegenwoordigt het aantal ondernemingen met een "one tier structure" een ruime meerderheid. Het is dan ook te voorzien dat de oprichters van vele SE's de voorkeur zullen geven aan een monistisch stelsel. De Nederlandse wetgever behoort met deze voorkeur rekening te houden en voor de verwezenlijking daarvan optimale faciliteiten te bieden.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.14">De CDA-fractie heeft in het voorlopig verslag van de wet rol werknemers bij de Europese vennootschap eveneens vragen gesteld. Ook voor de beantwoording daarvan spreek ik graag mijn dank uit. Ik vraag nog om een verduidelijking om vervelende problemen in de uitvoeringspraktijk te voorkomen. Over de competenties in de medezeggenschapssituatie kunnen immers misverstanden ontstaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.15">In de Kamerstukken voor de Tweede Kamer gaat de minister ervan uit dat de medezeggenschap, zoals bedoeld in de richtlijn, betrekking heeft op vennootschapsrechtelijke medezeggenschap. Doelt de minister hiermee op invloed op de samenstelling van het bestuur dan wel de Raad van Commissarissen op grond van Boek 2 BW? Ik stel de vraag zo expliciet om te achterhalen op welke manier deze opmerking zich verhoudt tot het voorschrift van artikel 13 van de richtlijn waarin in algemene termen wordt uitgesproken dat "nationale wetgeving of praktijken" met betrekking tot medezeggenschap zonder nadere beperking ten aanzien van de SE buiten toepassing dienen te blijven. Het komt erop neer dat een bepaalde medezeggenschapsregeling, bijvoorbeeld een op grond van artikel 32 Wet op de Ondernemingsraden bij collectieve arbeidsovereenkomst of convenant toegekend adviesrecht tot benoeming van bestuurders, alleen krachtens de wet rol werknemers tot stand kan komen. In dat geval moet de toepasselijkheid van de betreffende bepaling in de WOR uitgesloten zijn in artikel 1:6 van de wet rol werknemers. Als de betreffende medezeggenschapsregeling echter alleen geldt op grond van de WOR, dan rijst de vraag of dit strookt met het voorschrift van artikel 13 van de richtlijn, dat nationale wetgeving enlof praktijken met betrekking tot de medezeggenschap zonder nadere beperking ten aanzien van de SE buiten toepassing moeten blijven. Ik hoop dat de tegenstelling hiermee duidelijk is.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.16">De kwestie van bevoegdheden in medezeggenschapssituaties is bijzonder belangrijk. Als wij niet goed weten wat wij als medezeggenschap in de zin van de richtlijn moeten verstaan, dan zijn casusposities voorstelbaar waarin met name adviezen en voordrachten van de OR als vrijblijvend worden beschouwd. Dat zou in strijd zijn met de klassieke opvatting in christen-democratische kring, dat een onderneming dient te worden gezien als een samenwerkingsverband van arbeid, kapitaal en management met een wederzijdse verantwoordelijkheid ten opzichte van elkaar.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.17">Afsluitend nog een opmerking van meer reflecterende aard, waartoe deze Kamer toch bij uitstek is geroepen; een opmerking die weliswaar uitmondt in een concrete vraag. Ook hier knoop ik aan bij de woorden van de beide ministers in de Tweede Kamer en bij wat ik aan het begin van mijn interventie naar voren bracht over de onduidelijkheid van de verordening en de richtlijn en de vragen die zij oproepen.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.1.18">Minister Donner heeft in de Tweede Kamer gezegd dat men niet te snel naar het middel van harmonisatie moet grijpen en dat hij daarvan op dit terrein geen groot voorstander is. Tegelijkertijd merkt hij op dat wij "nationale autonomie op het terrein van het vennootschapsrecht moeten vergeten." Ik kan dat niet met elkaar rijmen. De ontwikkeling die met de SE is ingezet, betekent toch per definitie harmonisatie aangezien men streeft naar één rechtsfiguur, zij het dat deze alsnog veel ruimte laat voor nationale invulling. Maar dat is duidelijk een compromissituatie. Wat is de opvatting van de regering op langere termijn? Gaat Nederland meewerken aan het verder verfijnen en dus harmoniseren van de SE-regelgeving, of zet de minister juist in op aanpassing en concurrentie van nationale rechtsvormen? Dat laatste lijkt beter te passen in zijn denkraam, zoals ik dat althans uit zijn opmerkingen in de Tweede Kamer afleid. Anderzijds heeft hij aan de overzijde van het Binnenhof ook opgemerkt dat niet alles moet kunnen. Zijns inziens is een aantal "elementaire waarborgen"vereist. Welke waarborgen heeft de minister dan op het oog en hoe ziet hij deze waarborgen in de toekomst gezekerd? Mag ik uit een en ander afleiden dat het kabinet zich zal verzetten tegen verdere harmonisatie van het vennootschapsrecht in EG verband en verdere verfijning van de SE-regeling? En als het anders is waarvoor zal de regering op dit terrein in de EU aandacht vragen?</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.2.1">Mijnheer Franken, van harte proficiat met uw maidenspeech waarin u al blijk heeft gegeven van uw deskundigheid als jurist, met alle nauwgezetheid en scherpte van dien.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.2.2">Op het juridische vlak bent u al heel lang buitengewoon actief geweest: binnen het openbaar ministerie, bij de advocatuur, in de rechterlijke macht en ook als staatsraad. Tevens hebt u uw sporen verdiend in de wetenschap, thans in Leiden als hoogleraar recht en informatica.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.2.3">Daarnaast bent u politiek actief geweest, onder andere als fractievoorzitter voor destijds de CHU in de provinciale staten van Zuid-Holland. U bent lid geweest van het partijbestuur van het CDA en bestuursvoorzitter van het wetenschappelijk instituut. De laatste jaren was u bovendien plaatsvervangend kroonlid van de SER.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.2.4">In het informatierecht bent u een autoriteit. Ik denk dat ik daarmee niet overdrijf. Vóór uw hoogleraarschap op dit gebied werd u in 1985 voorzitter van de commissie computercriminaliteit, in de wandeling al snel de commissie-Franken genoemd. Deze commissie heeft met haar voorstel al snel de basis gelegd voor de Wet computercriminaliteit die in 1993 in werking is getreden. Nog geen zeven jaar later publiceerde een commissie wederom onder uw leiding het rapport "Grondrechten in het digitale tijdperk". Dat rapport werd aangeboden aan de bewindslieden van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie. Dat rapport beschrijft de gevolgen van ICT voor de grondrechten van burgers. Deze commissie is overigens ingesteld nadat deze Kamer bezwaar maakte tegen het voornemen om de onschendbaarheid van het brief-, telefoon- en telegraafgeheim te veranderen.</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.2.5">Bij uw afscheid van de SER zei u in een interview over uw toetreden tot de Eerste Kamer: "Ik wil vooral bijdragen aan de kwaliteit van wetgeving. Die moet goed handhaafbaar zijn en helder. En je moet er wat mee kunnen doen."</p>
                        <p docno="h-ek-20042005-815-825.1.2.2.6">Ik zal het niet herhalen voor de mensen die nu achter de regeringstafel zitten, maar die ambitie, in combinatie met uw specifieke deskundigheid en ervaring maken u hier méér dan welkom! Ik wens u dan ook van harte veel succes met uw werkzaamheden in deze Kamer.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Hendrikx" MPid="" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-12-11" topic="Markttoezicht registerloodsen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-491-500.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-491-500.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="11" number-of-words="1544" number-of-unique-words="654" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Markttoezicht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Verkeer <pm:entity> Water</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Hofstra" MPid="02566"/>
                <speaker name="Hendrikx" MPid=""/>
                <speaker name="Slager" MPid="03163"/>
                <speaker name="Schouw" MPid="03025"/>
                <speaker name="Linthorst" MPid="02927"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Hendrikx, die ook zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-491-500.1.3" speaker="Hendrikx" party="CDA" function="De heer" title="De heer Hendrikx  (CDA)" MPid="">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.1" speaker="Hendrikx" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Hendrikx (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Hendrikx</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.1.2">Voorzitter. Het wetsvoorstel handelt niet over de invoering van marktwerking, alhoewel dat oorspronkelijk wel het geval was toen het een aantal jaren geleden in de Tweede Kamer werd behandeld, maar introduceert markttoezicht door de NMa op het loodswezen. Het wetsvoorstel voorziet ook in afbouw van kruissubsidiëring tussen verschillende regio's en scheepsklassen, met name in de afbouw daarvan. Er is al veel over de marktwerking, inmiddels moet ik zeggen eventuele marktwerking, per 2019 gesproken. De Raad van State constateerde reeds dat het infrastructuurgebonden karakter van de markt voor loodsdiensten, het ontbreken van alternatieven voor loodsdiensten en de structuur van het loodswezen in de weg staan aan concurrentie tussen registerloodsen. Welke opvattingen men ook kan hebben over de effecten van marktwerking, feit is dat de randvoorwaarden voor het welslagen van het bewandelen van een dergelijke weg nu niet vervuld zijn. De regering stelt voor de besluitvorming over eventuele marktwerking op te schorten tot 2019.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.1.3">De memorie van toelichting bij het wetsontwerp schenkt ook aandacht aan Europeesrechtelijke aspecten. De inzet van de regering met betrekking tot het Europese havenbeleid is gericht op de versterking van de concurrentiekracht van de Nederlandse zeehavens door in Europees verband een eerlijk speelveld tot stand te brengen. De Europese Commissie heeft er recent aan herinnerd – ik wijs naar de laatste mededeling inzake een Europees havenbeleid – dat technisch-nautische diensten, bijvoorbeeld loodsen, als diensten van algemeen economisch belang zijn onderworpen aan de Verdragsregels inzake mededinging en de interne markt. Ook het verdragsbeginsel van vrijheid van vestiging is van toepassing op technisch-nautische diensten. In de genoemde mededeling van de Commissie wordt ook stil gestaan bij modernisering en het verbeteren van de prestaties.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.1.4">De Commissie gaat ook specifiek in op technisch nautische diensten. Gesteld wordt dat de beperking van de interne markt niet verder mag gaan dan voortvloeit uit de middelen die worden gebruikt voor het vervullen van de taak van algemeen belang en voor zover noodzakelijk voor een effectieve tenuitvoerlegging van de taak.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.1.5">Juridische monopolies voor technisch-nautische diensten kunnen de vrijheid van vestiging beperken. Echter exclusieve rechten mogen niet voor lange periodes worden toegekend, rekening houdende met de noodzaak om een aanvaardbaar rendement op het geïnvesteerde kapitaal te garanderen. Graag vernemen wij een reactie van de minister over de relatie met het Europees beleid, zoals verwoord in de mededelingen van de Europese Unie.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.1.6">Voor zover wij kunnen beoordelen, spoort het huidige nationale beleid ten aanzien van het loodswezen met het Europese. Geldt dat ook voor de lange "overgangsperiode" tot 2019? Of moet er ook om andere redenen worden gestreefd naar een bekorting van deze tijd? Voor de toekomst is de vraag essentieel of een besluit over de keuze van wel of niet marktwerking een vrije keuze is voor het nationale niveau. Zo niet, welke beleidsopties blijven er dan over?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.1.7">In het bijzonder wat loodsen betreft, is de Commissie van mening dat frequente gebruikers moeten worden vrijgesteld van de verplichting om een loods te gebruiken als de veiligheid gegarandeerd is. In het streven naar het verlagen van de kosten moet rekening worden gehouden met technologische innovatie. De Commissie ziet als gevolg van deze innovatie loodsen op afstand als een realistische optie, die verder moet worden ontwikkeld.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.1.8">Het loodswezen is in 1988 verzelfstandigd. Dat betekent een en ander voor de operationele invulling van de opgedragen werkzaamheden. De sterke aandacht voor (de) materiële aspecten – regeling prepensioen problematiek, beëindiging kruissubsidiëring, transparantie in kosten, introductie sectorspecifiek toezicht – vormt waarschijnlijk de verklaring, waarom niet in breder verband is stilgestaan bij de toekomstige ontwikkelingen. De wijze waarop onze vragen zijn beantwoord over het laten vervallen van de goedkeuringsbevoegdheid van de minister ten aanzien van de tarieven, roept wellicht ongewild het beeld op van bestuur op grote afstand, waar op door andere gesignaleerde problemen partieel wordt gereageerd. Daardoor ontstaat ongewild een ietwat gefragmenteerd beeld naar de toekomst toe. Het Rijk, de wetgever, heeft een grote verantwoordelijkheid voor de omgeving waarin het loodswezen functioneert. Het handhaven van de goedkeuringsbevoegdheid was naar onze mening ook een verdedigbare optie geweest als formele uiting van een grote inhoudelijke betrokkenheid. Er wordt in de behandeling weliswaar diverse malen gesproken over evaluaties, monitoring, vinger aan de pols houden, maar is ook voldoende helder geformuleerd wat de te bereiken doelstellingen zijn voor de periode tot 2019? Wordt toepassing van de Kaderwet Zelfstandige Bestuursorganen overwogen? Welke prestaties mogen worden verwacht? Welke verbeteringen – modernisering, innovaties – worden nagestreefd?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.1.9">De loodsdienstverlening – ik citeer de minister – kent een dubbel monopolie, een wettelijk opgelegde vraag met één wettelijk gereguleerde aanbieder. Tegen die achtergrond is aangedrongen op een proactieve opstelling ten aanzien van een aantal onderwerpen. Ik noem: de datum van prepensioen. Is een dergelijke regeling nog wel verdedigbaar, gezien de pleidooien om waar mogelijk langer door te werken? Verder noem ik de hoogte van honorering. De minister heeft gesteld dat de loodsen moeten worden aangemerkt als "zelfstandige ondernemers" en dat zij derhalve niet in aanmerking komen voor een toets aan de Balkenendenorm. De minister gaat ervan uit dat er een duidelijke matiging zal optreden. In andere sectoren is gebleken dat die matiging zelden snel tot resultaten leidt. Voorkomen moet worden dat er van twee walletjes kan worden gegeten, namelijk ondernemer zijn zonder concurrentie. Bevatten de adviezen van de commissie-Dijkstal ook voorstellen voor de bezoldiging van loodsen? Worden deze gerekend tot het publieke domein of niet? De minister lijkt de boot af te houden, als wij pleiten voor nader toekomstgericht overleg over deze onderwerpen. Wij vragen de minister zijn standpunt nader toe te lichten.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.1.10">Met instemming hebben wij kennis genomen van de inzet van de minister om, geïnspireerd door de goede ervaringen met de Vlaams-Nederlandse samenwerking op de Schelde op het terrein van het loodswezen, samen met Duitsland te streven naar een intensivering van de samenwerking voor de Eems. Wij wensen hem daarbij veel succes toe.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.1.11">De bestaande belangen van de loodsen mogen niet eenzijdig het tempo bepalen van de mogelijkheden tot flexibilisering van de loodsplicht of meer in het algemeen tot het waar mogelijk verbeteren van prestaties en het benutten van technologische innovaties. Specifiek markttoezicht kan hieraan een bijdrage leveren. Maar er is meer voor nodig. Aan het slot van het debat in de Tweede Kamer heeft de minister aangegeven de Kamer in 2009 annex aan de verslaglegging toezicht NMa een analyse te geven over de oplossing prepensioen, langer doorwerken na het 55ste levensjaar en de ontwikkeling van het salarisniveau. Wij nodigen de minister uit deze rapportage ook aan deze Kamer te zenden en daarbij meer uitgebreid en geactualiseerd in te gaan op de relatie met het Europees beleid en de daarin opgenomen ambities in de zin van technologische innovaties en kostenreducties. Het verkennen van een aantal relevante ontwikkelingen zal dienstig zijn voor het in de toekomst te voeren beleid (meer/minder loodsen, vrijstelling loodsplicht, technologische innovaties, 2e Maasvlakte). Is de minister bereid dit aan deze Kamer toe te zeggen? Wij zien met belangstelling zijn antwoorden tegemoet.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.1.12">Ik constateer dat een maidenspeech op vele uiteenlopende onderwerpen betrekking kan hebben. Het loodswezen is daarvoor wel uitermate geschikt, stel ik vandaag vast.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.2.1">Mijnheer Hendrikx, ook u van harte gefeliciteerd met uw eerste optreden in de plenaire vergadering van deze Kamer.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.2.2">U hebt een indrukwekkende staat van dienst in het Nederlandse openbaar bestuur. Jurist van huis uit werd u al op uw 31ste levensjaar geroepen tot het ambt van burgemeester van de Gelderse gemeente Herwen en Aerdt. In 1974, u was toen vier jaar lid van de provinciale staten van Gelderland voor toen nog de KVP, trad u toe tot het college van GS. Aansluitend werd u opnieuw burgemeester, nu in de gemeente Wijchen. In 1985 maakte u de overstap naar de rijksdienst, naar het ministerie van BZK. Tot uw benoeming als commissaris van de Koningin in Overijssel, in 1988, was u op dat ministerie directeur-generaal Openbaar Bestuur. Na bijna veertien jaar nam u afscheid als commissaris in Overijssel. Wij hebben er bewijzen van dat u toen uitbundig bent geprezen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.2.3">Voor de KVP werd u al heel jong actief; u was 19 jaar toen u als een van de medeoprichters aan de wieg stond van de KVP-jongeren van de afdeling Brunssum. Daarna volgden nog diverse bestuursfuncties in de KVP. Na de laatste statenverkiezingen bent u in uw, oude, provincie informateur geweest van een nieuw college, en u bent daar breed gekwalificeerd als "een informateur van formaat". Uw cv toont verder een bijna onafzienbare lijst van nevenfuncties die u hebt vervuld en meerdere, ook buitenlandse, onderscheidingen. Ook nu nog bent u naast lid van deze Kamer bijzonder actief. Zo bent u voorzitter van verschillende raden van commissarissen, voorzitter van de Vewin, de brancheorganisatie van de drinkwaterbedrijven in Nederland, en vicevoorzitter van de raad van commissarissen van Essent.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.2.4">Mijnheer Hendrikx, u staat bekend als een echte katholiek, maar tegelijkertijd in zekere zin ook als een calvinist, namelijk sober en met een zekere gestrengheid, zeker ook voor uzelf. Daarbij meer als iemand die de stille kracht van de diplomatie hanteert, dan als iemand die zich thuis voelt bij bestuurlijke krachtpatserij. Dit alles, met uw grote dossierkennis op vele terreinen en uw aanzienlijke ervaring in het binnenlands bestuur, maken u meer dan welkom in deze Kamer. Ik wens ook u heel veel succes met al uw werkzaamheden in dit huis.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.3.2.5">Ik geef het woord aan de heer Slager, die eveneens zijn maidenspeech zal houden.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Hendrikx, ook u van harte gefeliciteerd met uw eerste optreden in de plenaire vergadering van deze Kamer.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Hermans" MPid="01894" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2008-03-18" topic="Binnenlands bestuur/Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-990-1037.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-990-1037.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="19" number-of-words="4335" number-of-unique-words="1275" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Bestuursrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Staatsrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Hermans" MPid="01894"/>
                <speaker name="Bemelmans-Videc" MPid="02260"/>
                <speaker name="Ten Horn" MPid="03145"/>
                <speaker name="Putters" MPid="03023"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Thissen" MPid=""/>
                <speaker name="Ter Horst" MPid="03152"/>
                <speaker name="Bijleveld-Schouten" MPid="02974"/>
                <speaker name="Hermans" MPid="01894"/>
                <speaker name="Bemelmans-Videc" MPid="02260"/>
                <speaker name="Ten Horn" MPid="03145"/>
                <speaker name="Putters" MPid="03023"/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Thissen" MPid=""/>
                <speaker name="Ter Horst" MPid="03152"/>
                <speaker name="Bijleveld-Schouten" MPid="02974"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Hermans, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2" speaker="Hermans" party="VVD" function="De heer" title="De heer Hermans  (VVD)" MPid="01894">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1" speaker="Hermans" function="De heer" MPid="01894">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Hermans (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Hermans</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.2">Voorzitter. Ik voer met groot genoegen het woord bij deze begrotingsbehandeling. Een van de laatste keren dat ik over de organisatie van het binnenlands bestuur het woord voerde, was in 1983; dus halverwege de vorige eeuw. Het betrof een debat met minister Rietkerk dat ging over de vraag of er nieuwe provincies Twente en Rijnmond moesten komen. Uiteindelijk mondde deze discussie uit in de komst van de provincie Flevoland. Hiermee geef ik maar aan hoe een debat kan verlopen. Laten wij daarom maar afwachten waar wij vandaag terechtkomen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.3">Een paar zaken wil ik aan de orde stellen, maar met mijn bijdrage niet ingaan op de vraag of er twee of drie bestuurslagen zouden moeten komen dan wel gemeentelijke herindelingen. Daarover zou ik het nodige kunnen zeggen, maar daar heb ik de tekst van mijn bijdrage niet op toegespitst. Die heb ik op een tweetal zaken toegesneden. In de eerste plaats is dat op de kwestie van medebewind, autonomie en de vraag: wat betekent dat en wat is de rol van de minister van Binnenlandse Zaken daarbij? In de tweede plaats is dat de vraag in hoeverre de overheid allerlei zaken op haar "nek" kan nemen en de uiteindelijke verantwoordelijkheid ervoor volledig kan waarmaken.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.4">Ik wil beginnen met opmerkingen over medebewind en autonomie. Dan wijs ik erop dat als je de bestuurlijke organisatie van ons land met een term zou willen aangeven, je kunt spreken van een houtje-touwtje-organisatie, zonder overigens met de bedoeling negatief te doen. Naast het Europese niveau kennen wij namelijk het Rijk, de provincie, de gemeenten, de waterschappen, de veiligheidsregio's, de coördinerende burgemeesters, de WGR, de WGR-plus, ga zo maar door. Alleen al voor het Waddengebied zijn er ruim 37 overleg- en bestuursorganen actief. De vraag is dan natuurlijk: kun je op die manier überhaupt nog beleid voeren?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.5">Daarnaast hebben wij te maken met de kwestie van autonomie/medebewind. Bestuur in de betekenis van governance en dienstverlening in de betekenis van management en professionaliteit zijn organisatievormen die elkaar in de discussie doorkruisen. Daarbij speelt ook nog dat de behandeling van complexe vraagstukken niet meer adequaat genoeg wordt ingezet en voortgezet. Er lijken geen duidelijke verantwoordelijkheden te zijn voor organen met doorzettingsmacht met als gevolg traagheid, uitstel, werken met commissies of helemaal geen besluitvorming.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.6">Vandaag wil ik het met name hebben over autonomie versus medebewind, centralisatie versus decentralisatie en uniformering versus differentiatie. De discussie daarover wordt vaak op een zeer krampachtige wijze gevoerd. Aan de keuze op dit vlak lijkt bijna geen echte beleidsmatige overweging vooraf te gaan. Veel meer wordt de vraag aan de orde gesteld of je een centralistische of een decentralistische visie hebt. Die discussies gaan vaak gepaard met een gebrek of juist een overmaat aan vertrouwen in de capaciteit van – daartoe beperk ik mij vandaag – de gemeente. De discussies worden dan ook vaak met een vooringenomenheid gevoerd en dan is het heel erg lastig debatteren. Tijdens mijn studie heb ik van mijn toenmalige hoogleraar Hans van den Doel geleerd dat je met de premisse moet beginnen en daarna een bepaalde redenering kunt aanvallen. Anders slaag je niet. Ik begin dus met de premisse.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.7">De gedecentraliseerde eenheidsstaat waarover wij in Nederland nog steeds praten, ook in dit huis, is ontworpen en opgezet met het idee dat de aansturing/regie wordt gedaan door het centrale bestuur en dat er daarnaast de wenselijkheid geldt van een gedifferentieerde invulling op lokaal en regionaal niveau. De discussie over decentralisatie concentreert zich naar mijn mening op verkeerde zaken. Daarbij gaat het vooral om de uitvoering en de dienstverlening.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.8">Omdat de opvattingen over bestuur en dienstverlening bij de discussie over organisatievormen vaak elkaar doorkruisen, wordt naar mijn mening de gemeentelijke autonomie niet adequaat genoeg ingevuld. Ik illustreer dat met een voorbeeld en het is een voorbeeld dat de minister met haar verleden in Amsterdam zal aanspreken. Als je de bedoeling van de opdeling van Amsterdam namelijk in aanmerking neemt en vervolgens de werkelijke uitvoering van het beleid met deelgemeenteraden beoordeelt, kun je niet zeggen dat daar nu effectief wordt gewerkt. Een verhuizer moest voor de opdeling in deelraden zich slechts eenmaal melden wanneer hij een stukje straat wilde blokkeren om zijn werk te kunnen doen. Tegenwoordig moet hij in elk stadsdeel een ander soort vergunning aanvragen. Hij hoeft dus niet één vergunning voor zijn werk in de hele stad aan te vragen, nee, in iedere deelraad luidt de vergunning iets anders. Als een ondernemer een partytent in een tuin in Friesland moet opzetten, kan die tuin aan een andere gemeente grenzen. Dat kan dan betekenen dat hij acht ankers minder hoeft te slaan voor het opzetten van de tent, alsof de wind in de ene gemeente plotseling zoveel harder waait. Waarover hebben wij het dan?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.9">Naar mijn mening is de organisatie van de discussie hierover een rem op de poging om met ons binnenlands bestuur, governance, tot maatvoering en een goede afweging te komen. Wij hebben meer te maken met een ambtelijke deconcentratie dan een echte politieke en bestuurlijke decentralisatie. Het probleem is dat de bestuurlijke verantwoordelijkheden bij decentralisatie vaak worden ingevuld op het gedecentraliseerde niveau, dus met de dienstverleningsgedachte, en niet op grond van een algemeen bestuurlijke verantwoordelijkheid. Daarvoor heb je maatwerk, differentiatie, pluriformiteit en creativiteit nodig en ook de mogelijkheid om gebiedsgericht en met onderlinge verschillen te kunnen werken. De dienstverlening vraagt echter om meer normalisatie en standaardisatie met algemene kaders en normen, waarbinnen individuele handelingen kunnen plaatsvinden. Dat is, zonder dat wij dat hoeven te verheerlijken, wat Thorbecke autonomie noemde, namelijk het recht om zelf het initiatief te nemen op het niveau van governance en dat is wat anders dan dienstverlening. Niet het recht om een Alleingang te mogen maken dan wel het recht om autarkisch/soeverein te zijn, maar "dat de individuele regstontwikkeling... door het hogere niet belemmerd maar ondersteund, en zelve wederkerig de zelfstandige vorming van het geheel van de staat bevorderde". Dat is de essentie van wat wordt bedoeld met een gedecentraliseerde eenheidsstaat.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.10">Het maakt voor de richting van de oplossing waarover je praat en dus voor de opstelling van de minister van Binnenlandse Zaken heel veel uit of je de medebewindsgedachte gestalte geeft met het idee van een strategisch consortium, waarbij ik denk aan een samenhangende aanpak van maatschappelijke problemen door een verticaal pact van overheden, dan wel dat je medebewind ziet als een soort uitbesteding van de dienstverlening van het Rijk aan de gemeenten. Je zou de gemeente dan als een soort front office kunnen zien. Het rapport van de VNG spreekt in dat verband treffend over de "eerste overheid". Dan richt je je dus op dienstverlening, terwijl aan de hand daarvan de differentiatie zou plaatsvinden. Die zou veel meer gestalte moeten krijgen aan de hand van het idee van governance, het maken van afwegingen en het leveren van maatwerk. Daardoor zou de burger begrijpen waarom het beleid van de ene gemeente verschilt van dat van de andere.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.11">Gelukkig hebben wij ook een paar succesvolle voorbeelden van decentralisatie en uniformering. De landelijke uniformering van de brandveiligheidsregelgeving met het gebruiksbesluit zal leiden tot een veel eenduidiger toepassing van de regels. Dat is uitstekend en ik geef de minister daarvoor een pluim. Dit betekent dat het voor de burger, in welke gemeente hij ook woont, duidelijk is welke brandweervoorschriften gelden. Veel burgers en bedrijven werden voorheen gek van het feit dat iedere gemeente weer net iets andere brandveiligheidsvoorschriften had. Dan is het heel lastig om tot eenheid en duidelijkheid te komen. Op dat punt hoef je eigenlijk geen verschil te maken, maar kun je tot eenheid komen. Daarbij zou de uniformering voorop moeten staan. Echter, als je met ideologische discussies daarover dit idee ter sprake brengt, lijkt het meteen of je de gemeentelijke autonomie wilt aanpassen, terwijl naar de mening van de VVD de autonomie niets met dat soort zaken te maken heeft.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.12">Een geslaagde vorm van decentralisatie is verkregen met de uitvoering van de Wet werk en bijstand. Misschien is dat wel de meest geslaagde vorm van decentralisatie. Het advies van de Raad van State van 2006 inzake de spelregels voor interbestuurlijke verhoudingen zegt daar ook iets over. De Wet werk en bijstand is een combinatie van voldoende beleidsvrijheid, financiële prikkels voor de gemeenten, persoonlijke begeleiding en effectieve controle bij de cliënten. Dat is in essentie governance. Op deze manier kun je met maatvoering werken. Je kunt met zo'n wetgeving niet zomaar een uniforme regeling treffen. De omstandigheden waarin mensen verkeren kunnen namelijk zeer verschillen. Ook de situatie op de arbeidsmarkt kan per gemeente zeer verschillen. Daarom zijn op dit terrein governance, beleid en afweging op hun plaats. Op dit terrein mag sprake zijn van differentiatie.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.13">De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zet in op decentralisatie. Ook de VNG heeft talrijke rapporten op de planken liggen waaruit de vurige wens voor meer decentralisatie en autonomie blijkt. Naar mijn mening zouden die rapporten gescreend moeten worden op de vraag of wij het dan hebben over dienstverlening of over governance. Als wij het over dienstverlening hebben, laat dan duidelijk zijn dat uniformering, duidelijkheid en kwaliteit misschien voorwaarden zijn om gemeenten op het gebied van governance meer prestaties te laten leveren. Het wordt de hoogste tijd dat in ieder geval de VNG hieraan aandacht besteedt. De gemeenten zouden gebaat zijn bij het uniformeren van landelijke, complexe regelingen. Met die uniformering voorkom je dat een heleboel taken per gemeente verschillen en dat iedere gemeente opnieuw het wiel moet uitvinden. Uit onderzoek van de VROM-Inspectie blijkt dat 15% tot 20% van de gemeenten in staat is om vergunningsverlening en -toezicht op de terreinen bouwen, milieu en ruimtelijke ordening adequaat uit te voeren. Dat wil niet zeggen dat de Kamer van de VVD-fractie zal horen dat wij het voortaan maar centraal, in dit geval via de minister van VROM, moeten regelen. Dat kan heel goed door gemeenten die samenwerken, maar maak het dan uniform, zodat niet iedere gemeente op dat punt het wiel weer moet uitvinden. Waarom zou dat allemaal apart en verschillend moeten?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.14">De discussie over de mate van beleidsvrijheid op dat buitengewoon complexe terrein van VROM zou erover moeten gaan of het nu efficiënt en effectief georganiseerd is, met name op de punten van de vergunningsverlening, de uitvoering van de wet en de dienstverlening naar de burger, het eerste loket waar een burger of een bedrijf terecht kan. De nieuwe Wet ruimtelijke ordening, die per 1&#160;januari ingaat, biedt naar mijn mening nu perfect die mogelijkheid tot uniformering. Verder kun je eigenlijk het verschil toch niet maken, behalve er goed in zijn en op tijd je vergunning afgeven. Er zijn onderzoeken naar gedaan en er blijkt dat er maar een beperkt aantal gemeenten überhaupt in staat is om op het juiste moment binnen de juiste termijn de vergunningen af te geven. Een groot deel van de gemeenten kan dat dus niet eens. Daar krijgt men één dag voor het aflopen van de termijn te horen dat de vergunningsaanvraag op dit moment in behandeling is en dat men binnen een aantal weken antwoord krijgt. De nieuwe Wet ruimtelijke ordening biedt echter interessante mogelijkheden, waardoor de gemeente de ruimte houdt om echt aan governance te doen. De vraag is of de minister van Binnenlandse Zaken haar coördinerende rol in het binnenlands bestuur – dat is de belangrijkste taak van deze minister – ook op dit punt echt kan waarmaken. Dan gaat het erom of in de ruimtelijke ordening de afstemming tussen de verschillende departementen over de invulling van de ruimtelijke aspecten – dit kan infrastructuur, milieu of ruimtelijke planning zijn – gerealiseerd kan worden; de minister van Binnenlandse Zaken heeft dus geen eenvoudige taak. Vervolgens moet ook de afstemming naar gemeenten en provincies plaatsvinden. Dat moet niet gebeuren in de zin van "wij leggen van bovenaf op dat het allemaal zo moet", maar er moet in een beleidsdebat besproken worden wat er zou moeten gebeuren en vervolgens moet in overleg met gemeenten en provincies worden bekeken hoe dat beleid in governance uitgevoerd kan worden. Wat zijn de verschillen die dan nodig zijn voor de invulling van dat beleid in bijvoorbeeld de provincie Fryslân ten opzichte van de provincie Zuid-Holland of in de gemeente Zwolle ten opzichte van de gemeente Eindhoven? Daar gaat het dan om. De rol van de minister van Binnenlandse Zaken is op dat punt heel interessant, want door standaardisatie en uniformering van die algemene uitvoerings- en dienstverleningsregelingen kunnen gemeenten alleen of in samenwerking met andere veel meer naar die governance kijken dan op dit moment mogelijk is. Uniformering leidt dan tot hogere prestaties, juist op dat autonome beleidsterrein van governance. De VVD-fractie pleit er dan ook voor dat deze minister van Binnenlandse Zaken zich nadrukkelijk gaat mengen in de discussie over de regeldruk, in welk kader de Regiegroep Regeldruk binnenkort zal worden ingesteld. Ik zeg dat omdat het niet alleen gaat om wat je aan regels zou kunnen afschaffen, maar ook om wat je eventueel aan uniformering zou kunnen winnen aan doorzichtigheid van de dienstverlening van de overheid. Dat is een heel belangrijk element teneinde de komende jaren tot invulling te komen van de voorgestane vermindering van de regeldruk met 25%. Op dat punt ligt er dus nadrukkelijk een rol voor de minister van Binnenlandse Zaken. Deze minister is er niet alleen voor het binnenlands bestuur en voor de discussies die specifiek gaan over gemeenten, provincies en Rijk, maar heeft ook een coördinerende rol om met andere departementen verkokering tegen te gaan, afstemming mogelijk te maken en te voorkomen dat door het Rijk vanuit een soort centralistische gedachte alles van bovenaf opgelegd wordt. Juist die verticale consortiumvorming en verticale afstemming zijn van heel erg groot belang.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.15">Ik breng de discussie over de aanleg van de rijksweg A4 in herinnering. Ik durf deze hier nauwelijks nog te noemen, maar ik geloof dat wij er ook al jaren over bezig zijn. Het is een beetje vergelijkbaar met wat er gebeurde toen ik lid werd van de gemeenteraad. Ik stelde toen vragen over het tracé van rijksweg 73 en nu, 34 jaar later, is deze weg opengesteld en een dag later weer gesloten. Het gaat mij in dit geval om de vraag in hoeverre de minister van Binnenlandse Zaken haar taak ten aanzien van zo'n A4 kan invullen. In de visie van de VVD-fractie zou dat moeten gebeuren door te zeggen dat Nederland een A4 nodig heeft; ik denk dat daarover weinig discussie zal bestaan. Vervolgens is de vraag hoe die weg dan te realiseren. Wat betekent het voor de gemeenten waar het tracé van die A4 doorheenloopt? Hoe kan tot afweging van verschillende belangen gekomen worden? Moet er misschien wel een afweging gemaakt worden tussen belang A en belang B? Daarbij gaat het niet alleen om het belang van de Staat, maar ook om de vraag hoe de kleinere onderdelen kunnen bijdragen aan het belang van het totaal. De minister van Binnenlandse Zaken zou mijns inziens op dat punt een heel belangrijke rol kunnen spelen, teneinde ervoor te zorgen dat men niet slechts op basis van één facet afwijst of instemt, maar dat men het in totaliteit afweegt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.16">Dat is één kant: autonomie, medebewind, uniformering ten opzichte van eigen beleid. Het tweede punt dat ik vandaag aan de orde wil stellen, is de discussie over de vraag hoeveel hooi de overheid eigenlijk op haar vork neemt. Per vierkante kilometer en per inwoner telt ons land bijzonder veel politici en bestuurders. Uit CBS-cijfers volgt dat er één politicus/bestuurder, Rijk, gemeenten en provincies bij elkaar opgeteld, per 2,5 km2 is die ondersteund wordt door 41 ambtenaren per 2,5 km2; dat zijn dus in totaal een half miljoen ambtenaren. Als ik dit naar de bebouwde omgeving herleid, heb ik vier politici die worden ondersteund door 136 ambtenaren. Plaats dat eens in het licht van de uniformering die ik zojuist aangaf. Als dat goed opgepakt wordt, zou men dan niet in staat zijn de taakstelling van terugdringing en afslanking van de overheid veel beter te realiseren?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.17">Wij kennen natuurlijk allerlei intergemeentelijke samenwerkingsvormen, zoals WGR, WGR-plus, stadsregio, et cetera. Wij weten allemaal dat het schier onmogelijk is om de discussie daarover aan te gaan. Er is decennialang gediscussieerd over de vraag hoe dat precies zou moeten. Echter, ook al zou je nog zo'n slanke, precieze en in moderne dingen gestoken jasje van de bestuurlijke organisatie hebben, het gaat om de juiste invulling van de bevoegdheden van de verschillende overheden. Alleen dan kun je voldoen aan de vraag van de burgers om een optimale dienstverlening aan de ene kant en een goede governance en een afweging van belangen aan de andere kant. De essentie van een rechtstaat, geordend via de democratie, en daarmee de dus ook voor de burger belangrijke vraag welk deel van zijn vrijheid hij moet inleveren om van die overheid bescherming of ordening terug te krijgen – zegt u het maar: Hobbiaans, Leviathan? – is in wezen nog steeds de kwestie waarover wij met elkaar praten; wat zijn wij bereid in te leveren? Het debat vóór dit debat duurde wat langer, waardoor ik nog wat extra tijd had, waarin ik wat kranten heb doorgelezen. Daarbij stuitte ik op een interessant hoofdredactioneel commentaar in de Volkskrant; dat ging over iets heel anders, maar de eerste zin was zo mooi. Het was een citaat uit Die Zeit, de krant van onze oosterburen, waarin stond: "Hoe meer politici beseffen dat zij de greep op grote problemen dreigen te verliezen, hoe meer zij zich gaan bemoeien met de individuele handelingen van de burger." Toen ik terugkwam bij het debat wat hiervoor werd gevoerd, dacht ik dat dat nog niet zo'n gek citaat was. Dit zeg ik om het volgende. Wanneer wij praten over kerntaken mag iedere politieke partij daarover verschillend denken, maar ik sta hier namens de VVD-fractie. Wij denken aan veiligheid, een schoon milieu, een goede infrastructuur en een goede woonomgeving; dat zijn factoren waarvoor je als individu graag een stukje van je ruimte afstaat omdat je weet dat het anders niet goed voor elkaar komt. Tegelijkertijd wil je er iets voor terugkrijgen. Je wilt zien dat het ook effect heeft en dat hetgeen je inlevert voor jou iets oplevert. Ik heb het dus over de ordeningsfunctie waarbij de overheid robuust en veerkrachtig een institutioneel kader kan scheppen om mensen in staat te stellen zelf hun zaken te regelen. Dat is erg belangrijk. De centrale vraag is of de toenemende bemoeienis van de overheid met vrijwel alle facetten van ons leven niet anders dan ertoe kan leiden dat de in te leveren vrijheid niet meer adequaat door die overheid kan worden gecompenseerd en het onhaalbaar is om die taken waarvan de overheid zegt dat zij deze zal uitvoeren, naar tevredenheid van de burger uit te oefenen. Dan is het snel gebeurd, want als je als overheid te veel hooi op je vork neemt, word je krachteloos: in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister. Kijkend naar de minister van Binnenlandse Zaken vanwege het functioneren van het binnenlands bestuur, is de vraag wat de taak van de overheid zou moeten zijn en hoe die georganiseerd zou moeten worden om te voorkomen dat die overheid krachteloos wordt. Een hoeveelheid regelingen waarvan je je moet afvragen of ze te handhaven zijn, is een ondermijning van de geloofwaardigheid van de overheid.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.18">Jarenlang hebben wij in dit land discussies gehad over gedogen. De voorganger van de deze week helaas overleden heer Arnall die tot voor kort Amerikaans ambassadeur in Nederland was, heeft ooit gezegd: als je Nederland wilt leren kennen, moet je het begrip "gedogen" kennen. En probeer dat maar eens uit te leggen, voegde hij er aan toe. Regels maken en zeggen dat iets niet mag, maar het vervolgens door de vingers zien. Dat is de bijl aan de wortel van de geloofwaardigheid van de overheid. Waarom maak je die regels? Of je maakt ze en je handhaaft ze. Of je zegt dat je ze niet kunt handhaven, maar dan moet je ze ook niet maken. Of je investeert extra in het toezicht en wat dies meer zij om te zorgen dat die regels gehandhaafd kunnen worden. Maar je kunt niet van twee walletjes tegelijk eten door uit te gaan van zo min mogelijk taken om ze vervolgens wel zo veel mogelijk op te pakken. De belangenafweging tussen verschillende facetten raakt hierdoor wat meer op de achtergrond, zowel op rijksniveau als op provinciaal en gemeentelijk niveau. Politici proberen dan, heel begrijpelijk, te kijken waar ze kunnen scoren, waar hun doel kan worden bereikt. Vaak ontstaat dan de roep naar procesmanagement, projectmanagement, task forces en een afrekencultuur bij solitaire projecten. Ik denk bijvoorbeeld aan de discussie over de ov-kaart. Alle bewindslieden die in de afgelopen jaren in de politieke problemen zijn gekomen, zijn in die situatie geraakt door de vraag of ze het voor elkaar konden krijgen. Ten aanzien van de Belastingdienst zie je exact dezelfde discussie. Er is te veel hooi op de vork van de Belastingdienst gelegd. Terecht dat staatssecretaris De Jager dan zegt absoluut niet mee te willen doen aan de kilometerbeprijzing aangezien dat zijn kracht en capaciteit te boven gaat. De vraag is vervolgens hoe je dat middels de discussie over medebewind en autonomie en over differentiatie kan pareren. Ook is van belang na te gaan wat de essentiële taken van de overheid zouden moeten zijn. Je roept anders single-issuepartijen en actiegroepen over je af. Die pakken er solitair bepaalde punten uit en laten zien dat de overheid op die punten faalt. Ze kennen niet de noodzaak die politieke partijen wel hebben, namelijk om een afweging te maken tussen het ene belang en het andere belang of om een compromis tussen beide belangen te bereiken. Dat wordt dan heel vaak "slappe thee en natte cake" genoemd, omdat het dan niets voorstelt. Het te veel hooi op de vork nemen, is dus ook een essentiële bedreiging voor het functioneren van het binnenlands bestuur.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.19">Interessant is dat de bestuurlijke drukte waarover ik eerder sprak, eigenlijk niet aan de orde is. Het is geen bestuurlijke drukte, het afwegen van zaken en het doorhakken van knopen met latent verzet dat er altijd ergens is, maar het is een ambtelijke drukte, verkokerd en projectgeorganiseerd. Dit moet natuurlijk weer bestuurlijk worden afgedekt. Daarop wordt dan het afrekenmechanisme losgelaten. Weinig bestuurders blijken dan bereid om algemene, brede bestuurlijke verantwoordelijkheid te nemen om de zaken echt goed tegen elkaar te kunnen afwegen, verkokering tegen te gaan en politiek en publicitair de afrekening te weerstaan. Het eerste deel van mijn betoog hangt dus heel nauw samen met het tweede deel. Ik heb geprobeerd daarmee aan te geven dat medebewind en autonomie twee zaken zijn die je goed moet scheiden. Dan heb ik het over dienstverlening en over governance, over te veel hooi op de vork of het kunnen waarmaken van wat je zegt. Niets is namelijk zo erg als je niet kunt waarmaken wat je zegt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.1.20">Sommigen roepen om meer decentralisatie, anderen roepen om meer centralisatie. Wij roepen om een discussie waarbij nagegaan wordt welk maatschappelijk probleem op welk niveau kan worden aangepakt. De Rotterdamwet en de Wet werk en bijstand zijn daarbij heel goede voorbeelden. Kernvraag is of wij in staat zijn met de mogelijkheden die wij nu hebben in ons binnenlands bestuur, echt een onderscheid te maken ten opzichte van de vraag of de overheid niet veel te veel hooi op de vork neemt. De overheid dient kaderstellend te zijn en moet niet tot in de details allerlei zaken willen regelen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.2.1">Mijnheer Hermans, ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech over – dat was heel duidelijk – een u aangelegen thema. Met uw achtergrond als achtereenvolgens gemeenteraadslid in Nijmegen, lid van de Tweede Kamer, burgemeester van Zwolle, commissaris van de Koningin in de provinsje Fryslân en minister van OCW in het kabinet-Kok II heeft u de meeste kamers van het Huis van Thorbecke wel gezien. Met uw lidmaatschap van deze Kamer bent u – dat is bijzonder – de enige thans levende persoon die vijf functies in ons staatsbestel op zijn conto heeft staan: lid Tweede Kamer, lid Eerste Kamer, burgemeester, commissaris van de Koningin en minister.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.2.2">Naast uw voorzitterschap van MKB Nederland en uw lidmaatschap van deze Kamer heeft u een veelvoud aan nevenfuncties. Tussen de 44 huidige nevenfuncties, als uw cv op onze website nog actueel is, staat een aantal commissariaten bij financiële instellingen, in de zorgsector en in het onderwijs, maar u bekleedt ook bestuursfuncties bij sport- en cultuurinstellingen, zoals de Sportclub Heerenveen en de schouwburg in Drachten. Niet onvermeld wil ik natuurlijk laten uw lidmaatschap van de SER en van de Stichting van de Arbeid.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.2.3">U bent al jong politiek actief geworden. Bij de JOVD vervulde u verschillende bestuursfuncties en in 1973 en 1974 was u van deze organisatie vicevoorzitter. U bent 4 jaar lid geweest van de gemeenteraad Nijmegen en ruim 13 jaar van de Tweede Kamer. Verder was u lid van de commissie Kandidaatstelling Tweede Kamer voor de VVD en voorzitter van de evaluatiecommissie van de VVD verkiezingscampagne 2002 en 2003.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.2.4">Mijnheer Hermans, bij uw kandidaatstelling zei u ten aanzien van uw comeback in de Haagse politiek: "Het bloed kruipt waar het niet gaan kan." Tegelijkertijd gaf u – eveneens in mei 2007 – blijk van besef van het karakter van deze Kamer, want u zei: "De senaat wordt hier niet rechtstreeks gekozen en dat dwingt tot matiging. Ik zal zo nu en dan wel op mijn tong moeten bijten, maar ja, dan had ik maar in de Tweede Kamer moeten gaan zitten." Ik spreek heel graag de wens uit dat u zichzelf hier niet hoeft te pijnigen en dat u het u zo kenmerkende goede humeur zult bewaren. Bij dat laatste helpt ongetwijfeld dat u met uw grote kennis en ervaring, politiek en bestuurlijk, in vele maatschappelijke organisaties en in het bedrijfsleven als aanwinst voor deze Kamer wordt beschouwd. Ik wens u heel veel succes bij al uw werkzaamheden hier en in het vervolg houd ik u graag aan de opgegeven spreektijd.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.2.5">Ik geef iedereen graag de gelegenheid om onze collega te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-990-1037.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Hermans, ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech over – dat was heel duidelijk – een u aangelegen thema. Met uw achtergrond als achtereenvolgens gemeenteraadslid in Nijmegen, lid van de Tweede Kamer, burgemeester van Zwolle, commissaris van de Koningin in de provinsje Fryslân en minister van OCW in het kabinet-Kok II heeft u de meeste kamers van het Huis van Thorbecke wel gezien. Met uw lidmaatschap van deze Kamer bent u – dat is bijzonder – de enige thans levende persoon die vijf functies in ons staatsbestel op zijn conto heeft staan: lid Tweede Kamer, lid Eerste Kamer, burgemeester, commissaris van de Koningin en minister.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Hessing" MPid="" party="LPF" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2003-10-21" topic="Algemene politieke beschouwingen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-94-163.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-94-163.1.10" which-speech-in-topic="9" number-of-paragraphs="12" number-of-words="2437" number-of-unique-words="961" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Linthorst" MPid="02927"/>
                <speaker name="Werner" MPid="02609"/>
                <speaker name="De Wolff" MPid="02281"/>
                <speaker name="Rosenthal" MPid="02273"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Schuyer" MPid="02870"/>
                <speaker name="Schuurman" MPid=""/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Hessing" MPid=""/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Balkenende" MPid="02207"/>
                <speaker name="Linthorst" MPid="02927"/>
                <speaker name="Werner" MPid="02609"/>
                <speaker name="De Wolff" MPid="02281"/>
                <speaker name="Rosenthal" MPid="02273"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Schuyer" MPid="02870"/>
                <speaker name="Schuurman" MPid=""/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Hessing" MPid=""/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Balkenende" MPid="02207"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Hessing, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-94-163.1.10" speaker="Hessing" party="LPF" function="De heer" title="De heer Hessing  (LPF)" MPid="">
                    <speech party="LPF" docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.1" speaker="Hessing" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Hessing (LPF)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Hessing</naam>
                                <partij>LPF</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.1.2">Mevrouw de voorzitter. Zowel voor mijzelf als voor mijn partij is dit een bijzonder moment. De Lijst Pim Fortuyn is voor het eerst vertegenwoordigd in de Eerste Kamer en ik heb als enig fractielid de eer om namens de LPF bij deze algemene politieke beschouwingen het woord te voeren. Een korte persoonlijke introductie, voor sommigen wellicht ten overvloede, lijkt mij derhalve op zijn plaats. Mijn naam is Rob Hessing. Ik ben 61 jaar, lid van de LPF en woonachtig te 's-Gravenhage. Inderdaad, ik ben de broer van Ruud Hessing, die voor deze periode bijna acht jaar deel heeft uitgemaakt van de fractie van D66 in deze Kamer.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.1.3">Na een langjarige loopbaan bij de politie, die ik in 1996 afsloot als hoofdcommissaris/korpschef Rotterdam-Rijnmond, heb ik vijf jaar gewerkt als diplomaat op het terrein van politie en justitie te Parijs en vervolgens nog een jaar in Brussel. Daarna mocht ik deel uitmaken van het eerste kabinet-Balkenende als staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.1.4">Het moge derhalve duidelijk zijn dat mijn ervaring en affiniteit tot dusverre voornamelijk de politie betreft en haar belangrijke product: veiligheid. Laat dit nu ook een van de belangrijkste speerpunten van de LPF zijn. Ondanks mijn interesse voor politie en veiligheid en ondanks de beperkingen die een solosenator nu eenmaal heeft, zal ik ook discussies over andere onderwerpen niet uit de weg gaan. Ik ben mij terdege bewust van mijn verantwoordelijkheid als medewetgever en ik verheug mij op de intellectuele uitdaging van het politieke debat. Ik vraag mij overigens af hoeveel Nederlanders weten dat de fracties van de regeringspartijen in de senaat niet gebonden zijn aan het regeerakkoord. Ik vraag mij ook af hoeveel overredingskracht ervoor nodig is om hen contrair te laten gaan. Men mag er trouwens vooral niet van uitgaan dat mijn voorkeuren per definitie van rechtse signatuur zullen zijn. Ik zal evenals mijn LPF-collega's in de Tweede Kamer vooral een pragmatische koers varen en dat hoort ook een beetje bij een politicus van een partij die "nieuwe politiek" met hoofdletters schrijft.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.1.5">Ter voorbereiding op deze beschouwingen heb ik een aantal speeches van de algemene politieke beschouwingen van twee jaar geleden gelezen. Er is toen, en dat is begrijpelijk, veel aandacht besteed aan de aanslagen van 11 september, kort daaraan voorafgaand. De wereld leek er ineens anders uit te zien. Er was een nieuwe vijand, een terroristengroepering, die op onconventionele wijze oorlog voerde. Daarnaast waren de algemene politieke beschouwingen van 2001 ook een evaluatie van zeven jaar Paars, een periode van hoogconjunctuur, stijgende lonen en dalende werkloosheid. Het is dus geen wonder dat de meeste evaluaties, naast een paar kritische noten, veelal positief getint waren. De politieke hemel leek immers wolkeloos! Toch was er een klimaatsverandering op komst. Het is natuurlijk mogelijk dat die verandering overschaduwd werd door het grote nieuws van de aanslagen en daardoor onbesproken is gebleven. In de speeches van 20 november 2001 vind ik eigenlijk niets terug van de grote onvrede ten aanzien van de politiek die toch steeds duidelijker werd in de aanloop naar de verkiezingen van 15 mei 2002. De gapende kloof tussen overheid en burger werd niet of onvoldoende gesignaleerd.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.1.6">Ondanks de ogenschijnlijk vette paarse jaren vonden veel burgers dat Nederland zeer veel had ingeleverd. De kwaliteit van onderwijs en gezondheidszorg liet te wensen over. De overheid werd minder betrouwbaar gevonden en velen hadden genoeg van de vastgeroeste regentencultuur, waarin zelfbenoemde elites elkaar in stand houden. Het door Paars opgelegde taboe van het vreemdelingenbeleid lag velen zwaar op de maag en moest opengebroken worden. Nederland werd steeds minder veilig, niet in de laatste plaats door grote aantallen criminele allochtonen. De oprichter van mijn partij, wijlen de heer Pim Fortuyn, heeft belangrijke taboes doorbroken en discussies in gang gezet.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.1.7">Onlangs verscheen de publicatie De Sociale Staat van Nederland 2003 van het Sociaal Plan Bureau. Hierin staat vermeld dat het aandeel van de Nederlandse bevolking dat tevreden is met de regering daalde van 77% in 2000 tot 59% eind 2002. Vond in 2000 nog 65% van de Nederlanders dat de overheid goed functioneerde, eind 2002 was dit percentage geslonken tot 35. Wist het kabinet trouwens dat na de aanslagen van 11 september de moord op Pim Fortuyn de meeste indruk op de burgers heeft gemaakt? Ik heb helaas niet kunnen constateren of dat bij het kabinet ook het geval was. Overigens wordt vermeld dat de onvrede sinds begin dit jaar iets is afgenomen. Toch blijven de politieke waarschuwingslampen rood gekleurd. Er wordt wel beweerd dat, gezien de uitslag van de laatste verkiezingen, alles weer bij het oude is en de rust is teruggekeerd, maar de LPF is van mening dat de onvrede als een veenbrand doorsmeult en het vuur ieder moment weer kan oplaaien. In dit kader baren de enorme netto afdrachten van Nederland aan de EU de LPF grote zorgen. Dit jaar wordt maar liefst 3,5 mld euro te veel betaald aan Europa. Dat is altijd onverkoopbaar, maar in tijden van laagconjunctuur en overheidsbesparingen extra schrijnend. Het risico bestaat dat de burger zich gaat afkeren van de Europese Unie, zeker nu de aanstaande uitbreiding met tien lidstaten hoogstwaarschijnlijk zal leiden tot nog hogere betalingen voor Nederland. In dit verband vraag ik de aandacht van het kabinet voor de samenwerking binnen de Europese Unie op het terrein van justitie en binnenlandse zaken, in het bijzonder met de omliggende landen. Het is ondenkbaar dat wij met alle vijftien landen even intensief kunnen samenwerken, laat staan met vijfentwintig. Het is wel zinvol om dat structureel te doen met de omliggende landen. Dat is intussen gebeurd met Duitsland, België en Frankrijk, maar nog niet met Engeland en ook nog niet met de Scandinavische landen. Ik spoor het kabinet aan om ook met Engeland intensief te gaan samenwerken en dat moet structureel verdergaan dan alleen het terrein van de criminaliteitsbestrijding. Daarbij denk ik vooral aan integriteit en corruptie, de plaats van de vrouw in de organisatie, de rol van de vakbonden en de kwaliteit van de politiezorg.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.1.8">Dan maak ik nog een opmerking over de Benelux. Ik was verheugd toen ik de vorige minister van Buitenlandse Zaken, de heer Van Aartsen, bij de aanvang van zijn ambtsperiode hoorde zeggen dat hij meer aandacht wilde gaan besteden aan de Benelux. Dat is helaas niet gebeurd en ik betreur dat in hoge mate. Ik heb het ook betreurd dat Nederland in Nice zeer trots vermeldde dat men er één stem meer had uitgehaald dan België. Ik vond het een schande dat dit vermeld werd. Nederland is niets in Europa, de Benelux is even groot als Spanje of Italië. Ik betreur het in hoge mate dat niet wordt gezocht naar structurele samenwerking. Wij moeten niet het ene contract, verdrag, akkoord of MOU na het andere tekenen en er vervolgens in de praktijk niets mee doen. In dat opzicht zou het interessant zijn als de Rekenkamer zou kunnen nagaan wat er in feite gebeurt met de functie en het functioneren van alle akkoorden, verdragen en MOU's.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.1.9">Een lichtpuntje voor de LPF op de weg naar bestuurlijke vernieuwing en een grotere betrokkenheid van de burger bij de politiek is het kabinetsvoorstel voor een gekozen burgemeester. Hoewel dit voorstel constitutioneel wellicht enigszins hinkt, is dit een grote stap in de goede richting. Als de instemming van de Eerste Kamer wordt gevraagd, kan van de LPF-fractie een constructieve houding worden verwacht. Ik moet zeggen dat wij eveneens uitzien naar voorstellen betreffende een gekozen minister-president.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.1.10">Hoe moet het trouwens verder met de Eerste Kamer? Het gaat wat ver om in je maidenspeech meteen voor te stellen om het instituut waarvan je net lid bent geworden op te heffen. Dat hoeft voor mij ook niet. De heer Korthals Altes zei onlangs dat ik lid was geworden van de mooiste Kamer van het land. Ik hecht veel waarde aan de mogelijkheid van bezinning en een "second opinion" die deze Kamer nu eenmaal biedt. De senaat moet een "chambre de réflexion" zijn. Om daaraan voldoende legitimiteit te geven, acht ik het wel zinvol om op afzienbare termijn te komen tot de invoering van directe verkiezingen voor de senaat. Hierbij vraag ik minister de Graaf wanneer wij voorstellen voor de gekozen minister-president en directe verkiezingen voor de senaat kunnen verwachten.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.1.11">Wij maken ons vandaag de dag ernstig zorgen over het gedrag van bepaalde groepen Marokkanen. Dat gedrag is overigens niet erger dan tien of vijftien jaar geleden. Vroeger spraken wij over onze rijksgenoten uit de West en dat klonk en klinkt veel aardiger dan Antillianen. De rijksgenoten uit de West van toen kwamen naar Nederland en zorgden voor een welkome aanvulling op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld in het onderwijs als onderwijzers en leraren en in de zorg als verpleegkundigen. Sinds twintig jaar is er wat veranderd. Ik zeg het niet met vreugde, maar drie kabinetten-Lubbers en twee kabinetten-Kok hebben door hun afwezigheid en halfslachtig beleid bijgedragen aan een situatie die de Antillianen zowel hier als daar niet hebben verdiend. Zij hadden een betere bejegening verdiend.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.1.12">Ik had groot vertrouwen in het duo Balkenende-Remkes. Ik heb vooralsnog groot vertrouwen in het duo Balkenende-De Graaf. Ik zeg met nadruk ook de naam van de premier, omdat in de vijf vorige kabinetten is gebleken dat indien de premier niet is geïnteresseerd de minister het wel kan vergeten, ondanks alle bezoeken van parlementariërs en het dansje rond de bar in Avilla Beach. Ik vond het een beetje stuitend vanmorgen de fractie van de Partij van de Arbeid een voorstel te horen doen voor een jeugdwerkgarantieplan op de Antillen. In 1989 heb ik de heer Lubbers al eens gevraagd waarom het niet mogelijk was om op de Antillen en Aruba in de meest ruime zin dezelfde sociale voorzieningen te hebben als in Nederland. Ik noem jeugdzorg, onderwijs, werkloosheidsbestrijding, rechtseenheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Het is veel goedkoper om daaraan iets te doen in dat warme land waar geen verwarming en weinig kleding nodig is, dan in dit koude tochtige land. Men zou eens moeten nagaan wat de komst van meer dan de helft van de Antillianen de Nederlandse samenleving thans kost in Den Helder, Groningen, Hoogvliet, Amsterdam enz.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.1.13">Men is nu trots als Antillianen terugkeren naar Curaçao en de andere eilanden. Maar heeft men enig inzicht wie terugkeert? Dat zijn de profi's die hier eerst zijn gekomen, bij tantetje onderdak hebben gekregen en na zes weken de straat op werden gestuurd, vervolgens in de criminaliteit terecht kwamen en niet aangehouden wensten te worden door de wijkagent, want dat verhoogde hun status niet. Er moest minstens een arrestatieteam aan te pas komen. Als zij dat proces hebben doorlopen, gaan zij terug naar Curaçao om daar als prof de echte criminaliteit inhoud te geven.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.2.1">Mijnheer Hessing, wilt u afronden? U bent al ruim over uw tijd heen.</p>
                    </speech>
                    <speech party="LPF" docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.3" speaker="Hessing" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Hessing (LPF)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Hessing</naam>
                                <partij>LPF</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.3.2">Ik rond af met een enkele opmerking over de veiligheid, waarbij ik het kabinet erop attendeer dat naar mij uit de praktijk is verteld de Somaliërs de volgende groep vormen die ons grote zorgen zal baren.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.3.3">Mevrouw de voorzitter. Politie en justitie zijn in tegenstelling tot wat velen denken níét verantwoordelijk voor de veiligheid in ons land. In 1989 maakte ik kennis met de dienst ruimtelijke ontwikkeling en stadsplanning in Rotterdam en vroeg of die bouwde aan een veilige stad. Ik heb geen antwoord gekregen, maar een van de directeuren trad later toe tot mijn korpsleiding en vertelde: Toen jij weg was, zeiden wij: wat hebben wij nu als hoofdcommissaris gekregen? Hoezo veiligheid? Wij moeten 2500 woningen neerplempen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.3.4">De heer Opstelten is enige weken geleden in Baltimore geweest en is tot de ontdekking gekomen dat het nu anders moet, want hij was getuige van een verantwoordingsproces van diensten van de stad Baltimore. Niet alleen de politie werd aangesproken op veiligheid, maar ook het Department of Health, de afdelingen voor onderwijs, volkshuisvesting, educatie en jeugdzorg. Nadrukkelijk werd te kennen gegeven dat veel andere instituties medeverantwoordelijk zijn voor het niveau van de veiligheid. Dat geldt ook voor ons land. Niet alleen het ministerie van Justitie, maar ook vele andere ministeries zijn daarvoor verantwoordelijk.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.3.5">Ik heb in 1985 ooit de opmerking gemaakt dat elke overeenkomst tussen datgene wat een korpsleiding graag wil dat er gebeurt en datgene wat de basis uitvoert, berust op louter toeval. Er was dus sprake van een geweldig sturingsprobleem. De heer Peper heeft deze uitspraak eens in deze Kamer herhaald en ik zeg nu, dat elke overeenkomst tussen datgene wat de regering graag wil op het terrein van veiligheid en datgene wat in de praktijk wordt uitgevoerd, ook berust op louter toeval. Maar, dit kabinet heeft een actie in gang gezet, met name door het afsluiten van convenanten, om te komen tot meer sturing van dit proces. Ik verzoek het kabinet er echt voor te gaan. Er zal dan sprake zijn van een nationaal beheerde politie, een politieapparaat dat operationeel buitengewoon sterk gedeconcentreerd en gedecentraliseerd is. Vooral via informatica, management development, internationalisering en aspecten die zijn voortgekomen uit de Van Traa-enquête zullen de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie moeten komen te beschikken over de bevoegdheden die nodig zijn om echt sturing te geven aan de politie.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.4.1">Mijnheer Hessing, van harte wens ik u geluk met uw maidenspeech. Het is weinigen gegeven om een maidenspeech te houden bij de algemene beschouwingen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.4.2">Volksvertegenwoordiger worden was niet direct een voor de hand liggende stap in uw loopbaan. U zei daarover zelf in een interview in de Haagsche Courant: "Ik heb zoveel carrièresprongen gemaakt, dat ik dacht: deze kan er ook wel bij." En inderdaad, uw loopbaan nam al eerder enkele verrassende wendingen. U hebt zelf in uw maidenspeech al melding gemaakt van uw carrière tijdens uw loopbaan in het politievak, inclusief de werkzaamheden als ambassaderaad in Parijs en vervolgens in Brussel. Ook uw staatssecretariaat van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, waarbij u was belast met openbare orde en veiligheid, was ons niet ontgaan. Uw ambtsperiode bleek te kort om uw vele ambities daar te kunnen realiseren.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.4.3">Dat het voor u als eenmansfractie niet eenvoudig zal zijn om beleidsterreinen in hun volle omvang te behandelen, is vanzelfsprekend. U sprak zelf al over een solosenatorschap. Toch heb ik er alle vertrouwen in dat u zich door deze opgave niet laat ontmoedigen. Immers, vanuit uw vroegere nevenfuncties als vice-voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Wielerunie en als bestuurslid van de Internationale Federatie van Beroepswielrenners weet u als geen ander hoe sterk de eenzame fietser is.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.4.4">Ik wens u veel succes in deze nieuwe etappe van uw politieke loopbaan en feliciteer u graag nogmaals als eerste van harte. Ik geef daarna alle collega's de gelegenheid hetzelfde te doen.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.5">
                        <p docno="h-ek-20032004-94-163.1.10.5.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Hessing, wilt u afronden? U bent al ruim over uw tijd heen.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Hillen" MPid="02886" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2008-04-15" topic="Stand van de krijgsmacht/Buitenlandse Zaken/Defensie" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-1085-1100.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-1085-1100.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="20" number-of-words="2944" number-of-unique-words="1141" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van Kappen" MPid="03148"/>
                <speaker name="Hillen" MPid="02886"/>
                <speaker name="Vliegenthart" MPid=""/>
                <speaker name="Van Driel" MPid="03005"/>
                <speaker name="Kuiper" MPid=""/>
                <speaker name="Yildirim" MPid="03178"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Hillen, die eveneens zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3" speaker="Hillen" party="CDA" function="De heer" title="De heer Hillen  (CDA)" MPid="02886">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1" speaker="Hillen" function="De heer" MPid="02886">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Hillen (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Hillen</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.2">Voorzitter. Ik begin mijn betoog met het complimenteren van de heer Van Kappen met zijn maidenspeech. Ik vond zijn verhaal voortreffelijk. Ik zou de heer Van Kappen dan ook willen vragen om toe te treden tot mijn fractie. De gedachterichting is ongeveer dezelfde. Ik vrees alleen dat zijn fractie hem niet zal laten gaan. Wellicht kunnen wij hierover dadelijk overleg plegen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.3">Het is mij een voorrecht mijn eerste verhandeling in deze Eerste Kamer te mogen houden bij een beleidsdebat over Defensie. Het is mij een genoegen daarbij aan de andere kant van de tafel drie bekenden aan te treffen, te weten: een oud-fractiegenoot, een jarenlange collega van de overkant en daarnaast zijn vleugeladjudant, een strijdmakker die in al die jaren vooral achter de coulissen werkte, waar ik ook nog wel eens kwam.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.4">Voordat ik op het defensiebeleid inga, wil ik namens mijn fractie stilstaan bij de inspanningen van al onze militairen te velde. Mijn fractie volgt hun inspanningen nauwkeurig en met grote waardering. Wij herdenken onze gesneuvelden met eerbied en wij verplaatsen ons telkens in het leed dat door familie en vrienden moet worden gedragen. Krijgsgeweld is verschrikkelijk. Elk van de doden en elk van de gewonden herinnert ons daar aan. Daarom moeten wij met dit middel uiterst zorgvuldig omgaan, terughoudend zo lang het kan, overweldigend als het onvermijdelijk is geworden. Wij moeten er zo effectief mogelijk en zo schadevrij mogelijk mee omgaan. Dit betekent overigens – en dat zeg ik nu alvast – soms juist méér inzet in plaats van minder.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.5">In dit beleidsdebat zal ik namens de CDA-fractie niet ingaan op allerlei details van de Defensiebegroting. Wij horen van de regering vandaag graag een fundamentele visie op de Nederlandse en bondgenootschappelijke defensie-inspanning in de te voorziene toekomst. Natuurlijk is minister Van Middelkoop amper begonnen aan zijn verkenningen naar de politieke en budgettaire wensen bij allerlei belanghebbenden. Niettemin is hij als politiek eerstverantwoordelijke het kompas van deze exercitie. Daarom willen wij vandaag zijn inzet horen. Draagvlak is geweldig, maar ook bij draagvlak is leiding nodig. Waar wil de minister heen? Wat zijn zijn randvoorwaarden? Bovendien is het de vraag of het beleid het draagvlak moet volgen of omgekeerd. De rol van Nederland in zijn internationale context is niet vrijblijvend. Als er binnenslands geen of niet voldoende draagvlak, maatschappelijk en/of politiek, zou zijn voor beleidsmatige consequenties van onze bondgenootschappelijke, economische en culturele kaders, dan is het de taak van de politiek om dit draagvlak te creëren. Hoe ziet de minister zijn eigen rol hierbij?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.6">De verkenningen van de minister zullen tot conclusies leiden op het moment dat deze kabinetsperiode al weer zijn einde nadert. Dat kan er toch niet toe leiden dat er intussen niets gebeurt? Iedereen weet dat er slijtplekken ontstaan in onze defensieorganisatie, enerzijds door intensief gebruik en anderzijds door aanhoudende druk op de begrotingsmiddelen. Zijn de verkenningen van de minister voldoende om politiek Den Haag te motiveren tot een substantiële stap voorwaarts?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.7">De fractie van het CDA plaatst de Nederlandse militaire ambitie nauwkeurig in het perspectief van onze internationale positie. Natuurlijk, alles is subjectief, zeker als het gaat om het eigenbelang, maar wij proberen zo veel mogelijk te objectiveren, namelijk door recht te doen aan onze relatieve verantwoordelijkheid in en ten opzichte van onze internationale omgeving. Optimale impact is een volgend criterium. Militair optreden moet niet half gebeuren of met een gemengde agenda. Militair ingrijpen is een kaart die zonder meer winnend moet zijn, dat wil zeggen: de vrede winnend. Dit stelt eisen aan de middelen en aan de professionaliteit. Langs deze lijnen redenerend, constateer ik dat de beweegruimte van Nederland uiteindelijk helemaal niet zo groot is. Boven de lijn betekent een te grote broek, beneden de lijn opportunistisch plichtsverzuim.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.8">De CDA-fractie herkent zich in de huidige officiële ambitie van Nederland. Wij moeten die waarmaken in een steeds onrustiger wereld, waar nationalisme, fanatisme, milieu, water, grondstoffen, criminaliteit en economie het evenwicht zelfs plotseling drastisch kunnen verstoren. Dit zijn omstandigheden waar zelden een goede regie op is te voeren. Daarom is intensieve samenwerking tussen de VS, de Europese Unie en de NAVO, gericht op het doeltreffend beheersen van plotselinge crises, noodzakelijk. Er is onlangs een belangwekkend advies daarover verschenen van vijf voormalige chefs defensiestaven van de VS, Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en, jawel, van Nederland. Überhaupt het feit dat daar een Nederlander bij zit, wil zeggen dat Nederland bij dit onderwerp door de andere betrokken landen buitengewoon serieus wordt genomen. Het is daarom alleen maar toe te juichen dat er een Nederlandse invloed in dit soort belangwekkende adviezen zit. Laten wij proberen om op dat niveau te kunnen blijven spelen. Het boek heet "Towards a Grand Strategy for an Uncertain World".</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.9">Ook Clingendael publiceerde een advies met ongeveer dezelfde ingrediënten. Nu wij het toch over adviezen en studies hebben, het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA heeft afgelopen jaar een rapport gepubliceerd, getiteld "Zo ver de wereld strekt", waarvan de inhoud vandaag letter voor letter zou kunnen dienen als mijn inbreng. Helaas heb ik niet zo veel spreektijd om het in zijn geheel voor te lezen, maar ik hecht het virtueel aan de Handelingen. Ik zou de bewindspersonen willen uitnodigen daaruit elke avond voor het slapen gaan enkele verzen te reciteren.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.10">Hoe kijkt de regering aan tegen de internationale veiligheidssituatie? Hoe moet de toekomst zijn van de NAVO? De net afgesloten NAVO-top heeft nog lang geen imponerend beeld gegeven van gemeenschappelijke ambitie en inzet. Hebben wij werkelijk een dodelijke vijand nodig, zoals in de tijd van de Koude Oorlog, om gemeenschappelijk beleid en elan te kunnen tonen? Hebben juist de kleinere landen niet een taak om het idealisme van internationale vrede en rechtsstatelijkheid een prominente positie te geven, naast alle machtspolitieke afwegingen?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.11">Onder Poetin heeft Rusland veel stabiliteit hervonden en het land begint zijn belangrijke rol in de internationale politiek te hernemen. Het is in het belang van niemand dat er opnieuw wedijver of wapenwedijver zou ontstaan tussen het Oosten en het Westen. Op wat voor manier kan volgens het kabinet, met name minister Verhagen, Rusland betrokken worden bij ons mondiale en regionale veiligheidsbeleid? Welke verantwoordelijkheid willen de NAVO, Europa en de VS met de Russen delen? Hebben Europa en Nederland in het bijzonder hierbij nog een specifieke taak?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.12">Wat in alle studies die ik zojuist noemde pregnant aan de orde komt is het vraagstuk van de "sustainability", het voortzettingsvermogen van een eenmaal begonnen interventie. Deze hangt af van voldoende parate reserves, zowel in menskracht als in middelen. Deze moeten voldoende geoefend zijn en beschikbaar zijn. Dit vraagstuk is misschien niet echt nieuw, maar het is in de eigentijdse militaire geschiedenis steeds relevanter geworden. Plotselinge crises appelleren gemakkelijk aan de bereidheid tot onmiddellijke militaire assistentie, maar het voortzettingsvermogen is even relevant voor de potentie van werkelijk succes van een militaire interventie. Daarom is een langetermijnplanning ongelooflijk wezenlijk. Ik hoor graag van het kabinet dat het deze observatie geheel deelt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.13">Onder druk van de onrustige hartslag van onze tijd verandert het politieke beeld soms per dag. Betrouwbare militaire slagkracht vraagt echter om grotere duurzaamheid. Daarom zou Defensie buiten de haken moeten komen van de dagelijkse politieke wisselvalligheid. Is dat ook de overtuiging van het kabinet?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.14">Naar de opvattingen van mijn fractie past de actuele Nederlandse ambitie dus bij onze plaats en ons gewicht in de wereld. Dit geldt overigens ook voor onze internationale hulpambitie, zoals onze internationaal gezien aanzienlijke bijdrage aan ontwikkelingssamenwerking. De CDA-fractie zou graag zien dat er evenwicht is tussen de elementen economische hulp en militaire bescherming. Feitelijk kan het ene element niet zonder het andere.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.15">Al tientallen jaren is de begroting van Ontwikkelingssamenwerking gekoppeld aan de groei van het nationale inkomen. Defensie daarentegen moet van jaar tot jaar haar budget verdedigen tegen andere prioriteiten en ziet al jaren haar aandeel als percentage van het nationale inkomen dalen, soms zelfs in reële cijfers. Wij maken ons daar grote zorgen over. Met wat noodverbanden wordt in deze kabinetsperiode de ergste achteruitgang gestopt. Dit zijn echter noodverbanden, geen structurele oplossingen. Bovendien haalt de minister van Financiën met de ene hand wat hij met de andere geeft. Defensie moet namelijk meebetalen aan een reeks van algemene budgettaire kortingen. Ik begrijp heel wel dat de bewindspersonen van Defensie tevredenheid moeten uitstralen bij de lengte van de polsstok. Als de bewindspersonen die polsstok nu eens zelf hadden mogen maken, hoe zou deze er dan hebben uitgezien? Uiteraard mogen de bewindspersonen het bestaande verdedigen, maar wat zou hun wensenlijstje zijn, als zij het voor het zeggen hadden, ook financieel?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.16">Voor de noodverbanden was alle aanleiding. De nood was wel erg hoog. Ik vraag mij af hoe de begroting van Defensie er had voorgestaan als wij toevallig niet in Uruzgan hadden gezeten. Die gedachte stemt niet alleen somber, maar stelt tevens een belangrijk punt aan de orde, namelijk welke politieke prikkeling er nodig is voor voldoende budget. Militair ingrijpen is een ernstige zaak en meestal een laatste redmiddel. Het moet met de grootste zorgvuldigheid gebeuren. Welnu, bij het adviseren omtrent een mogelijke bijdrage van Nederland aan internationale veiligheidsacties mag dus nooit de overweging zijn dat dit een uitgelezen budgettaire kans is, of, omgekeerd, dat afzijdigheid onoverkomelijk gaat leiden tot ombuigingsaanslagen op de Defensiebegroting. Ook al daarom is het de moeite waard afspraken voor langere termijn te maken over de omvang van de Defensiebegroting, verder gevrijwaard tegen het jaarlijkse loven en bieden, en zo veel als mogelijk tegen nieuwe regeerakkoorden. Het CDA-rapport "Zo ver de wereld strekt" pleit voor een vast percentage van 2% van het bbp, zoals ook de NAVO zou willen. Wij begrijpen ook wel dat dit in deze kabinetsperiode nog niet haalbaar zal zijn, maar wij nodigen de minister van Defensie dringend uit nu al een zichtbaar fundament te leggen voor zo'n aanpak.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.17">Intussen zou ook gekeken kunnen worden of er meer elementen van militaire hulp zijn die feitelijk passen binnen de ODA-definities, zodat Ontwikkelingssamenwerking hiervoor een ruimere bijdrage kan leveren. De lasten van internationale operaties moeten natuurlijk ook internationaal eerlijker worden verdeeld. Is er trouwens nog iets nieuws te melden over de verdeling? Uiteindelijk gaat het echter om de vraag wat Nederland bewust wenst neer te leggen voor zijn defensieapparaat. Wij vinden die uitkomst nu onvoldoende. Wij hebben alle waardering voor de inspanningen van minister Van Middelkoop om nog wat extra geld op te halen, maar structureel gaat dit om klein bier en een sigaartje, voornamelijk uit eigen doos.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.18">De wijzer van het aandeel van het bbp voor defensie wijst al enige tijd naar beneden en het einde is niet in zicht. Het vredesdividend is allang opgebruikt, maar de Nederlandse minister van Financiën, niet alleen de huidige, blijft bonussen ophalen en opties verzilveren. Over een paar jaar zijn onze ambities Haagse bluf geworden, want dan bevinden wij ons met onze defensie-uitgaven in de onderste regionen van de NAVO. Daar komt bij dat heel veel militaire middelen geen artikelen zijn die je zo maar even van de plank koopt. Het gaat meestal om wapensystemen met allerlei logistieke en personele consequenties, die pas hun waarde en slagkracht krijgen bij perfecte beheersing, na grondige oefening. Voorts zijn de meeste systemen compatibel in bondgenootschappelijk verband, of behoren dit te zijn. Defensie is geen automaat in een snackbar, waar je een euro ingooit en je bestelling uit haalt. Budgetteren, plannen, ontwikkelen en oefenen zijn de wachtwoorden en dan is een langere termijn dan één kabinetsperiode, laat staan een begrotingsjaar, een vereiste. Toen wij net nieuwe Apaches hadden gekocht, gingen de eerste al weer in de ramsj, omdat er weer eens moest worden bezuinigd. Wij hadden voortreffelijke Orions, van grote waarde voor de luchtverkenning, en wij deden ze van de hand, gewoon uit geldnood, terwijl ons land steeds rijker werd en terwijl er echt veel werk voor ze was. Duitsland kocht ze, en Portugal, en Duitsland koopt normaal gesproken geen rommel. Met de Orions gingen niet gewoon dertien vliegtuigen weg, maar ook een uitstekend en modern intelligencesysteem, veel breder inzetbaar, bijvoorbeeld ook voor milieucontrole op de Noordzee. Ook jarenlang opgebouwde expertise is nu verdampt. Die komt niet meer terug en dat is kostbaarder dan de handvol miljoenen die het afstoten oplevert.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.19">Al met al kunnen mijn conclusies dus niet erg optimistisch zijn. Het Nederlandse defensiebudget is niet voldoende omdat onze huidige inspanningen er al amper uit te financieren zijn. Het is niet voldoende omdat een aantal noodzakelijke wensen nu niet kan worden ingewilligd, zoals substantieel meer luchttransport. Gaan wij trouwens nog meedoen aan het C-17-project? Het is niet voldoende omdat er onvoldoende rekening kan worden gehouden met operationele verliezen. Vanaf volgend jaar wordt daarvoor 25 mln. extra beschikbaar gesteld; één Chinook kost al het dubbele. Het is niet voldoende omdat vredesverliezen niet meer kunnen worden opgevangen. Het is niet voldoende omdat het investeringsniveau steeds verder daalt. Het is niet voldoende omdat ook het personeel aan zijn trekken moet komen. Dat het moeilijk gaat met het werven is een indicatie voor de tanende aantrekkelijkheid van Defensie als werkgever. Complimenten natuurlijk dat de bewindslieden het nodige voor het personeel hebben willen doen, maar wij horen toch nog steeds te veel verhalen van improvisatie om bij alle mannen en vrouwen voortdurend hun PSU op orde te hebben. Binnen de begroting onderuitputting van materieel en/of personeel gebruiken om gaten te dichten is best, maar structureel is dat geen positie. Waar geld voor nodig is, moet geld voor begroot zijn en voor beschikbaar zijn. De CDA-fractie steunt haar collega's in de Tweede Kamer bij het voorstel een deel van de onderuitputting personeel nu aan te wenden voor het op slagkracht brengen van de vijf reserve-Apaches, die anders gekannibaliseerd dreigen te worden. Maar nog liever zien wij geen improvisaties en noodverbanden. Optimale toerusting, ondersteuning en geoefendheid is misschien wel de meest wezenlijke arbeidsvoorwaarde van de militair.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.20">Kortom, de Defensiebegroting spoort in deze jaren weg van onze internationale verplichtingen en belangen. Dat is niet in het belang van Nederland en ook niet van hen die wij waar dan ook op de wereld willen beschermen. Het is ook niet in het belang van de militair die cynisch wordt en gedemotiveerd raakt omdat de politiek de mond vol heeft van ambitie, maar budgettair het omgekeerde laat zien, namelijk telkens verplicht tot nieuwe ombuigingen, reorganisaties en versoberingen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.1.21">Mevrouw de voorzitter. Ik sluit af. De regering kan op de CDA-fractie rekenen om uit te komen bij de kwantitatieve, de euro's, en vervolgens dus ook de kwalitatieve eisen die onze internationale verantwoordelijkheid en onze belangen van ons vragen. Wij verwachten dat de regering samen met het CDA vooraan loopt op deze weg. Niet aarzelend, omkijkend of iedereen nog wel meedoet, of zoekend naar meer zekerheid, maar vastberaden en leiding gevend. Als de regering aanvalt, zullen wij volgen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.2.1">Mijnheer Hillen. Ik wil ook u graag van harte feliciteren met uw maidenspeech over een thematiek waarmee u wellicht niet primair geassocieerd wordt. Mensen die u echter beter kennen of uw publieke optreden al langer volgen, weten dat u niet alleen uitgesproken opvattingen hebt, maar ook een brede kennis en interesse: variërend van kerkvaders als Augustinus tot het belang van vrijheid van communicatie voor de goede werking van de democratie tot de ontwikkelingen in de West, waarmee u heden ten dage als lid van de raad van advies van het Eilandsbestuur Bonaire van doen heeft. Het was dan ook niet zo verrassend dat u in mei vorig jaar in het Financieele Dagblad over uw mogelijke portefeuilles als Eerste Kamerlid zei: "Ik kijk wel wat er vrijvalt; het liefst ben ik een vliegende keep."</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.2.2">U studeerde sociologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht nadat u een jaar op de School voor Journalistiek had gezeten in diezelfde stad. Hoewel u die school verliet, ging u wel de journalistiek in. U begon in 1969 uw journalistieke carrière bij Studio Sport, waarna u redacteur buitenland bij het NOS Journaal werd. In die periode was u overigens tevens leraar maatschappijleer aan Het Nieuwe Lyceum in Hilversum. In 1977 werd u politiek verslaggever van het NOS Journaal, maar na zes jaar maakte u de overstap naar "de andere kant" van dat vak; u werd namelijk directeur van de centrale directie voorlichting van het ministerie van Financiën. Bij de Kamerverkiezingen in 1990 werd u voor het CDA lid van de Tweede Kamer.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.2.3">Ook tijdens deze periode, van maar liefst twaalf jaar, in die Kamer stond u bij menigeen op het netvlies als strateeg en als uitlokker van het debat. Soms provocerend, maar altijd met analyses of beschouwingen – dat bleek ook nu weer – die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten en met een scherpe pen. Terug in uw oude vak als journalist schreef u columns voor het opinieweekblad Elsevier en van 2003 tot medio vorig jaar was u voorzitter van het College voor Zorgverzekeringen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.2.4">In 2006 liet u bij de aankondiging van uw afscheid van dat college weten "een beetje" terug te willen in de politiek. U doelde daarmee op het lidmaatschap van deze Kamer, dat zich niet afspeelt – ik citeer u – "in de hitte van de ijdelheid". U benadrukte dat u deze Kamer als een kwaliteitskamer beschouwt en u gaf aan dat u scherp gaat controleren op de wetgevingskwaliteit. Wij willen u graag aan die ambitie houden.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.2.5">U vervult in het publieke debat geregeld verschillende rollen. Getuige uw artikel in het Financieele Dagblad van begin april jongstleden manifesteert zich de ene keer de journalist in u, dan weer de socioloog en dan weer de politiek commentator of de politicus. Het kenmerkt uw veelzijdigheid, deskundigheid en betrokkenheid. Wij zullen ongetwijfeld nog veel van u horen. Ik wens u heel veel succes bij uw werkzaamheden in dit huis.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.2.6">Ik schors de vergadering wederom om de collegae de gelegenheid te geven, u te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Hillen. Ik wil ook u graag van harte feliciteren met uw maidenspeech over een thematiek waarmee u wellicht niet primair geassocieerd wordt. Mensen die u echter beter kennen of uw publieke optreden al langer volgen, weten dat u niet alleen uitgesproken opvattingen hebt, maar ook een brede kennis en interesse: variërend van kerkvaders als Augustinus tot het belang van vrijheid van communicatie voor de goede werking van de democratie tot de ontwikkelingen in de West, waarmee u heden ten dage als lid van de raad van advies van het Eilandsbestuur Bonaire van doen heeft. Het was dan ook niet zo verrassend dat u in mei vorig jaar in het Financieele Dagblad over uw mogelijke portefeuilles als Eerste Kamerlid zei: "Ik kijk wel wat er vrijvalt; het liefst ben ik een vliegende keep."</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Hoekzema" MPid="02760" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2003-11-04" topic="IGC" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-203-223.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-203-223.1.6" which-speech-in-topic="6" number-of-paragraphs="12" number-of-words="1625" number-of-unique-words="655" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Internationaal <pm:entity> Europese zaken</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Staatsrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Jurgens" MPid="01992"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Van der Linden" MPid="01899"/>
                <speaker name="Kohnstamm" MPid="02667"/>
                <speaker name="Hoekzema" MPid="02760"/>
                <speaker name="Van Middelkoop" MPid="02973"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is nu aan de heer Hoekzema, van de fractie van de VVD, die zijn maidenspeech uitspreekt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-203-223.1.6" speaker="Hoekzema" party="VVD" function="De heer" title="De heer Hoekzema  (VVD)" MPid="02760">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.1" speaker="Hoekzema" function="De heer" MPid="02760">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Hoekzema (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Hoekzema</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.1.2">Mevrouw de voorzitter. Dit is inderdaad mijn eerste speech in dit huis en ik tref het meteen: zwaar geschut tegenover mij. De minister-president, de minister van Buitenlandse Zaken die straks onze NAVO-baas is – nogmaals gefeliciteerd – en hier binnen de grenzen en over de grenzen staatssecretaris, respectievelijk minister van Europese Zaken. Gelukkig zit u naast mij in ons huis, mevrouw de voorzitter.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.1.3">Het resultaat van de Europese conventie over de toekomst van Europa is een prestatie op zich. Het is een mijlpaal in de soms moeizame, maar gestage ontwikkeling van een verdeeld Europa naar steeds meer samenwerkende Europese landen en de steeds verdergaande integratie van de nationale rechtsordes. Een prestatie van formaat die in de IGC een goede afronding verdient. De grondleggers van deze unieke ontwikkeling in Europa hebben met hun visie vrede en welvaart op ons continent gebracht. Het is toch een historisch feit dat ruim 50 jaar na het verdrag van de EGKS tussen zes landen, wij nu een ontwerpverdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa tussen 25 landen voor ons hebben liggen. Op zo'n moment denk ik aan het jongetje dat in het Groninger land op 12 of 13-jarige leeftijd al rondging om de Europese gedachte naar voren te brengen. Ik heb het boekje uit mijn kast gehaald; het dateert van 1951. Toen al beseften wij dat het van het grootste belang was om na twee vreselijke oorlogen op ons continent tot vergaande samenwerking te komen en duidelijk oog te hebben voor wat ons van buiten bedreigde. Op dit punt staat hier een tevreden niet meer jongeling, maar een wat gerijpte heer.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.1.4">De voorstellen van de conventie ontlenen hun belang vooral daaraan dat de institutionele verhoudingen en de besluitvorming op een samenhangende manier zullen zijn geregeld in een verdrag tot vaststelling van een grondwet. Het gaat er nu bij de ICG om dat de regering in relatie tot het gezamenlijke Europese belang zo goed mogelijk de Nederlandse belangen veilig stelt.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.1.5">In het kader van dit debat over de Nederlandse inzet in de IGC hecht mijn fractie aan een goed machtsevenwicht tussen de Europese instellingen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.1.6">In het voorliggende ontwerp voor de Grondwet verschuift het machtsevenwicht toch ten gunste van de grotere lidstaten. Nu al vindt soms informeel overleg plaats tussen grotere lidstaten; dit zal na de uitbreiding alleen maar toenemen. Het ligt in de lijn van de verwachtingen dat aan zo'n vooroverleg de zes lidstaten met een bevolking van 38 miljoen inwoners en meer zullen deelnemen; gezamenlijk vertegenwoordigen zij, als de Unie straks met Roemenië en Bulgarije uit 27 lidstaten bestaat, 69,8% van de bevolking van de EU. Wanneer de grotere lidstaten eenmaal een compromis met elkaar gesloten hebben, zal het zeer lastig zijn om daar in de plenaire Raad nog verandering in aan te brengen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.1.7">Het gevaar van het ontstaan van een soort directorium van de grote lidstaten is in de voorstellen van de Conventie niet ondervangen. Integendeel, het institutioneel evenwicht verschuift naar de Raad, onder meer doordat de Europese Raad een vaste voorzitter krijgt en daarmee de positie van de Raad ten opzichte van de andere instellingen wordt versterkt. Weliswaar heeft Nederland samen met andere kleinere lidstaten kunnen bewerkstelligen dat de bevoegdheden van de vaste voorzitter zijn afgezwakt, maar die vaste voorzitter komt er toch. Daarnaast zal het Raadssecretariaat een grotere rol spelen bij het ondersteunen van de verschillende voorzitters in de andere samenstellingen van de Raad. Dit betekent dat het belang van invloed op het Raadsecretariaat toeneemt. Gelet op de machtsverhoudingen ligt het voor de hand dat de grotere lidstaten zullen trachten daar een duidelijk stempel op te gaan drukken. Het uiteindelijk resultaat is wellicht bevredigender dan het oorspronkelijke voorstel, maar tevreden kunnen wij er niet mee zijn. In het kader van het behoud van zo veel mogelijk evenwicht tussen de instellingen vinden wij daarom dat de Europese Raad niet een voordracht moet doen voor een kandidaat voor het voorzitterschap van de Europese Commissie, maar dat het Europees Parlement de voorzitter moet kiezen. Dit zou ook de inzet van de Europese parlementsverkiezingen verhogen. Is dit ook de insteek van de regering bij haar vierde belangrijkste prioriteit, namelijk de vergroting van de betrokkenheid van het Europees Parlement bij de verkiezing van de voorzitter van de Commissie? In het kader van de wens tot meer evenwicht tussen de Commissie en de Raad vindt mijn fractie verder dat elke lidstaat een stemhebbende commissaris moet leveren, De organisatie van het besluitvormingsproces waarover velen zich zo druk maken, is een zaak van de Commissie. De huidige voorzitter, de heer Prodi, heeft daartoe praktische voorstellen gedaan. Mijn fractie gaat ervan uit dat de regering de motie-Van Baalen in dezen zal uitvoeren. Gaarne een reactie van de regering.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.1.8">Het zal duidelijk zijn dat in het belang van de kleinere lidstaten het principe van de communautaire besluitvorming prevaleert boven de intergouvernementele benadering. Mijn fractie vindt dat er meer duidelijkheid moet komen omtrent de positie van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie. Hij heeft in de opzet van de Conventie een dubbele hoed op: én de commissiehoed, én de hoed van de hoge vertegenwoordiger voor het GBVB, het gemeenschappelijke buitenland- en veiligheidsbeleid. Als het Europees Parlement het vertrouwen in hem opzegt, kan hij niet voor de helft blijven zitten. Hoe denkt de regering deze onduidelijkheden aan te pakken in haar inzet voor de IGC?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.1.9">Mijn fractie vindt dat de toetsingscriteria voor nieuwe lidstaten, de zogenaamde Kopenhagencriteria, zoals democratie, mensenrechten en de rechtsstaat, in het verdrag tot vaststelling van de Grondwet moeten worden opgenomen. Elke kandidaat moet voortaan afzonderlijk worden beoordeeld alvorens een datum kan worden vastgesteld waarop de onderhandelingen kunnen beginnen. In het kader van het Europese veiligheids- en defensiebeleid vraagt de VVD-fractie een duidelijke stellingname van de regering bij de opbouw van een Europese Defensiemacht, mocht zulks in de richting van een uitholling van het Atlantisch Bondgenootschap, de NAVO, tenderen. Voor mijn fractie moet een Europese krijgsmacht complementair zijn aan de NAVO; dus bijvoorbeeld niet een afzonderlijk Europees hoofdkwartier en niet de bijstandsclausule in artikel 5 van het NAVO-verdrag overdoen door een soortgelijke formulering in het verdrag tot vaststelling van de Grondwet van Europa.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.1.10">Tot slot wil ik een aantal actuele onderwerpen kort behandelen. In de eerste plaats vindt mijn fractie het van wezenlijk belang dat de regering alles op alles zet om het Stabiliteitspact overeind te houden. De overschrijdingen van de begrotingsafspraken van een aantal grote landen zijn een schending van het vertrouwen dat juist onmisbaar is om een muntunie in stand te houden. Afspraken moeten weer afspraken worden; anders zal uiteindelijk bij de burger het vertrouwen in de EU ernstig worden ondermijnd. Graag een reactie van de regering.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.1.11">In de tweede plaats wil ik kort het rapport van de Algemene Rekenkamer aanstippen over de visumverlening in Schengenverband. Onder andere wordt geconstateerd dat de Schengenregelgeving dusdanig is geformuleerd dat Schengenlanden verschillende interpretaties kunnen hanteren. De rechtsbescherming van visumaanvragers verschilt sterk tussen de Schengenlanden. Verder constateert de Algemene Rekenkamer dat de Nederlandse visumketen voor de zogenaamde "Schengenvisa" ontoereikend functioneert. Graag ook hierop een korte reactie van de regering, vooral met het oog op de aanstaande uitbreiding van de EU.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.1.12">Als derde punt wil ik wijzen op de studie "Four Futures of Europe" van het Centraal Plan Bureau. Kort gezegd, deze studie constateert met betrekking tot de toekomst van Europa dat een betere toepassing van het subsidiariteitsbeginsel gewenst is: "nationaal wat nationaal kan, Europees wat Europees moet". Voorts acht ze de huidige welvaartsstaten onhoudbaar. Ik breng dit in relatie met de waarschuwing van de voorzitter van VNO-NCW, de heer Jacques Schraven, op het VNO-NCW-symposium: "Doing business in a changing EU." Ik citeer: "Als je ziet hoe snel landen vergrijzen, dan zullen enorme sommen geld nodig zijn om de gezondheidszorg te betalen en de pensioenvoorziening overeind te houden, terwijl het aantal werkenden afneemt. In dat perspectief lijkt het mij niet te lukken om als Europa in de wereld voorop te gaan lopen." Mijn vraag aan de regering is: hoe moet dit gezien worden in relatie tot de Lissabondoelstelling dat de EU in 2010 koploper moet zijn ten aanzien van de kenniseconomie?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.1.13">Als afsluiting van mijn betoog citeer ik de europarlementariër Jules Maaten: "Ik kies voor een vrij, veilig en verdraagzaam Europa, voor een Europa dat zijn grenzen kent en voor een Europa met meer markt en minder regeltjes." Ook inzake Europa geldt voor mijn fractie het thema van de algemene politieke beschouwingen van onze fractievoorzitter: meer deregulering.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-203-223.1.6.2.1">Mijnheer Hoekzema, ik wens u van harte geluk met uw maidenspeech. Het lidmaatschap van de Kamer is voor u een nieuwe fase in een veelzijdige loopbaan in de politieke en de bestuurlijke wereld. Van de Eerste Kamer wordt beweerd dat zij een bijzondere, toegevoegde waarde heeft, onder meer omdat de leden naast hun lidmaatschap van de Senaat in veel andere maatschappelijke sectoren actief zijn en van daaruit hun ervaring meebrengen. Uw cv is daarvan wel een heel sprekende illustratie. De aandachtsgebieden die u in de Kamer behartigt, zijn defensie en Europese samenwerking. Als voormalig staatssecretaris van Defensie en als voormalige burgemeester van onze marinehaven Den Helder, ligt de belangstelling voor defensie voor de hand. In de speech die u zojuist hield heeft u duidelijk gemaakt dat ook de toekomst van Europa u zeer aan het hart gaat. Bij uw partijvoorzitterschap van de VVD werd in 1996 in een interview met het blad Vrijheid en Democratie geschreven: "De twee woorden die bij Willem Hoekzema het beste passen zijn zorgvuldigheid en geduld." In lijn daarmee heeft u zichzelf zojuist omschreven als "een wat gerijpte heer". De Kamer heeft decennialang veel profijt gehad van vele wat gerijpte heren. Ik ben ervan overtuigd dat dit de komende jaren met u niet anders zal zijn. Ik wens u veel succes met uw werkzaamheden.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Hofstra" MPid="02566" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-12-11" topic="Markttoezicht registerloodsen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-491-500.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-491-500.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="1" number-of-words="2798" number-of-unique-words="914" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Markttoezicht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Verkeer <pm:entity> Water</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Hofstra" MPid="02566"/>
                <speaker name="Hendrikx" MPid=""/>
                <speaker name="Slager" MPid="03163"/>
                <speaker name="Schouw" MPid="03025"/>
                <speaker name="Linthorst" MPid="02927"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Hofstra, die zijn maidenspeech zal houden. Interrupties zijn derhalve niet toegestaan, hoezeer de heer Hofstra dat misschien ook betreurt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-491-500.1.2" speaker="Hofstra" party="VVD" function="De heer" title="De heer Hofstra  (VVD)" MPid="02566">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.1" speaker="Hofstra" function="De heer" MPid="02566">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Hofstra (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Hofstra</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.1.2">Voorzitter. U kent net als ik het motto "geen debat zonder interruptie", dus ik had u juist willen verzoeken om de collega's vrijstelling te verlenen van het verbod op interrumperen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.2.1">Bij dezen, mijnheer Hofstra.</p>
                    </speech>
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3" speaker="Hofstra" function="De heer" MPid="02566">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Hofstra (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Hofstra</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.2">Dank u wel.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.3">Het loodsendossier sleept al jaren. Opvallend is dat dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer heel snel is afgedaan, in het interbellum tussen Balkenende-N en Balkenende-N+1. Er is aan de andere kant zelfs geen amendement of motie aangenomen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.4">1988 was een belangrijk jaar voor de loodsen. Toen zijn zij verzelfstandigd of, zoals sommigen zeggen, geprivatiseerd. Het is heel opvallend dat in alle stukken die nu voorliggen, in heel veel verschillende toonaarden vaak over die maatregel van toen wordt gesproken, of het nu het ene was of het andere. Ik heb besloten eens op de website van het loodswezen te gaan kijken. Daarop staat dat de organisatie in 1988 "buitenambtelijk is verzelfstandigd". Ik vond dat wel een mooie term, maar ik denk dat "privatisering" er toch het dichtst bij in de buurt komt. Het zijn ook private ondernemers en er zit nog een PBO-constructie achter, waar je ook nog heel veel over zou kunnen zeggen. Zij hebben in ieder geval een dubbel monopolie: kapiteins zijn verplicht om een loods te nemen én moeten ze uit die groep halen. Een monopolie, privaat, is naar mijn smaak het ergste wat er is. De kosten zijn hoog, dus is de efficiency laag, zijn er luxe wensen, luxe arbeidsvoorwaarden en is er over het algemeen te weinig uitdaging. Ook valt op dat eigenlijk iedereen zegt: wij weten niet hoe het financieel zit bij de loodsen. Iedereen die de sector kent en daarin actief is, zegt: de enigen die het weten, zijn de loodsen zelf. Dat is toch een beetje een ongezonde situatie. Blijkbaar is er dus ook geen goed intern toezicht. Dat stel ik maar vast. Het zou wel verstandig zijn als er intern op allerlei dingen werd gelet.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.5">Dat aanpakken zin heeft, blijkt uit de verruiming in 1995. Toen is er een kleine versoepeling opgetreden in de plicht om loodsen aan boord te nemen. Op de vaarten waarop dat kon, deed de kapitein het zelf, mits hij de goede papieren had. Daarop hebben de loodsen binnen de kortste keren gezegd: wij doen het goedkoper. Toen kwam de zogenaamde frequentiekorting. Daar blijkt dus uit dat er toch wel meer aan doelmatigheid kan worden gedaan als je de zaak maar een beetje prikkelt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.6">De VVD-fractie vindt een goed financieel toezicht zeker nodig, eigenlijk hard nodig. Ik sprak over 1988. Dat is al bijna twintig jaar geleden. Het voorstel van de regering om de Nederlandse Mededingingsautoriteit daar een duidelijke rol in te laten spelen, lijkt mijn fractie op zichzelf goed. Zij kan de kern van het wetsvoorstel op dit punt dus ook steunen. Er zijn alleen een paar onderdelen die haar steken als een visgraat in de keel. Dat is zo'n onprettig gevoel dat ik, nee, mijn fractie daar vanavond nog vanaf wil worden geholpen. Ik hoop dat de minister dit kan doen. Ik noem twee belangrijke punten. Het eerste is het pensioen vanaf 55-jarige leeftijd. Het tweede is het voornemen of eigenlijk al uitgezet beleid van de regering om tot 2019 – niet iedereen hier zal dat meemaken, ik zelf incluis – niets te wijzigen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.7">Ik zou willen zeggen dat het middeleeuws is dat de pensioensgerechtigde leeftijd in deze sector 55 jaar is. Misschien is het beter om te zeggen dat deze prepensioenregeling prehistorisch is. Ik las een paar dagen geleden in de krant dat een commissaris der Koningin voornemens is, tot zijn zeventigste door te werken. Het kan toch niet allebei waar zijn dat een loods, die ook bestuurlijk werk doet, althans, dat hoop ik, want dat is wel de bedoeling, op 55-jarige leeftijd met pensioen gaat en een commissaris der Koningin zegt dat hij blij is dat hij tot zijn zeventigste door kan. Ik wil dan ook de indringende vraag aan de minister stellen hoe het nu mogelijk is dat er in 1988 zúlke kromme afspraken zijn gemaakt, dat de regering nu zegt: wij kunnen daar niets meer aan doen, terwijl in elke sector een pensioensgerechtigde leeftijd van 55 jaar niet meer van deze tijd is. Mijn fractie vindt dit een heel zwaarwegend onderdeel, want de leeftijd van 55 jaar wordt op het bordje gelegd van de klanten van het loodswezen. Zij moeten het gaan betalen. Let wel: als iemand zelf op zijn vijfenvijftigste met pensioen wil en hij dat zelf betaalt, heb ik daar geen probleem mee, maar dit is volgens mijn fractie een heel groot probleem, eigenlijk een onacceptabel probleem in 2007.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.8">Het tweede hoofdpunt voor de VVD-fractie is de lange termijn, dus dat wij tot 2019 op onze handen blijven zitten als het gaat om de organisatie van het loodswezen in ons land. Er was een evaluatie voorzien voor 2011. Dat vindt mijn fractie op zichzelf verstandig. Nog verstandiger is dat de Tweede Kamer bij de minister heeft kunnen afdwingen dat er al in 2009 een eerste, zij het wat globale evaluatie komt, maar dat er vooral wordt gekeken naar de kwestie van de 55 jarige leeftijd en de kwestie van de inkomensontwikkelingen. Mijn fractie ziet, net als op allerlei andere deelterreinen van verkeer en vervoer, allerlei technische ontwikkelingen: de TomTom is de laatste jaren in de auto geïntroduceerd; schepen hebben al heel lang een soort TomTom. Die is ietsje ingewikkelder dan het kastje dat wij in de auto hebben. Bij schepen zijn de ontwikkelingen in ieder geval ook geweldig. De regering zegt in haar stukken dat de schepen enerzijds groter worden – dit blijkt uit de statistieken – en specialistischer, anderzijds dat het beloodsen dankzij de technische ontwikkelingen veel simpeler kan worden opgezet, waardoor bijvoorbeeld kan worden gesteld dat een schip, korter dan 130 meter, geen loods meer nodig heeft. Dat is nu niet het geval, maar technisch kan het volgens mijn fractie op een vrij verantwoorde manier. Dan is nog heel eigenaardig dat er vanaf de kant wordt beloodst als het heel hard waait en het voor een loods lastig is om aan boord van een schip te komen. Als dat kan, kun je het bij minder wind ook wel vanaf de kant doen, lijkt mij. Met andere woorden: er bestaan allerlei technische mogelijkheden waardoor de doelmatigheid van deze sector sterk kan worden vergroot.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.9">Nadat het huidige systeem wordt veranderd, komt natuurlijk de principiële discussie of de sector echt moet worden geprivatiseerd of dat die terug moet naar de overheid, waar die vroeger vandaan is gekomen, of dat er een mengvorm moet komen. De minister zegt: ik weet het allemaal niet vanwege de technische ontwikkelingen in de scheepvaart en omdat ik het niet weet, heb ik geen visie. Ik doe hem misschien een beetje onrecht. Hij zegt: omdat ik het niet weet, kan ik geen visie ontwikkelen. Mijn fractie draait dat graag om. Juist als er allerlei ontwikkelingen zijn die invloed op het probleem hebben, maar je het niet precies weet, moet je een visie ontwikkelen. Van mijn fractie moet er een visie komen op hoe er na dit traject van min of meer geprivatiseerde loodsen met een controle van de NMa een wat definitievere situatie kan worden geschapen. Dit is een hard punt voor mijn fractie. Juist nu moet er visie worden ontwikkeld en moeten er maatregelen worden voorgesteld. Die liggen inderdaad bij andere wetten dan deze wet, bijvoorbeeld de Scheepvaartverkeerswet en de Loodsenwet en misschien nog wel een paar andere wetten. Wij denken dat dit ver voor 2019 mogelijk moet zijn. Dat zal ook wel moeten, want als je in 2019 in een keer wilt veranderen, moet je het allemaal voorbereiden.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.10">Ik wil nadrukkelijk zeggen dat de VVD-fractie er nu niet op aandringt dat er wordt geprivatiseerd. Zij ziet de publieke belangen namelijk: veiligheid op het water en een vlot en efficiënt scheepvaartverkeer. Onze stelling is dat je voor routinematig werk wel heel goede argumenten moet aanvoeren, wil je het niet door de markt laten doen. Wij willen liever ook geen kunstmarkt. De huidige situatie zouden wij wel als zodanig kunnen betitelen. Ik krijg graag en spoedig een heldere, integrale visie. Wij zijn er dus tegen om dit op zo'n lange termijn te schuiven. Wij vinden dat het voor 2019 moet gebeuren. Ons concrete voorstel zou zijn dat, aansluitend op de evaluatie van 2009, de regering met een visie komt in het jaar 2010, met een set van wensen om in bepaalde bestaande wetten wijzigingen aan te brengen. Om dat wat dichterbij te brengen, heb ik een vraag aan de minister. De NMa krijgt een belangrijke taak als het gaat om het financieel toezicht. In hoeverre kan op die manier, zonder de artikelen in deze wet te ge- of misbruiken, de NMa de loodsen ertoe brengen dat die 55 jaar zo snel mogelijk uit beeld verdwijnt, zodat ook de financiering van het prepensioen al in 2012 kan worden gerealiseerd, in plaats van in 2019? Dan zou het nieuwe systeem veel eerder kunnen worden ingevoerd. Graag daarop een duidelijk antwoord.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.11">In de memorie van antwoord staat dat de termijn tot 2019 een maximale termijn is. Wij zagen een brief van het loodswezen aan de minister, waarin staat dat dat vermoedelijk niet later zal zijn dan 2019. Het een klopt niet met het ander. Ik hoop dat ik ten aanzien van de minister kan aanhouden wat in de memorie van antwoord staat. Mocht het anders zijn, dan hoor ik dat graag.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.12">In dezelfde brief van het loodswezen staat dat de loodsen zeggen dat de minister in 1988 de kwestie van die 55 jaar heeft geregeld. Is dat waar? Voor de loodsenorganisatie is een termijn van twee maanden opgenomen om te reageren op een voorstel voor een kostentoedeling. Men vindt die termijn nogal krap. Nu denk ik dat je in twee maanden heel veel kunt doen, maar men vraagt of geen boete wordt opgelegd als die termijn niet wordt gehaald. Tot mijn verbazing lees ik in het antwoord van de minister dat, als die termijn wordt overschreden, er inderdaad geen boete komt. Waarom staat deze regel dan in de wet? Die wet had dan iets korter gekund.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.13">Waarom is de regering zo terughoudend met het vrijgeven van bijvoorbeeld dat vrijwillige loodswerk? Er zijn bepaalde gevallen waarbij de wet geen loods voorschrijft, dan is het vrijwillig. Maar als je als kapitein een loods neemt, moet het wel een loods uit die pool zijn. Vrijwilligheid bestaat dus niet, dat is ook verplichte beloodsing. Op die manier kan geleidelijk wat meer vrijheid in de loodsensector worden gebracht. Daarbij vragen wij ook aandacht voor het tuchtrecht en de opleiding, beide elementen die door de loodsen zelf worden gedaan. Zeker bij de opleiding bepaal je daarmee ook de markt. Zou het niet goed zijn die elementen ergens anders naar toe te brengen?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.14">In deze regelgeving wordt vrij weinig aandacht besteed aan internationale kwesties, en ook niet aan specifiek Europese kwesties. Wij kennen tegenwoordig de short sea shipping, een tak van sport waar de regering terecht veel aandacht aan besteedt. Immers, hoe meer kustvaart wij kunnen stimuleren, hoe minder vrachtwagens op onze wegen en hoe minder treinen op onze volle spoorlijnen. Prima, maar zou het niet goed zijn om wat sterker in te zoomen op de betekenis van Europa voor de loodsen, waarbij het vooral gaat om België en Duitsland?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.15">Via deze wet worden de kruissubsidies geleidelijk afgeschaft. Nu betalen grote schepen veel, onder het motto dat het grote schepen zijn, maar als die kosten wat meer worden geanalyseerd, zou het redelijker zijn als kleine schepen verhoudingsgewijs iets meer betalen en grote schepen iets minder. Kortom, Rotterdam gaat erop vooruit, want daar komen veel grote schepen, en Zeeland en vooral de noordelijke havens komen te zitten met hogere tarieven. Ik krijg graag de toezegging van de minister dat hij de zorgplicht ook voor die kleinere havens handhaaft. Het Rijk voelt zich daarmee verantwoordelijk voor een goed gebruik van de kleinere havens. Daarmee zeg ik niet dat er geen enkele verhoging van het tarief mag optreden, maar die verhoging moet niet zodanig zijn dat daardoor de functies van de kleine regionale havens teniet wordt gedaan. Dan zijn wij namelijk verkeerd bezig. Ik hoop dat de minister daar expliciet op let bij de verdere ontwikkeling.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.16">Er was altijd een soort gelijkschakeling in rechten en plichten tussen kapiteins en loodsen. Dat gold bijvoorbeeld voor de verantwoordelijkheid: een kapitein kan een fout maken, een loods ook. Maar dat is volgens mij nu weer achterhaald. De loods heeft een kleinere verantwoordelijkheid dan de kapitein. Waarom? Als de kapitein te laat is waardoor de loods moet wachten, moet extra worden betaald, maar omgekeerd is dat niet het geval. Ik vind dat een raar verschil in behandeling. Het is wel een ondergeschikt puntje in het geheel, maar kan de minister er toch op ingaan? Als die verschillen er zijn, kan de minister er dan als de wiedeweerga voor zorgen dat ze verdwijnen?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.17">Wij kunnen ons als VVD-fractie goed vinden in de inschakeling van de NMa om het hoognodige financiële toezicht op deze sector te gaan uitvoeren. Wij denken ook zeker dat dat tot een hogere doelmatigheid, lees meer kwaliteit en lagere prijzen, zal leiden. Maar wij willen graag twee dingen: de termijn tot 2019 linksom of rechtsom inkorten, waarvoor minister, de NMa en de loodsen hun best moeten doen. Dan kunnen wij immers sneller over naar een nieuw en beter systeem. Verder willen wij dat de regering toezegt dat wij in 2010 die heldere integrale visie krijgen op loodswerkzaamheden in Nederland, inclusief een set wijzigingsvoorstellen voor de Scheepvaartverkeerswet en de Loodsenwet.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.3.18">Wij wachten uiteraard de reactie van de minister met belangstelling af, maar zullen niet schromen om de Kamer zo nodig op deze kernpunten om een uitspraak te vragen. Het was mij een eer en een genoegen om hier voor het eerst het woord te mogen voeren. Ik hoop dat nog lang te kunnen blijven doen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.4.1">Mijnheer Hofstra, in deze Kamer lichten wij het doopceel van ieder nieuw lid. Ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech over dit wetsvoorstel. Tegelijkertijd vergeef ik het u voor deze ene keer dat u drie minuten over tijd bent!</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.4.2">Een gewild wetsvoorstel is het wel, want u bent vandaag de eerste van de drie leden die hierbij hun maidenspeech houden. Dat komt hier niet vaak voor. Ik houd het heel kort, want ik heb begrepen dat u niet houdt van lange speeches en al helemaal niet over uzelf. U hebt civiele techniek gestudeerd aan de TH Delft. Wat weinigen weten, is dat u maar liefst zeventien jaar lang, tot 1992, verbonden bent geweest aan de Noordelijke hogeschool in Leeuwarden, als parttimehoofddocent. Maar wat iedereen weet, is dat u lid was van de Tweede Kamer. Twaalf jaar lang, tot november vorig jaar. In die hoedanigheid hebt u landelijke bekendheid gekregen rond vraagstukken van mobiliteit en volkshuisvesting. Zoals wij zonet hebben kunnen horen, spreekt u over deze onderwerpen met passie. Ik heb mij laten vertellen dat u uw eigenheid ook als spoorwegbouwkundige niet verloochent, wanneer u een prachtig staaltje bewegende techniek ziet. Ik hoor daarover later graag meer.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.4.3">U bent tevens een ondernemer pur sang. Voor uw tijd in de Tweede Kamer was u directeur en/of eigenaar van een aantal ondernemingen op het gebied van vastgoed, verkeer en milieu. Daarnaast had u de nodige nevenfuncties in die sectoren. Mijnheer Hofstra, een soms hardnekkig misverstand is dat van mensen die overstappen van de Tweede naar de Eerste Kamer wordt gedacht dat zij per definitie een voornamelijk rustend leven willen of zullen gaan leiden. Sinds uw vertrek uit de Tweede Kamer, waar u overigens lid van het Presidium was, bent u voorzitter van de Vereniging afvalbedrijven, en bent u voorzitter van de nieuwe Adviesraad Rijkswaterstaat. Verder bent u directeur-grootaandeelhouder van diverse bv's. Daarenboven liet u opschrijven in een artikel over de nieuwe VVD-Eerste-Kamerfractie in uw partijblad Provincie en gemeente, dat er nog veel te doen valt voor u in de Eerste Kamer. Want u houdt ook van het politieke handwerk. U hebt gezegd dat ook deze Kamer een politiek orgaan is en dat u zich met uw fractie in een oppositierol bevindt. Uw ervaring als Tweede-Kamerlid is rondweg een aanwinst voor de VVD-fractie. U loodst – bijna letterlijk zou ik willen zeggen bij dit wetsvoorstel – regelmatig een en ander door moeilijk vaarwater. U bent iemand die op verschillende wijzen nadrukkelijk aanwezig is, zo hebben wij hier al kunnen merken. Wij verwachten nog veel van u te horen in de senaat. Ik wens u bij uw werk in ons huis alle succes toe.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.4.4">Normaal schorsen wij nu de vergadering voor felicitaties, maar omdat er drie maidenspeeches zijn, schors ik de vergadering na de derde maidenspeech.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.2.4.5">Het woord is aan de heer Hendrikx, die ook zijn maidenspeech zal houden.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Bij dezen, mijnheer Hofstra.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Klein Breteler" MPid="03175" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-11-06" topic="Vervanging no-claimteruggave" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-180-223.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-180-223.1.8" which-speech-in-topic="7" number-of-paragraphs="13" number-of-words="2177" number-of-unique-words="841" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Belasting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Zorg en gezondheid <pm:entity> Verzekeringen</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Dupuis" MPid="02263"/>
                <speaker name="Putters" MPid="03023"/>
                <speaker name="Slagter-Roukema" MPid="03036"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Thissen" MPid=""/>
                <speaker name="Schouw" MPid="03025"/>
                <speaker name="Klein Breteler" MPid="03175"/>
                <speaker name="Klink" MPid="03012"/>
                <speaker name="Dupuis" MPid="02263"/>
                <speaker name="Putters" MPid="03023"/>
                <speaker name="Slagter-Roukema" MPid="03036"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Thissen" MPid=""/>
                <speaker name="Schouw" MPid="03025"/>
                <speaker name="Klein Breteler" MPid="03175"/>
                <speaker name="Klink" MPid="03012"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Klein Breteler, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-180-223.1.8" speaker="Klein Breteler" party="CDA" function="De heer" title="De heer Klein Breteler  (CDA)" MPid="03175">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1" speaker="Klein Breteler" function="De heer" MPid="03175">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Klein Breteler (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Klein Breteler</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1.2">Voorzitter. Gezondheid en zorg zijn thema's waar onze bevolking, overigens terecht, grote waarde aan toekent. In nagenoeg alle preferentieonderzoeken, ongeacht het onderzoeksinstituut, kent men gezondheid en zorg de hoogste prioriteit toe in Nederland. Niettemin zou men, als men niet beter wist, uit de berichten in de media de onterechte conclusie kunnen trekken dat het vaak droevig is gesteld met de staat van onze gezondheidszorg. Er gaat immers praktisch geen dag voorbij of er staat wel een negatief bericht in de pers. Vaak worden bewindslieden van VWS direct voor spoedoverleg naar de Tweede Kamer geroepen als er ergens in de zorg iets, vaak incidenteel, mis gaat. Ik zie dit overigens als een bewijs dat zorg ons Nederlanders zeer ter harte gaat. En terecht. Ook deze Kamer besteedt het gehele plenaire deel vandaag aan een belangrijk wetsvoorstel.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1.3">Helaas is er onlangs minder aandacht in de media besteed aan een goed opgezet onderzoek naar de staat van onze gezondheidszorg, de European Consumers Healthindex, waarbij ons land op de tweede plaats komt in Europa, na Oostenrijk op de eerste. Hierbij is niet alleen gekeken naar de kwaliteit van zorg, de toegang van zorg, maar ook naar het verzekeringsstelsel. Wij mogen daar best een beetje trots op zijn en het is ook een groot compliment voor hen, die werken in en voor de zorg. Van de beroepsbevolking is dat overigens één op de tien werkenden. Vanwege de vergrijzing en de hieruit volgende zorgconsumptie hebben wij hen, zeker in de toekomst, hard nodig. Ons systeem van zorg kan niet zonder publieke borging. Hierin is de rol van de overheid gestoeld op vier kerntaken. Ten eerste algemene toegang tot de zorg voor alle inwoners en zij die legaal in ons land verblijven. In de praktijk geldt dit in de zorg overigens ook voor hen die formeel niet legaal in ons land verblijven op grond van artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000. Ten tweede het handhaven van een hoog kwaliteitsniveau in de zorg. Ten derde het waarborgen van een vrije artsenkeuze. Ten vierde het verdelen van de kosten van de zorg op basis van solidariteit in de samenleving. Dit zijn waarden die onze fractie ook voor de toekomst van groot belang blijft achten. Dat zal overigens een grote uitdaging zijn, gezien mijn eerdere opmerkingen over de gevolgen van de vergrijzing en ook de ontgroening.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1.4">Het systeem moet betaalbaar blijven. In dit kader is het naar de opvatting van de CDA-fractie aanvaardbaar dat zorgconsumenten, binnen de uitgangspunten van de vier eerdergenoemde kernwaarden, beperkt geconfronteerd mogen worden met gevolgen van hun individuele zorgconsumptie. Dit is mede de achtergrond geweest van het no-claimsysteem, ontwikkeld door het vorige kabinet in de thans vigerende zorgverzekeringswet. Ook deze wet heeft als uitgangspunt ons zorgstelsel duurzaam houdbaar en toekomstbestendig te maken en te houden. Thans legt het huidige kabinet ons de wijziging voor om het no-claimsysteem te vervangen door een systeem van eigen risico. De eerste vraag die onze fractie zich heeft gesteld, is de volgende. Tast dit nieuwe voorstel eerdergenoemde kernwaarden aan en is het een verbetering? Daarnaast zijn er natuurlijk de vragen of het wetsvoorstel juridisch deugt, uitvoerbaar is en de gewenste maatschappelijke effecten kan bereiken. Op zichzelf beschouwd is het wetsvoorstel een verbetering vanwege een verbetering van de solidariteit in de samenleving.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1.5">In het thans in bespreking zijnde wetsvoorstel is het nominale premiedeel van een Nederlander met gemiddelde zorgkosten immers gelijk aan hen die chronisch ziek, dan wel lichamelijk gehandicapt zijn en derhalve altijd worden geconfronteerd met onvermijdelijke zorgkosten. Door de compensatie van deze beide groepen verzekerden ligt het eigen risico gemiddeld gelijk op €&#160;103. Dat is het positieve nieuws. Minder enthousiast zijn wij over de wijze waarop dit principe vorm en inhoud is gegeven. De kern hiervan is hoe de groep chronisch zieken en lichamelijk gehandicapten is afgebakend. Helaas beschikken wij ter zake in ons land niet over sluitende, verifieerbare afbakeningsdefinities. De wijze waarop het kabinet dit in het onderhavige wetsvoorstel neerlegt, en overigens ook op andere punten in het wetsontwerp, ademt een haastige sfeer uit. Dit blijkt ook uit de amendementen en moties die ingediend zijn bij de zeer onlangs gehouden behandeling in de Tweede Kamer.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1.6">Mijn fractie zou zich kunnen voorstellen dat het nieuwe systeem per 1&#160;januari 2009 ingaat, zodat er in 2008 een betere uitlijning kan plaatsvinden van het wetsvoorstel. Het door mij ook in een interruptie genoemde argument dat de groep chronisch zieken en gehandicapten dan een jaar langer moet wachten op compensatie, weegt evenwel zeer zwaar. Wel hebben wij de situatie dat deze groep in 2008 anders is gedefinieerd dan in 2009 en latere jaren op grond van wijzigingsvoorstellen, die nu al aangekondigd zijn voor 2008. Dit levert op zich verwarring op. Dit betekent, dat wij op deze aspecten niet geheel tevreden zijn met het antwoord van de minister in zijn memorie van antwoord. Dat zijn wij overigens wel ten aanzien van een belangrijk aantal andere vragen onzerzijds over dit wetsvoorstel.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1.7">Toch geven die antwoorden ons aanleiding om in deze eerste termijn nog een aantal aanvullende vragen te stellen. Een beperkte aanspreekbaarheid van de burger op zijn zorgconsumptie is op zich niet verwerpelijk. Maar hoe kan hij of zij dit doen als er bij deze burgers in feite een volledige onbekendheid is met de prijzen en kostprijzen van zorgproducten en kwaliteitsprestaties van zorgaanbieders? De website Kies beter blijkt hiervoor geen oplossing te zijn. Voor hen die zelf in de zorg werken, zo weet ik uit ervaring, is het al bijna ondoenlijk. Hoe kan een burger weten of hij of zij al dan niet medicijnen gebruikt uit de FKG-lijst? Kunnen al deze eigen bijdragen en andere bijdragen in de zorg niet dusdanig met elkaar cumuleren dat dit afbreuk doet aan transparantie, maar vooral ook aan solidariteit? Mijn fractie vindt dat de minister, blijkens de memorie van antwoord, wel kort door de bocht gaat met het niet zien van een relatie tussen dit wetsvoorstel en het later in deze Kamer te behandelen wetsvoorstel inzake de verzwaring van de premie-incasso. Het kan toch immers niet anders dan dat de groep wanbetalers van de zorgpremie vergroot wordt door de wanbetalers van het eigen risico? Uiteindelijk komt dit mogelijk ook ten laste van het Zorgvereveningsfonds. Wat bedoelt de minister in dit opzicht met een "bronheffing"? Heeft de minister zich echt goed verdiept in zijn stelling, dat er ook bij het eigen risico een effectieve remwerking is van ongeveer 200 mln.? Immers, bij ervaringen met soortgelijke zaken uit het verleden was dit toch ook niet zo eenduidig? Of waren de uitvoeringslasten in de praktijk gelijk aan of groter dan de opbrengsten? Ondanks dat de minister stelt dat deze zaken toen om politieke redenen zijn afgeschaft en niet om praktische redenen. Heeft bij de introductie van dit wetsvoorstel toch ook niet meegespeeld dat zonder introductie van een eigen risico de premies aanmerkelijk moesten worden verhoogd, hetgeen nu wat cosmetisch wordt gemaskeerd?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1.8">Vervolgens heb ik namens de CDA-fractie nog een aantal vragen. De antwoorden daarop zullen wij betrekken bij onze finale afweging van dit wetsvoorstel. Zoals wij begrepen hebben, heeft de minister de Tweede Kamer toegezegd om voor 1&#160;april 2008 te komen met een beter afgebakende en gedefinieerde omschrijving van de groep chronisch zieken en lichamelijk gehandicapten. Hierin wordt ook de groep verzekerden betrokken met hulpmiddelen. Is de minister thans, vooruitlopend hierop, bereid in de AMvB op te nemen dat verzekerden met hogere uitgaven aan hulpmiddelen – ik denk dan aan ongeveer €&#160;500 – ook in 2008 al in aanmerking te laten komen voor deze compensatie?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1.9">De CDA fractie meent dat "boter bij de vis" de beste remwerking heeft. In het wetsvoorstel kan evenwel de inning van de eigen bijdrage in 2008 tot uiterlijk ultimo 2009 worden gedaan. Is de minister bereid deze termijn vanaf 2009 te bekorten tot 6 maanden na afloop van het kalenderjaar?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1.10">Door de introductie van de maatstafconcurrentie op 1&#160;januari 2009 bestaat de mogelijkheid dat een dbc achteraf neerwaarts wordt bijgesteld, terwijl het eigen risico hierover wellicht al is geïnd. Wat gebeurt er dan vervolgens en wat betekent dit voor de administratieve lasten voor de zorgverzekeraars? Is het waar dat bij zorgconsumptie in ons land van personen met een buitenlands paspoort geen eigen bijdrage wordt geïnd? Zou het niet voor de hand liggen dat in AWBZ-instellingen verblijvende verzekerden met een thuiswonende partner, die dan weliswaar de lage eigen bijdrage betalen, toch ook de compensatie ontvangen? Er is volgens mij geen rechtvaardiging te vinden om onderscheid te maken met degenen zonder thuis verblijvende partner.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1.11">Het kabinet sluit de route via de Buitengewone Uitgavenregeling af. Toch kunnen verzekerden, die gebruik maken van de door gemeente aangeboden herverzekeringsmogelijkheid, waarvan de premie nagenoeg even hoog is als de eigen bijdrage van €&#160;150 wel deze premie fiscaal ten laste laten komen van de Buitengewone Uitgavenregeling. Dat valt toch niet met betrekking tot de consistentie van dit soort zaken in een wetsvoorstel uit te leggen?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1.12">De CDA-fractie constateert dat de minister per brief van 19&#160;oktober een voorhangprocedure voor de AMvB heeft gestart, zonder dat deze Kamer het wetsvoorstel ter zake heeft behandeld. Vindt de minister dat dit staatsrechtelijk kan? Realiseert de minister zich dat bij uitvoering van deze wet voor zowel verzekeraars als verzekerden die gebruik maken van alle keuzes die er zijn, aan het eind van het jaar ook de uitkomsten niet "solidair" zijn, omdat zij individueel allemaal van elkaar kunnen verschillen?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1.13">Ten slotte voorzitter, vraag ook ik de minister wat er nu precies wordt bedoeld met het commentaar van de minister in de memorie van antwoord op de vraag van onze fractie over het amendement-Van der Vlies. Ik heb het over de laatste twee zinnen van de eerste alinea op bladzijde 6: "In afwijking van dit percentage kan volgens dit amendement voor sommige zorgvormen een vast bedrag worden vastgesteld. De regering kan op dit moment nog niet zeggen welk percentage gehanteerd zal worden, omdat de gevolgen van de keuze voor een bepaald percentage eerst moeten worden nagegaan." Dit klinkt mijns inziens vrij cryptisch: wat wordt er exact mee bedoeld en waarom? Wanneer kan de regering zeggen welk percentage wel zal worden gehanteerd en waar denkt het kabinet nu ongeveer aan?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.1.14">Voorzitter. Hiermee beëindig ik mijn inbreng in eerste termijn. Ik zie met belangstelling de antwoorden van de minister tegemoet.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.2.1">Mijnheer Klein Breteler, ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech over een beleidsterrein dat u bepaald niet onbekend is. Al op jonge leeftijd had u een leidinggevende positie in de zorgsector. Reeds tijdens uw studie economie aan de Nederlandse Economische Hogeschool – de latere Erasmus Universiteit – werd u directeur van een verpleeghuis in Naaldwijk. U was toen 27 jaar. Na vier jaar werd u directeur van een ziekenhuis in Sliedrecht en sinds 1980 bent u voorzitter van de raad van bestuur van de Stichting Zorginstellingen Pieter van Foreest in Delft.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.2.2">Naast uw werk hebt u een groot aantal nevenfuncties, waarvan de meeste in de zorgsector. Zo bent u voorzitter van de Stichting International Healthcare Program, voorzitter van de Landelijke Vereniging voor Entadministratie en bestuurslid van de Facilitaire Stichting Gezondheidszorg. Daarnaast bent u onder andere bestuurslid van de PGGM, maakt u deel uit van de raad van toezicht van woningcorporatie Vitalis te Amersfoort en van de Raad voor Economische Aangelegenheden van het bisdom Rotterdam.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.2.3">Voor en binnen het CDA bent u al 25 jaar actief in verschillende functies. U bent onder andere van 1999 tot afgelopen voorjaar voorzitter geweest van de CDA-fractie in de provinciale staten van Zuid-Holland. Uw vertrek daar is door velen betreurd. Zo ook door de commissaris van de Koningin, die in een liber amicorum tevens schreef: "Het is zonder enige twijfel de verdienste van Hans Klein Breteler dat het CDA in de afgelopen jaren de 'machtspositie' heeft verworven die het nu heeft. Hij was de fractievoorzitter met de meeste invloed. Dat kwam niet doordat hij tegelijk ondervoorzitter van de staten was." Even verderop schrijft de commissaris: "Het CDA zou wel gek zijn als het niet nog veel meer met hem zou doen." In dat liber amicorum komen telkens weer dezelfde beelden van u langs: boegbeeld, anderen de ruimte gevend, doortastend, strategisch denker, scherp analyticus, bevlogen, hartelijk, onvermoeibaar, oog voor de menselijke maat en vaak opererend naar de wijsheid van wijlen Jan de Koning: als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan. U begrijpt wel dat u dit hier nu allemaal moet waarmaken.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.2.4">Mijnheer Klein Breteler, "KB" staat in deze Kamer voor Koninklijk Besluit. KB is ook in de politiek in Zuid-Holland een begrip, maar staat daar voor Klein Breteler. Ik sluit niet uit dat KB de komende jaren in deze Kamer een begrip met een dubbele betekenis zal zijn. Ik wens u van harte heel veel succes toe in deze Kamer!</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.2.5">Voordat ik de vergadering schors om de collega's de gelegenheid te geven om de nieuwe collega te feliciteren, vraag ik de minister of hij het uur dat voor nader beraad was gepland, denkt nodig te hebben. De minister knikt "ja".</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-180-223.1.8.3.1">De vergadering wordt van 15.45 uur tot 17.30 uur geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Klein Breteler, ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech over een beleidsterrein dat u bepaald niet onbekend is. Al op jonge leeftijd had u een leidinggevende positie in de zorgsector. Reeds tijdens uw studie economie aan de Nederlandse Economische Hogeschool – de latere Erasmus Universiteit – werd u directeur van een verpleeghuis in Naaldwijk. U was toen 27 jaar. Na vier jaar werd u directeur van een ziekenhuis in Sliedrecht en sinds 1980 bent u voorzitter van de raad van bestuur van de Stichting Zorginstellingen Pieter van Foreest in Delft.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Koekkoek" MPid="02524" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2003-12-09" topic="Experimentenwet Kiezen op Afstand" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-451-463.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-451-463.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="14" number-of-words="1916" number-of-unique-words="737" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Staatsrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Ruimte en infrastructuur <pm:entity> Netwerken</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Koekkoek" MPid="02524"/>
                <speaker name="Witteveen" MPid=""/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="De Graaf" MPid="02517"/>
                <speaker name="Koekkoek" MPid="02524"/>
                <speaker name="Witteveen" MPid=""/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="De Graaf" MPid="02517"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Koekkoek voor zijn maidenspeech.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-451-463.1.2" speaker="Koekkoek" party="CDA" function="De heer" title="De heer Koekkoek  (CDA)" MPid="02524">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1" speaker="Koekkoek" function="De heer" MPid="02524">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Koekkoek (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Koekkoek</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.2">Mevrouw de voorzitter. Het is mij een voorrecht om vandaag als lid van deze Kamer het woord te voeren en de degens te kunnen kruisen met de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, Thom de Graaf. Het is niet voor het eerst dat wij beiden in deze zaal onze stem kunnen doen horen. In het najaar van 1995 brachten wij gedurende twee maanden 23 volle dagen in deze toen pas gerestaureerde zaal door. Dat was voor de openbare verhoren van de enquêtecommissie Opsporingsmethoden onder de bezielende leiding van die geweldige parlementariër wijlen Maarten van Traa. Het is mij een genoegen, vandaag vragen te kunnen stellen aan minister De Graaf.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.3">Het voorliggende wetsvoorstel Experimentenwet Kiezen op Afstand is een bescheiden, maar niettemin een belangrijk begin van de toepassing van internet in ons kiesrecht. Het biedt onder meer de wettelijke grondslag voor elektronisch stemmen voor Nederlanders in het buitenland bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in juni 2004. Bij dit wetsvoorstel rijzen enkele principiële vragen die het de moeite waard maken om er uitdrukkelijk bij stil te staan. De eerste principiële vraag betreft het waarborgen van een vrije en geheime stemming. Dat is een van de grondpijlers van onze democratie. De tweede meer algemene vraag betreft de mogelijkheden die informatie- en communicatietechnologie bieden voor het democratische proces.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.4">Artikel 53 van de Grondwet eist dat de verkiezingen voor de beide Kamers van de Staten-Generaal worden gehouden bij geheime stemming. Artikel II-39 van de ontwerp-grondwet voor Europa spreekt van vrije en geheime verkiezingen van de leden van het Europees Parlement. Verder bevat onder andere artikel 25 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten de waarborg van verkiezingen bij geheime stemming. Dit artikel voegt aan die woorden "bij geheime stemming" toe: "waardoor het vrijelijk tot uitdrukking brengen van de wil van de kiezers wordt verzekerd". Inderdaad, het gaat erom dat kiezers zich vrij kunnen uitspreken. Wij worden ons bewust van de waarde van vrije verkiezingen als op grote schaal fraude wordt gepleegd, zoals vorige maand het geval was bij de parlementsverkiezingen in Georgië.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.5">Wij kunnen voor het belang van vrije verkiezingen ook dichter bij huis blijven en teruggaan in onze eigen geschiedenis. De waarborg van een geheime stemming is niet eens zo oud. Pas in 1896 ging de Kieswet regelen dat kiezers in het stemlokaal een stembiljet ontvingen dat zij in een stemhokje moesten invullen. Voor die tijd kregen kiezers een stembriefje thuisgestuurd, waarop zij thuis de naam van hun kandidaat konden vermelden. De kans op beïnvloeding door anderen is dan levensgroot aanwezig. Naar die tijd moeten wij niet terug, ook niet als het stembiljet wordt vervangen door een elektronisch biljet op de thuiscomputer.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.6">Vorige week presenteerde de minister de kabinetsvisie Andere overheid. De minister sprak daarbij de verwachting uit dat een veilige identiteitskaart het kiezen op afstand zal vergemakkelijken. Bij kiezen op afstand ontbreekt echter het stemhokje. Eventuele invloed van familie, vrienden of de werkgever op de keuze van de kiezer onttrekt zich dan aan de waarneming. Als de minister een oplossing weet voor dit probleem, dan verneem ik dat graag.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.7">De minister heeft in antwoord op de bedenkingen van de CDA-fractie geantwoord dat ook nu al het stemmen per post mogelijk is en dat elektronisch stemmen op afstand niet wezenlijk daarvan verschilt. Daarin heeft hij gelijk. Stemmen per post is echter een uitzondering en dat moet ook zo blijven. Sinds 1983 is stemmen per brief in beperkte mate mogelijk voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer en van het Europees Parlement. Die mogelijkheid bestaat alleen voor Nederlandse kiezers die in het buitenland wonen of werken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.8">Bij de herziening van de Kieswet in 1989 hebben regering en Kamers uitbreiding van de mogelijkheid van het briefstemmen afgewezen. Een van de bezwaren was dat het waarborgen van het stemgeheim bij het stemmen per brief veel moeilijker is dan bij het stemmen in een stembureau. Naar het oordeel van de CDA-fractie zal in de toekomst ook het elektronisch stemmen een beperkte rol hebben. Pas als er een vergelijkbare waarborg voor het stemgeheim is als bij het stemmen op het stembureau kan dat veranderen. Is de minister het eens met deze voorzichtige benadering?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.9">In de memorie van antwoord erkent de minister dat dit wetsvoorstel een ruime delegatie aan de regering bevat tot het houden van experimenten. In de ogen van de leden van de CDA-fractie is deze delegatie te ruim. Wij kunnen akkoord gaan met het houden van een experiment bij de Europese verkiezingen en eventueel bij verkiezingen in verband met gemeentelijke herindeling in 2004, maar niet meer dan dat. De CDA-fractie vraagt daarom van de minister de uitdrukkelijke toezegging dat hij aan de Kamers verslag uitbrengt over het experiment in juni 2004 en dat de regering pas na instemming van beide Kamers besluit tot een volgend experiment. Ik voeg hieraan toe dat die instemming ook stilzwijgend kan worden verleend. Bij een volgend experiment denk ik dan vooral aan de verkiezingen van de Tweede Kamer van 2007. Voordat het zover is, moet vaststaan dat elektronisch stemmen met evenveel waarborgen is omkleed als de gang naar de stembus.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.10">Bij brief van 8 oktober heeft de minister de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van het project Kiezen op afstand. Ik ben blij dat de minister daarin elektronisch stemmen bij een eventueel referendum over de Europese Grondwet heeft afgewezen. Blijft de minister bij die afwijzing? Minder gerust was ik over de resultaten van de gebruikersproef die eind augustus heeft plaatsgevonden en over de kritiek van beveiligingsdeskundigen. De partijen bij de proefverkiezing waren wel enigszins vertrouwd: lijst 1, de Europese Kleuren Partij (EKP); lijst 2, de Planten van het Volk (PvhV), met als toepasselijke lijsttrekker Roos, maar dan zonder vuist. Maar ik vroeg mij werkelijk af voor welke partij lijst 3 stond, de Europese weermannen. Kan de minister mij zeggen welke partij in Europa zo veranderlijk is als het weer?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.11">Bij het proefdraaien van de stemdienst, zeg maar de server waarop de stemmen binnenkomen, bleek dat sommige kiezers probeerden tweemaal te stemmen. En dat lukte nog ook! Dat is tamelijk verontrustend. Ook kregen kiezers soms ten onrechte een foutmelding omdat hun computer geen cookies accepteerde. Bewuste internetters zetten die functie juist uit om baas te blijven over hun eigen schijf. Verder raakte de stemdienst al vrij snel na de start geblokkeerd en werkte vervolgens de beveiliging niet, dat wil zeggen dat cruciale bestanden als het kiezersregister niet veilig op tape konden worden opgeslagen. Ook dit is zeer verontrustend. Ik zie dan nog af van de ernstige kritiek van beveiligingsdeskundigen, bijvoorbeeld op de onduidelijkheid van het systeemontwerp, een veel voorkomend euvel in de automatiseringsbranche. Lezing van dit verslag deed bij mij dan ook de vraag rijzen of het wel verantwoord is om dit experiment te houden. Vandaar de indringende vraag aan de minister of hij ervan overtuigd is dat de gebreken inmiddels zijn verholpen. Zo ja, waarop baseert hij die overtuiging?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.12">In de eerder genoemde brief deelde de minister mee dat aanpassing van de stemdienst voor 30 november moest zijn afgerond en dat hij dan een besluit zou nemen om de stemdienst wel of niet te accepteren. Is dat nu inderdaad het geval en heeft hij al een besluit genomen? Zo neen, wanneer denkt hij dan dit te kunnen nemen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.13">Mevrouw de voorzitter. Ik wil kort stilstaan bij de proef met het stemmen in een stemlokaal naar keuze, een onderwerp dat ook in dit wetsvoorstel wordt geregeld. Op 25 november 2003 heeft de Tweede Kamer het initiatiefvoorstel van de leden Karimi, Dubbelboer en Van der Ham aanvaard betreffende het houden van een raadplegend referendum over het grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie. In het wetsvoorstel is een bepaling opgenomen die leidt tot een materiële wijziging van het voorliggende wetsvoorstel Kiezen op afstand. Artikel 29 van het initiatiefvoorstel biedt de minister namelijk de mogelijkheid te bepalen dat tijdens het referendum experimenten plaatsvinden met het oog op nieuwe voorzieningen die de kiesgerechtigden in Nederland in staat stellen om in een stemlokaal naar keuze te stemmen. Ik wil niet vooruitlopen op de behandeling van dit initiatiefvoorstel, maar wel opmerken dat het experiment met het stemmen in een stemlokaal van eigen keuze zal plaatsvinden in vier gemeenten, te weten Assen, Deventer, Heerlen en Nieuwegein. Hoe kijkt de minister aan tegen de eventuele uitbreiding van dit experiment tot het stemmen over dat eventuele referendum? Is het technisch verantwoord om dat te doen en heeft hij er het geld voor?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.14">Mijn tweede principiële vraag is wat de mogelijkheden van informatie- en communicatietechnologie zijn voor het democratisch proces. Ik beperk mij tot een enkele opmerking op dit punt. In de informatiemaatschappij kan de burger beschikken over een gigantische hoeveelheid informatie. Dat is een grote kans voor het democratisch proces dat daarmee transparanter kan worden. Denk aan de digitale toegankelijkheid van de Europese Conventie die de grondwet voor Europa heeft ontworpen. De vraag is wel hoe de burger zijn weg vindt. Waardoor en door wie laat hij zich leiden? Meer dan ooit is het van belang om te kunnen onderscheiden waarop het aankomt, om deze woorden uit de brief aan de Philippenzen te citeren. Bij alle informatie en mondigheid van de burger neemt de behoefte aan politieke leiding niet af, maar toe. Geen leiding van leiders die meedeinen op de golven van het populisme, maar leiders met visie die de kiezers meekrijgen om het Nederland en het Europa van morgen een beetje rechtvaardiger te maken dan vandaag. Politieke visie, ideologie zo u wilt, heeft niet afgedaan, maar blijft broodnodig. Het is een uitdaging om kiezers ervan te overtuigen dat hun stem van belang is en waarom, of ze nu naar de stembus gaan of thuis per computer stemmen. Dat blijft de uitdaging voor politici in het digitale tijdperk.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.1.15">Mevrouw de voorzitter. Met belangstelling zie ik het antwoord van de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties tegemoet.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.2.1">Mijnheer Koekkoek, van harte proficiat met uw maidenspeech in dit huis. Ik zeg met nadruk dít huis, want uw intrede in de Eerste Kamer betekent feitelijk de start van een derde politieke loopbaan. Van 1978 tot 1982 was u lid van de gemeenteraad van Tilburg en van 1994 tot 1998 maakte u deel uit van de Tweede Kamer.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.2.2">Naast uw politieke werkzaamheden bent u altijd wetenschappelijk actief geweest; vanaf 1981 als hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit van Tilburg. In uw eigen woorden: een gereformeerde koekoek in een katholiek nest.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.2.3">Staatsrecht, onderwijs, wijsbegeerte, u publiceerde en publiceert daarover veel, maar er werd ook over u geschreven. Uw duidelijke opvattingen en heldere formuleringen zijn daar ongetwijfeld debet aan. Zij zijn zeker ook de reden dat u vaak door de media wordt benaderd.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.2.4">In een interview in het dagblad De Stem in april 1997 werd u de vraag voorgelegd wat het meest in het oog springende verschil is tussen de politiek en de wetenschap. U zei: "Er zit in de politiek iets onnavolgbaars. Er wordt een andere argumentatie gevolgd dan in de wetenschap waar puur op basis van argumenten beslissingen worden genomen."</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.2.5">De wetenschap heeft het bij u tot nu toe steeds gewonnen van uw politieke functies. In deze Kamer kan de politiek soms ook onnavolgbaar zijn, maar politiek en wetenschap naderen elkaar hier vaak dichter dan in andere politieke colleges. Ik vermoed dan ook dat u in dit huis langer dan slechts een periode zult willen blijven.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.2.6">Ik wens u van harte succes met uw werkzaamheden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.2.7">Ik geef de Kamer nu de gelegenheid om de heer Koekkoek geluk te wensen.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-20032004-451-463.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Koffeman" MPid="" party="PvdD" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-06-19" topic="Regeringsinzet Europese Raad" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20062007-1007-1048.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20062007-1007-1048.1.10" which-speech-in-topic="9" number-of-paragraphs="15" number-of-words="1918" number-of-unique-words="753" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Internationaal <pm:entity> Europese zaken</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Broekers-Knol" MPid="02296"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Kuiper" MPid=""/>
                <speaker name="Strik" MPid="02338"/>
                <speaker name="Van der Linden" MPid="01899"/>
                <speaker name="Eigeman" MPid="03006"/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
                <speaker name="Verhagen" MPid="02920"/>
                <speaker name="Timmermans" MPid="02244"/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
                <speaker name="Van der Linden" MPid="01899"/>
                <speaker name="Broekers-Knol" MPid="02296"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Kuiper" MPid=""/>
                <speaker name="Strik" MPid="02338"/>
                <speaker name="Eigeman" MPid="03006"/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
                <speaker name="Verhagen" MPid="02920"/>
                <speaker name="Timmermans" MPid="02244"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Koffeman, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10" speaker="Koffeman" party="PvdD" function="De heer" title="De heer Koffeman  (PvdD)" MPid="">
                    <speech party="PvdD" docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1" speaker="Koffeman" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Koffeman (PvdD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Koffeman</naam>
                                <partij>PvdD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.2">Voorzitter. Ik feliciteer u namens de ganse partij voor de dieren met het voorzitterschap.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.3">De Europese Unie telt 500 miljoen inwoners. Tenminste, dat geldt voor wie vindt dat alleen mensen tellen. In werkelijkheid is het aantal levende wezens in de EU vele malen groter. Dieren worden bij de totstandkoming van het Europees beleid ten onrechte vaak over het hoofd gezien. Dat is spijtig en onjuist. In de begroting van de EU neemt landbouw en visserij een zeer prominente plaats in. De rechten van de daarbij betrokken dieren zouden dus een net zo prominente plaats verdienen wanneer sprake is van het maken van nieuwe wetten en verdragen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.4">De Europese Grondwet was en is ook om deze reden voor veel Nederlanders onacceptabel. Mensen vinden het bijvoorbeeld niet juist dat vormen van dierenmishandeling een grondwettelijke verankering zouden krijgen in de Europese grondwet. Het stierenvechten, het rapen van kievietseieren, het houden van kistkalveren, het dwangvoederen van eenden en ganzen, het castreren van varkens, het harpoeneren van walvissen, het onverdoofd ritueel slachten zou allemaal gelegitimeerd worden in een grondwet die de rechten van dieren ondergeschikt maakt aan de tradities en aan religieuze gewoonten en gebruiken van mensen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.5">Voor het landbouwbeleid – het belangrijkste agendapunt van de EU – is productieverhoging expliciet als enig uitgangspunt geformuleerd. Daarmee worden andere uitgangspunten zoals dierenwelzijn en milieu uitgesloten. Dat gebeurt nota bene in een Europa waarin jaarlijks miljarden dieren lijden en sterven in de bio-industrie en dat symbool staat voor het eindeloze gesleep met levende dieren in langeafstandsveetransporten.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.6">De uitkomsten van een enquête naar de mening van burgers over het welzijn van dieren in Europa die in 2005 werd gehouden in opdracht van de Europese Commissie, waren glashelder. De Europese bevolking eist in meerderheid drastische verbeteringen in de leefomstandigheden van dieren. Een grondwet die dieren tot productiemiddelen degradeert en religieuze gebruiken, tradities en gewoonten van mensen verankert ten koste van het welzijn en de integriteit van dieren is voor al deze mensen letterlijk onverteerbaar.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.7">Alleen al om deze reden voerde de Partij voor de Dieren campagne tegen de dieronvriendelijke Europese grondwet, en waren wij verheugd over de massale afwijzing daarvan. Terugkijkend op de situatie in 2005 mogen wij vaststellen dat het kabinet er destijds alles aan heeft gedaan om de bevolking te doen geloven dat er geen andere mogelijkheid was dan instemmen met het grondwettelijk verdrag. Het licht zou uitgaan bij een neestem, er zou oorlog kunnen dreigen en Nederland zou zich in elk geval isoleren binnen Europa.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.8">Niets bleek minder waar. Sterker nog, het kabinet lijkt de overwegingen van de bevolking tot de zijne gemaakt te hebben. Minister Verhagen liet in de afgelopen dagen weten dat er "absoluut geen grondwet zou mogen komen, dat symbolen die verwijzen naar een Europese superstaat zoals een vlag en een volkslied van tafel moeten." Je kunt je afvragen of Europa dan dus ook van onze kentekens af moet. Wat gaat het kabinet doen met de verwijzing naar religieuze elementen in een nieuw verdrag?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.9">Het is goed te zien hoeveel voortschrijdend inzicht er in twee jaar tijd kan groeien. Toch is niet iedereen gerust op de afloop en dat geldt ook voor mijn partij. We moeten vaststellen dat 85% van de Nederlandse politici er in 2005 anders over dacht dan 63% van de bevolking en dat de afwijzing van de Europese grondwet door de kiezers niet mag worden uitgelegd als een ruim mandaat voor iets anders dan wat toen afgewezen werd.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.10">Na een bezinningsperiode van bijna twee jaar heeft het kabinet nu aan de Kamer laten weten welke positie zij in zal nemen bij de onderhandelingen. Nederland zal zich inzetten voor een nieuw verdrag dat substantieel moet verschillen van de oorspronkelijke grondwet. Op het verjaardagsfeest van de Europese Unie in Berlijn heeft EU-voorzitter Merkel echter onomwonden te kennen gegeven dat voor nieuwe onderhandelingen geen ruimte en geen tijd zal zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.11">Er wordt veel kritiek geleverd op het democratisch gehalte van de Europese besluitvorming, op de weinig transparante besluitvorming van de Raad van Ministers, op de positie van de Europese agentschappen en op de besteding van Europese gelden. Het is zeer de vraag of het vertrouwen van de burger gediend is met een nieuw verdrag waarmee vooruit wordt gelopen op de zo dringend gewenste democratisering van Europa. Europese samenwerking is een geweldig uitgangspunt, maar niet wanneer het wordt opgelegd zonder deugdelijke inspraak. Dat gevoel hebben heel veel kiezers, zoals blijkt uit het massieve nee uit 2005, maar zoals ook blijkt uit opiniepeilingen van dit moment. Die geven aan dat de burger opnieuw geraadpleegd wil worden en dat hij wantrouwig is bij het snelle tempo waarin een nieuw verdrag met een andere naam er toch lijkt te moeten komen. Wij zouden graag van het kabinet vernemen waarom hetgeen in 2005 al geen Europese superstaat mocht heten, nu toch van tafel moet inclusief alles wat er maar op zou kunnen lijken. Zijn de inzet en de visie van het kabinet substantieel veranderd of is de strategie gewijzigd ten opzichte van de wijze waarop Europa het best aan de burger gepresenteerd of verkocht kan worden? Hebben wij te maken met decorbouw voor het nieuwe verdrag of is er daadwerkelijk sprake van een wezenlijk andere koers die voorgestaan wordt door het kabinet?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.12">Wat moeten de burgers denken van een grondwettelijk verdrag dat ze in 2005 met overtuiging voorgelegd kregen met een wel zeer positief stemadvies, terwijl datzelfde grondwettelijk verdrag nu door het kabinet met terugwerkende kracht als ondeugdelijk bestempeld lijkt te worden? Geldt die ondeugdelijkheid c.q. onwenselijkheid dan vooral voor de Nederlandse en Franse en mogelijke Britse positie of geldt die onwenselijkheid ook voor de achttien lidstaten die het grondwettelijk verdrag wel omarmd hebben? Als een verdrag dat in 2005 nog luid werd aangeprezen binnen twee jaar zijn houdbaarheid verliest, ligt het dan voor de hand met spoed iets anders te maken zonder raadpleging van de bevolking of zou voor het nieuwe verdrag eenzelfde beperkte houdbaarheid kunnen gelden? Past dan niet meer terughoudendheid bij de invoering ervan? Graag krijg ik hierop een reactie.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.13">Het feit dat er binnen twee jaar allerlei perspectiefwendingen gepresenteerd worden ten aanzien van de grondwet, het grondwettelijk verdrag of de inhoud van en onderhandelingsruimte bij een niet-grondwettelijk verdrag, maakt de wens om kiezers te betrekken bij een nieuw verdrag eerder groter dan kleiner. Hoe democratisch komen de uitgangspunten voor een nieuw verdrag tot stand wanneer er wekelijks andere berichten komen over de uitgangspunten van zo'n nieuw verdrag die kennelijk en petit comité gewijzigd kunnen worden? Zou het uit democratisch oogpunt niet wenselijk zijn om de burger niet alleen breed te consulteren over een nieuw verdrag, maar om hem ook het finale oordeel erover te geven? De Europese verkiezingen van 2009 zouden zich bij uitstek lenen voor een nieuw EU-breed referendum waarmee de burger kan aangeven of het verdrag kan rekenen op voldoende instemming. Moet zo'n consultatie niet veel verder gaan dan kleinschalige bijeenkomsten in het land waar gediscussieerd wordt over zeer onduidelijke stellingen?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.14">"Het nieuwe verdrag zal zowel qua vorm, inhoud en benaming anders zijn dan de oude Europese Grondwet", zei staatssecretaris Timmermans, en minister Verhagen bevestigt dat deze week. De praktijk is echter dat volgens kanselier Merkel de tekst van het te ratificeren "grondwettelijk verdrag" nog dit jaar gereed moet zijn en vrijwel niet zal afwijken van het oude voorstel. Hoe groot is de ruimte om een grotere rol voor nationale parlementen te claimen en om een rem op de toetreding van nieuwe lidstaten te hebben? Als kanselier Merkel spreekt over een handelingsbekwaam Europa dat er voor de kerst moet zijn en dat niet verlamd wordt door veto's en ingewikkelde procedures, waarin verschilt dat dan van de superstaat</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.15">Europa waar zoveel kiezers niet voor leken te voelen en die inmiddels ook door het kabinet wordt afgewezen? Kan het kabinet wat meer inzicht geven in de sterkte van die afwijzing? Wat zijn de consequenties als een handelingsbekwaam Europa wil kunnen werken zonder meer invloed van nationale parlementen, zonder een rem op toetreding, zonder een gele, oranje of rodekaartprocedure en zonder vetorecht? Zegt de regering nee tegen zo'n verdrag? Hoe zal zij veiligstellen dat verworvenheden in ons land, zoals een liberaal abortus- en euthanasiebeleid, het homohuwelijk en onze niet eens erg overdreven standaarden op het gebied van dierenwelzijn, door een handelingsbekwaam Europa niet overruled worden?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.1.16">De Nederlandse kiezer wil meer helderheid van een kabinet dat opnieuw op pad gaat om Europese verdragen te sluiten. Graag wil de Partij voor de Dieren weten hoe het die helderheid gaat geven voordat onomkeerbare stappen worden gezet. Het kabinet is kennelijk blij dat het op 1&#160;juni 2005 door de kiezers werd behoed voor het doen van de onomkeerbare stap van het aannemen van een Europese grondwet. Graag willen wij weten hoe het daarmee in de komende onderhandelingen rekening wil houden.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.2.1">Mijnheer Koffeman, de kunst van reclame is aandacht vasthouden: zo doceerde u eens een journalist van het Algemeen Dagblad. Per dag worden gemiddeld 4000 boodschappen op de mens afgevuurd, terwijl hij er maar 200 kan verwerken. Een maidenspeech mag dan geen reclame zijn, het is wel een vorm van communicatie die ook om aandacht vraagt, weliswaar niet van ruim 16 miljoen Nederlanders, maar wel van 74 Kamerleden die u wilt overtuigen van uw standpunten. Of dat laatste is gelukt, moet uiteraard nog blijken, maar vanaf deze plek wil ik u graag alvast van harte feliciteren met uw bijdrage aan het debat van vandaag.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.2.2">U bent van huis uit econoom, psychologisch econoom om precies te zijn, en u studeerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. U had reclamewetenschappen als bijvak, een vak waarin u carrière heeft gemaakt, eerst als tekstschrijver bij een aantal bureaus en later als zelfstandig communicatieadviseur. In uw directe omgeving kenmerken mensen u als een begenadigd communicatiedeskundige met een fijne neus voor goede campagne-ideeën, ook voor niet-politieke activiteiten. U wordt duidelijk gezien als creatief en als zeer intelligent.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.2.3">In de politiek heeft u tot nu toe een rol op de achtergrond gespeeld. Van 1993 tot vorig jaar was u medeverantwoordelijk voor de campagnes voor de SP. De gedachte om een partij voor de dieren op te richten bleef echter sluimeren. U hebt dat uiteindelijk gedaan en met succes, gelet op de laatste verkiezingen voor de Tweede Kamer. Aanvankelijk koos u in deze partij voor een rol in de luwte en werd u directeur van het wetenschappelijk bureau. Met uw lidmaatschap van deze Kamer bent u meer op de voorgrond getreden.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.2.4">Mijnheer Koffeman, vorige week vond de installatie plaats, ook van u. U kwam binnen net even na half twee. Ik zou daar verder geen acht op hebben geslagen als ik bij het bestuderen van uw dossier niet had ontdekt dat u ooit van de SP een horloge kreeg met als reden u te helpen herinneren aan de juiste tijd. Kennelijk was dat soms nodig. Laat de Eerste Kamer op dit punt voor u een paradijs op aarde zijn. Wij beschikken in elke ruimte over prima, sinds kort exact gelijklopende, klokken die u kunnen helpen om van uw aanwezigheid blijk te geven en om uw stem op tijd te laten horen. Dat is niet alleen in ons aller belang, maar zeker in dat van u en uw partij. Ik wens u hierbij en bij al uw overige activiteiten in deze Kamer van harte succes.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.3">
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.4.1">Wenst een van de leden in eerste termijn nog het woord? Naar mij blijkt is dat niet het geval. Dan schors ik de vergadering.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.5">
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.10.5.1">De vergadering wordt van 16.20 uur tot 17.00 uur geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Koffeman, de kunst van reclame is aandacht vasthouden: zo doceerde u eens een journalist van het Algemeen Dagblad. Per dag worden gemiddeld 4000 boodschappen op de mens afgevuurd, terwijl hij er maar 200 kan verwerken. Een maidenspeech mag dan geen reclame zijn, het is wel een vorm van communicatie die ook om aandacht vraagt, weliswaar niet van ruim 16 miljoen Nederlanders, maar wel van 74 Kamerleden die u wilt overtuigen van uw standpunten. Of dat laatste is gelukt, moet uiteraard nog blijken, maar vanaf deze plek wil ik u graag alvast van harte feliciteren met uw bijdrage aan het debat van vandaag.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Kuiper" MPid="" party="ChristenUnie" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-06-19" topic="Regeringsinzet Europese Raad" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20062007-1007-1048.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20062007-1007-1048.1.4" which-speech-in-topic="3" number-of-paragraphs="12" number-of-words="2303" number-of-unique-words="872" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Internationaal <pm:entity> Europese zaken</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Broekers-Knol" MPid="02296"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Kuiper" MPid=""/>
                <speaker name="Strik" MPid="02338"/>
                <speaker name="Van der Linden" MPid="01899"/>
                <speaker name="Eigeman" MPid="03006"/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
                <speaker name="Verhagen" MPid="02920"/>
                <speaker name="Timmermans" MPid="02244"/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
                <speaker name="Van der Linden" MPid="01899"/>
                <speaker name="Broekers-Knol" MPid="02296"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Kuiper" MPid=""/>
                <speaker name="Strik" MPid="02338"/>
                <speaker name="Eigeman" MPid="03006"/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
                <speaker name="Verhagen" MPid="02920"/>
                <speaker name="Timmermans" MPid="02244"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Kuiper, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4" speaker="Kuiper" party="ChristenUnie" function="De heer" title="De heer Kuiper  (ChristenUnie)" MPid="">
                    <speech party="ChristenUnie" docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.1" speaker="Kuiper" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Kuiper (ChristenUnie)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Kuiper</naam>
                                <partij>ChristenUnie</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.1.2">Mevrouw de voorzitter. Ik spreek ook namens de fractie van de SGP.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.1.3">Toevallig of niet, de eerste woorden in een Europese taal die vorige week in deze Kamer gebezigd werden, klonken in het Duits. Sommigen spraken toen over de "aufhebung" van deze Kamer en bedoelden daarmee: verheffing. Het feit dat wij het spits afbijten in de voorbereiding op de Europese Raad lijkt mij hiervan een illustratie. Met het oog op het onderwerp van dit overleg wil ik er nog wel een mondje Duits aan toevoegen. Befaamde woorden uit het begin van de Faust van Goethe vielen mij in. Goethe laat zijn hoofdpersoon zich verwonderen over de harmonie in de kosmos. Deze verzucht dan met een blik op al die samenhang: "Wie alles sich zum Ganzen webt, eins in dem andern wirkt und lebt!" Een dergelijke verzuchting zal niet gauw over de lippen komen bij een blik op het proces om te komen tot een nieuw verdrag voor de 27 lidstaten van de Europese Unie. Van een zichzelf wevende harmonie is hier geen sprake. De Duitse bondskanselier sprak van een "Herkulesaufgabe".</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.1.4">Vandaag spreken wij over de inzet van de regering bij de Europese Raad van deze week. Ook voor Nederland is het een "Herkulesaufgabe" om enerzijds recht te doen aan de langs democratische weg geuite gevoelens van de Nederlandse bevolking en anderzijds een constructieve en loyale partner te blijven binnen het verband van de Europese Unie. Misschien is het te veel gevraagd in Europa dat alles "sich zum Ganzen webt", wellicht kunnen wij eraan bijdragen dat de een wat meer in de ander "wirkt und lebt". Wij hebben dan meteen het motto van dit kabinet "Samen leven, samen werken" in Europees verband verklaard.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.1.5">De lidstaten werken met elkaar samen, rekenen met en op elkaar, maar Europa is en blijft een unie van politieke gemeenschappen. De Nationale Conventie, waar ik vorig jaar deel van uitmaakte, sprak van Europa als een statenverbond. De eenheid van Europa heft de verscheidenheid niet op. Dat realistische inzicht is de laatste jaren, wellicht in verband met de uitbreiding van de Unie naar het oosten, het politieke klimaat meer gaan stempelen. Het is te waarderen dat deze realistische inzet te herkennen is in de brief van de minister en de staatssecretaris van 21&#160;mei jongstleden en in de geannoteerde agenda, die wij vandaag ontvingen. In deze bijdrage wil ik de uitgangspunten en hoofdlijnen van onze positie met betrekking tot een nieuw Europees verdrag schetsen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.1.6">Staat u mij toe dat ik nog eenmaal terugblik op de neestem van Nederland op 1&#160;juni 2005. Na twee jaar interpreteren, is het volgende wel duidelijk geworden. A. Nederland is niet tegen Europese samenwerking of de Europese Unie op zichzelf. B. De bevolking heeft zich uitgesproken tegen het proces van sluipende bevoegdheidsoverdracht en ongecontroleerde Europeanisering. C. De bevolking heeft uitgesproken prijs te stellen op de nationale politieke gemeenschap als primaire politiek-bestuurlijke context.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.1.7">Mijns inziens heeft de regering de kritische boodschap van de neestem op een goede wijze meegenomen in de eigen positiebepaling. Zie de Hoofdlijnenbrief van 19&#160;maart 2007. Die kritische boodschap betekent dat geïnsisteerd wordt op betere democratische controle en op de zelfstandigheid van de nationale politieke gemeenschap, uitgedrukt in een duidelijker verdeling van bevoegdheden en competenties volgens het subsidiariteitscriterium. Onze fracties kunnen dit ondersteunen. De vraag zal zijn hoe de uitwerking van deze uitgangspunten precies vorm gaat krijgen tijdens de aanstaande Raad van deze week en vervolgens op de weg naar een IGC. De contouren van de Nederlandse inzet zijn nog tamelijk algemeen, al werden ze iets duidelijker gemaakt in de brief van vandaag, namelijk: ontdoe het nieuwe verdrag van grondwettelijke symboliek, behoud een aantal elementen van de voorgestelde institutionele structuur, haal het Handvest er uit en verwijs er alleen naar, geef nationale parlementen instrumenten in handen voorstellen van de Commissie van tafel te krijgen en neem ook de Kopenhagencriteria op in een nieuw verdrag.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.1.8">Voordat ik op enkele van deze thema's inga, wil ik eerst een principieel punt aan de orde stellen. Alle kaarten worden nu gezet op een proces van wijziging van bestaande verdragen. Het Duitse voorzitterschap heeft dit ook aangegeven, evenals de ministers van Buitenlandse Zaken deze week. Wij gaan van herziening naar herziening, van Maastricht naar Amsterdam naar Nice en dan nu naar een volgend gewijzigd verdrag. Dit proces kennen wij, er is de duistere term "sui generis" voor uitgevonden. Deze term is duister omdat nooit duidelijk wordt wanneer er een eindstadium is bereikt. Wanneer wij nu deze bekende weg vervolgen op weg naar een herzien verdrag, is de vraag hoe lang het zal duren voordat wij weer toe zijn aan een volgend, echt verdrag. Wellicht zal die behoefte zich sneller voordoen in die landen waar men de grondwet inmiddels heeft omarmd. Zij hebben hierin al een perspectief met een specifieke inhoud voor ogen. De herziening kan dan slechts een tussenstap zijn. Graag zou ik van de bewindslieden iets horen van hun visie op de langere termijn. In welk perspectief moet het traject van wijziging worden gezien en hoe zal Nederland zich daarin opstellen?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.1.9">Ik zeg dit ook omdat ik het zeer zou toejuichen als er een discussie zou komen over de "finaliteit" van Europa. De vorige staatssecretaris Nicolaï sprak van een "finaliteitstaboe" in Nederland en zag dat als het eigenlijke probleem. Hij pleitte voor de opheffing ervan. Al dan niet opzettelijke ambiguïteit met betrekking tot Europa geeft burgers onvoldoende vertrouwen in de toekomst. Het wachten is nog steeds op een duidelijk vergezicht. Nederland moet zo'n discussie voeren, daartoe aangezet, zo niet verplicht, door de neestem van twee jaar geleden. Naar de mening van onze fracties is het nodig uit te spreken wat de Europese Unie nu precies is – ik refereer hierbij aan de notie van het statenverbond – waar de grenzen ervan liggen en wanneer het proces van institutionele vormgeving als voltooid mag worden beschouwd. De minister is onlangs naar het Maastrichtse heuvelland getrokken om daar zijn Bergrede te houden. Die Bergrede zouden wij ook hier willen horen en dan nader toegespitst op Europa. Kan het niet nu, dan toch op een later tijdstip dit jaar.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.1.10">Ik wil nu een aantal opmerkingen maken over de onderhandelingsinzet van Nederland. De aandacht gaat daarbij vooral uit naar het reduceren van het "statelijk" karakter van de Europese Unie, wijzigingen en begrenzingen in de institutionele structuur en een zekere hindermacht van Europese besluitvorming voor nationale parlementen. Wat wij hierin waarderen is de intentie duidelijker de eigen positie van de lidstaten ten opzichte van de Unie zichtbaar te maken. Maar het is wel de vraag of dit uitgangspunt consequent wordt volgehouden en of Nederland niet blijft hinken op twee gedachten. Kijken wij naar de positie van de Europese Raad dan zou het in lijn met het Nederlandse nee zijn om niet over te gaan tot een vaste voorzitter voor tweeëneenhalf jaar en een minister van Buitenlandse Zaken. Dat zijn immers statelijke elementen die nu juist onderwerp van discussie waren. Het voorstel om de Europese minister van Buitenlandse Zaken een andere naam te geven, is dan ook slechts een oplossing in naam. Onze fracties zouden liever een roulerend voorzitterschap blijven zien, waarbij de zittingstermijn wordt verlengd tot bijvoorbeeld een jaar en waarvoor een sleutel wordt gevonden bij de verdeling over landen of groepen landen. Maken wij de voorzitter van de Raad een soort Europees president dan versterken wij de "autonome" krachten en het "beeld van staatsvorming op Europees niveau" – ik citeer uit de brief van 21&#160;mei – waarvoor wij juist huiverig waren.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.1.11">Daar komt nog iets bij. Een verdere versterking van de politieke betekenis van de Raad zou moeten leiden tot versterking van democratische controle op dat niveau. Daar waar macht is moet tegenmacht zijn. Juist ter wille van de vrijheden die ons lief zijn moet iedere macht gecontroleerd en getoetst kunnen worden. Ik zie echter niet goed hoe de "checks and balances" er uit zien als wij op deze weg verder gaan waarin de Europese Raad gestaag in politieke betekenis toeneemt. Wat nodig is in dit systeem, naast transparantie, is een versterking van parlementaire controle, te beginnen bij het Europees Parlement. Ik zou graag nog eens horen hoe democratische controle er dan precies uit komt te zien als wij op deze weg verder gaan. Nogmaals, wij hechten zeer aan een gezond evenwicht, een goed systeem van "checks and balances". Dit is in de hele Europadiscussie een zeer aangelegen punt geworden waar scherp op gelet moet worden.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.1.12">Graag wil ik ook iets zeggen over de bevoegdheidsverdeling tussen de lidstaten en de Unie. Hierin laten zich mijns inziens vier domeinen onderscheiden. In de eerste plaats zijn er de bij uitstek grensoverschrijdende terreinen van de interne markt, landbouw, visserij, vervoer, milieu, asiel en migratie waarop de Unie bevoegd is. Hierbij zou besluitvorming kunnen plaatsvinden met een dubbele meerderheid in de Raad van Ministers. In de tweede plaats is er het gebied van grensoverschrijdende criminaliteit en terreurbestrijding, een gebied dat nu ook expliciet in discussie is. Dit raakt het functioneren van de rechtsstaat in de diverse lidstaten. Op deze terreinen zou een zwaardere besluitvormingsprocedure kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld twee derde van het aantal lidstaten en de helft van de bevolking. In de derde plaats is er het niveau van het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid. Dit zijn terreinen waar de besluitvorming unaniem moet blijven in de Raad van Ministers. In de vierde plaats zijn er gebieden zoals binnenlands bestuur, onderwijs, volksgezondheid, sociale zekerheid en fiscaal beleid die nationaal blijven.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.1.13">Voorzitter. Het is niet te verwachten dat "alles sich zum Ganzen webt" in het proces van onderhandelen op weg naar een gewijzigd verdrag. Het is wel verheugend dat het Duitse voorzitterschap erin lijkt te slagen een basis te vinden voor een nieuwe route. Daar verheug ik mij werkelijk op, want ook ik ben van harte Europeaan. Een van de eerste felicitaties met mijn aantreden als lid van deze Kamer kwam van een vriend in Tsjechië. Wij verstaan elkaar over grenzen heen, niet primair om wat Europa materieel voor ons betekent, maar om wat Europa geestelijk voor ons betekent. Europa is voor ons het huis van geloof en hoop, vrijheid en recht. De eenheid die wij zoeken in Europa kan niet een louter economische of politiek-pragmatische zijn, maar moet in de diepte ook andere grondtonen hebben. Anders wordt Europa een reus op lemen voeten. Een fantastisch schouwspel zonder wezenlijke verbindingen. "Welch Schauspiel! Aber ach! Ein Schauspiel nur!" Ik behoef de vindplaats niet te noemen; dit staat overigens niet in het coalitieakkoord: Een Schauspiel nur! Het gaat in Europa om welvaart, vrede en veiligheid. Daarin is heel veel bereikt. Maar het gaat in Europa ook om sociale gerechtigheid met wereldwijde dimensies. Deze dimensies zouden niet ver weg moeten zijn, juist niet, wanneer wordt gesproken over een nieuw verdrag. Globalisering brengt ons veel voordeel, zegt onze minister in zijn Bergrede. De Europese Unie is een antwoord op en een gestalte van die globalisering. Maar globalisering heeft ook schaduwkanten die zichtbaar worden in sociaal verlies, ontwrichting en destabilisering van samenlevingen. Juist met het oog daarop is een goede institutionele structuur nodig, zodat goed bestuur zo dicht mogelijk bij de burger blijft. Daaraan kunnen wij werken door de gerechtigheid in Europa na te streven, ook wanneer wij spreken over verbetering van democratische controle en een scherpere verdeling van bevoegdheden. Ik spreek de wens uit dat onze bewindslieden dat in zich meedragen wanneer zij afreizen naar de Europese Raad.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.2.1">Mijnheer Kuiper, zo ruim nog binnen de spreektijd: "in der Beschränkung zeigt sich der Meister".</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.2.2">Van harte proficiat met uw maidenspeech over de regeringsinzet voor de Europese Raad op 21 en 22&#160;juni, een belangrijk debat over een onderwerp dat deze Kamer nauwgezet volgt. U bent het eerste Kamerlid in een lange reeks van nieuwe leden die in de vorige week begonnen parlementaire periode hun maidenspeech mogen houden. Het is altijd een bijzonder moment om voor het eerst achter deze katheder te staan. Van de 37 nieuwe senatoren bent u degene die het spits heeft mogen afbijten.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.2.3">U bent geworteld in de wetenschap. U volgde een studie nieuwe geschiedenis en een studie filosofie, beide aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Vanaf het begin van uw loopbaan doceert u. Van 1987 tot 1990 geschiedenis aan de christelijke lerarenopleiding in Amersfoort, vanaf 1998 als bijzonder hoogleraar reformatorische wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Daarnaast ben u docent politieke en sociale filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en bent u als lector samenlevingsvraagstukken verbonden aan de Christelijke Hogeschool Ede en de Gereformeerde Hogeschool Zwolle.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.2.4">Binnen uw partij, de ChristenUnie, vervult u op dit moment op interimbasis het directeurschap van de Groen van Prinstererstichting, het wetenschappelijk bureau van uw partij. Een functie die u een aantal jaren geleden ook al vervulde toen het bureau werd opgericht na de fusie van GPV en RPF. Daarvoor was u in dezelfde functie verbonden aan een ander wetenschappelijk bureau, namelijk dat van de RPF, de Marnix van St. Aldegonde Stichting. Als weinig anderen weet ik dat het wetenschappelijk bureau van een politieke partij een zeer goede leerschool kan zijn voor het politieke bedrijf.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.2.5">Binnen uw partij staat u bekend – en dat bedoel ik natuurlijk in positieve zin – als iemand die zich graag met van alles en nog wat bemoeit. Dat heb ik mij laten vertellen. U bent een dynamische persoonlijkheid die altijd nieuwe plannen heeft en regelmatig van zich laat horen in diverse kranten en tijdschriften over actuele politieke thema's. Uw cv geeft blijk van een groot aantal publicaties met doorwrochte beschouwingen. Die achtergrond en persoonlijke eigenschappen maken dat wij veel van u mogen verwachten in de senaat, getuige ook uw bijdrage van vandaag.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.2.6">Ik wens u heel veel succes met uw werkzaamheden in deze Kamer. Ik schors de vergadering om alle collega's de gelegenheid te geven u te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.3">
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.3.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.4.4.1">Het woord is aan mevrouw Strik, die haar maidenspeech zal houden.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Kuiper, zo ruim nog binnen de spreektijd: "in der Beschränkung zeigt sich der Meister".</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Laurier" MPid="03177" party="GroenLinks" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-07-03" topic="Onafhankelijk netbeheer" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20062007-1079-1092.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20062007-1079-1092.1.6" which-speech-in-topic="5" number-of-paragraphs="13" number-of-words="1830" number-of-unique-words="744" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Energie</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Overige economische sectoren</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Kneppers-Heijnert" MPid=""/>
                <speaker name="Schouw" MPid="03025"/>
                <speaker name="Doek" MPid="03013"/>
                <speaker name="Reuten" MPid="03161"/>
                <speaker name="Laurier" MPid="03177"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Van Driel" MPid="03005"/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Laurier, die ook zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6" speaker="Laurier" party="GroenLinks" function="De heer" title="De heer Laurier  (GroenLinks)" MPid="03177">
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1" speaker="Laurier" function="De heer" MPid="03177">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Laurier (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Laurier</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1.2">Mevrouw de voorzitter. Toen ik vorige week op het centraal station van de gemeente Den Haag aankwam, werd ik, en met mij vele medereizigers, opgevangen door een aantal in rood t-shirt geklede jongeren die mij een al even rood gekleurd pamflet in de handen drukten. In dat pamflet werd ik opgeroepen om tegen de splitsing te stemmen. Eerlijk gezegd, weet ik niet hoeveel van mijn medereizigers zich op dat moment realiseerden dat het hier om een actie ging van energiebedrijven naar aanleiding van de brief van de minister van Economische Zaken van 7&#160;juni jongstleden, waarin zij aankondigt dat zij het moment gekomen acht, om het zogenoemde groepsverbod – het derde element van de Wet onafhankelijk netbeheer dat bepaalt dat netbeheerders aan de ene kant en producenten, handelaren en leveranciers van elektriciteit aan de andere kant niet tot één en dezelfde groep mogen behoren – in werking te laten treden. Ik vraag me zelfs af hoeveel van mijn medereizigers zich ondanks de rampspoed die het pamflet voorspelde, realiseerden dat het een actie betrof.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1.3">De jonge mensen die de pamfletten uitdeelden, waren voorbeeldig, vriendelijk, drongen niet aan, wilden niet in discussie en leken meer geïnteresseerd in samen op de foto gaan met een geüniformeerde en gedecoreerde veteraan die een stand van het Rode Kruis bemenste, dan de aanwezigen te overtuigen van het eventuele ongelijk van de minister en de consequenties voor de Nederlandse energievoorziening. Eerlijk gezegd, bekroop mijzelf het gevoel dat het hier ging om ingehuurde actievoerders die op deze manier een deel van hun vakantie – om de woorden van de heer Kox te citeren – in Madrid, Berlijn of Moskou verdienen. Ik kan het niet helpen, maar in plat Hollands denk ik dan wel: dat is van mijn energierekening.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1.4">Wandelend naar het gebouw van de Eerste Kamer, een en ander overdenkend, bekroop mij ook het gevoel van een déjà vu, maar dan met omgekeerde posities. Ooit was ik commissaris van één van de verre voorlopers van de Nuon. In die tijd heb ik mij met mijn toenmalige collega, de heer Pechtold, fel verzet tegen het aangaan van een zogenoemde cross border leaseconstructie. Als een door overheden gedomineerd bedrijf vonden wij het niet passen om gebruik te maken van een maas in de belastingwetgeving, ook als was het van een ander land. Bovendien konden wij niet overzien wat de invloed van een dergelijke constructie zou zijn op de toekomstige ontwikkeling van de positie van de Nederlandse energiebedrijven en de belangen in dat kader van de Nederlandse doelstellingen op dat punt. We hebben het toen, nog net niet overladen met pek en veren, afgelegd tegen onze collega-bestuurders van lokale overheden, die het belang van de financiële inbreng in het oorspronkelijke bedrijf en uiteindelijk in de eigen begroting hoger achtten dan onze afweging. Het is op zijn zachtst gezegd cynisch om nu juist de eventuele gevolgen van de aangegane cross border leaseconstructies als argument te horen gebruiken om vooralsnog niet over te gaan tot het feitelijk effectueren van het groepsverbod.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1.5">Vandaag spreken we niet over nieuwe of oude emoties. Aan de orde is een brief van de minister van Economische Zaken, waarin zij aankondigt dat dit het moment is om het groepsverbod te effectueren. De brief komt iets meer dan een halfjaar na de behandeling van het wetsvoorstel in deze Kamer. Er is indringend over het wetsvoorstel gediscussieerd en één van de uitkomsten was een motie, namelijk de motie-Doek/Sylvester. Met deze motie spreekt deze Kamer zich niet tegen een groepsverbod uit, maar zegt zij dit pas in werking te willen laten treden wanneer duidelijk is dat de Europese Unie zal overgaan tot het vaststellen van een richtlijn die tot een dergelijk verbod verplicht en wanneer is voorzien in de risico's van de cross border leasecontracten bij een dergelijk verbod. De motie spreekt in dat verband ook een tenzij uit. Het groepsverbod zou eerder van kracht moeten worden wanneer het publiek en onafhankelijk netbeheer in gevaar komt. Bijvoorbeeld bij het verrichten van buitenlandse activiteiten van de bedrijven en/of bij het aangaan van grensoverschrijdende allianties, bij het verstoren van evenwichtige marktverhoudingen en niet transparante financiële verhoudingen en bij het ontbreken van gelijke toegang tot de netten zou het groepsverbod eerder van kracht kunnen worden. Bovendien vraagt de motie jaarlijks te rapporteren.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1.6">De motie is met algemene stemmen aanvaard. Zelfs de toenmalige minister was er lovend over. Aan het eind van het debat zei hij: "Ik kan deze motie omarmen (...). Er hoeft geen reden voor gedwongen splitsing te zijn, als dat publieke en onafhankelijke netbeheer niet in gevaar komt." Het is juist deze eensgezindheid aan het eind van het debat die het noodzakelijk maakt om te bekijken welke nieuwe elementen in de brief van de minister worden genoemd. Wat zijn de constanten en wat de veranderingen die tussen toen en nu zijn opgetreden?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1.7">Twee zaken zijn in ieder geval niet veranderd. Uit de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken aan de Tweede Kamer van 26&#160;juni jongstleden blijkt dat er op Europees niveau nog altijd blokkerende minderheden bestaan als het gaat om de ontvlechting van de distributienetwerken voor elektriciteit en gas. In die zin valt op korte termijn geen richtlijn te verwachten. Het is de vraag of de ontvlechting van de Nederlandse bedrijven, zoals de minister thans voorstelt, zal leiden tot een verandering van die situatie. In de tweede plaats heeft ons – voor zover mij bekend – geen nieuwe informatie bereikt over de risico's van de cross border leases. Op beide punten is de argumentatie van de motie blijkbaar nog van kracht.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1.8">Wat is er dan wel veranderd? In de eerste plaats is er een nieuw kabinet aangetreden en heeft deze Kamer een nieuwe samenstelling gekregen. Dit kan tot hernieuwde inzichten leiden, maar daar zullen – zeker als een motie met een dergelijk draagvlak is aanvaard – goede argumenten aan ten grondslag moeten liggen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1.9">In de tweede plaats is de minister op 12&#160;december van het vorig jaar vertrouwelijk geïnformeerd over de voorgenomen aankoop van het Belgische afvalbedrijf Indaver door Delta. Er is sprake van buitenlandse activiteiten – waar de motie over rept – en dit zou een aanleiding kunnen zijn om het groepsverbod in te stellen. Echter, uit onderzoek naar de overname blijkt dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat er risico's zijn voor het publieke belang van het net.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1.10">In de derde plaats hebben Nuon en Essent op 1&#160;februari jongstleden aangekondigd te fuseren. Daarbij spelen strategische afwegingen een rol in het licht van de Noordwest-Europese markt. Overigens besteden beide bedrijven expliciet aandacht aan het netbeheer in de bekendmaking van deze fusie. Zij spreken daarbij uit dat in de nieuwe combinatie een onafhankelijke en transparante netbeheerder zal worden gecreëerd.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1.11">In de vierde plaats blijkt uit het onderzoeksrapport van de NMa/Dte van 4&#160;juni jongstleden dat de bedrijven – op een enkel punt na – voldoen aan de tot nu toe gestelde eisen. Verdere versterking kan bereikt worden door additionele eisen te stellen. In vergelijking met omringende landen is het met het publiek en onafhankelijk netbeheer in Nederland relatief goed gesteld. Bovendien concludeert de NMa/DTe dat erop dit moment geen aanwijzingen zijn die verdergaand onderzoek naar kruissubsidies of intern in rekening gebrachte tarieven noodzakelijk maken.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1.12">Ten slotte meldt de minister in haar brief dat om adequaat toezicht te houden – zoals in de motie wordt gevraagd – een stijging van 30% van het budget van DTe noodzakelijk zal zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1.13">Mijn voorganger in deze Kamer, de heer Van der Lans, sprak in zijn bijdrage in november openlijk over zijn twijfel. Mijn fractie kan deze twijfel ook in de nieuwe samenstelling invoelen. Immers, de redenering achter het groepsverbod is consistent als je de weg volgt die nu eenmaal is ingeslagen. De heer Van der Lans heeft terecht gerefereerd aan het zogenaamde KPN-syndroom dat als een geest boven het debat zweefde. Tegelijkertijd is het de vraag wat de consequenties zullen zijn, met name in Europees verband, als Nederland, vooruitlopend op beslissingen elders, het groepsverbod nu van kracht laat worden. Het onderzoek van de NMa/DTe zegt klip en klaar dat er geen scenario's zijn zonder risico's. De motie-Doek/Sylvester laat in het licht van de risico's van beide scenario's in feite de beslissing over het groepsverbod boven de markt hangen. Het verwerpt het groepsverbod niet, maar stelt het uit. Nu is het tijd om een einde te maken aan het uitstel, schrijft de minister en zij voert daar een aantal argumenten voor aan.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.1.14">Hoewel mijn fractie in principe voorstander is van deze laatste stap in de ontvlechting, zijn wij op dit moment nog niet geheel overtuigd door de argumenten die de minister aanvoert voor haar overtuiging dat dit nu het moment is. Wij verzoeken haar nader toe te lichten waarom de twee meest prangende feiten, namelijk de aangekondigde fusie van Nuon en Essent en de overname van Indavor, het op dit moment noodzakelijk maken om het groepsverbod feitelijk te effectueren.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.2.1">Mijnheer Laurier, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech over de splitsing van de energiebedrijven. Het is een thematiek waarover u al kennis hebt opgebouwd en waarmee u al ervaring hebt opgedaan in uw eerdere functie als wethouder, want uit dien hoofde was u lid van de raad van commissarissen van Energie- en watervoorziening Rijnland.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.2.2">Van huis uit bent u socioloog. U studeerde in uw geboorte- en woonplaats Leiden en aan de Rijksuniversiteit Leiden bent u verbonden geweest als docent sociologie en als coördinator derdegeldstroomonderzoek. Tussen 1983 en 1993 werkte u als onderzoeker bij het Onderzoekscentrum Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting en bij het Leids Instituut voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.2.3">U bent bij elkaar tussen de vijftien en zestien jaar actief geweest in de Leidse politiek, ongeveer zes jaar als raadslid waarvan drie jaar als fractievoorzitter van GroenLinks en zo'n negen jaar als wethouder met onder meer in uw portefeuille sociale zaken, werkgelegenheid en vluchtelingen. Daarmee trok u niet alleen lokaal, maar ook nationaal de aandacht. Onder andere door de Leidse cao voor banenpoolers met functieloon, een aparte regeling voor asielzoekers zonder status, uw verzet tegen de Koppelingswet en het categorale minimabeleid.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.2.4">Momenteel bent u werkzaam als zelfstandig adviseur en trainer voor overheid en semi-overheid. Daarnaast bent u ook nog voorzitter van de Woonbond en van de Landelijke Cliëntenraad Sociale Zekerheid.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.2.5">Mensen uit uw omgeving typeren u als iemand die er uitgesproken standpunten op na houdt. Mede daardoor wordt u gezien als een markante persoon. Een persoon bovendien die brede wetenschappelijke beschouwingen combineert met praktische oplossingen. Uit uw mond heb ik opgetekend: "De verhouding tussen overheid en burger is de laatste decennia enorm veranderd. (...) Er is minder behoefte aan een overheid als moeder-overste en meer behoefte aan ruimte. Ik vind het een fascinerend proces hoe die nieuwe relatie tussen burger en overheid vorm krijgt."</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.2.6">Mijnheer Laurier, de komende jaren bent u in deze Kamer een actor in dat proces. Ik wens u daar van harte alle goeds mee.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.2.7">Ik geef de leden graag de gelegenheid om u te feliciteren met uw maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.3">
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.6.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Laurier, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech over de splitsing van de energiebedrijven. Het is een thematiek waarover u al kennis hebt opgebouwd en waarmee u al ervaring hebt opgedaan in uw eerdere functie als wethouder, want uit dien hoofde was u lid van de raad van commissarissen van Energie- en watervoorziening Rijnland.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Leijnse" MPid="02785" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2004-04-19" topic="SZW/SpaarfondsAOW/motie-De Rijk c.s." url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-1175-1200.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-1175-1200.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="34" number-of-words="4752" number-of-unique-words="1536" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Werk <pm:entity> Werkgelegenheid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Werk <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Sociale zekerheid <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Gemeenten</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Leijnse" MPid="02785"/>
                <speaker name="Vedder-Wubben" MPid="03030"/>
                <speaker name="Swenker" MPid="02276"/>
                <speaker name="Meulenbelt" MPid="03019"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="De Rijk" MPid=""/>
                <speaker name="Van Leeuwen" MPid="00795"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer Leijnse voor zijn maidenspeech.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2" speaker="Leijnse" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Leijnse  (PvdA)" MPid="02785">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1" speaker="Leijnse" function="De heer" MPid="02785">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Leijnse (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Leijnse</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.2">Mevrouw de voorzitter. Jonge parlementariërs leven nogal eens met het gevoel dat zij in hun maidenspeech in één keer de wereld moeten veroveren. Zo meende ik een kleine 20 jaar geleden bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de Tweede Kamer een zeer scherpzinnige opmerking te hebben gemaakt.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.3">Wat was het geval? Bij de formatie in 1981 had de nieuwe minister van Sociale Zaken Joop den Uyl aan de naam van zijn departement "en Werkgelegenheid" laten toevoegen. In een tijd van stijgende werkloosheid wilde hij daarmee uitdrukken dat werkgelegenheidscreatie en werkloosheidsbestrijding zijn eerste zorg zouden zijn. Den Uyl kreeg weinig tijd om die ambitie te verwezenlijken, want in1982 moest hij de fakkel alweer overdragen aan een minister van CDA-huize. Ik kon twee jaar later in de begroting van deze minister weinig terugvinden van het werkgelegenheidselan van Den Uyl en ik meende dat puntig te moeten uitdrukken door de minister in mijn eerste termijn uit te nodigen de toevoeging "en Werkgelegenheid" maar weer uit de naam van het departement te laten. Het deed er toch niet toe. Ik ging ervan uit dat de minister in zijn antwoord wel zou proberen aan te geven dat hij van alles en nog wat had geprobeerd, hetgeen ik dan natuurlijk elegant maar trefzeker zou doorprikken. Die minister was Jan de Koning en hij was veel verstandiger dan ik had gedacht. Hij antwoordde laconiek dat de geachte afgevaardigde groot gelijk had. De toevoeging kon hem gestolen worden. Ik kon hem houden als ik dat wilde. Daar sta je dan.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.4">Mevrouw de voorzitter. Het is deze leerzame ervaring die mij ervan weerhoudt om de huidige minister vandaag te vragen de toevoeging "van Sociale Zaken" maar uit de naam van zijn departement te laten. Ik ben veel te bang dat de man mij zodadelijk gelijk gaat geven en gaat zeggen dat hij in het geheel niet aan deze toevoeging hecht en dat ik hem mag houden. Er zijn immers dit jaar buitengewoon weinig "Sociale Zaken" gedaan, terwijl wel met overtuiging gesnoeid, geschrapt, teruggedrongen en bezuinigd is. De zwakste schouders hebben een aanzienlijke last te dragen gekregen met als enige troost dat hier en daar ook een sterke schouder meer heeft moeten dragen dan men gewend is. Aan armoede- en werkloosheidsbestrijding is nauwelijks gewerkt of het moest zijn dat belangrijke instrumenten zijn wegbezuinigd. Een krachtig structureel groei- en werkgelegenheidsbeleid ontbreekt. De belangrijkste pleitbezorger daarvan in Europa is niet de Nederlandse regering, maar oud-premier Wim Kok.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.5">Mevrouw de voorzitter. Het ligt niet op de weg van deze Kamer om de taferelen die zich in december vorig jaar aan gene zijde van het Binnenhof hebben afgespeeld rondom het thema koopkracht en inkomensbeleid hier te herhalen. Wij mogen er wel van enige afstand op reflecteren. Men moet vaststellen dat de regering in september een begroting naar beide Kamers heeft gestuurd zonder zelf te weten wat de inkomensgevolgen voor grote groepen zouden zijn. Weliswaar produceerde de minister van Sociale Zaken in zijn begrotingshoofdstuk globale koopkrachtoverzichten, maar die bleken deze keer nog minder representatief te zijn dan gewoonlijk. Belangrijke maatregelen in de begrotingshoofdstukken van Volkshuisvesting en van Volksgezondheid waren in hun consequenties niet meegenomen. In plaats van deze maatregelen uit een oogpunt van rechtvaardig inkomensbeleid kritisch te bekijken, had de minister van Sociale Zaken bedacht dat hij alleen voor het generieke beleid verantwoordelijk was. Dat is een misverstand. Ook de coördinatie van de indirecte inkomensgevolgen van maatregelen uit andere begrotingshoofdstukken, valt onder de verantwoordelijkheid van deze minister.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.6">Pas nadat de Tweede Kamer met enige vasthoudendheid op meer en realistischer gegevens had aangedrongen, begon de minister zogeheten puntenwolken te produceren. Die lieten zien dat substantiële groepen burgers en met name zwakke groepen als chronisch zieken er belangrijk meer dan 1% op achteruitgingen. Specifieke effecten bleken ineens niet meer voor enkelingen te gelden, maar voor hele groepen. Van het generieke inkomensbeeld bleef geen spaan heel. De pijn van de bezuinigingen is anno 2004 bijzonder scheef verdeeld. Dure reparaties bleken nodig, maar wij weten tot op heden niet of zij terechtkomen bij degenen die het het hardst nodig hebben. Dat zal pas achteraf blijken. Het enthousiasme waarmee de minister de moderne diaconie van de zogeheten Robin-Hoodrekening omarmde, tekent voor alles zijn ongemakkelijke positie in het debat. Even ongemakkelijk is die als toen de minister boog voor de opwinding in de Tweede Kamer en een uitstekend functionerende directeur van de uitvoeringsorganisatie ontsloeg zonder daarbij enige legitieme ontslaggrond te hebben. Het is allemaal slecht doordacht en weinig rechtlijnig.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.7">De consequenties daarvan komen in zeer veel gevallen bij anderen terecht. Ruim een week geleden werden de gemeenten verrast door het voornemen van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om via de Wet werk en bijstand 400 mln te bezuinigen, bovenop de met de WWB ingevoerde efficiencytaakstelling van 150 mln. Het bedrag van 400 mln is gebaseerd op een studie van het CPB, waarin wordt voorspeld dat er in 2004 18.000 bijstandsgerechtigden minder zijn dan voorzien. Mijn fractie acht het onacceptabel dat de spelregels van de WWB buiten spel zijn gezet en veranderd. Zij wil graag een nadere uitleg van deze handelwijze en de berekening van de hoogte van het bedrag. Mijn fractie heeft de WWB in meerderheid gesteund en voelt zich nu een beetje in haar hemd gezet.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.8">Wat het inkomensbeleid in algemene zin betreft, is het onbevredigende van de gang van zaken in de Tweede Kamer dat dit beleid voorkomen had kunnen worden. Bij de begrotingsvoorbereiding in het kabinet is kennelijk onvoldoende op de samenhang gelet. De eenheid van het kabinetsbeleid bestaat alleen voor zover ieder zijn deel van de bezuinigingen in de rijksbegroting ook neemt. Andere invalshoeken van een meer integrale benadering, zoals rechtvaardige inkomensverhoudingen, stimulering van de economische groei of verbetering van de werkgelegenheid zijn klaarblijkelijk niet systematisch aan de orde geweest. Hiervoor is allereerst de coördinerend minister verantwoordelijk. Als hij zijn rol niet naar behoren vervult, blijven de collega's gevangen binnen de beperking van hun eigen beleidsterrein. Een mist van puntenwolken is het resultaat.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.9">Mevrouw de voorzitter. De start van de minister op het zo moeilijke terrein van het inkomensbeleid leek niettemin bemoedigend. "Ontkoppeling, dat maak ik niet mee", meldde hij desgevraagd al tijdens de formatie. Voor die standvastigheid bestond en bestaat een goede reden. De economie heeft een langdurige matiging van de lonen en andere inkomens hard nodig. Het ligt juist dan voor de hand om de sociale balans niet te verstoren en uitkeringen en lonen gelijk op te laten lopen. Loonmatiging maakt de koppeling mogelijk. Dat weten de vakbonden maar al te goed!</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.10">Het beginsel van een gelijke inkomensontwikkeling is in 1991 in de wet vastgelegd. Dat is gedaan om uitkeringsgerechtigden minder afhankelijk te maken van de politieke waan van de dag en een fundament te leggen voor rechtvaardige inkomensverhoudingen. De betreffende wet bevat tegelijkertijd geen automatisme. Aangegeven wordt dat de regering van de koppeling kan afwijken en op welke gronden dat kan gebeuren. De wet noemt met name als afwijkingsgronden een dreigende excessieve loonontwikkeling en een sterke toename van het aantal inactieven, waardoor premie- en belastingdruk betekenend zouden stijgen. Een fatsoenlijk stuk wetgeving dus dat zekerheid biedt, maar tegelijkertijd geen onrealistische garanties geeft.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.11">De handhaving van dit stukje fatsoen per 1&#160;januari 2004 zou, voor wie ook een beetje op de kleintjes wil letten, bovendien zeer billijk zijn geweest. De uitkeringen zouden naar berekening met slechts 0,7% stijgen. Door de forse loonmatiging zou dit op 1&#160;juli en 1&#160;januari 2005 vervolgens bijna tot nul teruglopen. Ergo, als de minister bij zijn aanvankelijke uitspraak was gebleven en de koppeling gewoon had toegepast, zouden de koopkrachtplaatjes er om te beginnen beter uitgezien hebben. Hij had dan bovendien een sterk argument gehad dat in ieder geval het generieke beleid op eerlijk delen was gebaseerd. Dat had hem bovendien een dure en mogelijk niet erg effectieve reparatie langs de weg van de bijzondere bijstand bespaard.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.12">We hebben in plaats daarvan een staaltje van zeer slordige omgang met de wetgeving te zien gekregen. De minister heeft in het najaar eerst de SER om advies gevraagd, zoals het hoort. Hij stelt in de adviesaanvrage enerzijds een geheel nieuwe koppelingssystematiek voor, een soort voorwaardelijke koppeling. Dat kan niet bij AMvB gebeuren; dit vergt wetswijziging. Daarover adviseert niet de SER maar de Raad van State. De minister vraagt anderzijds of de SER kan instemmen met een plotselinge bijstelling van de norm actieven/inactieven, opdat daarin een grond gevonden kan worden om te ontkoppelen. Dit laatste berust op twee misverstanden tegelijk. In de eerste plaats zou de norm in de plaats van de beide afwijkingsgronden treden en dus als een zelfstandige grond voor ontkoppeling gehanteerd kunnen worden. Dit is een misvatting waarmee de SER al herhaaldelijk korte metten heeft gemaakt. Verder zou men de norm voor de verhouding actieven/inactieven naar believen kunnen bijstellen, wat de koppeling afhankelijk zou maken van politieke willekeur. Daartegen is de wet nú juist in het leven geroepen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.13">De SER was juist doende over deze bedenkelijke bedenksels vernietigend te adviseren toen de minister meldde dat het allemaal niet meer nodig was. Hij had beide Kamers inmiddels een AMvB voorgelegd, houdende ontkoppeling van de uitkeringen, op grond van het feit dat sociale partners hiermee in het najaarsoverleg hadden ingestemd. Men kan inderdaad met enig recht stellen dat de instemming van sociale partners in het najaarsoverleg een SER-advies overbodig maakt, maar men kan moeilijk volhouden dat de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheden een grond biedt aan ontkoppeling op basis van instemming in het najaarsoverleg. Dat staat niet in de wet en dat komt in de wetsgeschiedenis ook niet voor. De minister heeft van het begin tot het eind verzuimd de wet toe te passen zoals die is, dat wil zeggen: of te koppelen omdat er geen deugdelijke afwijkingsgrond is, of te ontkoppelen omdat hij het parlement ervan kan overtuigen dat een van de twee genoemde afwijkingsgronden van toepassing is. Wat wij nu hebben gezien, is een gedraai dat de rechtszekerheid van de uitkeringsgerechtigden in de kern heeft aangetast.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.14">Deze minister heeft met ontkoppeling en ontbrekend inkomensbeleid geen goede start gemaakt in zijn tweede regeerperiode. Natuurlijk is hiervoor de regering als geheel verantwoordelijk te houden. Des ministers eigen partij heeft zelf de toon gezet door steeds vol te houden dat het regeerakkoord uitging van koppeling, terwijl iedereen kon zien dat ontkoppeling al bij de bezuinigingen was ingeboekt. Bovendien ging men regeren met partijen die volstrekt duidelijk hadden gemaakt dat naar hun mening de uitkeringsgerechtigden best op enige afstand mochten worden gezet. Natuurlijk met een beroep op het landsbelang, de economische groei of de werkgelegenheid, maar het betrof dan toch vooral de uitkeringsgerechtigden. Er kon dus voor de minister geen twijfel mogelijk zijn: met dit regeerakkoord en in deze coalitie valt er voor hem geen rechtvaardig inkomensbeleid te voeren, laat staan de koppeling toe te passen, zelfs niet bij forse loonmatiging.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.15">In het aangezicht van die realiteit heeft de minister de flinke uitspraak "ontkoppeling, dat maak ik niet meer mee", later als een "beginnersfout" afgedaan. Die kwalificatie lijkt mij het zoveelste misverstand. Beginnersfouten worden gemaakt omdat men te weinig ervaring heeft, de dossiers niet kent en dus wordt geconfronteerd met nieuwe werkelijkheden die men niet had kunnen voorzien. Beginnersfouten kunnen dan ook worden gecorrigeerd en worden in de politiek in het algemeen door de vingers gezien. Wat de minister heeft gedaan, is geen beginnersfout. Hij heeft op een overbekend onderdeel van het beleid een principiële uitspraak gedaan, waarvan hij de betekenis als geen ander kende. Hij heeft vervolgens, toen opnieuw een beroep op hem werd gedaan om de post van sociale zaken te aanvaarden, geen voorbehoud gemaakt op het regeerakkoord, maar zijn uitspraak teruggenomen. Vervolgens is hij zich met het vuur van de late bekering bovenmatig gaan inspannen om recht te praten wat krom is. Zijn fout is dat hij te weinig ruggengraat heeft getoond toen het erop aankwam om voor zijn principe te staan. Anders dan bij een beginnersfout is dat als regel niet zo makkelijk te herstellen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.16">Wij zouden het vandaag ook hebben over een ander belangrijk onderdeel van het beleid, te weten de levensloopregeling. Mijn fractie acht dit een hoofdpunt van beleid en een onderwerp waarop deze minister zijn stempel kan drukken. Als wij het nu over "sociale zaken" hebben, dan is dit er bij uitstekéén. Een gouden kans voor de regering en in het bijzonder voor de minister om iets constructiefs aan te richten, een visie te tonen die verder reikt dan de laatste bezuinigingstaakstelling.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.17">Nederland is in de afgelopen 25 jaar in sociaal-economisch opzicht ingrijpend veranderd. Sinds het eind van de jaren zeventig is de arbeidsparticipatie van vrouwen in snel tempo gestegen; ons land heeft zijn traditionele achterstand op andere Europese landen goedgemaakt. Economische zelfstandigheid is daarmee voor meer vrouwen binnen bereik gekomen. De afhankelijkheid is gereduceerd, zij het dat deze beweging nog zeker niet is voltooid. Geleidelijk aan is ook duidelijker geworden dat in Nederland voor andere oplossingen voor dit dilemma van arbeid en zorg is gekozen dan in andere landen. Studies die in de jaren negentig in opdracht van de minister van Sociale Zaken zijn verricht, laten zien dat Nederlandse vrouwen opvallend vaak voor deeltijdarbeid kiezen. Ook Nederlandse mannen vertonen een wat grotere neiging tot deeltijdarbeid dan andere Europese mannen, zij het veel minder dan vrouwen. Dit keuzepatroon bij de betaalde arbeid resulteert erin dat ons land steeds meer gezinnen eerder als "anderhalfverdieners" kwalificeert dan als "tweeverdieners".</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.18">Aan de basis van deze specifiek Nederlandse ontwikkeling bleek een fundamentele keuze te liggen bij de uitoefening van zorgtaken. Nederlandse vrouwen en mannen kiezen er vaker dan buitenlandse vrouwen en mannen voor om de zorg voor kinderen en andere naasten niet uit te besteden aan professionele dienstverleners, maar zelf te verrichten. Het gebruik van kinderopvang neemt toe en de wachtlijsten zijn nog altijd aanzienlijk. Maar tegelijk verzorgen veel jonge ouders hun kinderen gedurende een of twee dagen per week zelf, naast een betaalde baan. Ook groeit het belang van vrijwillige mantelzorg en nemen veel vrouwen en mannen de taak op zich om behoeftige ouders, familieleden, buren en vrienden te begeleiden. Uit een oogpunt van maatschappelijke samenhang en solidariteit is dat een zeer wenselijke ontwikkeling, die de overheid dan ook naar vermogen zou moeten stimuleren.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.19">Tegelijk met de opkomst van het combinatiescenario liet de arbeidsmarkt nog een tweede ingrijpende ontwikkeling zien. Dat is die van het transitiemodel. De baan voor het leven begint in onbruik te raken. Werknemers wisselen vaker van baan, maken meer zijstappen in hun loopbaan en volgen steeds vaker opleidingen naast hun werk. Het toenemende belang van verdere ontwikkeling en "een leven lang leren" wordt geaccentueerd door de opkomst van de kenniseconomie en de snelle verandering van technologie en kwalificaties. Wie tevreden achterover leunt in een passende baan, kan al gauw niet meer mee en moet naar iets anders omzien. Werknemers reageren op deze druk door meer proactief gedrag, grotere investeringen in de eigen ontwikkeling en snellere overstappen in de beroepsloopbaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.20">De behoeften van de transitionele arbeidsmarkt en het combinatiemodel hebben in de loop van de jaren negentig een sterke groei veroorzaakt van de mogelijkheden om verlof te nemen uit de betaalde arbeid. Voor allerlei situaties zijn bij wet of bij cao gereglementeerde verlofmogelijkheden ontstaan, betaald of onbetaald. Een belangrijk deel van deze verlofmogelijkheden vloeit voort uit Europese richtlijnen of internationaal-rechtelijke verplichtingen, maar een ander deel is van Nederlandse makelij en sluit aan bij vooral hier te lande gevoelde behoeften. Zo zoeken wij naar adequate voorzieningen voor werknemers die gedurende langere tijd de arbeid moeten verzuimen omdat zij behoeftige ouders hebben te verzorgen. Of wij zoeken naar een verlofrecht voor vaders en moeders die hun zieke kind onmogelijk naar de crèche kunnen brengen. Of wij zoeken naar een mogelijkheid om studieverlof te geven aan degenen die dreigende werkloosheid willen voorkomen door zich bijtijds bij te scholen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.21">De wet kent inmiddels een belangrijk aantal specifieke verlofmogelijkheden en in collectieve arbeidsovereenkomsten vinden wij er nog meer. Het gebruik van deze mogelijkheden blijft echter nog zeer beperkt. Dat komt niet door het ontbreken van de behoefte, maar veeleer door de inadequaatheid van de regelingen: de geringe omvang in relatie tot wat nodig is en de ontbrekende of zeer minimale voorziening in de inkomensderving. Het geheel van verlofregelingen is daarom wel indrukwekkend in zijn omvang, maar niet in zijn effectiviteit en bruikbaarheid. Een omvattender en meer flexibele regeling is nodig om aan de groeiende en vooral veelvormige wens om arbeid, studie en zorg duurzaam te combineren, tegemoet te komen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.22">Het zijn vooral de Nederlandse Gezinsraad en het wetenschappelijk bureau van het Christen-Democratisch Appèl geweest die in de tweede helft van de jaren negentig deze ontwikkelingen in baanbrekende studies hebben verkend. Ik mag er collega Klink wel een compliment voor maken. Dat lijkt mij op zijn plaats. Als gevolg hiervan heeft het CDA eerder dan andere partijen het ontwerp van een omvattende levensloopregeling op zijn programma gezet. Zo'n regeling zou de werknemer de gelegenheid moeten geven om zelf te sparen voor een inkomen dat hij kan opnemen tijdens het gebruik van zorg- en studieverlof. De opbouw van eigen rechten op inkomen maakt het mogelijk de regeling veel flexibeler in te zetten dan de bestaande wettelijke verlofregelingen, die een beroep op collectieve middelen doen en dus slechts een beperkende omschrijving van het recht kennen. De eigen verantwoordelijkheid van de werknemer wordt geactiveerd, niet alleen bij het beroep op de regeling maar juist ook bij de opbouw van rechten. De overheid kan faciliteren en ondersteunen, maar neemt de verantwoordelijkheid niet over, zoals bij de traditionele sociale zekerheid misschien te vaak het geval is.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.23">De discussie over de vormgeving van een robuuste levensloopregeling heeft zich min of meer vanzelfsprekend uitgebreid tot de problematiek van het prepensioen. Dat ligt ook voor de hand, want levensloopsparen laat zich ten dele vergelijken met pensioensparen, al ontbreken ook verzekeringselementen niet. Ik ben geneigd de ophef van de regering over de arbeidsdeelname van ouderen enigszins overdreven te vinden. Nederland loopt hierin nauwelijks nog achter bij andere Europese landen. Voor zover dat het geval is, heeft dat vooral betrekking op de late inhaalslag van vrouwen. De feitelijke uittreedleeftijd is reeds met bijna twee jaar toegenomen en stijgt nog steeds. Oude collectieve vut-regelingen worden geleidelijk afgeschaft en kapitaalgedekt prepensioen komt ervoor in de plaats. Sociale partners voeren al sinds 1966 een zeer toekomstgericht beleid wat betreft het langer doorwerken van ouderen. De gedachten die het regeerakkoord bevat over VUT en prepensioen, met name de afschaffing van alle fiscale faciliteiten, zijn dan ook onbekookt en onnodig. Gelukkig zien wij dat die gedachten een voor een weer verdwijnen, zoals het idiote plan om over de vut-uitkering alle belasting in één keer vooraf te heffen. Ik zie ook dat de afschaffing van de fiscale facilitering van het prepensioen, even onzinnig in een tijd van oplopende werkloosheid, inmiddels alweer voor de helft is ingeslikt. Moge de rest in hetzelfde tempo volgen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.24">In plaats van vooral negatieve voorstellen te doen om ouderen te prikkelen om langer door te werken zou de regering er beter aan doen om een constructieve verbinding te maken van levensloop en prepensioen. Vervroegd uittreden zou als een vorm van specifiek verlof heel wel een plaats kunnen krijgen in een omvattende en flexibele levensloopregeling. Werknemers krijgen dan vanaf het begin van hun beroepsloopbaan de gelegenheid om zelf te sparen voor een inkomen tijdens de verlofperioden, of dat nu voor studie, zorgtaken of een gedeeltelijk eerder uittreden is. De eigen verantwoordelijkheid die in de nieuwe verzorgingsstaat zo'n prominente plaats moet innemen, krijgt in een omvattende levensloopregeling op een positieve manier gestalte. Door het prepensioen hierin volledig op te nemen, zoals de vakorganisaties voorstellen, wordt de eigen verantwoordelijkheid voor het juiste moment van uittreden geaccentueerd, en ontstaat een veel flexibeler en individueler overgangstraject van werken naar niet werken. Dat is de beste manier om de arbeidsdeelname van ouderen op een maatschappelijk gewenste en voor de mensen draaglijke manier op niveau te brengen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.25">Onze samenleving vraagt op velerlei manieren om een geïntegreerd levensloopbeleid. Of het nu de groei van het aantal twee- en anderhalfverdienersgezinnen is, of de toenemende behoefte aan mantelzorg, de wens om kinderen zelf op te voeden of goeddeels zelf op te voeden naast een betaalde baan, of de behoefte om langer door te werken; de overheid kan niet lijdelijk toezien of het allemaal wel op z'n pootjes terechtkomt. Het pleidooi dat de afgelopen jaren onder andere in CDA-kring is gehouden voor een actieve moderne gezinspolitiek wijst in dezelfde richting. Des te teleurstellender is het wanneer deze bevlogenheid zodra regeringsverantwoordelijkheid moet worden gedragen weer ten prooi valt aan zielloos gekruidenier.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.26">Als wij de minister willen volgen, moeten wij constateren dat de levensloopregeling volgens hem eerst niet meer kon inhouden dan een tamelijk benepen verlofknip, omdat de coalitiepartners zo graag het spaarloon wilden handhaven. Toen dit, natuurlijk, ineffectief bleek te zijn, moesten vooral de sociale partners aandringen op een wat robuustere regeling en nam de minister vooral een afwachtende houding aan. Inmiddels zijn er mondjesmaat vorderingen geboekt, maar de inzet van de regering lijkt er toch vooral op gericht de fiscale faciliteit tot een minimum te beperken. Waarom eigenlijk? Het gaat hier immers niet om belastingderving, maar om uitstel van belastingbetaling, wat op korte termijn misschien wel de budgettaire problematiek verzwaart, maar op lange termijn juist een verlichting van de vergrijzingslasten kan betekenen. De afhoudende opstelling die de regering in het sociaal overleg heeft gekozen, kan ertoe leiden dat dit belangrijke onderwerp uiteindelijk in een halfbakken compromis eindigt: geen fiscale ruimte, want die is al weggegeven aan het spaarloon; toch nog half en half een collectief prepensioen, maar dan buiten de levensloopregeling en ten slotte een beperkte verlofspaarrekening op individuele basis.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.27">Het is eenvoudig te voorspellen dat die regeling nauwelijks zal worden gebruikt. Ze biedt geen ruimte voor de behoeften die bij grote groepen werknemers werkelijk leven en ze is voor de lagere inkomens volkomen onaantrekkelijk.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.28">Ik dring er bij de regering op aan, nu eindelijk serieus werk te maken van de levensloopregeling. Daarbij zijn voor de PvdA-fractie vier uitgangspunten van groot belang.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.29">Allereerst: maak een regeling met een collectief karakter; niet publiek, maar wel collectief. Dit betekent dat op bedrijfs- en bedrijfstakniveau afspraken kunnen worden gemaakt om bij pensioenfondsen of verzekeraars een levensloopregeling voor alle werknemers af te sluiten. Binnen die grotere collectiviteiten is kapitaalopbouw mogelijk waarop individuele aanspraken kunnen worden gebaseerd. In de opbouw kan naast de eigen verantwoordelijkheid ook de solidariteit een plaats krijgen, zoals dat nu ook bij de pensioenen het geval is. Collectiviteiten zijn nodig, wil een regeling als deze ook voor lagere inkomens toegankelijk zijn. Juist werknemers met lagere inkomens moeten niet uitgesloten worden van de regering; zij krijgen namelijk ook kinderen, hebben ook te maken met het "spitsuur van het leven", geven ook mantelzorg en zijn misschien vaak eerder dan de beter betaalden toe aan vervroegde uittreding. De gedachte om dit allemaal puur op een individuele basis te regelen is de doodsteek voor de levensloopregeling.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.30">In de tweede plaats: betrek het prepensioen volledig in de regeling en gebruik daarnaast ook de fiscale ruimte van de spaarloonregeling voor de levensloopregeling. Een robuuste levensloopregeling heeft vooral een flinke fiscale ruimte nodig. Zoals gezegd: geen belastingderving maar uitstel van belastinginkomsten voor de Staat en dus een spaarpotje voor de toekomst. Het ligt voor de hand de ruimte van de spaarloonregeling en enkele bestaande verlofregelingen alsmede die van het prepensioen bij elkaar te brengen. Voor een werkelijk robuuste regeling zou minstens 1 mld euro fiscale ruimte nodig zijn als begin.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.31">Daarenboven is het echter nodig aanvullende faciliteiten te creëren om de toegankelijkheid van levensloopregelingen voor lagere inkomens te verbeteren. Zij kunnen niet eenvoudig gedurende meer jaren 10% of 12% van hun inkomen sparen. Extra bijdragen van de werkgever zouden door de overheid fiscaal vriendelijk behandeld kunnen worden, zoals wij dit vroeger ook kenden bij de premiespaarregelingen. Of de overheid kan zelf een premie zetten op de opbouw van tegoeden door werknemers met lage inkomens.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.32">Tot slot is er nog een vierde aandachtsgebied dat zorgvuldige beschouwing vereist. Hoe verstandig de integratie van het prepensioen in de levensloopregeling ook is, een reëel gevaar is natuurlijk wel dat vooral vrouwen hun tegoed zullen gebruiken voor zorgverlof en daardoor nog minder pensioenrechten overhouden. Dit zou bestaande ongelijkheden in de verdeling van zorgtaken en in de opbouw van pensioen verhevigen. In de vormgeving moeten dus elementen worden aangebracht die een verdere gelijkberechtiging van mannen en vrouwen bevorderen. Dit vergt misschien een differentiatie in de fiscale behandeling van de verlofopbouw.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.33">Ik zou namens mijn fractie nog geruime tijd kunnen doorgaan op de vraagstukken en de ongekende mogelijkheden van een werkelijke serieuze levensloopregeling, bijvoorbeeld wat zo'n regeling zou kunnen betekenen als wij de werkingssfeer verder zouden uitbreiden in de richting van de sociale zekerheid. Voor een ingrijpende modernisering van de verzorgingsstaat waarin eigen verantwoordelijkheid en solidariteit in nieuw evenwicht worden gebracht, is zo'n regeling onmisbaar, maar om dit debat te voeren en er in dit huis met de regering over van gedachten te wisselen, is het nodig dat het kabinet een begin van een visie heeft op dit onderwerp. Ik vrees dat het daaraan in de begroting ontbreekt.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.34">Ik zie de minister al sceptisch kijken. Hij vindt het allemaal heel mooi en bevlogen, maar ja, u weet wel, het begrotingstekort en de collega van Financiën, en de vrienden van het midden- en kleinbedrijf, en ga zo maar door. Dus een beetje misschien, maar niet te veel, en kan het zijn wel volledig op individuele basis en natuurlijk allemaal in onderhandelingen waarin van de vakbonden steeds nieuwe concessies worden gevraagd. Levensloop is mooi voor de idealistische jongelui van het wetenschappelijk bureau, maar in de echte politiek komt het natuurlijk aan op ragfijn onderhandelen, puntjes scoren en een sluitende begroting.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.1.35">Mevrouw de voorzitter. Ik ben zeer geïnteresseerd in het antwoord van de regering op deze bespiegelingen, maar misschien mag ik ook nog een wens doen, omdat dit mijn maidenspeech is, aan deze zijde van het Binnenhof althans. Omdat mijn politieke ervaring wat langer teruggaat dan die van de minister, heb ik mijn portie "Realpolitik" ruimschoots gehad. Ik vraag de minister daarom om zich in zijn antwoord nu eens niet te concentreren op alle mitsen en maren, beperkingen en politieke realiteiten die de ambtenaren inmiddels al zo vlijtig aan het opschrijven zijn. Ik vraag hem de gelegenheid te baat te nemen om eens uiteen te zetten welke visie de regering heeft op de modernisering van de verzorgingsstaat, het evenwicht van eigen verantwoordelijkheid en solidariteit dat zo nodig aan revisie nodig is en de plaats van de levensloopregeling juist daarin. Laat de minister ook eens toelichten wat zijn eigen visie op dit punt is. Al is het maar om voor een keer het drukkende gevoel van stagnatie en reactie te doorbreken dat het regeringsbeleid bij vele burgers oproept.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.2.1">Mijnheer Leijnse. Ik wens u van harte geluk met uw maidenspeech, althans in dit huis. Dat die speech geen wetstechnisch onderwerp, maar juist een begrotingsdebat Sociale Zaken en Werkgelegenheid met sterke beleidsmatige accenten betreft, is kenmerkend voor uw ervaring en achtergrond. De Eerste Kamer mag zich gelukkig prijzen met de politieke, bestuurlijke en wetenschappelijke ervaring die u meebrengt. In staccato noem ik: tien jaar in de Tweede Kamer onder meer als vice-voorzitter van de PvdA-fractie, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit, bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, voorzitter van de HBO-raad, begin 2003 ook nog actief geweest als kabinetsadviseur en tot november jl. kroonlid van de SER.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.2.2">Dat u de SER verliet om in de senaat zitting te nemen, is weinigen ontgaan. Dat deze Kamer bij uw afscheidsspeech van de SER werd getypeerd als "het bejaardentehuis aan gene zijde van het Binnenhof", is evenmin onopgemerkt gebleven. De media hebben bericht dat u de senaat als bejaardentehuis typeerde. De letterlijke tekst van uw speech – u begrijpt dat wij dit nauwkeurig hebben nagegaan – leidt niet noodzakelijkerwijs tot die conclusie.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.2.3">U krijgt het voordeel van de twijfel, omdat u in dat interview onder andere heeft gezegd dat in uw optiek de politiek wordt gekenmerkt door te weinig diepgang, te weinig opvattingen en te veel reageren op krantenkoppen. Dat u vervolgens de Eerste Kamer uitkiest als het forum waarin dat adequaat wordt bestreden, strekt niet alleen ons, maar ook u tot eer. En ten slotte wil ik ietwat ondeugend het volgende ter uw verdediging toevoegen. U kúnt de senaat niet als bejaardentehuis kenmerken als de gemiddelde leeftijd van deze leden met uw komst ietwat is gestegen!</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.2.4">Mijnheer Leijnse, ik feliciteer de Kamer van harte met uw lidmaatschap en ik feliciteer u graag met uw maidenspeech!</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Leijnse. Ik wens u van harte geluk met uw maidenspeech, althans in dit huis. Dat die speech geen wetstechnisch onderwerp, maar juist een begrotingsdebat Sociale Zaken en Werkgelegenheid met sterke beleidsmatige accenten betreft, is kenmerkend voor uw ervaring en achtergrond. De Eerste Kamer mag zich gelukkig prijzen met de politieke, bestuurlijke en wetenschappelijke ervaring die u meebrengt. In staccato noem ik: tien jaar in de Tweede Kamer onder meer als vice-voorzitter van de PvdA-fractie, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit, bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, voorzitter van de HBO-raad, begin 2003 ook nog actief geweest als kabinetsadviseur en tot november jl. kroonlid van de SER.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Lemstra" MPid="02268" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2000-02-29" topic="Verkeer en Waterstaat" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-773-816.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-773-816.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="28" number-of-words="4418" number-of-unique-words="1494" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Lemstra" MPid="02268"/>
                <speaker name="Bierman-Beukema toe Water" MPid="02261"/>
                <speaker name="Pitstra" MPid="02868"/>
                <speaker name="Castricum" MPid="01886"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Terlouw" MPid="01719"/>
                <speaker name="Ruers" MPid="02919"/>
                <speaker name="Bierman" MPid="02944"/>
                <speaker name="Netelenbos" MPid="02857"/>
                <speaker name="J.M. de Vries" MPid=""/>
                <speaker name="Lemstra" MPid="02268"/>
                <speaker name="Bierman-Beukema toe Water" MPid="02261"/>
                <speaker name="Pitstra" MPid="02868"/>
                <speaker name="Castricum" MPid="01886"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Terlouw" MPid="01719"/>
                <speaker name="Ruers" MPid="02919"/>
                <speaker name="Bierman" MPid="02944"/>
                <speaker name="Netelenbos" MPid="02857"/>
                <speaker name="J.M. de Vries" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer Lemstra, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-773-816.1.2" speaker="Lemstra" party="CDA" function="De heer" title="De heer Lemstra  (CDA)" MPid="02268">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1" speaker="Lemstra" function="De heer" MPid="02268">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Lemstra (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Lemstra</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.2">Mijnheer de voorzitter! Nederland kwaliteitsland, onder deze titel heeft het CDA in het verkiezingsprogramma "Samenleven doe je niet alleen", de richting aangegeven waarin ook het beleid op het terrein van Verkeer en Waterstaat zich zou moeten ontwikkelen. Hierbij weegt voor de CDA-fractie zwaar het vinden van een evenwicht. Met andere woorden: vanuit het kernbegrip "rentmeesterschap" is dan het bewaken van de schepping van even veel waarde als het bewerken ervan. Dat vraagt ook voortdurende investeringen in kwaliteit. Kwaliteit van de samenleving, van de leefomgeving, van de economie en niet in de laatste plaats van de infrastructuur. Tegen deze achtergrond heeft de fractie van het CDA met belangstelling het begrotingsdebat van Verkeer en Waterstaat in de Tweede Kamer gevolgd en heeft het opgetekend uit de mond van de minister dat sinds de afgelopen zomer het motto van het kabinet is investeren in kwaliteit, welk motto volgens de minister bij uitstek van toepassing is op Verkeer en Waterstaat. Investeren in kwaliteit betekent dat veiligheid op de eerste plaats komt met daarnaast aandacht voor leefbaarheid en het in goede banen leiden van de mobiliteit</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.3">De minister wenst zich met name wat betreft haar investeringsbeleid aan gemaakte afspraken met andere overheden te houden en is de mening toegedaan dat het MIT in feite in beton gegoten is. Zij wenst daarin niet zomaar wijzigingen aan te brengen. Aan de andere kant wil de minister niet te dogmatisch zijn; alles wat werkt, is mooi meegenomen, is de basishouding.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.4">Deze minister staat aan het hoofd van een doe-departement, dat met praktische uitvoeringstaken te maken heeft. In het advies van de Raad voor verkeer en waterstaat uit 1999, getiteld "Van eindige zaken en blijvende taken", wordt gesproken over een veranderende positie van het departement waarbij uiteindelijk de uitvoerende rol in beleidssectoren als weg- en waterbouw, post- en telecommunicatie zal veranderen van monopolist en beschermheer naar waakhond en vormgever van beleid op afstand. Zo zal de rol van Rijkswaterstaat die nu nog vooral technisch van aard is, verschuiven naar het in financieel-economisch, ruimtelijk en maatschappelijk opzicht begeleiden van projecten. Deze rolwisseling zal in ieder geval aanleiding moeten zijn voor een meer open houding ten aanzien van projecten en het verschaffen van informatie aan belanghebbenden. Aangezien vooral de ruimtelijke en economische ontwikkelingen in een gebied aanleiding kunnen zijn voor of het gevolg zijn van infrastructurele ingrepen, ligt een meer gebiedseigen aanpak en invulling dan ook voor de hand. Ik denk hierbij aan regiocontracten. Dit sluit ook aan op de behoefte van VNG en IPO aan meer eigen zeggingskracht over lokale en regionale middelen. Het CDA nodigt de minister uit, op dit punt bijvoorbeeld het MIT meer toekomstgericht te maken en de lijst met projecten vanuit dat perspectief nog eens tegen het licht te houden. De minister kan de provincies en de gemeenten met nadruk uitnodigen om voorstellen te doen voor een versnelde realisatie van projecten.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.5">Mijnheer de voorzitter! Het is in een uitvoeringsgerichte organisatie uitermate verleidelijk om je met praktische zaken bezig te houden en de ontwikkelingen op langere termijn op afstand te plaatsen. Het is echter bij uitstek dit departement, verantwoordelijk voor de infrastructuur van dit land, dat zich met de ontwikkelingen op langere termijn zal dienen bezig te houden, wil men niet de verkeerde investeringen doen. Immers, de investeringskeuzen van vandaag bepalen de kwaliteit van de samenleving van morgen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.6">Het probleem voor de minister is dat in de achter ons liggende jaren de rol en de taak van de overheid drastisch zijn veranderd. De overheid is niet meer de alleenbepaler en de alleenuitvoerder, doch is vanwege de noodzaak van de terugdringing van het financieringstekort en de roep om een terugtrekkende overheid veel eerder medespeler geworden in het maatschappelijke krachtenveld. Dit betekent dat de overheid samen met derden haar beleid gestalte moet geven en ook samen met derden tot de nodige infrastructurele investeringen moet geraken. Vandaar de roep om publiek-private samenwerking en de vragen van het bedrijfsleven naar bijvoorbeeld de betrouwbaarheid van de overheid als partner bij het maken van deze investeringsafspraken.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.7">Toch zal de overheid en met name de rijksoverheid de grote lijnen moeten blijven uitzetten, de strategische visie moeten ontwikkelen. Dat hoeft niet in blauwdrukken te ontaarden, maar zal wel tot richtinggevende uitspraken voor de langere termijn moeten leiden, waarmee ook de particuliere investeerder rekening heeft te houden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.8">Wij hebben er begrip voor dat de minister meer armslag wil hebben bij de uitvoering van megaprojecten. Bij een debat in Rotterdam over de Vijfde nota ruimtelijke ordening heeft zij gesteld dat de overheid in specifieke gevallen de mogelijkheid moet hebben om zonder belemmeringen van lagere overheden, bestemmingsplannen en allerlei inspraakronden, grootschalige projecten uit te voeren. Ik citeer de minister. "Sommige grote nationale projecten moet je vanuit het kabinet kunnen sturen, op een andere manier dan gewoonlijk gebeurt. Het gaat dan om wat ik noem Grand Designs."</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.9">Heeft de minister deze grotere armslag inmiddels van het kabinet gekregen, zodat zij zich als projectminister daadwerkelijk met deze megaprojecten kan en mag bemoeien of worden deze grootschalige projecten nog altijd op de traditionele interdepartementale wijze aangepakt? De oproep aan deze minister en mede aan haar collega van VROM is om de visie op lange termijn niet te verwaarlozen. Ook en met name op het infrastructuurdepartement van Verkeer en Waterstaat is een langetermijnvisie nodig; dat kan men niet alleen aan VROM overlaten. Is er in dit verband sprake van een goede afstemming tussen NVVP en de Vijfde nota ruimtelijke ordening?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.10">Ook de rapporten van de Raad voor verkeer en waterstaat, zoals het advies "langetermijnbeleid goederenvervoer", vragen om een beleidsvisie voor de toekomst. De raad zelf kijkt reeds vooruit naar het jaar 2030 en constateert dat de problemen die met internationaal transport samenhangen niet afdoende kunnen worden bestreden als deze alleen op het beleidsterrein van Verkeer en Waterstaat worden behandeld. Verbreding van het beleid is noodzakelijk en daarom moet, volgens de raad, het transportbeleid worden ingepast in het financieel-economisch en ruimtelijk-economisch beleid. De raad vindt dat wij, gezien de bereikte welvaart en het belang van de leefbaarheid, nu moeten beginnen met een aanpak gericht op preventie van transport, op selectiviteit bij transportstromen en op het ruimte- en milieuverantwoord accommoderen van transport. Gaan wij van distributieland naar regieland of naar kwaliteitsland?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.11">Om een volledige regie te kunnen voeren, is toch een volledig netwerk vereist. Moet er niet juist gestreefd worden naar meer synergie tussen mainport en brainport, om zo Nederland-distributieland door te ontwikkelen tot Nederland-kwaliteitsland? Werken onze meerjarenprogramma's met een gemiddelde looptijd van ongeveer tien jaar niet met een te korte horizon, mede gelet op de lange procedures verbonden met onze wetgeving, zowel op nationaal, regionaal als gemeentelijk niveau?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.12">Mijnheer de voorzitter! Voor een klein land als Nederland is het internationale kader altijd belangrijk geweest en dat belang neemt alleen maar toe. Heel pregnant komt die internationale invloed naar voren in de krachtige ontwikkeling die Oost- en Zuid-Nederland doormaken in het spanningsveld tussen de Randstad, de Vlaamse Ruit en het Rijn/Ruhrgebied als grote concentraties in het Europese stedelijke netwerk. Je hebt het woord "corridor" als nieuw beleidsconcept niet nodig om deze ontwikkeling te beschrijven en in goede banen te leiden. Een traditioneel begrip als "Europese ontwikkelingsas" voldoet nog prima. Dat geldt temeer omdat velen bij een corridor toch aan band- en/of lintvormige ontwikkelingen denken, terwijl er alle aanleiding is om voort te bouwen op het concentratiebeleid uit de Vierde nota ruimtelijke ordening, zoals dat gestalte heeft gekregen in de stedelijke knooppunten.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.13">Ik begrijp dat inmiddels de minister van VROM ook het begrip "corridor" verlaten heeft en in de komende Vijfde nota ruimtelijke ordening opteert voor het begrip "netwerksteden" als economische zones. Hij kiest blijkbaar voor een aanpak waarin de bestaande bebouwing en infrastructuur als uitgangspunt worden genomen. Daarentegen pleit staatssecretaris Ybema van Economische Zaken nog steeds voor de corridorbenadering. In zijn ogen zijn dit transportassen langs snel-, spoor- of waterwegen die voor de goede verbindingen tussen steden en het aangrenzende buitenland moeten zorgen. Aangezien de minister van Verkeer en Waterstaat verantwoordelijk is voor aanleg en onderhoud van de rijksinfrastructuur, is het op zijn minst interessant om van haar te vernemen hoe zij in deze verschillen van inzicht tussen twee beleidsgebieden positie kiest.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.14">Mijnheer de voorzitter! Ik wil een paar opmerkingen maken over de mainportstrategie. Er komt voorlopig geen nieuw Schiphol in de Noordzee. Wel komen er mogelijkheden voor "beheerste groei" op de huidige locatie. Verder wordt de luchthaven behandeld als een gewone onderneming. Geen Schiphol dus in de Noordzee, althans voorlopig niet. Het kabinet heeft overigens terecht besloten, de studie naar de lange termijn niet te staken. Voor volgende generaties blijft de luchthaven in zee dus in beeld.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.15">Mijn fractie ondersteunt deze aanpak omdat deze ontwikkelingen nu eenmaal een langeretermijnvisie vereisen. Wel heeft de fractie daarbij nog enkele vragen c.q. kanttekeningen. a. Betekent deze studie naar de lange termijn dat andere alternatieve locaties, zoals Markerwaard en de Maasvlakte niet meer in beeld zijn?b. Kan de minister aangeven hoe deze langetermijnvisie wordt ontwikkeld en wat daarin haar rol en die van haar departement zal zijn?c. Hoe lang kan deze "beheerste groei" van Schiphol nog doorgaan? Is er op tijd een alternatief voorhanden?d. Momenteel bepaalt de overheid de normen waaraan Schiphol moet voldoen, zorgt ze ervoor dat die normen worden gehandhaafd, stelt ze regels voor de operationele aspecten van het vliegen en is ze tegelijk ook mede-eigenaar van de luchthaven en de luchtvaartmaatschappij. Het kabinet vindt dat daaraan een eind moet komen. De rol van de overheid wordt beperkt tot het stellen van de randvoorwaarden en het houden van toezicht daarop. Daarbinnen krijgen partijen in de luchtvaartsector ruimte voor een eigen bedrijfsvoering. Privatisering van Schiphol, waarbij de Staat en de regionale/lokale overheden hun belang verkopen, past logisch in deze gedachtelijn. Onderschrijft de minister deze gedachtelijn?e. Betekent deze keuze voor beheerste groei van het bestaande Schiphol nu dat absolute prioriteit wordt gegeven aan het zekerstellen van de groeimogelijkheden op de middellange termijn, bijvoorbeeld de totstandkoming van een aangepast banenstelsel op de huidige locatie? Dit kan namelijk worden gehinderd doordat gemeenten in de omgeving van Schiphol cruciale gebieden dienen te benutten voor woningbouw!</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.16">Mijnheer de voorzitter! Ik kom bij de Rotterdamse haven. De periode van grotere schepen lijkt snel op ons af te komen. Dit vereist eveneens een langetermijnvisie van de beleidsmakers. Dit is niet alleen een gemeentelijke aangelegenheid, maar strekt zich zeker ook uit naar het nationale belang. Denk bijvoorbeeld aan de tweede Maasvlakte. Rotterdam is ideaal gesitueerd om deze giganten van de containervracht te ontvangen. Er zullen steeds minder havens worden aangedaan door deze mammoetschepen; dus moet men zijn positie innemen voor dat het te laat is. Rotterdam kan de grotere maat van deze schepen nog steeds accommoderen en moet dus haar positie veiligstellen, ook voor de verdere toekomst. Aan de andere kant leidt de ontwikkeling van containerhavens in Zuidelijk Europa en de toename van handelsstromen naar en van Oost-Europa zeker tot veranderingen in de structuur van de zeevaart. Het is aannemelijk dat het Europese marktaandeel van Rotterdam in de hard groeiende containermarkt geleidelijk zal teuglopen. Wel heeft Rotterdam in de doorvoerfunctie een sterke positie, mede dankzij een sterke binnenvaart. Kan de minister meedelen of zij de mainportstrategie ten aanzien van Rotterdam nog steeds onderschrijft en daar ook aan werkt? De Europese samenwerking staat hoog op onze agenda, de economie globaliseert en de logistieke ketenregie verandert; is het dan nog wel van deze tijd dat wereldhavens die praktisch naast elkaar liggen, zo met de ruggen naar elkaar toe staan? Rotterdam en Antwerpen zijn immers niet alleen elkaars geduchte concurrenten, maar leggen beide claims op de ruimte en de infrastructuur, elk binnen een zeer beperkt geografisch gebied. Ik hoor hierop graag een reactie van de minister.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.17">Mijnheer de voorzitter! Bij onze oproep tot het ontwikkelen van een langetermijnvisie komt tegelijkertijd de waarschuwing om geïntroduceerd beleid niet al te snel te veranderen, omdat consistentie in met name het ruimtelijke investeringsbeleid van eminent belang is voor het aantrekken van privaat kapitaal. Deze investeringen, met name in de infrastructuur, zijn immers meestal gebaseerd op langetermijnplanning en -afspraken en vereisen daarmee een consistentie in beleid, temeer wanneer men daarbij via PPS-constructies private financiers wil betrekken. Onderschrijft de minister deze mening?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.18">De Volkskrant schreef eind oktober vorig jaar dat de politiek en het bedrijfsleven wel samen willen bouwen, maar dat het maar niet wil lukken. De euforie dreigde evenwel weg te ebben, durfde de ondernemer niet hardop te zeggen, maar wel te fluisteren. De overheid verwachtte dat het bedrijfsleven meedoet met de plannenmakerij, maar zodra echt de handen uit de mouwen worden gestoken, is daar de muur van bureaucratische regels. Zo wordt het nooit wat. Tot zover de Volkskrant. Het zou toch jammer zijn als wij niet veel verder komen dan het oprichten van een expertisecentrum bij Financiën, waar kennis en ervaring moeten worden verzameld, en de ontwikkeling van de visie dat vooral moet worden begonnen met het laaghangende fruit, zoals het ministerie van Financiën dat noemt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.19">Het is evident dat PPS op lokale schaal wel lukt, zoals bij stedelijke revitalisering. Dat heeft waarschijnlijk ook te maken met de multifunctionaliteit van de projecten. Bij infrastructuur is die multifunctionaliteit veel minder aanwezig en daarmee de mix van rendabele en onrendabele functies en elementen. Toch is er, gelet op de forse investeringsagenda geen andere mogelijkheid. Wij zullen de PPS-aanpak, met alle respect, niet alleen aan het ministerie van Financiën kunnen overlaten, omdat dit departement nu eenmaal minder ervaring heeft met grootschalige projecten dan bijvoorbeeld Verkeer en Waterstaat. Is de minister het met ons eens dat het voordeel van private betrokkenheid bij een project van enige omvang en complexiteit hem veelal zit in de vroegtijdige inschakeling van de marktpartijen? Krijgen wij anders niet te maken met een te dure aanbesteding, of moet de oorzaak eerder worden gezocht in een te lage raming door de overheid?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.20">Bij een eerdere inschakeling van de marktpartij, bijvoorbeeld via de methode "design and construct" kan in gezamenlijk overleg gekomen worden tot de meest kostenefficiënte uitvoering en exploitatie. PPS komt immers bij grote infrastructurele projecten pas optimaal tot zijn recht als de private betrokkenheid al in de planfase is verzekerd. Is de minister het met ons eens dat de overheid in de aanvang van de planfase echter nog onvoldoende heeft kunnen vaststellen wat er zal worden gemaakt? Dat betekent derhalve dat ook nog niet geheel duidelijk is aan welke eisen de toekomstige PPS-partner zal moeten voldoen. Is niet de evidente gedachte in overheidskringen dat pas van een openbare aanbesteding sprake kan zijn als voldoende nauwkeurig kan worden omschreven wat moet worden uitgevoerd? Bij de rijksprojecten doet de publieke opdrachtgever de planvorming voornamelijk alleen. Dat is ook te zien in de voortgangsrapportage van het expertisecentrum. Is de minister niet met ons van mening dat het hoog tijd wordt dat wij de huidige praktijk van aanbesteden eens goed tegen het licht moeten houden? Dat is niet alleen nodig vanwege de groeiende internationale competitie, maar nog meer omwille van de veranderende realiteit.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.21">In de Vierde nota waterhuishouding is te lezen dat ons op dat gebied grote veranderingen te wachten staan die zeker zullen doorwerken in de inrichting van ons land. Op de zandgronden van de hogere delen van Nederland zal veel zorgvuldiger met het grondwater moeten worden omgesprongen om verdroging, vermesting en verzuring terug te dringen. Regenwater zal hier langer moeten worden vastgehouden, bijvoorbeeld door rechtgetrokken beken hun oude kronkelende beloop terug te geven, met ruimte voor periodieke overstroming van de oevers. In de natte, lage delen van Nederland moet ook het regenwater langer worden vastgehouden als buffervoorraad, waarmee wordt voorkomen dat in tijden van droogte vervuild rivierwater moet worden ingelaten. Verder zal op sommige plaatsen het gemiddelde grondwaterpeil omhoog moeten om de bodemdaling tegen te gaan. Bij het vormen van die buffervoorraden speelt het IJsselmeer een grote rol. In natte tijden zal geaccepteerd moeten worden dat het langer duurt voordat een hoge waterstand weer naar normaal terugkeert. De grote rivieren vragen internationale samenwerking ten aanzien van waterkwantiteits- en kwaliteitsbeheer. En ze vragen ook ruimere beddingen om piekafvoeren te kunnen verwerken, en wellicht ook ruimte voor gecontroleerde overstroming. De vraag hierbij is in hoeverre de minister of de staatssecretaris op Europees niveau de handen op elkaar krijgt om daadwerkelijk deze internationale aanpak voor elkaar te krijgen? Wij vragen de staatssecretaris voorts of ook niet gewerkt zou moeten worden aan buffervoorraden op Europees niveau. Wij hebben begrepen dat de staatssecretaris overrompelend naar buiten is getreden met het bericht dat de klimaatsveranderingen sneller dan verwacht tot extremere waterstanden zullen leiden, waardoor de aanwijzing van zogenoemde calamiteitenpolders onvermijdelijk wordt. Wij vragen haar of zij bij die overrompelende tactiek, die best respect verdient, toch niet wil vergeten dat ook lokale besturen bezig zijn met allerlei bouwplannen, die misschien al in een vergevorderd stadium zijn. Wij vragen haar, daar alsnog rekening mee te houden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.22">Mijnheer de voorzitter! Een volgend onderwerp is de binnenvaart. Mijn kopje luidt "de binnenvaart in stroomversnelling". Heerste Holland vroeger over de wereldzeeën, tegenwoordig zijn wij marktleider op de Europese binnenwateren. Hoewel het aantal schepen verminderde – 7500 in 1975, thans 5000 – groeide het laadvermogen, waarbij de nieuwe schepen meer diepgang kregen. Hoewel het bedrijfsleven aan de wal massaal fuseert, blijft de binnenvaart kleinschalig. Van alle schepen is 90% in het bezit van zelfstandige ondernemers, hetgeen de staatssecretaris waarschijnlijk zal aanspreken. Nu de verkeerswegen aan de top van hun capaciteit zitten en steeds meer landen beperkingen stellen aan de trucks die door hun land razen, via weekendrijverboden en contingenteringsregelingen, is de terechte en simpele constatering dat schepen en treinen die rol dan wel moeten overnemen. Uit het boek "goederenvervoer over het water" van C.J. de Vries blijkt dat zelfs een verdubbeling van het vervoer over water nog niet tot noemenswaardige problemen behoeft te leiden. Wel zullen enkele technische ingrepen moeten worden gepleegd in het vaderlandse vaarwegennet, waarbij de overheid meer haast zou moeten maken met hogere bruggen, bredere sluizen en diepere vaargeulen, want stille wateren hebben in de binnenvaart meestal geen diepe gronden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.23">Met name om de snel groeiende containervaart – 10 tot 15% per jaar – ruim baan te geven, moet een aantal knelpunten worden weggewerkt. Ook vanuit de sector zelf wordt in een 10-puntenplan zeer aangedrongen op het wegwerken van die knelpunten. Zo moeten bijvoorbeeld in Oost-Nederland de vaste bruggen over het Twentekanaal verhoogd worden om schepen met drie lagen containers te kunnen doorlaten. Deelt de staatssecretaris deze analyse? Hoever is Rijkswaterstaat inmiddels gevorderd met de plannen voor deze vaarwegverbetering?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.24">Voorzitter! Nu ik toch tot de staatssecretaris spreek, wil ik iets vragen over de kerktelefoon. Dat is een niet-onbelangrijk detail. Zij heeft daar in de Tweede Kamer reeds vele vragen over moeten beantwoorden. Ik zal haar niet verleiden om die antwoorden te herhalen. Mijn vraag luidt als volgt. Nu hebben zo'n 80.000 aangeslotenen profijt van de kerktelefoon, maar zij zullen op zeer korte termijn moeten overschakelen op iets anders. Is het denkbaar om tot een gefaseerde invoering van die kostengerelateerde kerktelefonie over te gaan? Terugvallen op de gemeente in het kader van de bijstandsvoorziening is niet aan de orde, omdat het hierbij waarschijnlijk niet gaat om noodzakelijke kosten van het bestaan. Het is echter wel heel ingrijpend voor betrokkenen. Is het dus denkbaar dat men hier wat minder hard van stapel loopt en wellicht een overgangsperiode in acht neemt alvorens daartoe te geraken?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.25">Een ander punt is de benutting van de bestaande infrastructuur. Met de uitspraak van de minister dat "het MIT in beton gegoten is" wordt gesuggereerd dat er tot 2010 geen enkele ruimte meer zou zijn voor nieuwe verkeers- en vervoersprojecten. Het zal toch niet zo zijn dat deze minister van Verkeer en Waterstaat tot 2010 geen nieuw beleid kan uitvoeren en bij de verdeling van de extra gelden in de huidige kabinetsperiode of bij een nieuw kabinet tot 2010 geen claims zal indienen? Het nieuwe Nationaal verkeers- en vervoersplan komt eraan met de nieuwe benadering van de verkeers- en vervoersproblematiek en met nieuwe oplossingen zoals "meer benuttingmaatregelen". Daarvoor zal geld beschikbaar moeten komen, want anders kan hiermee geen voortvarende start gemaakt worden. Deelt de minister deze mening?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.26">Benutting staat dus voorop en de gedachte dat daarbij ook het prijsmechanisme moet worden gehanteerd, wint veld, hoewel de manier waarop nog tot veel discussie zal leiden. Geen geld voor nieuwe infrastructuur betekent ook geen geld voor alternatieven voor rekeningrijden, zoals de betaalstroken. Overigens zit er qua aanleg natuurlijk nog heel veel in de pijplijn; HSL-Zuid en -Oost, Betuweroute, vijfde baan alsmede zo'n 10 mld. aan stadsgewestelijk openbaar vervoer. In dit verband mogen wij ook de noordelijke regio, die in economische ontwikkeling dreigt achter te gaan lopen, niet vergeten. Goede verbindingen met de Randstad blijven daarbij een vereiste. Naast de Hanzelijn, die volgens de Tweede Kamer in 2010 moet rijden, is een spoedige realisatie van de Zuiderzeespoorlijn zeer gewenst, ook als internationale verbinding. Ik begrijp dat het kabinet daar vrijdag een beslissing over heeft genomen. Kan de minister zeggen of de magneetzweeftrein nog steeds in beeld is?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.27">In dit verband vraagt mijn fractie ook aandacht voor de financiering van benuttingmaatregelen op de A1, met name het traject Deventer-Apeldoorn. Hiervoor is in het MIT nu helemaal geen rijksgeld beschikbaar, terwijl het wel om een achterlandverbinding gaat waarvoor volgens de rijksnota Samen werken aan bereikbaarheid geldt dat de fileproblemen in 2007 moeten zijn opgelost. Als dit vóór of rond 2010 allemaal klaar is, kunnen wij dan pas in de ogen van de minister spreken over prioriteiten voor benutting, of is benutting van het bestaande wegennet reeds eerder aan de orde? Betekent dit dan niet het uitwerken van nieuwe alternatieven die, gelet op de noodzakelijke zorgvuldigheid en de vereiste informatiebehoefte, nu eenmaal veel tijd kosten, omdat het door dezelfde organisatie moet worden opgehoest? Gaarne het oordeel van de minister</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.28">Door het mogelijk schrappen van de noordtak van de Betuwelijn kan de gewenste scheiding van het vervoer van gevaarlijke stoffen en het reizigersvervoer niet doorgaan, met als gevolg dat bijvoorbeeld de chloortransporten tot ver in deze eeuw dwars door bebouwde kommen en de Randstad worden geleid. Dit transport vindt op dit moment één- tot tweemaal per week plaats. Ook rijdt er één keer per week zo'n chloortrein tussen Rotterdam en Hengelo via Utrecht, Apeldoorn en Deventer. Het goederentransport zit het verder groeiende reizigersvervoer eigenlijk nu al in de weg. Het oorspronkelijke idee van de aanleg van de Betuwelijn met een noordtak en een zuidtak, voorzag ook in een verdere concentratie en daarmee herverdeling van het goederenvervoer over deze goederenspoorlijnen. Het standpunt van de minister om van de aanleg van de noordtak af te zien betekent derhalve een streep door die herverdeling en ontvlechting en het verlies van het bijkomende voordeel van de nieuw aan te leggen exclusieve goederenspoorlijn dat deze door veel minder drukbewoonde gebieden kan worden geleid. De minister zal voldoende middelen moeten uittrekken om de negatieve gevolgen van het niet aanleggen van de NOV voldoende te beperken en zich daarbij niet te baseren op in feite verouderde regelgeving of het ontbreken van regelgeving, zoals bij onveiligheid bij overwegen, trillingen en exteme veiligheid. Mijn fractie heeft een aantal vragen aan de minister. Klopt het dat Duits onderzoek heeft uitgewezen dat het aantal sporen ontoereikend is om het personenverkeer en het goederenverkeer vanuit Nederland richting Duitsland te verwerken en dat de procedures voor de trajectkeuzen voor de diverse delen nog niet door de Duitse overheden gestart, resp. afgerond zijn? Heeft de minister reeds een beeld van de mogelijke extra maatregelen en kosten die moeten worden gemaakt om goed uitgewerkte rampenplannen en mogelijke voorzieningen te creëren, zoals extra wachtsporen, tunnels en bruggen om de risico's van mogelijke ongevallen te beperken?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.1.29">Voorzitter! Mijn laatste onderwerp betreft het openbaar vervoer. In de NRC van 22 januari jl. wordt onder de kop "De overrompeling van een busbedrijf" gesteld dat de marktwerking in het openbaar vervoer, althans in het Noorden van ons land, volstrekt is mislukt. Met name het niet-stedelijke gebied wordt hiervan meestal de dupe! De minister heeft hierop in het antwoord op vragen vanuit de Tweede Kamer inmiddels gereageerd. Mijn fractie plaatst dan ook vraagtekens bij de door sommige partijen zozeer bepleite voortgang van de privatisering. Met name natuurlijke monopolies, zoals de openbare nutsbedrijven, laten zien dat marktwerking in de praktijk op moeilijkheden kan stuiten. Lovers en de eerdergenoemde perikelen met het busbedrijf Arriva in het Noorden getuigen daarvan. Vandaar dat ik de minister vraag of zij van oordeel is dat de invoering van marktwerking in het openbaar vervoer via de invoering van openbare aanbesteding de totstandkoming van een klantvriendelijke benadering zal bevorderen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.2.1">Mijnheer Lemstra, met uw maidenspeech in dit huis hebt u de zoveelste stap in uw carrière gezet. Die carrière begon zeer vroeg: reeds op vijftienjarige leeftijd begon u als volontair op de gemeentesecretarie van Bierum in Groningen. Dat was het begin van een schitterende carrière in de openbare dienst, waar u inmiddels 49,5 jaar hebt gewerkt. Als gemeentesecretaris van Amsterdam was u belast met de coördinatie van de inhuldiging van de Koningin; voorwaar geen eenvoudige opgave, maar wel een van de fraaie hoogtepunten in uw werk. Als secretaris-generaal van het toenmalige ministerie van CRM hebt u in vier jaar tijd drie ministers bediend, te weten: André van der Louw, Hans de Boer en Elco Brinkman. Daarna was u secretaris-generaal van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne. Uw fascinatie voor de secretaris-generaal heeft ertoe geleid dat u vervolgens op dat onderwerp in Groningen bij prof. Vis, onze oud-collega in dit huis, bent gepromoveerd. Daarna werd u burgemeester van Hengelo. Over twee weken zullen wij nader over dat onderwerp spreken, maar het lijkt mij zeer verstandig dat u dan geen woordvoerder zult zijn omdat u zich daar als burgemeester al vrij intensief mee heeft bemoeid. Kennelijk bang dat u op uw vijfenzestigste niets meer zou doen, hebt u tijdig de bakens verzet en bent u volgens uw curriculum vitae voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen geworden. Na uw proefschrift werd u ook nog parttime hoogleraar in Twente voor het onderwerp waarover u zojuist sprak, namelijk de publiek-private samenwerking. Ook uw nevenfuncties zijn interessant. Ik zeg wel eens: "Zeg mij wat uw nevenfuncties zijn en ik zal u zeggen wie u bent." Uw fraaiste vind ik wel het voorzitterschap van het Interkerkelijk Justitiepastoraat.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.2.2">Ik wil u graag gelukwensen met uw maidenspeech en wens u een zeer interessante tijd in dit huis toe. Ik schors de vergadering voor een moment om uw collega's de gelegenheid te geven u geluk te wensen.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-773-816.1.2.3.1">De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Leunissen" MPid="03172" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2008-12-16" topic="Inburgeringsvoorzieningen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20082009-750-759.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20082009-750-759.1.7" which-speech-in-topic="6" number-of-paragraphs="15" number-of-words="2012" number-of-unique-words="785" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Cultuur en recreatie <pm:entity> Cultuur</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Staatsrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Migratie en integratie <pm:entity> Immigratie</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Huijbregts-Schiedon" MPid="03146"/>
                <speaker name="Thissen" MPid=""/>
                <speaker name="Meurs" MPid="03158"/>
                <speaker name="Kuiper" MPid=""/>
                <speaker name="Meulenbelt" MPid="03019"/>
                <speaker name="Leunissen" MPid="03172"/>
                <speaker name="Yildirim" MPid="03178"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Leunissen, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20082009-750-759.1.7" speaker="Leunissen" party="CDA" function="De heer" title="De heer Leunissen  (CDA)" MPid="03172">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1" speaker="Leunissen" function="De heer" MPid="03172">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Leunissen (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Leunissen</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.2">Voorzitter. Ook de CDA-fractie wil de minister van harte feliciteren met zijn benoeming. Wij wensen hem veel succes toe. Ik hoop dat uit mijn verhaal ook een beetje zal blijken waarom wij dit zo belangrijk vinden.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.3">De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat de wijziging van de Wet inburgering, eerste tranche, in haar opzet een vereenvoudiging en tegelijk een verbetering biedt van de vigerende wet. De gemeenten vonden de Wet inburgering te complex om goed te kunnen uitvoeren. De minister is voortvarend te werk gegaan en heeft de gemeenten al geïnformeerd. Ook heeft hij, vooruitlopend op de aanvaarding van de voorliggende wijzigingsvoorstellen en de inwerkingtreding van de nieuwe wet, gemeenten in staat gesteld, alle inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening aan te bieden, die deel uitmaakt van het Deltaplan Inburgering.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.4">Deze wijziging heeft het karakter van reparatiewetgeving. Het nu voorliggende wetsvoorstel beoogt concreet het college van B en W de mogelijkheid te geven om iedere inburgeringsplichtige een inburgeringscursus aan te bieden. Het wijzigingsvoorstel dat voorligt, geeft ook gevolg aan de motie-Sterk en maakt het inburgeringsplichtigen die van het college een aanbod van een inburgeringsvoorziening ontvangen mogelijk, direct voor het staatsexamen te gaan. Dit past bij de wens in het coalitieakkoord om inburgeraars, als zij daartoe de capaciteit hebben, direct op een hoger niveau te laten inburgeren.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.5">Het taalonderwijs en het onderwijs met betrekking tot de cultuur van het land van vestiging bepalen in hoge mate een succesvolle integratie. Het al of niet aanvaarden van een passend aanbod door de inburgeringsplichtigen, met name mensen die werk zoeken op de arbeidsmarkt en ouders die jongere kinderen opvoeden, is van uitermate groot belang. Bij deze categorieën inburgeringsplichtigen is een succesvolle inburgering cruciaal, zowel voor de mensen zelf als voor de maatschappij. De CDA-fractie is dan ook van mening dat de mogelijkheid voor gemeenten om aan inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening op te leggen snel in werking moet treden.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.6">Het realiseren van een succesvolle inburgering, onder andere door middel van het volgen van deze cursus, komt volgens onze fractie ook ten goede aan alle andere categorieën inburgeringsplichtigen. De voorgestelde prioritering door gemeenten met betrekking tot het aanbieden van de cursus is een praktisch gegeven voor onze fractie, maar moet niet leiden tot grote aantallen vrijstellingen. Een vrijstelling treft namelijk meestal direct de inburgeringsplichtige zelf in zijn of haar sociaal leven en in zijn of haar perspectieven binnen Nederland.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.7">"Het gaat hier om het wel of niet kunnen meedoen in de samenleving. Het proces van sociale verheffing gaat niet vanzelf. Naast rechten brengt dit ook verplichtingen en verantwoordelijkheden met zich mee, zowel voor individuen zelf als voor de Nederlandse overheid", zo stelt wethouder Schrijver van Rotterdam. De CDA-fractie vindt dat voorkomen moet worden dat hierbij het gezegde van toepassing wordt, dat zachte heelmeesters stinkende wonden maken. De gemeenten moeten onzes inziens dan ook de mogelijkheid hebben om sancties toe te passen. Welke voorstellen heeft de minister voor de gemeenten om de handhavingsplicht ten aanzien van het volgen van de inburgeringsvoorziening te realiseren?</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.8">Hoe staat het met de invoeringsdatum van de bestuurlijke boete als sanctiemaatregel voor mensen die een inburgeringscursus hebben aanvaard, maar deze niet daadwerkelijk volgen? Dit betreft artikel 30 van de Wet inburgering. Leidt gedogen niet tot een ongewenst signaal? Zou ook verlenging van de verblijfsvergunning niet deels afhankelijk gemaakt moeten worden van het slagen voor het inburgeringsexamen of op zijn minst van de inspanningen die de inburgeraar daartoe levert? Is in het algemeen bij de inburgeringscursus enige prestatiedruk aan de orde, zowel wat betreft het niveau van eindtermen dat nadrukkelijk moet zijn afgestemd op een succesvolle inburgerings- of participatiemogelijkheid, als wat betreft de tijdspanne tussen aanmelding en examen, indien mogelijk, met betrekking tot kennen en kunnen van het individu? Is de minister het hiermee eens?</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.9">In de wetswijziging wordt voorgesteld om bij de inburgeringscursus maatwerk te leveren dat via een of meerdere intakegesprekken met de inburgeraar wordt vastgesteld. Dat is een heel belangrijke activiteit, maar is een adequaat intakegesprek haalbaar? Het is niet in de wet geregeld, maar het is in het onderliggende Besluit inburgering wel een verplichting. In de praktijk blijkt dit moeilijk uitvoerbaar. Termijnen van zestien weken werden gerapporteerd om tot een doelgroepbepaling te komen. Het gemeentelijke uitvoeringsproces blijkt complex georganiseerd te zijn, zoals blijkt uit de brief van de minister voor WWI van 13&#160;mei 2008 over het Deltaplan Inburgering. Hoe denkt de minister deze praktische uitvoeringsproblemen ter hand te nemen, denkend aan de grote steden? Ondanks het op zichzelf goede idee om een aanjaagteam in te stellen blijken deze problemen toch weerbarstig te zijn. De CDA-fractie vindt het een goede zaak dat gemeenten in staat worden gesteld om maatwerk te leveren. De vraag is echter hoe de handhaving geregeld wordt, met name bij grote gemeenten.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.10">Hoe kan ervoor worden gezorgd dat roc's en andere aanbieders de cursus op een kwalitatief aanvaardbaar niveau aanbieden? Een kwaliteitskeurmerk zou in dezen aanbevelingswaardig zijn. De CDA-fractie voelt niets voor een eventuele neerwaartse bijstelling van de eindtermen om het succespercentage op te vijzelen, zoals weleens is geopperd. Het uitgangspunt van de cursus moet zijn dat de mensen daadwerkelijk kunnen inburgeren en kunnen participeren aan alles wat dit land te bieden heeft: werk, sociaal leven en dergelijke. Willekeur in de kwaliteit van de inburgeringscursus is naar ons oordeel onaanvaardbaar. Wat is de opvatting van de minister hierover?</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.11">Een tweede probleem betreft het adequaat traceren van inburgeringsplichtigen in de praktijk, gelet op de grote mobiliteit binnen deze groep. Voor de grote gemeenten is dit probleem nog pregnanter. Heeft men zicht op welke mensen in aanmerking komen voor de cursus? Zijn deze mensen bijvoorbeeld in het GBA-systeem of anderszins geregistreerd, waarbij ook rekening is gehouden met hun mobiliteit? Ook extra inzet van menskracht middels aanjaagteams, zoals voorzien in de grote steden, zal dit probleem van het traceren van inburgeringsplichtigen niet echt oplossen, zodat een grote mate van variatie dreigt in het behaalde resultaat in dezen. De cijfers uit ISI, het Informatiesysteem Inburgering, komen niet overeen met het beeld dat naar voren komt uit gesprekken van medewerkers van het aanjaagteam met gemeenten. In deze gesprekken worden door gemeenten hogere aantallen inburgeraars genoemd. Te grote variatie tussen gemeenten in het traceren van inburgeringsplichtigen is onacceptabel voor onze fractie. Wat gaat de minister hieraan doen?</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.12">Denkt de minister voldoende financiële middelen te hebben om de naar boven bijgestelde targets te realiseren? Ik vraag dit mede gelet op de grote toename van de kinderopvangtoeslag en in het licht van de financiële crisis waarin wij ons bevinden. De minister geeft weliswaar aan dat er in de periode van 2008 tot en met 2011 wordt ingezet op een volumevergroting, maar een financiële dekking wordt niet gegeven. Kan de minister ons op dit punt geruststellen? Het wetsvoorstel participatiebudget, dat tot doel heeft om de financiële middelen van re-integratie, educatie en inburgering te bundelen, ziet mijn fractie niet als een directe oplossing in absolute zin.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.13">Meten is weten. Daarom is het goed dat wij inzicht hebben gekregen in de prestaties van de gemeenten over het jaar 2007 en de eerste helft van 2008. Er is sprake van een forse toename in de eerste helft van 2008 ten opzichte van 2007 van de verplichte inburgering en de vrijwillige inburgering met betrekking tot de aangeboden voorzieningen. Extrapolatie laat deze getallen stijgen tot 30.000 inburgersprogramma's in 2008. De overeengekomen target voor 2009 is 47.000 inburgeringsvoorzieningen per jaar. Er wordt nu zelfs gesproken over targets van 60.000 inburgeringsvoorzieningen. Een kritische beschouwer constateert echter dat geen informatie wordt gegeven over het percentage voortijdige uitval en het aantal geslaagden ten opzichte van het aantal potentiële kandidaten. Ook krijgen wij geen informatie over de verdeling binnen de grote versus de kleinere gemeenten. Wat is de voorlopige sociaaleconomische spin-off of, in wetenschappelijke termen, valorisatie van dit beleid? Allemaal belangrijke informatie, ter nadere analyse en overweging, om van deze wetswijziging een succes te maken. Kan de minister ons hier nader over informeren?</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.14">Het gaat hierbij om een numeriek substantiële en belangrijke groep mensen die wij voor hun eigen kansen in Nederland, maar ook voor het maatschappelijke belang een optimale kans op een succesvolle inburgering en participatie willen bieden. Wij zullen dan ook op een nader te bepalen datum in de nabije toekomst, naar aanleiding van de tweede tranche wijziging inburgeringswet of in een beleidsdebat integraal terugkomen op het integratiebeleid.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.15">De CDA-fractie heeft zich vandaag beperkt tot de wijziging van de Wet inburgering, maar onderstreept de noodzaak om te komen tot een integrale beschouwing met als resultaat het vaststellen van instrumenten die leiden tot de gewenste resultaten. De huidige wetgeving met wijzigingsvoorstellen heeft meer een gelijkenis met een lappendeken, waarop slechts een gebrekkige implementatie kan volgen.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.1.16">Wij zijn benieuwd naar de beantwoording van de minister van de door ons gestelde vragen en naar de oplossingen voor de door ons genoemde problemen, waarvoor wij de minister nu al willen bedanken.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.2.1">Mijnheer Leunissen, van harte proficiat met uw maidenspeech. U fronst, kijkend naar het klokje. U bent inderdaad over uw tijd heengegaan, maar u belooft nu natuurlijk dat dit de eerste en de laatste keer was.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.2.2">Dit was uw eerste plenaire optreden, maar het betreft een aangelegenheid met meer eerste keren, want wij hebben zojuist een nieuwe minister voor het eerst officieel welkom geheten in ons huis. Ik hoop niet alleen voor de minister, maar ook voor u dat het de eerste keer van vele zal zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.2.3">Totdat u als lid van de fractie van het CDA toetrad tot de Eerste Kamer was u ruim vijf jaar lid van de gemeenteraad van Eijsden. U hebt dus de voor onze Kamer zo belangrijke wortels in het lokale bestuur. Dit is van belang vanuit het oogpunt van – u refereerde er al aan in uw inbreng – handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid in de dagelijkse praktijk. Voor uw politieke partij bent u ook anderszins actief, provinciaal, want u bent sinds 2003 lid van het bestuur van het CDA-Limburg.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.2.4">Maar uw loopbaan heeft zich steeds vooral voltrokken in de wereld van de geneeskunde en de gezondheidszorg. U bent – ik kan het niet anders zeggen – een gerenommeerd internist en nefroloog. U mag later aan iedereen uitleggen wat dat laatste precies is. Aan de Universiteit van Maastricht bent u sinds 1998 hoogleraar interne geneeskunde en u vervulde en vervult vele wetenschappelijke functies, nationaal en internationaal. Zo was u, maar u heeft veel meer gedaan, onder andere vijf jaar President van The International Society of Blood Purification. Dat lijkt mij buitengewoon interessant...</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.2.5">U verzorgde honderden wetenschappelijke publicaties op het gebied van nefrologie. Als wij uw cv mogen geloven – en dat doen wij uiteraard – dan gaf u meer dan 250 "invited lectures" op internationale congressen en symposia. Ik wil niet onvermeld laten dat u sinds 2006 stafdirecteur zorginnovatie opleidingen, kwaliteit en veiligheid bent van het academisch ziekenhuis in Maastricht; centrale aandachtspunten in onze gezondheidszorg, die met enige regelmaat onderwerp vormen van politiek debat. Uw medische expertise is dus ongetwijfeld van toegevoegde waarde in onze Kamer.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.2.6">Maar u beperkt zich daar niet toe. Alleen al uw inbreng van vandaag met betrekking tot de inburgeringsproblematiek geeft blijk van een brede belangstelling en inzet. Eerder dit jaar leverde u een inbreng bij de behandeling van het Groenboek migratie en mobiliteit: uitdagingen en kansen voor Europese onderwijssystemen. U drong daarbij aan op regionaal maatwerk voor de opvang en begeleiding van migrantenleerlingen in plaats van het in het Groenboek voorgestane Europese confectiewerk.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.2.7">Van meer recente datum was uw bijdrage aan de behandeling van de voorstellen van de Europese Commissie voor een strategisch Europees kader voor internationale samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie. Hierbij drong u aan op een veel gedegener uitwerking van de problemen rondom intellectueel eigendom, gegeven de verschillen in wetgeving tussen de lidstaten van de EU met betrekking tot hoger en universitair onderwijs.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.2.8">Mijnheer Leunissen, u bent dus van vele markten thuis. De Kamer weet zich verrijkt met uw kennis, met uw kunde en ik wens u van ganser harte succes toe met al uw werkzaamheden hier. Ik schors de vergadering voor een enkele minuut om onze collega te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.3">
                        <p docno="h-ek-20082009-750-759.1.7.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Leunissen, van harte proficiat met uw maidenspeech. U fronst, kijkend naar het klokje. U bent inderdaad over uw tijd heengegaan, maar u belooft nu natuurlijk dat dit de eerste en de laatste keer was.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Meeter" MPid="02802" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1997-12-22" topic="Splitsing rechtspersonen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19971998-611-617.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19971998-611-617.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="12" number-of-words="1983" number-of-unique-words="708" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Burgerlijk recht</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Meeter" MPid="02802"/>
                <speaker name="Sorgdrager" MPid="01622"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Meeter" MPid="02802"/>
                <speaker name="Sorgdrager" MPid="01622"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef nu het woord aan de heer Meeter. Ik maak de leden van de Kamer erop attent dat hij zijn maidenspeech in deze Kamer zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19971998-611-617.1.3" speaker="Meeter" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Meeter  (PvdA)" MPid="02802">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.1" speaker="Meeter" function="De heer" MPid="02802">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Meeter (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Meeter</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.1.2">Mijnheer de voorzitter! Over de vorige week door deze Kamer als hamerstuk aanvaarde Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen heeft Van der Burg, voorzitter van de commissie van Justitie in de Tweede Kamer, gezegd dat het goed is om aan belangrijke wetsvoorstellen die een lang voorbereidingstraject hebben gehad, ook plenair enige aandacht te geven. Waarom hij en de hele Tweede Kamer dat met betrekking tot dit wetsvoorstel, dat betrekking heeft op de splitsing van rechtspersonen, niet heeft gedaan, is mij niet duidelijk. In de eerste plaats lijkt dit wetsvoorstel mij belangrijker. De Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen is niet meer dan een misbruikwetje met een beperkt bereik, maar het onderhavige wetsvoorstel voegt een belangrijk instrument toe aan de gereedschapskist van de vennootschapsjurist.</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.1.3">Wat het voorbereidingstraject betreft: het wetsvoorstel is op 26 april 1996 aangeboden aan de Tweede Kamer, maar de voorbereiding moet al veel eerder begonnen zijn. De zesde Europese richtlijn, die de splitsing regelt, dateert immers van 1982. Waarom is er pas nu een wetsvoorstel? De splitsingsrichtlijn houdt weliswaar niet in dat de nationale wetgeving met de richtlijn in overeenstemming moet worden gebracht, maar intussen hebben elf van de twaalf lidstaten die tot voor kort de EG vormden, de regeling ingevoerd. Alleen Nederland heeft dat nog niet gedaan. Denkend aan recente voorbeelden als Griekenland en Europol heeft het er de schijn van dat Nederland – deze minister? – rijkelijk traag is in het Europese circuit, ook al heeft zij dit jaar een goede eindsprint. Is Nederland niet uitermate laat met reacties op Europese verdragen of op richtlijnen gebaseerde wetsvoorstellen?</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.1.4">Ook kijkend naar het Nederlandse circuit is er aanleiding voor urgentie. Het bedrijfsleven wil nu eindelijk wel eens gebruik maken van de techniek van het splitsen van een vennootschap. Veertien dagen geleden vroeg het Algemeen Dagblad zich nog af of de datum van 1 januari voor de Splitsingswet gehaald zou worden. Vendex en KPN willen zichzelf per die datum opsplitsen, respectievelijk in een detailhandelconcern en een uitzendbureau en in een telecompoot en de post. Zij zullen moeten wachten tot 1 februari. Die datum wordt alleen nog maar gehaald omdat van deze Kamer een meer dan redelijke spoed wordt gevraagd.</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.1.5">Over de datum van 1 februari heb ik nog een vraag aan de minister. Zij heeft schriftelijk geantwoord dat de fiscale regeling die later in werking zal treden, tot de datum van 1 februari zal terugwerken. Dat lijkt geruststellend, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat van de splitsing gebruik wordt gemaakt zolang nog niet vaststaat wat de fiscale regeling inhoudt. Mijn vraag is dan ook of het te verwachten is dat het fiscale wetsvoorstel op 1 februari althans de Tweede Kamer zal zijn gepasseerd. Anders zullen KPN en Vendex nog langer moeten wachten. Ik neem wel aan dat de minister er zorg voor zal dragen dat de wet nog dit jaar in het Staatsblad wordt geplaatst, zoals KPN en Vendex hebben gevraagd.</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.1.6">In ieder geval zal van de splitsingsmogelijkheid sneller gebruik worden gemaakt dan van het spiegelbeeld, de fusie. Dat instrument is in de eerste jaren na het tot stand komen van de wet niet of nauwelijks gebruikt. De praktijk moest kennelijk wennen aan de techniek en misschien ook aan de overschakeling van de wijze waarop het tot nu toe gebeurde naar de wijze waarop het nu ook kan. Het kan nu ook door middel van een overgang onder algemene titel van alle vermogensbestanddelen. Het bedrijfsleven staat in dit geval, bij de tegenhanger van de splitsing, te trappelen om tot reorganisatie binnen concernverband te komen. Tot die reorganisatie kan men komen door verkoop van die delen die gesplitst of afgesplitst zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.1.7">Mijnheer de voorzitter! Wat is de essentie van dit wetsvoorstel? In artikel 2:5 van het Burgerlijk Wetboek staat dat een rechtspersoon wat het vermogensrecht betreft gelijk is aan een natuurlijk persoon, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Natuurlijke personen, mensen van vlees en bloed, kunnen zich niet splitsen. Rechtspersonen kunnen dat wel, als dit wetsvoorstel wet is. Rechtspersonen zijn dan tot iets in staat dat natuurlijke personen niet kunnen. Dat met rechtspersonen nog weer creatiever kan worden omgesprongen, in aansluiting op de wettelijke regelingen over de juridische fusie en de omzetting van rechtspersonen, is de winst van deze wettelijke regeling. Het aantal knutselmogelijkheden is met één verrijkt. Het is de vraag of het splitsingsinstrument niet aan meer personen zou moeten toekomen dan aan de Boek 2 BW-rechtspersonen. De minister kan er met enige tevredenheid op wijzen dat met het wetsvoorstel het bereik groter is dan van de richtlijn, waarin toepasselijkheid beperkt is tot besloten en naamloze vennootschappen. Het antwoord op de schriftelijk gestelde vraag of niet ook personenorganisaties en lagere publiekrechtelijke rechtspersonen binnen het bereik van de regeling moeten komen, is niet erg overtuigend. Vrij vertaald is het antwoord dat eerst ervaring moet worden opgedaan met de splitsing van Boek 2 BW-vennootschappen. Doch juist bij privatisering van, bijvoorbeeld, een afdeling van een gemeente lijkt toepassing voor de hand te liggen. Prof. Raaijmakers, uitvoerig genoemd door de heer Holdijk, bepleit een dergelijke uitbreiding. Kennelijk is hij, als ik het betoog van de heer Holdijk volg, zijn tijd opnieuw vooruit. Het antwoord in de memorie van toelichting dat lagere overheden zich bij privatisering kunnen laten leiden door de splitsingsvoorschriften doet niet erg overtuigend aan. De voordelen van de regeling moeten zij dan immers ontberen.</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.1.8">Ik stel nog twee vragen. Het zijn beide detailvragen, die misschien schriftelijk gesteld hadden moeten worden. De behandeling van het wetsvoorstel is echter versneld. Bovendien waren deze vragen nog niet opgekomen toen de mogelijkheid tot schriftelijke vragen openstond. Beide zijn praktijkvragen.</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.1.9">De eerste vraag is betrekkelijk eenvoudig. In de wetstekst, bijvoorbeeld de artikelen 334g en 334h, wordt gesproken over de vastgestelde jaarrekening. In de praktijk heeft men zich afgevraagd of niet bedoeld is de door de algemene vergadering van aandeelhouders goedgekeurde jaarrekening en dus niet de door het bestuur respectievelijk de raad van commissarissen vastgestelde jaarrekening.</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.1.10">De tweede vraag betreft de zekerheden verbonden aan het door een bank aan de splitsende vennootschap verstrekt rekeningcourant krediet in de situatie dat het bankkrediet wordt toegekend aan vennootschap A, terwijl de tot zekerheid verbonden goederen, geheel of gedeeltelijk, worden gesplitst naar vennootschap B. Op deze materie is ingegaan in de nota naar aanleiding van het verslag, stuk nr. 6, naar aanleiding van vragen van de SGP-fractie en de discussie in de Vereeniging handelsrecht. Als ik het goed zie, is er op één punt nog geen helderheid, namelijk de vraag of het pandrecht op voorraden die van de splitsende vennootschap naar vennootschap B zijn overgegaan, mede omvat nieuwe door vennootschap B als eerste te verkrijgen voorraden. Het bankkrediet is overgegaan op vennootschap A, maar het oorspronkelijke pandrecht was gevestigd voor huidige en toekomstige voorraden. De vraag is dan of de nieuwe voorraden van vennootschap B automatisch vallen onder het pandrecht van de bank voor de op vennootschap A overgegane rekeningcourantverhouding. Dat zou dan niet alleen gelden, zo heb ik begrepen, voor het rekeningcourantsaldo per splitsingsdatum, maar ook nog voor de ruimte die er is tussen het rekeningcourantsaldo per splitsingsdatum en de kredietlimiet per splitsingsdatum. Vennootschap A zou dus als het ware de extra kredietruimte mogen opsouperen, met als zekerheid voor de bank de goederen die naar vennootschap B zijn gegaan. In dat geval lijkt het voor de bank zinnig als ook de nieuwe voorraden van vennootschap B eronder zouden vallen, maar als dat inderdaad het geval zou zijn, is de vraag hoe lang dan de indirecte band tussen de vennootschappen A en B blijft bestaan.</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.1.11">Ik had eigenlijk niets willen zeggen over de splitsing vanuit faillissement, dus het geval dat de afsplitsende vennootschap failliet is. Het antwoord op een over die situatie gestelde schriftelijke vraag leek namelijk afdoende. Echter, nu ik hier op deze mooie plek sta en er ook voor het eerst sta, wil ik er toch iets over zeggen. Het gaat om de afsplitsing van de activa van een failliete vennootschap naar een nieuwe vennootschap, waartegenover de aandelen van die nieuwe vennootschap worden toegekend aan de curator van de afsplitsende failliete vennootschap. De minister heeft haar best gedaan om de curator dit instrument te geven. Er zijn een aantal artikelen ter bescherming van crediteuren op die situatie niet van toepassing verklaard. Het gaat hier om artikel 334b, lid 7. Helaas is dat echter niet voldoende. Zoals uit de schriftelijke voorbereiding blijkt, betreft dat met name artikel 334t. Dit artikel bepaalt dat de afgesplitste vennootschap aansprakelijk blijft tegenover de crediteuren van de failliet gegane vennootschap. Dat maakt de verkoop van de aandelen van de afgesplitste vennootschap, dunkt mij, illusoir.</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.1.12">Het antwoord van de minister was dat dan maar ontslag uit die aansprakelijkheid met de schuldeisers moet worden afgesproken. Echter, bij een beetje vennootschap – en dan hoef ik niet eens te denken aan Fokker met z'n duizenden crediteuren – is dat natuurlijk niet mogelijk. Naar mijn mening ligt hier dan ook een gemiste kans. De zekerheid die artikel 334t aan crediteuren biedt, zouden crediteuren hebben in het feit dat de opbrengst van de aandelen door de curator onder diens toezicht volgens de regels van de Faillissementswet onder hen verdeeld zou worden.</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.1.13">Mijnheer de voorzitter! Met hoeveel interesse de leden van mijn fractie en ik in het bijzonder ook uitzien naar het antwoord van de minister op de gestelde vragen, zij zullen hun stem ten gunste van het wetsontwerp daar niet van laten afhangen. Met de minister zijn zij van mening, dat nu eerst maar eens ervaring moet worden opgedaan met het splitsingsinstrument. Om met prof. Timmerman, voorzitter van de Vereeniging "Handelsrecht", te spreken – hij citeert Faust van Goethe –: "Die Worte sind genug gewechselt, laszt mich endlich Taten sehn." Het voorstel moet nu maar worden aanvaard. Op zijn Rotterdams: Geen woorden maar daden.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.2.1">Ik complimenteer de heer Meeter gaarne met zijn maidenspeech. Hij eindigde met een Rotterdams citaat. Hij is ook een Rotterdammer vanaf het begin van zijn bestaan tot vandaag, met alleen een korte onderbreking toen hij in Amsterdam de universiteit bezocht. Maar hoe kon het ook anders? De Erasmusuniversiteit was nog niet opgericht. Er was in die tijd nog maar een economische hogeschool.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.3" speaker="Meeter" function="De heer" MPid="02802">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Meeter (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Meeter</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.3.2">Daar was ik toch niet heengegaan, voorzitter!</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.4.1">Daarna was hij advocaat in Rotterdam, vanaf het begin van zijn werkzame leven tot op de dag van vandaag. Als zodanig heeft hij zijn sporen verdiend, heel in het bijzonder in het insolventierecht. Hij was bewindvoerder van onder andere RSV en curator van DAF. Daarmee is dan ook de affiniteit gegeven met het onderwerp dat hij vandaag besproken heeft.</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.4.2">Splitsing van vennootschappen heeft daarmee ten nauwste te maken. Wanneer je bewindvoerder bent geweest van grote concerns als ik zojuist noemde, is de materie – het bleek uit de inbreng van de heer Meeter – je zeer vertrouwd. Hoe zijn de onderlinge verhoudingen? Het bleek uit de, leek mij, vrij lastige vraag die hij op dit punt over bankkrediet en pandrecht aan de minister heeft gesteld. Ik wacht het antwoord daarop ook vol belangstelling af.</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.4.3">Ik heb zelf het voorrecht gehad nauw samen te werken met een van de confrères van de heer Meeter, de heer Ophof, bij de bewindvoering van het OGEM-concern. Ophof noemde dat het onttakelen van het concern. Hij vergeleek dat met de onttakeling van een kerstboom. Na afloop van die onttakeling is het geheel als zodanig verdwenen, maar er blijven allerlei waardevolle onderdelen over. VoorzitterDie kan men bewaren voor de toekomst. Die hebben ook nog een toekomst. Ik voeg eraan toe, dat men de splitsing tijdiger kan doen plaatsvinden door niet te wachten op de bewindvoerder. In zoverre heeft de heer Meeter er in zijn maidenspeech aan meegewerkt, dat er in de toekomst misschien toch iets minder brood is voor de bewindvoering, als men maar tijdig naar het middel van de splitsing grijpt. Het is in hem te prijzen dat hij reeds nu heeft verklaard dat hij, ongeacht het antwoord van de minister, zijn stem aan het voorstel zal geven.</p>
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.4.4">Mijn gelukwensen!</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.5">
                        <p docno="h-ek-19971998-611-617.1.3.5.1">De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Noten" MPid="03018" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2004-01-20" topic="Algemene Zaken" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-618-623.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-618-623.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="17" number-of-words="2255" number-of-unique-words="783" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Noten" MPid="03018"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer Noten voor zijn maidenspeech.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-618-623.1.2" speaker="Noten" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Noten  (PvdA)" MPid="03018">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1" speaker="Noten" function="De heer" MPid="03018">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Noten (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Noten</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.2">Voorzitter. Ik zal het u eerlijk bekennen: bij het voorbereiden van mijn maidenspeech had ik regelmatig last van een zenuwtoeval. Dat zou iets te maken kunnen hebben met de geschiedenis van dit huis en het illustere gezelschap waarvoor ik deze toespraak mag houden. Ik vermoed echter dat het vooral iets te maken heeft met het onderwerp. Het is immers een buitengewoon ingewikkeld en risicovol onderwerp dat uitnodigt tot zwijgen. Waarom voelen wij ons zo onzeker bij zoiets als het WRR-rapport "Normen en waarden en de last van het gedrag"? Het is natuurlijk erg gemakkelijk om cynisch te zijn en er woordgrappen over te maken. Het is ook niet zo moeilijk om mensen met bepaalde standpunten te beschuldigen van intolerante fatsoensrakkerij. Er is al snel sprake van politiek opportunisme en dat alles onder het oog van de genadeloze media.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.3">Toen ik mij dit alles realiseerde, had ik bijna de neiging om te zeggen: laat een ander het maar doen. Het onderwerp "normen en waarden" hoort echter thuis in de traditie van de sociaal-democratie. Wij zijn de uitvinders van de blauwe knoop. Ien Dales riep op tot een integere overheid en nog maar twee jaar geleden maakte ik mij druk in de campagne tegen de hufterigheid. Volgens mij hoort dit onderwerp ook thuis in de politieke arena. Ik kan mij niet voorstellen dat een politicus in staat is om zijn politieke idealen op een onpersoonlijke en waardevrije wijze uit te dragen. Het is geen digitaal beroep, je doet het omdat je gedreven wordt door je eigen waarden. Dat is naar mijn gevoel de essentie van het vak. Het is in ieder geval een van de redenen waarom ik politicus ben.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.4">Er is dus aan de ene kant het risico van het opportunisme en het gemak waarmee het onderwerp kan worden afgedaan en aan de andere kant is er het gegeven dat het onderwerp thuishoort in onze traditie. Met het oog op het laatste wil ik dit onderwerp toch maar bespreken vandaag.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.5">Een tweede vraagstuk bij het voorbereiden van mijn speech was dat mijn hoofd vol zat met gedachten en one-liners, maar niet of nauwelijks met structuur. Het was heel lastig voor mij om helder voor ogen te krijgen waar het precies om gaat als wij spreken over normen en waarden. Dat is ook logisch, want wij leven in een pluriforme samenleving. Dat is niet alleen een feit, het is zelfs het vertrekpunt voor een democratische rechtsstaat dat die pluriformiteit wordt gerespecteerd. Hierbij is een legitimeringsvraag aan de orde: op grond waarvan ben ik in een pluriforme samenleving gerechtigd om bepaalde waarden boven andere te stellen? Wij zijn absoluut niet streng in ons begrippenkader als het gaat om normen en waarden. Het rapport van de WRR helpt ons daar overigens bij door onderscheid te maken tussen de publieke en private moraal. Afgelopen zaterdag hoorde ik een debat op de radio waaraan onder andere Jeltje van Nieuwenhoven en Gerda Verburg deelnamen. De woorden "normen" en "waarden" vlogen in een duizelingwekkend tempo door de ether. Binnen een paar tellen wist ik niet meer waarover het ging. Het klonk heel indrukwekkend, maar ik wist niet meer waarover het ging. Met andere woorden: het gebrek aan strengheid bij het hanteren van dit soort begrippen maakt het moeilijk om daarop beleid te ontwikkelen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.6">Een derde probleem dat ik signaleer, noem ik maar het probleem van het glazen huis. Ik leg nu een verbinding met het ongevraagde advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur en het rapport van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Wij zouden ons moeten aantrekken wat daarin naar voren wordt gebracht en dan doel ik op de wurggreep waarin media en politiek elkaar vasthouden; de onderlinge afhankelijkheid die steeds groter wordt. Uiteindelijk wordt het fenomeen geïntroduceerd van de mediademocratie die ons om allerlei redenen verleidt tot emotiepolitiek. Een mediademocratie die ons verleidt om vaak te snel en onvoldoende onderbouwd stellingen te nemen. Een mediademocratie die ons schijnbaar in staat stelt om een opvatting te hebben over een rapport van 2500 bladzijden nog voordat het is uitgebracht. Het überhaupt hebben van een opvatting is schijnbaar zo belangrijk dat de kwaliteit van die opvatting er minder toe doet.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.7">Dit brengt mij op de stelling dat die mediademocratie ons steeds meer verleidt tot emotiepolitiek. Emotiepolitiek maakt een overheid onvoorspelbaar. Een onvoorspelbare overheid wordt op termijn als onbetrouwbaar beleefd en een overheid die als onbetrouwbaar wordt beleefd, zal moeite hebben om haar gezag te handhaven in een discussie over normen en waarden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.8">De invloed van de media is echt groot. In vijf minuten tijd kunnen reputaties worden gebroken of partijen worden gelanceerd met 10 zetels. Ik weet dat het riskant is om dit hier te zeggen, maar ik ben van mening dat wij af moeten van de – misschien wel romantische – gedachte dat de media in deze tijd nog steeds in staat zouden zijn tot een onafhankelijke en objectieve nieuwsgaring. Is het niet zo dat die media langzaam maar zeker nieuws als product op de markt moeten brengen en dat de inhoud van dit nieuws uiteindelijk mede wordt bepaald door de vraag van de klant? Daarmee wordt de politieke agenda uiteindelijk afhankelijk van opkomende emoties in de samenleving.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.9">Toen ik dit betoog voorbereidde, meende ik eerst dat ik het zou moeten larderen met voorbeelden en er zijn voorbeelden genoeg. Wij hebben op dit moment de affaire-Oudkerk. Ik herinner verder aan de uitspraken van de burgemeesters Ter Horst en Leers over de integriteit van het ambtenarencorps en de proefballon over een kooi voor winkeldieven. Tijdens de discussie in de fractie merkte ik dat het erg moeilijk is om binnen een fractie tot dezelfde opvatting te komen over dit soort casussen. Dit is ook logisch, want bij de behandeling van dit soort casussen loopt de privé opvatting over moraal voor een belangrijk deel dwars door de publieke opvattingen over moraal. Dit kan ook niet anders, want wij zijn mens en politicus. Dit heeft mij ertoe gebracht om die casussen hier maar niet naar voren te brengen, want de kans dat ik dit op correcte wijze zou doen, is heel klein.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.10">Ik probeer hiermee te zeggen dat een deel van de complexiteit voortvloeit uit het feit dat een voor de hand liggende eenduidigheid in de opvattingen over moraal – een soort vanzelfsprekende logica – ontbreekt.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.11">Een andere invalshoek voor de discussie zou kunnen zijn dat de waarden van de overheid tot uitdrukking komen in het beleid dat zij voert. Je zou kunnen zeggen dat de waarden van de overheid tot uitdrukking komen in de wijze waarop wij een bijstandswet vormgeven, in de vraag of wij erin slagen de wachtlijsten in de zorg weg te nemen of een behoorlijke armoede- en daklozenbeleid te voeren. Als wij dat doen, lopen wij het risico dat de politieke discussies die vervolgens ontstaan, niet veel verder komen dan de gebruikelijke. Hooguit wordt daar een snufje morele superioriteit aan toegevoegd dat het debat alleen maar onaangenaam maakt in plaats van ons verder te helpen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.12">Maar als ik niet oppas, dan zal mijn betoog tot helemaal niets leiden. Ik heb nu wel een aantal onzekerheden en complexiteiten opgesomd, maar ooit moet je toch tot een conclusie komen. Ik kan in ieder geval niet de conclusie trekken – en ik hoop dat dit voor meer aanwezigen geldt – dat er nu behoefte is aan harde actie op het gebied van normen en waarden. Ik zie nu de volgende oplossing opdoemen: stevige waarden definiëren, vervolgens effectieve normen ontwikkelen, het zooitje implementeren en klaar! Ik denk dat dit niet werkt. Sterker nog, een dergelijke benadering vind ik een bedreiging van onze democratische rechtsstaat, want ze ontkent de ontwikkeling van waarden en de pluriformiteit van de samenleving.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.13">Natuurlijk, fatsoen moet je doen en individuen moeten in de publieke ruimte kunnen worden aangesproken. Dat kan goed met een fraai Postbus 51-beleid. Maar daar gaat het mij niet om, ik wil uiteindelijk toe naar de vraag welke interventies en acties wij plegen op het niveau van de publieke moraal zelf. Daarbij ga ik ervan uit dat waarden niet worden opgelegd – volgens mij is dat niet mogelijk met waarden – maar dat ze worden voorgedaan. Volgens mij zijn ze geen legitimering voor een normatieve en repressieve overheid, maar zijn ze – of zouden dat moeten zijn – een motor van de beschaving: waarden ontwikkelen zich en brengen ons verder. Met een dergelijk vertrekpunt zou ik op zoek moeten zijn naar waarden die ons als bestuurders en politici verbinden, niet naar waarden die ons scheiden – in dergelijk politiek handwerk zijn we immers aardig bedreven! En dat alles in de wetenschap dat de samenleving niet maakbaar is. Als politicus probeer ik dat feit zo veel mogelijk te ontkennen: de samenleving is niet maakbaar, maar ik vind haar wel maakbaar – als politicus leef ik met die paradox.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.14">Ik realiseer me dat het kabinet nog geen standpunt heeft over het WRR-rapport. Desondanks breng ik het onderwerp nu naar voren, omdat ik verwacht dat ik, als ik op dat kabinetsstandpunt wacht, uiteindelijk slechts daarop zal reageren. Ik zal daar dan ongetwijfeld ook veel kritiek op hebben, daar ben ik nu eenmaal goed in. Ik denk echter wel dat de kans groot is dat ik dan ook door het vraagstuk heen schiet en het niet echt te pakken krijg. Daarom stel ik het in een eerdere fase aan de orde en sluit ik af met een aantal ideeën. Ik stel er prijs op als de minister-president erop reageert, als hij zich daartoe in staat acht.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.15">Een van de ideeën die mij zeer aanspraken in het rapport van de commissie voor de toekomst van de overheidscommunicatie was de gedachte van de burger als coproducent van beleid. Dat idee was inspirerend, omdat het laat zien dat normen en waarden niet slechts iets zijn wat je oplegt, maar iets zouden kunnen zijn wat samen met burgers wordt ontwikkeld. Ik heb het weer niet over normen en waarden als eenvoudig gedrag, maar als onderdeel van beleidsontwikkeling. Dat is een voor mij inspirerende gedachte.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.16">Een tweede opmerking maak ik naar aanleiding van het rapport van de Raad voor het Openbaar Bestuur. Deze pleit voor een grotere onafhankelijkheid van regering en departementen ten opzichte van de media en doet daarvoor naar mijn mening verregaande voorstellen: regels voor de omgang met de media, maar ook voor de creatie van een eigen politieke agenda. Ook die gedachte vind ik inspirerend en zou ik willen uitwerken, omdat ik denk dat onze afhankelijkheid van de media de kwaliteit van ons bestuur langzamerhand steeds meer onder druk zet.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.17">Ik kom op het rapport van de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid waarin naar mijn gevoel een prachtige analyse en een prachtig begrippenkader worden aangereikt. Met het rapport wordt de politiek ruimte geboden om het debat verder aan te gaan. Dat lukt echter alleen als wij erkennen dat wij in een pluriforme samenleving leven en dat dat goed is. Sterker nog, het instandhouden van die pluriformiteit is een van onze opdrachten. Verder moeten wij dat debat buiten de actuele politiek durven te voeren. Ik weet dat dit haaks staat op gedachten over de transparantie van de overheid, maar ik ben ervan overtuigd dat het soms nodig is om in veilige intimiteit discussies met elkaar te voeren om echt verder te komen. Dit betekent ook dat wij de grenzen van de verschillende politieke partijen moeten doorbreken. Het grootste risico is dat het debat wordt gemonopoliseerd. Het op een na grootste risico is dat het debat wordt geridiculiseerd. Daarmee komen wij niet verder. Overigens zitten wij in een huis waarin dat debat gevoerd moet kunnen worden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.1.18">Ik formuleer hier geen eisen aan de burger; ik geef niet aan dat mensen niet harder mogen rijden dan 120 km per uur want ik hoop dat dat bekend is. Ik formuleer hier eisen aan onszelf. Ik ben echt van mening dat waarden moeten worden voorgedaan. Als je invloed wilt hebben op het gedrag van anderen, moet je allereerst je eigen gedrag aanpassen. Ik hoor graag van de minister-president een reactie op dit standpunt.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.2.1">Ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech! Het is maar weinigen gegeven, eenmansfracties daargelaten, om als fractievoorzitter een maidenspeech uit te spreken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.2.2">Het lidmaatschap van de Senaat is weliswaar uw eerste politieke functie, maar het is bepaald niet de eerste keer dat u een rol vervult in het openbare leven. In de eerste tien jaar van uw loopbaan heeft u gewerkt in de vakbeweging, aanvankelijk als beleidsmedewerker en uiteindelijk als bestuurder in de FNV. Dit bepaalde in belangrijke mate uw publieke profiel. Vervolgens hebt u gedurende negen jaar in het bedrijfsleven diverse directiefuncties vervuld. U werd daarin vaak gekarakteriseerd als "oud-vakbondsman". In de verschillende functies gaf u er de voorkeur aan om onconventionele stappen te zetten of om op onorthodoxe wijze uw standpunten weer te geven, vaak tot verrassing van uw gesprekspartners en vaak met een onverwacht resultaat. In de Volkskrant van 7 januari jongstleden hebt u hierover gezegd: "Ik dacht altijd precies de andere kant op dan mijn collega's." Voor een Kamerlid met 74 collega's en een fractievoorzitter met 18 collega's is dat een bijzonder uitdagende eigenschap...</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.2.3">Recentelijk was u veelvuldig in de publiciteit vanwege uw aangekondigde vertrek als directeur van NS Reizigers per 1 maart aanstaande. Wij prijzen ons gelukkig met het door uzelf in al die interviews geschetste perspectief voor de nabije toekomst: meer tijd voor de politiek, in het bijzonder voor de Eerste Kamer. Ik wens van ganser harte dat de komende periode voor u, en dus ook voor deze Kamer, een heel vruchtbare zal zijn.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-20032004-618-623.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech! Het is maar weinigen gegeven, eenmansfracties daargelaten, om als fractievoorzitter een maidenspeech uit te spreken.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Pastoor" MPid="02271" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1999-07-06" topic="Gemeentelijke herindeling" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19981999-1591-1592.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19981999-1591-1592.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="5" number-of-words="691" number-of-unique-words="329" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Gemeenten</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Pastoor" MPid="02271"/>
                <speaker name="Peper" MPid="02901"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer Pastoor, die zijn maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19981999-1591-1592.1.2" speaker="Pastoor" party="CDA" function="De heer" title="De heer Pastoor  (CDA)" MPid="02271">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-19981999-1591-1592.1.2.1" speaker="Pastoor" function="De heer" MPid="02271">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Pastoor (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Pastoor</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19981999-1591-1592.1.2.1.2">Mijnheer de voorzitter! De CDA-fractie stelt zich positief op wat betreft de samenvoeging van de gemeenten Hoevelaken en Nijkerk. Met name het vrijwillige karakter van deze herindeling heeft ons doen besluiten tot die stellingname. Dat neemt niet weg dat na de behandeling in de Tweede Kamer en na de schriftelijke voorbereiding in deze Kamer één onderwerp overgebleven is waarvan wij het wenselijk en, gezien het indringende karakter ervan, noodzakelijk vinden daarover vandaag met de minister van gedachten te wisselen. Dat betreft de duurzaamheid van dit herindelingsvoorstel.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1591-1592.1.2.1.3">Bij de schriftelijke voorbereiding in deze Kamer hebben wij de aandacht er op gevestigd dat noch in de behandelingsprocedure in de Tweede Kamer noch in de briefwisseling tussen de minister en de gemeente Nijkerk in mei van dit jaar onomstotelijk duidelijkheid wordt geschapen of garantie wordt verschaft dat Amersfoort niet alsnog na 2010 een deel van het gebied van de nieuw te vormen gemeente nodig zal hebben. Naar aanleiding van onze vraag heeft de minister in de memorie van antwoord opnieuw, met name voor de periode na 2010, geen garantie willen geven dat dit na 2010 ook niet zal geschieden. Dat is om twee redenen onbegrijpelijk.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1591-1592.1.2.1.4">In de eerste plaats is sinds september 1995, toen het kabinetsstandpunt Vernieuwing bestuurlijke organisatie werd vastgesteld, één van de zeven uitgangspunten voor gemeentelijke herindeling dat: "een gemeente in potentie over een zodanige bestuurskracht moet beschikken dat zij in principe voor een periode van ten minste 25 jaar in staat moet zijn zelfstandig een substantieel pakket van sturende en verdelende lokale taken te behartigen". De huidige minister heeft in zijn beleidsnotitie van 27 november 1998 over gemeentelijke herindeling die de titel "krachtige gemeenten" heeft meegekregen, dat beleidskader gemeentelijke herindeling overgenomen, in ieder geval op het punt van de duurzaamheid van 25 jaar.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1591-1592.1.2.1.5">In de tweede plaats is het herindelingsplan C20-gemeente Amersfoort, tevens provinciale grenswijziging Utrecht/Gelderland, kortgeleden, in 1997, buitengewoon helder over de duurzaamheid van de grenscorrecties die ten behoeve van Amersfoort op onder meer het grondgebied van Nijkerk en Hoevelaken hebben plaatsgevonden. Op niet mis te verstane wijze is in dat plan neergeschreven dat de grenswijzigingen voor een periode van 25 jaar soelaas bieden aan Amersfoort.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1591-1592.1.2.1.6">Mijnheer de Voorzitter! Het kan toch niet zo zijn dat terwijl de herindeling van Hoevelaken en Nijkerk op 1 januari 2000 haar beslag krijgt, meteen een paar maanden daarna in het begin van 2000 – wanneer volgens de minister het beleidsvoornemen inzake de Vijfde nota ruimtelijke ordening wordt uitgebracht – de zekerheid over het in deze vorm duurzaam voortbestaan van de nieuwe gemeente door rijksbeleid al weer aan een eerste begin van discussie wordt onderworpen met als gevolg dat na 2010 alle mogelijkheden weer openliggen. Ik stel de minister daarom nogmaals de vraag of het niet in de rede ligt om, gerelateerd aan de eigen beleidsvisie van de minister over duurzaamheid van een herindeling, de nieuwe gemeente Hoevelaken/Nijkerk onomstotelijke duidelijkheid te bieden over een duurzame toekomst. Is de minister bereid dienovereenkomstig toch meer garanties te geven?</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19981999-1591-1592.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19981999-1591-1592.1.2.2.1">Ik wens de heer Pastoor geluk met zijn eerste rede als lid van deze Kamer. Het is passend dat deze rede een bestuurlijk onderwerp betreft, want in zijn loopbaan die aan het lidmaatschap van deze Kamer voorafging, heeft de heer Pastoor ruimschoots zijn sporen verdiend in het binnenlands bestuur. Hij heeft dat gedaan als burgemeester en als lid van de Provinciale en de Gedeputeerde Staten. Die loopbaan vindt nu zijn bekroning in het lidmaatschap van deze Kamer die haar wortels vindt in de provincie. Zoals het een goed lid van de Eerste Kamer betaamt, wordt het vervullen van het lidmaatschap gecombineerd met een andere functie. Voor sommigen is dat nog een volle baan, voor anderen is dat een deeltijdbaan. Nadat de heer Pastoor jarenlang ambtenarenrechter is geweest, is hij, sinds de ambtenarengerechten zijn geïntegreerd in de rechtbanken, maar liefst in drie rechtbanken rechter-plaatsvervanger. Naar ik aanneem, zal hij daar actief zijn in bestuursrechtelijke zaken en ambtenarenzaken. Ik wens hem van harte geluk met – wat ik indachtig het verzoek van de heer Hirsch Ballin een keer niet in het Engels, maar in het Latijn zal uitdrukken – zijn oratio virginalis.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19981999-1591-1592.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-19981999-1591-1592.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Peters" MPid="" party="SP" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2008-04-22" topic="Europadebat" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-1140-1166.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-1140-1166.1.3" which-speech-in-topic="3" number-of-paragraphs="31" number-of-words="3775" number-of-unique-words="1331" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Internationaal <pm:entity> Internationale samenwerking</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Lucht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Broekers-Knol" MPid="02296"/>
                <speaker name="Van der Linden" MPid="01899"/>
                <speaker name="Peters" MPid=""/>
                <speaker name="Eigeman" MPid="03006"/>
                <speaker name="Strik" MPid="02338"/>
                <speaker name="Kuiper" MPid=""/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Peters, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3" speaker="Peters" party="SP" function="De heer" title="De heer Peters  (SP)" MPid="">
                    <speech party="SP" docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1" speaker="Peters" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Peters (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Peters</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.2">Voorzitter, op de agenda staat: "De Staat van de Europese Unie". Die Staat wordt anno 2008 nog steeds bepaald door het Verdrag van Maastricht, waar de conceptie van de Europese Unie plaatsvond. Het Verdrag van Maastricht werd ondertekend op 7&#160;februari 1992 en de EU werd à terme geboren op 1&#160;november 1993. Deze geboorte resulteerde uit een verstrengeling van de Europese regeringsleiders met het Europese bedrijfsleven. De Europese burgers werden passief burgers van de Unie en kwamen bij de bevruchting niet te pas. Die gemankeerde bevruchting leidde tot een aantal aangeboren afwijkingen waarvan de EU tot op de dag van vandaag de gevolgen ondervindt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.3">U begrijpt, hier staat een voormalig hoogleraar teratologie, die zich bezighield met het herkennen, het opsporen, het bestrijden en het voorkomen van ontwikkelingsstoornissen en die graag in beelden van bevruchten, primaire preventie van aangeboren afwijkingen en gezonde ontwikkeling spreekt. U vergeeft mij dat vast wel.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.4">Het waren de grote ondernemers van Europa die in de jaren tachtig, onder leiding van Philips-topman Dekker, Europa stiekem schaakten, kennelijk voorbeeld nemend aan de mythe die verhaalt hoe oppergod Zeus, vermomd als stier, prinses Europa te grazen nam. Deze grote ondernemers grepen de kans om haar, Europa, voor eigen doeleinden te gaan gebruiken. Ik betreurde dat toen al, als overtuigd Europeaan, zeer. Samenwerking in Europa hoort geen kwestie te zijn van dwang, maar van keuze.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.5">Voorzitter, ik kies voor samenwerking boven strijd als het om Europa gaat. Geboren in de oorlog voel ik mij verplicht, een bijdrage te leveren tot het bevorderen van samenwerking op dit continent. Daarmee ben ik niet bijzonder. De grote meerderheid van de Nederlandse bevolking denkt er precies zo over: Europese samenwerking moet: om Europese strijd te voorkomen, om grensoverschrijdende problemen als criminaliteit, milieu, voedselveiligheid, en ja, voor een Unie waarin menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en solidariteit centraal staan.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.6">Maar de vraag is dan wel: hoe? Die vraag werd in Maastricht zó beantwoord dat de latere verwerping van de Europese Grondwet door tweederde van de Nederlandse bevolking daaruit voortvloeide. In Maastricht werd vóór alles gekozen voor Europese samenwerking ten faveure van het grote, internationale bedrijfsleven.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.7">Voor hen moest er een aaneengesloten markt komen, vergelijkbaar of groter dan die van de concurrentie in Amerika en Japan, voor hen moest de nationale democratie getrimd worden ten gunste van een Brusselse eurocratie. Voor hen moest het Rijnlandse model van onze economie omgebouwd worden in meer Angelsaksische richting. Voor hen moest de eigen winst centraal worden gesteld in plaats van de winst voor ons allemaal. En voor hen werd Europa van economisch project ten behoeve van het voorkomen van politieke spanningen tot een politiek project ten behoeve van hun economische expansie.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.8">Wist ik dat allemaal al zo precies toen het Verdrag van Maastricht gesloten werd? Nee, hoor. En dat terwijl ik toch geen vreemde in Jeruzalem was. Sinds 1971 werkte ik bij het RIVM in Bilthoven en ik had nogal snel veel van doen met de internationale aspecten van het werk. Ik eindigde daar als hoofd internationale samenwerking. Ik zag de noodzaak van samenwerking, maar ervoer dagelijks dat daarmee de vraag van het hoe van samenwerken nog lang niet beantwoord was. Zonder het Verdrag van Maastricht in zijn hele omvang te doorzien, vond ik het al wel meteen brodeloos broddelwerk, of liever gezegd burgerloos broddelwerk. Niet mensen, maar centen stonden erin centraal en dat leek mij een slechte keuze.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.9">Voorzitter, laat ik wel eerlijk zijn. Ik vond het Verdrag van Maastricht dan wel niet goed, maar het leverde mij wel een avontuurlijke baan op als nationaal expert volksgezondheid ten behoeve van de Europese Commissie. Mijn Europese jaren in Nederland, Noorwegen, Italië en Luxemburg waren avontuurlijk, omdat ik leiding mocht geven aan de speurtocht naar de beste manier om de oorzaken van zeldzame ziekten zoals aangeboren afwijkingen te herkennen, op te sporen, zo mogelijk te bestrijden en te voorkomen. Ooit was dit continent in de ban van de gekke koeienziekte (de zogenaamde TSE's, Transmissible Spongioform Encephalopathies), en ik mocht meedoen om de dreigende overgang van de ziekte van dier naar mens te tackelen. Dat was een goed voorbeeld van Europese samenwerking, al ervoer ik in mijn werk ook hoezeer binnen die samenwerking van de Unie de bureaucratie om zich heen begon te grijpen en hoe vaak zich strijdigheid ontwikkelde tussen het algemene belang en het belang van enkelingen. Hoe langer ik in Europees verband werkte, hoe kritischer ik werd op de wijze waarop de samenwerking gestalte kreeg na Maastricht.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.10">Nog onlangs bij een bezoek van deze Kamer aan de Europese Commissie – commissaris mevrouw Ferrero-Waldner van Nabuurlanden Beleid, de heer DeHaene van het Europees Parlement en leeftijdgenoot Francisco Javier Solana van de Raad van de Europese Unie – viel mij op hoe onthecht van de burger en van de democratische controle deze toch ook Europese burgers redeneren en werken; kortom hoe gedepolitiseerd zij overkwamen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.11">Niet vreemd dus dat ik na enkele jaren kritisch D66-lid te zijn geweest, de overstap maakte naar de partij die volgens mij beter oog had voor het feit dat er in Maastricht bij de conceptie van de Unie iets ernstig fout was gegaan, waardoor deze zich ontwikkelde naar een steeds neo-liberaler in plaats van een steeds socialer Europa.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.12">Dat ik nu jaren later hier sta als lid van de Eerste Kamerlid voor de SP vervult mij met trots, maar maakt mij ook bescheiden. Wij moeten immers niet alleen zeggen wat er met Europa verkeerd gaat, wij moeten ook nagaan hoe wij ervoor kunnen zorgen dat het met Europa straks weer beter gaat. Een beter Europa is nodig voor een beter Nederland.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.13">In onze nota "Een beter Europa begint nu" doet de SP een aantal voorstellen daarover. Ik was blij dat staatssecretaris Timmermans vorig jaar onze Europese nota betitelde als een van de meest interessante reacties op het Nederlandse "nee" van 2005. Ik citeer uit zijn weblog: "De SP gaf op een groot aantal punten aan wat er niet goed zit in Europa. Veel van die punten zijn het waard, nader bekeken te worden. Vooral de verhoudingsgewijs veel te grote rol van de marktkant van de sociale markteconomie in de Europese samenwerking werd overtuigend in kaart gebracht. Het is natuurlijk ook niet toevallig dat veel van de SP-kritiek gedeeld wordt door de Nederlandse regering: Europa presteert onder de maat en slaagt er onvoldoende in, een herkenbare en stuurbare overheid te zijn voor de Europese burger." Einde citaat.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.14">Overigens was de notitie die zijn eigen partij kort na het referendum schreef, zeker ook interessant, ook al omdat de toenmalige Europa-woordvoerder en huidige staatssecretaris er dat keer niet bij betrokken was en andere PvdA'ers de richting uitzetten, een richting die heel aardig in de richting van onze eigen conclusies en voorstellen kwam. Op basis van die twee notities zou regeringssamenwerking tussen PvdA en SP niet hebben hoeven stranden, konden wij toen concluderen. Dat het er niet van kwam had minder met Europa en meer met de Nederlandse verhoudingen te maken.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.15">Voorzitter. Mijn fractie deelt geenszins de conclusie van de regering dat het Verdrag van Lissabon tegemoetkomt aan de bezwaren van de bevolking tegen de Europese grondwet. Als je zoals ik nog wel eens over de grens komt – het idee van de staatssecretaris dat het SP'ers verboden is voorbij Vaals, Poppel, Hoek van Holland en Nieuweschans te gaan ten spijt – hoor je dat ook elders in Europa het hervormingsverdrag vooral gezien wordt als een slimme kopie van de Europese grondwet. De penvoerder van de grondwet, Giscard d'Estaing, zegt het, de zojuist vertrokken Belgische premier Verhofstadt zegt het, en de man die een van de kandidaten voor het eerste presidentschap van Europa is, de Luxemburgse premier Juncker, zegt het. Natuurlijk kan het zijn dat zij allen het veel minder scherp zien dan onze twee Limburgse bewindslieden, maar daarvoor zou ten minste een begin van bewijs op tafel moeten komen. Wij zien dat niet en ik nodig de bewindslieden uit nog eens een poging te doen om hun bewering te onderbouwen. Zonder hún tegenbewijs houdt mijn fractie het erop dat het vooral een voorbeeld van oude wijn in nieuwe zakken is. En dat is betreurenswaardig.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.16">Mijn fractie denkt ook dat de regering, als zij zo overtuigd is van een goede respons op het nee van de burger in de vorm van het hervormingsverdrag van Lissabon, dan met vertrouwen een tweede referendum tegemoet had kunnen zien. Nu is de angst voor de bevolking reden geweest om die bevolking buitenspel te zetten. Daar wordt een mens niet vrolijk van. Vandaar deze prangende vragen aan de minister en staatssecretaris. Kunt u aangeven welke rol angst heeft gespeeld bij het besluit van het kabinet om geen referendum te houden? Naar aanleiding van een voordracht voor medewerkers van justitie schetste de staatssecretaris de Deense situatie. Meent hij serieus dat het niet houden van een referendum in Denemarken een bewijs is voor een slechts geringe verandering ten opzichte van hun grondwet vanwege het hervormingsverdrag? Had daarbij niet ook gezegd moeten worden dat Denemarken een opt-out heeft op JBZ-terrein en dat, indien Denemarken daar toch aan mee wil doen, er automatisch alsnog een referendum moet komen?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.17">Dat wij het met het hervormingsverdrag moeten doen, mits het door het Nederlandse parlement geratificeerd wordt en niet nog elders, bijvoorbeeld in Ierland, sneuvelt, is "Sin e mar ata se" zoals de Ieren in hun Gaelic zeggen, zoiets als "a fact of life". Typerend is wel hoe groot opnieuw de angst bij de euro-elite voor een "nee" is. Een superstaat in spe bang voor zijn burgers in spe, het is een treurig toneel.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.18">Ook binnen de nieuwe Europese kaders zal mijn partij een kritische bijdrage blijven leveren aan het debat over de vraag hoe wij Europa meer van de burgers en minder van de bedrijven kunnen maken. Dat wordt er niet gemakkelijker op met het hervormingsverdrag, maar het wordt er ook niet minder noodzakelijk door. Daarbij rekenen wij niet op de tovermiddelen die onder andere de regering in het hervormingsverdrag ziet, zoals de subsidiariteitstoets, zoals de oranjekaartprocedure, zoals het burgerinitiatief, zoals het optuigen van de COSAC, of zoals een metamorfose van het Europees Parlement. Wij rekenen veeleer op wat zich in 2005 toonde en nu nog steeds aanwezig is: de betrokken burgers die waar mogelijk de regering en het parlement zullen proberen duidelijk te maken waarom en hoe het socialer in Europa moet, en hoe niet nog liberaler. Elke opiniepeiling laat zien dat de burgers het voorlopig nog steeds veel meer met ons dan met de regering eens zijn. Wij zullen die alliantie in de komende maanden en jaren proberen te behouden en uit te bouwen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.19">Nog is Europa niet verloren, nog kan de wissel worden omgezet, nog kan er gewerkt worden aan een beter Europa, waarin mensen en niet centen centraal staan. Zo, dan weten de bewindslieden ook wat voor vlees zij nu weer in de kuip hebben, wat nuttig is als voorbereiding op de hopelijk vele debatten die wij hier in de toekomst met elkaar zullen hebben over Europese samenwerking.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.20">Ik spits mijn bijdrage toe op de twee thema's die deze Kamer gekozen heeft voor dit debat: de randen van Europa en de verbanden van Europa met de rest van de wereld. Om te beginnen, gebruik ik net als anderen de aanduiding "Europa" vaak verkeerd. Ik bedoel de Europese Unie, maar ik zeg: Europa. De aanduiding "Europa" is in verband met geïnstitutionaliseerde Europese samenwerking eigenlijk alleen op zijn plaats als wij het hebben over de Raad van Europa. Daarin zijn immers alle Europese landen verenigd, met uitzondering van Wit-Rusland en het Vaticaan. Vanuit deze Kamer wordt in dit Europees verband een buitengewoon serieuze inspanning geleverd. In de afgelopen jaren was René van der Linden zelfs het gezicht van de parlementaire assemblee van de Raad van Europa, en mijn fractie dankt hem bij deze gelegenheid nogmaals voor het vele goede werk dat hij daar ook voor Nederland verricht heeft. Mijn fractie vindt ook dat Nederland meer zou mogen doen om de Raad van Europa en zijn organen, waaronder de assemblee, het Hof en de mensenrechtencommissaris, een wat ruimere financiële en organisatorische armslag te geven. Daarom hebben wij met andere fracties het initiatief genomen. Wij komen daarop in tweede termijn terug.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.21">Een stap in de goede richting lijkt mijn fractie toetreding van de Europese Unie tot de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens. In de assemblee van de Raad van Europa is afgelopen week nog een voorstel van collega Bemelmans-Videc aangenomen, dat op zijn beurt gebaseerd was op een eerder initiatief van Ed van Thijn en Tiny Kox. Kent de regering die resolutie en, zo ja, wat gaat de regering ermee doen?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.22">De parlementaire assemblee van de Raad van Europa sprak zich na een uitvoerig debat in januari uit tegen unilaterale uitroeping van de onafhankelijkheid door Kosovo. Desalniettemin heeft de Nederlandse regering zich aangesloten bij de landen die dit internationaal-rechtelijk laakbaar gedrag van Kosovo nu ondersteunen en daarmee anderen elders op het subcontinent een argument extra geven om zich af te keren en daarmee de grenzen in Europa ter discussie te stellen. Het is overigens zeer de vraag of Kosovo op eigen benen kan staan; het lijkt nu een EU-protectoraat te worden. Waarom heeft de regering zich zo anders gedragen in deze kwestie dan landen als Spanje en Griekenland?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.23">De integratie van kandidaat-lidstaten op de Balkan in de Europese Unie is een lopend proces, waarop ik nu niet veel dieper wil ingaan. Wel is mijn fractie van mening dat toetreding van nieuwe Balkanstaten zeer zorgvuldig bekeken zal moeten worden, omdat onder de oppervlakte de veenbranden nog steeds niet gedoofd zijn. Ook de onderhandelingen met Servië verdienen veel aandacht. Met de regering zijn wij van mening dat uitlevering van hen die verdacht worden van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid een voorwaarde vooraf aan de Servische regering dient te zijn. Mladic en Karadzic horen als verdachten van misdaden tegen de menselijkheid in de gevangenis van Scheveningen in plaats van in een schuilplaats in Servië.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.24">Aspiraties van andere landen om toe te treden tot de Europese Unie kennen wij, maar willen wij niet onvoorzichtig aanmoedigen. We zijn het eens met de houding van de Europese Commissie dat het Europees Nabuurschapsbeleid (ENB) geen voorportaal is voor het lidmaatschap van de Unie. Landen kunnen ook zonder EU-lidmaatschap gelukkig en welvarend worden en blijven. Ik wijs maar op Zwitserland, Noorwegen en IJsland. Die landen zijn rijker dan gemiddeld en hun inwoners gelukkiger dan gemiddeld. Samenwerking is ook mogelijk onder andere condities dan lidmaatschap. Dat geldt ook voor Turkije, hoewel wij de mogelijkheid openhouden dat dit land ooit lid van de EU zal worden. We zijn niet opgewekt geworden van de hopelijk tijdelijke lucide plannen met de landen behorend tot de mediterrane cirkel. Mijn fractie ziet daarom met aandacht het Franse voorzitterschap tegemoet en hoopt dat de regering dat ook doet. Gaarne hierop uw reactie.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.25">Op rustige wijze moeten de eerder in gang gezette processen worden voortgezet, maar wij moeten af van het idee dat onderhandelingen altijd maar één uitkomst kunnen hebben: toetreding. Dat is net als de opvatting dat referenda altijd maar één uitslag horen te hebben: voor. Aan de rand van de Europese Unie, maar ook ín de Raad van Europa ligt Rusland. De verhoudingen met het grootste land van de wereld zijn van groot belang voor de toekomst van Europa, en mijn fractie heeft het idee dat de regering dat niet altijd goed begrijpt. Dat is vorige week door mijn fractiegenoot Vliegenthart nog eens onderstreept. Ik wil dat debat nu niet dupliceren. Slechts één vraag: wat kan de Europese Unie, en Nederland daarbinnen, doen om minder spanning en meer samenwerking te krijgen?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.26">Ik kom op het tweede onderwerp: de EU en de wereld; een gigantisch en belangrijk onderwerp. Ik kies voor één aspect dat op verschillende manieren een koloniale sfeer ademt. Onze houding is: de vrije toegang tot Westerse markten moet in het algemeen worden gerespecteerd. Maar het probleem is wat daarvoor in ruil wordt gevraagd: namelijk de toegang van Europa tot de ontwikkelingslanden, zoals de ACS-landen in Afrika, de Caraïben en de Stille Oceaan. De tarieven voor ruwe producten naar Europa zijn nu lager dan voor verwerkte en eindproducten. Om de industriële ontwikkeling van de economieën te stimuleren, moet de import van eindproducten bevorderd worden door lagere importtarieven in Europa.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.27">In totaal zijn er wereldwijd momenteel meer dan 250 regionale en bilaterale handelsovereenkomsten die meer dan 30% van de wereldhandel beslaan. Het toenemende aantal bilaterale en regionale handelsverdragen tussen het Noorden en het Zuiden moet worden tegengegaan, in het bijzonder wanneer deze vrijhandelsverdragen extremere eisen stellen dan wat op multilateraal niveau (WTO) toegestaan is. Een voorbeeld hiervan zijn de economische partnerschapsakkoorden (EPA's) die de EU hakkelend heeft afgesloten met haar voormalige koloniën, en alleen definitief met de Caraïbische regio. De rest van de regio's heeft een interim-EPA afgesloten.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.28">Deze regionale vrijhandelsverdragen per 1&#160;januari 2008 vragen van deze voormalige Europese koloniën een marktopening van maar liefst 80% en zelfs tot 95%. Betekent dat niet dat deze landen, indien zij hun agrarische sector zoveel mogelijk onder de 20% tot 5% marktbescherming willen onderbrengen, zich bij voorbaat vastleggen in een traditionele arbeidsverdeling? En is het dan niet zo dat er dan nauwelijks bescherming mogelijk is om een eigen industrie op te kunnen bouwen, zoals de Aziatische landen dat wel konden doen? Lopen zij dan geen forse overheidsinkomsten mis door het verdwijnen van invoertarieven?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.29">Als deze landen hun industriële sector zo veel mogelijk onder de resterende percentages marktbescherming brengen, betekent dit dat hun landen overspoeld zullen worden met (gesubsidieerde) landbouwproducten die vanuit de EU worden gedumpt. Naast de 80% marktopening zouden volgens de Europese Commissie de Economische Partnerschapsakkoorden op onderwerpen als investeringen, concurrentiebeleid, overheidsaanbestedingen, openbare dienstverlening, handelsfacilitering en informatiebescherming "onderhandelbaar" gemaakt moeten worden. Dit gaat toch veel verder gaat dan wat de WTO aan ontwikkelingslanden vraagt?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.30">Handelsverdragen, zowel multilateraal als regionaal en bilateraal, moeten erkennen dat ontwikkelingslanden een speciale behandeling nodig hebben om hun markten en arbeiders te kunnen beschermen tegen onder meer gesubsidieerde producten en dumpingpraktijken vanuit het Westen. Daarnaast moeten ook in bilaterale en regionale handelsverdragen basisvoorzieningen zoals onderwijs en gezondheidszorg worden uitgesloten van verplichte liberalisering en moeten regeringen in ontwikkelingslanden zelf het recht hebben buitenlandse investeerders te belasten om aan staatsinkomsten te komen. Bovendien hoort er voldoende tijd genomen te worden bij de onderhandelingen over nieuwe handelsverdragen zonder vooraf gefixeerde tarieven, zodat de regeringen van ontwikkelingslanden en de lokale bevolking zich goed kunnen oriënteren. De EU dient zich ervan bewust te zijn dat regionale handelscontracten tussen ontwikkelingslanden onderling delicaat zijn en niet verstoord mogen worden. Wij hebben er tenslotte ook 50 jaar over gedaan om ons bij elkaar aan te sluiten en de onderlinge verhoudingen te organiseren, overigens met allerlei beschermende douaneheffingen en muren.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.31">Ik heb in dit verband de volgende vragen aan de bewindslieden verantwoordelijk voor dit aspect van de Staat van Europa: hoe kijkt men aan tegen de door Peter Mandelson uitgebrachte "Global Europe"-strategie die door ontwikkelingslanden als agressief wordt betiteld en wordt gezien als "reshaping and re-orienting Europe and its relations with the world in the service of specific, powerful self-servicing economic interests". Is dit neokoloniaal? Zo neen, waarom niet? Gegeven de actuele situatie gerelateerd aan de hoge voedselprijzen zijn er diverse landen die zelf hun import tarieven hebben verlaagd. Logisch op de korte termijn, maar hopelijk verhogen zij die tarieven weer wanneer de voedselsituatie normaliseert. Met andere woorden: mijn fractie zou willen dat ze hun vrije keuze daarin behouden. Wat wil onze regering?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.1.32">Hier staat een overtuigd Europeaan, maar ook een zelfbewuste Nederlander die zich, net als de anderen, realiseert dat democratie tot nu toe slechts op nationaal en lokaal niveau tot wasdom is gekomen. Als de regering beter dan nu zou luisteren naar de burgers van dit land zou ze begrijpen dat het niet irreële angst is voor wat van buiten komt, die de eurokritische houding van de meeste burgers bepaalt, maar de reële wens om dat wat we hier met zijn allen op het terrein van democratie, van welvaart en welzijn bereikt hebben, niet onverantwoord tot inzet van soms megalomane internationale samenwerkingsplannen te maken. Internationale samenwerking moet; Europese samenwerking moet; samenwerking in verband van de Europese Unie moet – maar het moet dan wel góéd gebeuren. Aan burgerloos broddelwerk hebben wij niks, en alsjeblieft géén depolitisering, dat zal de regering toch met mijn fractie eens zijn? Samen wensen wij een beter Europa, laten wij daar dan nu ook aan beginnen, met de burgers niet tegenover ons maar naast ons.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.2.1">Mijnheer Peters, ik zou u graag van harte willen feliciteren met uw maidenspeech over Europa. Uw belangstelling voor Europa is, u zei het zelf al, mede gevoed door uw werkzaamheden voor de Europese Commissie. U was namelijk een aantal jaren in Luxemburg werkzaam als nationaal deskundige zeldzame ziektes. U studeerde diergeneeskunde in Utrecht, maar u legde zich daarna bij de Erasmus Universiteit Rotterdam toe op foetale en kinderpathologie. Vervolgens ontwikkelde u zich tot specialist op het terrein van de ontwikke­lingstoxicologie en vooral de teratologie, de leer van de misvormingen in de dieren- en plantenwereld. U beschikt over verschillende geregistreerde beroepskwalificaties, zoals (ontwikkelings)toxicoloog en teratoloog, experimenteel patholoog en dierenarts. Ik vermoed dat van maar weinigen datzelfde kan worden gezegd.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.2.2">U vervulde diverse functies op het terrein van de teratologie bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne, en u was voorzitter van de European teratology society en het European network teratology information services. Beide functies zijn uitgemond in een erevoorzitterschap. Van 1989 tot 1993 was u directeur van het International Centre for Birth Defects, in het Noorse Bergen en later in Rome. Deze functies en de reeds genoemde functie bij de Europese Commissie combineerde u met een bijzonder hoogleraarschap teratologie bij het Universitair Medisch Centrum in Utrecht. In Luxemburg hield u zich ook bezig met voedselveiligheid. Dit leidde er mede toe dat u tussen 2000 en 2005 de functie vervulde van hoofdinspecteur levens- en genotsmiddelen bij de Keuringsdienst van Waren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid. Sinds 2005 bent u als consulent teratologie en ontwikke­lingstoxicologie verbonden aan het UMC. Op de terreinen van uw specialismen verschenen meer dan 100 publicaties van uw hand.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.2.3">Mijnheer Peters, ik heb begrepen dat u, niet alleen omdat u de fractiesecretaris van de SP bent, een veel geraadpleegde vraagbaak bent voor uw fractiegenoten. Het schijnt dat diezelfde fractiegenoten u met enige regelmaat hebben geplaagd, omdat u de laatste SP-senator bent die zijn maidenspeech houdt. Tegen uw fractiegenoten zeg ik: dat "last" zeker geen "least" hoeft te zijn in inhoudelijke zin, heeft u, mijnheer Peters, zojuist aangetoond. Ik wens u heel veel succes bij uw werkzaamheden hier.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-1140-1166.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Peters, ik zou u graag van harte willen feliciteren met uw maidenspeech over Europa. Uw belangstelling voor Europa is, u zei het zelf al, mede gevoed door uw werkzaamheden voor de Europese Commissie. U was namelijk een aantal jaren in Luxemburg werkzaam als nationaal deskundige zeldzame ziektes. U studeerde diergeneeskunde in Utrecht, maar u legde zich daarna bij de Erasmus Universiteit Rotterdam toe op foetale en kinderpathologie. Vervolgens ontwikkelde u zich tot specialist op het terrein van de ontwikke­lingstoxicologie en vooral de teratologie, de leer van de misvormingen in de dieren- en plantenwereld. U beschikt over verschillende geregistreerde beroepskwalificaties, zoals (ontwikkelings)toxicoloog en teratoloog, experimenteel patholoog en dierenarts. Ik vermoed dat van maar weinigen datzelfde kan worden gezegd.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Platvoet" MPid="02272" party="GroenLinks" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1999-10-26" topic="Substraatteelt" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-29-38.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-29-38.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="7" number-of-words="804" number-of-unique-words="395" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Belasting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Landbouw <pm:entity> Planten</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Dölle" MPid="02262"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Varekamp" MPid="02939"/>
                <speaker name="Rabbinge" MPid="02284"/>
                <speaker name="Van der Hoeven" MPid=""/>
                <speaker name="Luchtenveld" MPid=""/>
                <speaker name="Peper" MPid="02901"/>
                <speaker name="Dölle" MPid="02262"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Varekamp" MPid="02939"/>
                <speaker name="Rabbinge" MPid="02284"/>
                <speaker name="Van der Hoeven" MPid=""/>
                <speaker name="Luchtenveld" MPid=""/>
                <speaker name="Peper" MPid="02901"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Platvoet, die zijn maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-29-38.1.3" speaker="Platvoet" party="GroenLinks" function="De heer" title="De heer Platvoet  (GroenLinks)" MPid="02272">
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-ek-19992000-29-38.1.3.1" speaker="Platvoet" function="De heer" MPid="02272">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Platvoet (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Platvoet</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.3.1.2">Voorzitter! Het doet mij deugd om als stadsmens mijn eerste bijdrage te mogen leveren over een onderwerp dat voor de gemiddelde stadsbewoner toch thuishoort op het platteland.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.3.1.3">Allereerst wil ik evenals de heer Dölle mijn complimenten maken aan het adres van de indieners van deze initiatiefwet, die het gewaagd hebben om in een tijd dat parlementariërs steeds meer als grijze muizen en volgers van ministers en ambtenaren worden afgeschilderd, een initiatiefwet in te dienen. Het is bovendien een initiatief van wet dat aansluit bij een door de meerderheid van de Tweede Kamer aanvaarde motie, die de regering weigert uit te voeren.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.3.1.4">Iets anders is de vraag of GroenLinks de intenties van de indieners steunt. De OZB is – dit is een citaat uit de wetstoelichting – gebaseerd op het profijtbeginsel in ruime zin en dat brengt met zich dat van de mogelijkheid tot het verlenen van vrijstellingen een zo beperkt mogelijk gebruik moet worden gemaakt (_); het draagvlak van de onroerendgoedbelastingen moet immers zo breed mogelijk zijn. Het verruimen van de vrijstellingsmogelijkheden, wat toch de harde kern van dit initiatiefwetsvoorstel is, staat op gespannen voet met de bedoeling van de wet.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.3.1.5">De ongelijkheid die de indieners signaleren (wel vrijstelling voor teelt in cultuurgrond, maar niet voor de substraatteelt) kan ook op een andere manier worden opgeheven, zodat een en ander meer aansluit op het uitgangspunt van een breed draagvlak. Ik doel op het opheffen van de vrijstelling voor cultuurgrond. Bij de introductie van de OZB in het begin van de jaren zeventig, toen nog onroerendgoedbelasting geheten, werd de cultuurgrond vrijgesteld onder andere vanwege de toenmalige Europese regelgeving en omdat de bevoegdheid voor het heffen van belasting op cultuurgrond aan waterschappen werd toebedacht, terwijl gemeenten zich tot de niet-agrarische samenleving zouden beperken. Waterschappen heffen inmiddels echter belasting bij gebruikers en eigenaren van woningen in de steden. De grenzen van de belastingscheiding zijn dus vervaagd. Bovendien is de waterschapsbelasting gebaseerd op het profijtbeginsel in enge zin.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.3.1.6">Inmiddels, dertig later en verschillende commissies verder die de afschaffing van de vrijstelling hebben bepleit, de commissie-Christiaanse in 1983 en de commissie-De Kam in 1992, krijgt de OZB, zoals prof. Stevens in het Weekblad voor fiscaal recht betoogt, het karakter van een gemeentelijke vermogensbelasting op onroerende zaken. Hij oordeelt in dat artikel onder de kop Substraatvechters op vrij humoristische wijze tamelijk vernietigend over de initiatiefwet. De vrijstelling is een eenzijdige bevoordeling ten opzichte van andere bedrijfstakken die waardedragende productiemiddelen gebruiken die wel onder de OZB vallen, of zelfs hetzelfde productiemiddel gebruiken. Ik geef een voorbeeld: kunnen de indieners mij uitleggen waarom een kas waarin tomaat, komkommer, paprika enzovoort boven de grond worden geteeld, wel voor vrijstelling van de OZB in aanmerking komt, terwijl een kas waarin al deze producten tot Hollandse stamppotten of exotische lekkernijen worden getransformeerd en in dampende schalen aan restaurantgasten worden opgediend, niet?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.3.1.7">De uitbreiding van de vrijstelling leidt tot versmalling van het gemeentelijke belastinggebied. Omdat de uitkering uit het Gemeentefonds onder andere gekoppeld is aan de benutting van de gemeentelijke belastingcapaciteit, leidt aanneming van deze initiatiefwet tot een potentieel gat in de gemeentelijke belastingcapaciteit, van maximaal 30 mln. volgens minister Peper dan wel 18 mln. volgens de indieners. In antwoord op vragen van de fractie van GroenLinks stellen de indieners dat in dit specifieke geval de herverdeeleffecten opgevangen kunnen worden binnen het Gemeentefonds. Hoe dit zou moeten, is echter onduidelijk. Fijntjes wijst de minister de indieners er in zijn brief van 2 juni op dat zij in strijd met de Financiële-verhoudingswet niet aangeven hoe de financiële gevolgen van de wet opgevangen worden. Dit blijft voor mijn fractie staan als belangrijk argument tegen deze initiatiefwet.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.3.1.8">Bij GroenLinks valt dit initiatiefvoorstel niet in goede aarde. De vrijstelling voor cultuurgrond is eerder aan heroverweging toe dan aan uitbreiding voor substraattelers. De minister heeft dit al gesuggereerd tijdens de behandeling in de Tweede Kamer. GroenLinks moedigt hem aan, hierover te rapporteren. Wat voor de indieners wellicht een dreigement van de minister was, is voor GroenLinks een belofte. Wanneer denkt de minister deze te kunnen inlossen? Ook andere vrijstellingen kunnen dan heroverwogen worden, zoals die voor kerkgebouwen. Niet alleen plaatst de scheiding van kerk en staat vraagtekens bij deze vrijstelling, maar ook lijkt ons het profijtbeginsel in brede zin hier van toepassing. Immers, zij die geloven, zullen het hemelrijk van God binnengaan.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-29-38.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.3.2.1">Ik wens de heer Platvoet geluk met, om Het Parool te citeren, zijn terugkeer in de politieke arena. Hij heeft, zoals hij zelf al zei, zijn sporen verdiend in de stad. Dit onderwerp betekende voor hem een uitstapje, maar ook in uitstapjes is hij altijd uitmuntend gebleken, want hij is een belangrijk auteur van reisgidsen. Zijn politieke verleden heeft voor een belangrijk gedeelte gelegen in de Pacifistisch-Socialistische Partij. Zijn geharnaste betoog onderstreepte dit vanmiddag. Ik wens hem van harte geluk.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-29-38.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Pruiksma" MPid="03017" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2006-09-12" topic="Gemeentelijke herindeling Midden-Limburg" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20052006-1805-1817.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20052006-1805-1817.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="12" number-of-words="1844" number-of-unique-words="772" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Gemeenten</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Tan" MPid="02277"/>
                <speaker name="Pruiksma" MPid="03017"/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Van Raak" MPid="03035"/>
                <speaker name="Thissen" MPid=""/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
                <speaker name="Luijten" MPid="02936"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Pruiksma, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3" speaker="Pruiksma" party="CDA" function="De heer" title="De heer Pruiksma  (CDA)" MPid="03017">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.1" speaker="Pruiksma" function="De heer" MPid="03017">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Pruiksma (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Pruiksma</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.1.2">Voorzitter. Gemeentelijke herindelingen zijn nooit simpel. Waarschijnlijk heeft heel Midden-Limburg met spanning uitgekeken naar vandaag, de dag waarop het sluitstuk van de gemeentelijke herindeling in deze regio in dit huis wordt behandeld. De spanning hangt onmiskenbaar samen met de emoties die worden opgeroepen door de herindeling van de voor burgers meest herkenbare bestuurslaag, de gemeente. Naar ons oordeel legt dit een zware hypotheek op de politieke besluitvorming. De finale besluitvorming over gemeentelijke herindelingen vindt weliswaar plaats in het parlement, maar betreft toch in de eerste plaats dingen waarvan de "gemeentenaren" zelf elke dag plezier of last ondervinden, zoals gemeentereiniging en reinigingspolitie. Daarom mag en moet van de politiek maximale zorgvuldigheid worden verwacht.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.1.3">De wetsvoorstellen 30358 en 30359 kunnen zonder meer op onze instemming rekenen. In beide gevallen is voldaan aan de voorwaarden die het CDA stelt aan herindeling van bestaande gemeenten. Ons rest slechts om de nieuwe gemeenten alle goeds te wensen voor de toekomst. Het is ronduit verheugend dat bestaande gemeenten bereid zijn om de eigen beperkingen onder ogen te zien en daaraan de consequentie te verbinden om over de eigen schaduw heen te springen als het belang van de eigen burgers daartoe noopt.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.1.4">Bij de oordeelsvorming over de aan ons voorgelegde wetsvoorstellen over de herindeling van gemeenten, neemt de CDA-fractie onveranderlijk het CDA-verkiezingsprogram tot uitgangspunt. Het is een blijk van politieke en bestuurlijke consistentie dat het hierbij niet uitmaakt of wordt gekeken in het verkiezingsprogram dat op dit moment nog vigerend is of in het concept van het programma dat van het CDA op 22&#160;november, naar valt te hopen, opnieuw de grootste partij zal maken. Beide stellen als eis aan gemeentelijke herindelingen dat de wens om hiertoe over te gaan, strikt van onderop moet komen. De gemeenten moeten zelf hun vinger opsteken als zij tot de conclusie zijn gekomen dat de bestaande schaalgrootte onvoldoende is om optimaal te kunnen functioneren. De belemmeringen die hen tot deze conclusie brengen, kunnen divers van aard zijn en bijvoorbeeld de omvang en het niveau van het ambtelijk apparaat, ruimtelijke ontwikkelingen of de richting waarin de sociaaleconomische ambities zich hebben ontwikkeld, betreffen. Het is logisch dat dan naar gelijkgestemde zielen wordt gezocht. De gemeente gebruikt dan eigen krachten en kwaliteit en laat zich niet leiden door Calimero-achtige gedachten.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.1.5">Dit alles brengt met zich mee dat de CDA-fractie bij de beantwoording van de vraag of in de gemeenten voldoende draagvlak voor de voorgestelde herindelingen bestaat, het oog op de gemeenten zelf gericht houdt. De discussie moet nadrukkelijk dus niet worden beperkt tot Binnenhof of provinciehuis. Het gaat hierbij niet om decimalen achter de komma maar om de hoofdlijnen die uit onderzoek, enquêtes, quickscans en vooral ook gesprekken met bestuurders en gemeentenaren tot uitdrukking zijn gekomen.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.1.6">Uit de beschikbare stukken was reeds duidelijk dat in Roermond en Swalmen de handen niet op elkaar kunnen worden gekregen voor een fusie tussen deze beide gemeenten. Omdat gedwongen huwelijken bovengemiddeld in echtscheiding eindigen, moet de vraag wat hiervan de oorzaak is, niet worden vermeden. Tijdens mijn werkbezoek aan Midden-Limburg werd ik geconfronteerd met cijfers die uitwijzen dat in Swalmen 73% van de bevolking gekeerd is tegen een samengaan met Roermond. In een gesprek met burgemeester Denie heeft deze mij bevestigd dat raad en college tegen samengaan met Roermond zijn gekant. De variant die door Swalmen wel wordt gewenst, moet onbesproken blijven omdat de verlangde bruid, de gemeente Beesel, geen deel van de onderhavige planvorming uitmaakt.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.1.7">In Roermond werd mij bevestigd dat wetsvoorstel 30360 lang niet ver genoeg gaat en dat zelfs niet van een minimale variant kan worden gesproken. In Roermond gaan de gedachten uit naar de kortebandstad, waarmee ook de kernen Linne, Melick en Beesel bij Roermond worden gevoegd, als minimale variant. Voor deze kernen geldt echter dat zij ofwel niet in het plangebied liggen, ofwel in andere opnieuw in te richten gemeenten liggen. Het eerste geldt voor Beesel, het laatste voor Linne en Melick. Uit gesprekken met andere bestuurders in de regio bleek mij tevens dat verschillen in bestuurscultuur als een hinderpaal werden beschouwd. In het voorlopig verslag hebben wij daarover nieuwsgierige vragen gesteld. In de memorie van antwoord, die wel erg laat is verschenen, werd hierop helaas slechts een standaardantwoord gegeven. Dat lijkt een gemiste kans om de helderheid te scheppen op basis waarvan ambitie en realiteitszin met elkaar kunnen worden verbonden.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.1.8">Vervolgens kan men de vraag stellen of andere gronden aanwezig zijn om een fusie tussen Swalmen en Roermond te rechtvaardigen. Naar ons oordeel zijn deze er niet. Swalmen is een groene gemeente die onderdeel uitmaakt van de ehs, de ecologische hoofdstructuur. Roermond is stedelijk gebied met een behoefte aan bouwlocaties voor woningen en industriële bedrijvigheid. Niemand zal betwisten dat Roermond bovendien met echte grotestadproblematiek kampt. Elke sociaaleconomische vergelijking tussen Roermond en Swalmen gaat mank. Overigens blijkt nergens dat rekening is gehouden met een algemeen herindelingsbeleid in de provincie Limburg: zo groot als nodig en zo klein als mogelijk.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.1.9">In de memorie van antwoord heeft de minister gereageerd op het verzoek van CDA, Partij van de Arbeid, SP en D66 om een nadere toelichting te geven op de beoordeling van de beleidscriteria die de meetlat vormen voor herindelingen. Het gaat daarbij om draagvlak, bestuurskracht, duurzaamheid in de oplossing van knelpunten, interne samenhang, regionale samenhang en planologische ruimtebehoefte. In dit geval valt het nodige af te dingen op de duurzaamheid omdat de memorie van antwoord voorbijgaat aan het feit dat de ligging van Swalmen binnen de ehs strikte beperkingen stelt aan de planologie. In Swalmen kunnen op dit moment nog circa vijfhonderd huizen worden gebouwd. Op pagina 3 van de memorie van antwoord staat dat Swalmen na 2014 de bouwlocatie voor Roermond zal kunnen zijn. Dat dient, op zijn zachtst gezegd, te worden betwijfeld. Ik wil niet onvermeld laten dat bestuurders van Roermond mij hebben verzekerd dat de fusiedatum van 1&#160;januari 2007 voor Roermond het startsein zal zijn voor een nieuwe herindelingsdiscussie in Limburg. Ook dat gegeven doet afbreuk aan het criterium van de duurzaamheid. Ook de interne samenhang kan slechts met enige verbeelding aanwezig worden geacht. Zoals eerder betoogd is Swalmen ehs-groen en loopt Roermond tegen zijn bouwgrens aan. Samenhang valt daarin niet te vinden. Het belangrijkste is en blijft echter dat het CDA-verkiezingsprogram in welke uitgave dan ook het criterium "draagvlak" als uitgangspunt neemt. Daarvan is overduidelijk in Swalmen geen sprake. Men wil vandaag niets met Roermond en morgen en overmorgen ook niet. Daar is geen woord Frans bij en dat respecteren wij.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.1.10">Roermond wil deze variant van de fusie ook niet, omdat die geen reële oplossing biedt voor de problemen waar Roermond voor staat. Dat Roermond zich niet zal verzetten tegen inlijving van Swalmen ligt voor de hand, want alle kleine beetjes helpen. Het is echter in geen enkel opzicht een oplossing die Roermond voor ogen staat. Daarin hebben ze in Roermond gewoon gelijk. Iets meer coöperatie zou waarschijnlijk de herindelingsmachinerie beter hebben gesmeerd en geolied, maar dat is een constatering achteraf.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.1.11">De vraag die hier wezenlijk van belang is, is de vraag of wij als medewetgever meewerken aan de opheffing van het eigen gemeentebestuur in Swalmen. Vaststaat dat raad, college en burger aldaar opheffing niet willen. Ook staat vast dat in die gemeente niet zodanige structurele knelpunten zich voordoen dat die desondanks opheffing zouden rechtvaardigen. Dan resteert de vraag of bovenlokale, zeer zwaarwegende belangen desondanks deze opheffing opleggen, bijvoorbeeld het harnas waarin Roermond zegt te verkeren.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.1.12">Het CDA hier ziet evenals de geestverwanten aan de overzijde niet zodanige belemmeringen voor Roermond dat die slechts door opheffing van Swalmen kunnen worden weggenomen. Instrumenten als grenscorrectie, bovenlokale afspraken en samenwerking en verregaande differentiatie, die in het nieuwe CDA-conceptprogramma prominent voorkomen, of andere aan de Limburgse creativiteit ontsproten instrumenten zouden eerst kunnen worden beproefd.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.1.13">Wij concluderen dat er onvoldoende redenen zijn om Swalmen te ontdoen van zijn eigen bestuur. Een eigen bestuur is een intrinsieke waarde, omdat daar de afstand tussen burger en bestuur kleiner is, de invloed van lokale gemeenschappen meer onverdund doorwerkt op gemeentelijk beleid en de betrokkenheid van de burger groter is. Het is niet voor niets dat het ook door Nederland ondertekende Europees Handvest inzake lokale autonomie op dat nabije bestuur zeer de nadruk legt. De conclusie moet zijn dat wij grote bezwaren zien in aanvaarding van dit wetsvoorstel, nu niet wordt voldaan aan het draagvlakcriterium. Steun van onderop is er niet, althans onvoldoende. Het gevolg daarvan is dat mijn fractie het voornemen heeft om tegen wetsvoorstel 30360 te stemmen. Wij zullen het antwoord van de minister daarom met meer dan gewone belangstelling afwachten. Ik zeg erbij, om verwarring te voorkomen in het debat, dat draagvlak in onze optiek niet een gelegenheidsargument is dat naar believen kan worden ingevuld. Draagvlak op het terrein van gemeentelijke herindeling betekent in onze visie niet alleen aan gemeenten en hun inwoners vragen wat hun mening is over een voorgelegd plan, maar ook luisteren naar hun antwoord en daar vervolgens naar handelen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.2.1">Mijnheer Pruiksma, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech. Het betreft een onderwerp dat ogenschijnlijk niet met uw expertise van doen heeft, gelet op uw jarenlange ervaring met de rechtspraak in belastingzaken. In de rechtspraak echter, zo hebt u zelf eens gesteld, moeten rechters of raadsheren, omdat ons belastingrecht zo ingewikkeld is, over zo veel deskundigheid beschikken dat zij zich daarom ook andere onderwerpen snel eigen moeten kunnen maken en kunnen maken. U hebt, denk ik, uw eigen stelling vandaag bewezen.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.2.2">Uw wortels liggen in het fiscale recht. U bent jarenlang belastinginspecteur geweest en nog steeds volgt u de ontwikkelingen op dat terrein met diverse bijdragen aan het Fiscaal Weekblad FED en het Belastingblad. Uw jarenlange ervaring en deskundigheid als belastingjurist hebben uiteindelijk geleid tot uw huidige functie: coördinerend vicepresident en sectorvoorzitter van de Belastingkamer van het gerechtshof in het hoge noorden, in Leeuwarden. U begon als gerechtsauditeur bij hetzelfde hof en bent achtereenvolgens rechter geweest bij de arrondissementsrechtbank en vicepresident van het hof. Daarnaast bent u lid van de commissie die zich bezighoudt met het aantrekken van leden van de rechterlijke macht en bent u plaatsvervangend voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Ook binnen uw politieke activiteiten komt uw deskundigheid in de rechtspraak tot haar recht in uw lidmaatschap van de commissie van beroep van het CDA.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.2.3">Sinds 1978 bent u politiek actief, eerst voor de ARP en sinds 1980 voor het CDA. Drie zittingsperioden bent u lid geweest van de provinciale staten van Fryslân. Ik hoop dat ik dit laatste goed heb uitgesproken, want ik kom uit Limburg zoals u weet. In mei 2005 bent u lid van deze Kamer geworden na het overlijden van onze oud-collega Alis Koekkoek. In onze Kamer toont u zich, als ik het zo zeggen mag – nu wordt het gevaarlijk – een typische Fries: recht door zee, direct en vasthoudend. Die eigenschappen, gecombineerd met uw deskundigheid en ervaring, maken u hier welkom. Daarom wens ik u graag van ganser harte alle succes toe met uw werkzaamheden in de Eerste Kamer.</p>
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.2.4">Ik geef de leden gelegenheid om de heer Pruiksma te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-20052006-1805-1817.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Pruiksma, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech. Het betreft een onderwerp dat ogenschijnlijk niet met uw expertise van doen heeft, gelet op uw jarenlange ervaring met de rechtspraak in belastingzaken. In de rechtspraak echter, zo hebt u zelf eens gesteld, moeten rechters of raadsheren, omdat ons belastingrecht zo ingewikkeld is, over zo veel deskundigheid beschikken dat zij zich daarom ook andere onderwerpen snel eigen moeten kunnen maken en kunnen maken. U hebt, denk ik, uw eigen stelling vandaag bewezen.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Putters" MPid="03023" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2004-05-24" topic="Milieubeheer" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-1555-1588.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-1555-1588.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="25" number-of-words="3603" number-of-unique-words="1219" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Putters" MPid="03023"/>
                <speaker name="Van Gennip" MPid=""/>
                <speaker name="Van der Lans" MPid="02267"/>
                <speaker name="Ketting" MPid="02926"/>
                <speaker name="Slagter-Roukema" MPid="03036"/>
                <speaker name="Van Middelkoop" MPid="02973"/>
                <speaker name="Van Geel" MPid="02313"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik verwelkom staatssecretaris Van Geel in deze zaal en geef het woord aan de heer Putters, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2" speaker="Putters" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Putters  (PvdA)" MPid="03023">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1" speaker="Putters" function="De heer" MPid="03023">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Putters (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Putters</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.2">Mevrouw de voorzitter. "Het in Nederland gevoerde milieubeleid staat in toenemende mate onder druk. Op de politieke agenda dringen zich andere problemen naar de voorgrond, zoals achterblijvende economische groei en toenemende werkloosheid. Wanneer milieumaatregelen ook nog gevoeld worden als een aantasting van toch al bedreigde posities, kan de legitimiteit van deze maatregelen versterkt in het geding komen en dreigt milieubeleid te mislukken." Dit schreef de WRR in 1994 aan de regering in zijn advies Duurzame risico's. Tien jaar later is de tekst opnieuw actueel. De staatsschuld verdringt onze milieuschuld naar de achtergrond. Dat het in een tijd van economische teruggang lastig is om grote financiële offers voor milieubeleid te vragen, is echter onvoldoende verklaring voor de onderwaardering van milieu op de politieke agenda. Eenderde van de burgers geeft natuur en milieu een even hoge prioriteit als bijvoorbeeld zorg, zekerheid en veiligheid. Tegelijkertijd willen de meeste mensen niet kiezen tussen welvaart en milieu; ze willen "en-en". Dat wil de PvdA ook. Het vraagt om een krachtige, creatieve uitvoering van milieubeleid. Gebeurt dat niet, dan raakt het milieu duurzaam onder aan de prioriteitenlijst. Symbolisch was in dit verband de behandeling van de milieubegroting in de Tweede Kamer. Die viel bijna in het niet door tijdsdruk en belangrijker zaken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.3">Prioriteiten verschuiven, maar in dit geval gebeurt het onterecht. Wij vinden dat niet de drogreden mag heersen van "milieu en duurzame ontwikkeling, best belangrijk... maar nu even niet!". Juist nú moet de regering creativiteit afdwingen en meer doen met beperkte middelen. Dat moet, omdat in de recent uitgebrachte milieubalans van het RIVM staat dat het beleid krachtiger moet zijn. Het schiet te kort en wij halen onze doelen niet. Een krachtiger oproep om beter op onze zaak te passen lijkt ons overbodig. Staatsschuld kun je nog aflossen met een procentje meer of minder, maar bij de milieuschuld gaat dat niet zo makkelijk. Schade aan het milieu is namelijk vaak onomkeerbaar en drukt zwaar op toekomstige generaties. Het milieubeleid moet volgens de PvdA gebaseerd zijn op het solide uitgangspunt van zuinig omgaan met economische middelen én ecologische bronnen. Onze vraag is dan ook: toont de regering het leiderschap om duurzame ontwikkeling te bereiken, terugval in milieubewust gedrag te voorkomen en onze milieuschuld af te lossen? Die vraag legt de PvdA-fractie aan de staatssecretaris voor langs twee lijnen, in de verwachting daar ook specifieke antwoorden op te krijgen. In de eerste plaats gaat het om de vraag of de ambities met het beleid voldoende vergaand zijn. In de tweede plaats gaat het om de vraag of die ambities uitvoerbaar zijn en of de regering voldoende oog heeft voor de kritische succesfactoren.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.4">Allereerst wil mijn fractie ingaan op de vraag of de nationale en internationale ambities van de regering voldoende vergaand zijn. De Milieubalans laat zien dat vooruitgang geboekt wordt met het milieu, maar ook dat wij verschillende Europese milieunormen in 2010 dreigen te overschrijden en dat extra actie nodig is. Aangezien milieu vaak een facet is van ander beleid, zal die actie vaak een interdepartementaal karakter moeten hebben. Het lastige voor de coördinerende staatssecretaris van milieu is dat hij dus steeds andermans beleid moet zien te beïnvloeden. Dat roept de vraag op of de coalities met ruimtelijke ordening, natuur, landbouw, economische zaken, onderwijs en volksgezondheid nauw genoeg zijn om bij te dragen aan milieubeleid en innovaties voor duurzame ontwikkeling. Te denken valt aan het stimuleren van nieuwe gezonde en veilige technologie, logistieke innovaties bij ruimtelijke en infrastructurele projecten en het stimuleren van nieuwe technologieën in bijvoorbeeld de glastuinbouw die energieproducerend in plaats van energieconsumerend werken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.5">Hoezeer kan, zal en wil de staatssecretaris zijn collega's dwingen tot dergelijke ambities in integraal beleid? Hij stelt dat hij in dat opzicht niet zo pessimistisch is over het behalen van de lange termijndoelen en zijn hoop gevestigd heeft op technische oplossingen. Als het gaat om het innovatieplatform, waar bij uitstek dergelijke ontwikkelingen gestimuleerd zouden moeten worden, blijft het stil rond het thema duurzaamheid. Welke ambities heeft de staatssecretaris met dit platform als zijn hoop zo gevestigd is op nieuwe technologische ontwikkelingen? Wat tot nu toe vooral opvalt, is de beperkte vergroening van het belastingstelsel, bezuinigingen op Energie Premie Regelingen en gehannes met investeringssubsidies bij het gebruik van zonne-energie. Op korte termijn zijn dit wellicht financieel aantrekkelijke maatregelen, maar de gevolgen op de lange termijn voor de producenten- en consumentenverantwoordelijkheid zijn ronduit negatief. Staatsschuld gaat blijkbaar bóven milieuschuld!</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.6">Ruimtelijke ontwikkeling en economische groei krijgen steeds meer vrij baan en de prikkel om bijvoorbeeld via maatschappelijk verantwoord ondernemen bij te dragen aan duurzame ontwikkeling wordt steeds vaker onderdrukt. Zelfs dichtbij huis, in de recent uitgebrachte nota Ruimte van het ministerie van VROM die is geschreven in het pand waarin ook de staatssecretaris huist, zijn slechts met een vergrootglas zeer beperkte ambities te herkennen rond sterke verbindingen tussen milieu en ruimtelijke ordening. Minister Dekker ziet overal ruimte voor, vooral voor het flexibeler toepassen van milieuregels, minder milieu-effectrapportages en minder verplichtingen bij het opstellen van milieubeleidsplannen. Minister Dekker ziet blijkbaar minder ruimte voor garanties dat provincies en gemeenten natuur, landschap, water en milieu niet laten ondersneeuwen door hun ruimtelijke ambities. Hoe gerust is de staatssecretaris daar eigenlijk over en welke ambities zou hij bij lokale overheden willen afdwingen? Hoe staat hij bijvoorbeeld tegenover het investeren van winsten op grondverkoop in natuur en milieu? Terugdringing van administratieve lasten kan toch niet de hoofdambitie zijn?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.7">Wij realiseren ons dat wij nationaal vaak niet meer dan kleine stappen zetten die in internationaal verband pas echt iets opleveren. Wanneer het kabinet echter aangeeft met het milieu niet meer zo voorop te willen lopen, dan neemt onze kritiek op het ambitieniveau daardoor niet af. Het kabinet spreekt de verwachting uit dat de Kyotoverplichtingen gehaald zullen worden en dat voor 2012 de uitstoot van broeikasgassen met 6% is gedaald ten opzichte van 1990. Welk streefcijfer wil de regering voor de periode daarna in de EU bereiken? Het zal de regering niet ontgaan zijn dat volgens de Amerikanen Den Haag dan inmiddels onder water is gelopen vanwege het broeikaseffect! Actie lijkt ons dus geboden, al weet iedereen dat niet alle landen Kyoto even serieus nemen, dat de effecten van CO2-uitstoot soms betwist worden en dat de Verenigde Staten zich soms laten leiden door verhalen die stellen dat er niets aan de hand is en dan weer doorschieten naar een rampenscenario.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.8">De PvdA-fractie kiest maar liever voor droge voeten en speelt op safe. Wij vinden het belangrijk om meer in te zetten op internationale afspraken rond milieu-innovaties, zoals veilige en duurzame koel- en energiecentrales in Afrika.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.9">Onze expertise rondom energiesystemen, met name met elektriciteitscentrales zoals de experimentele centrale in Roermond, is groot en zou onmiddellijk in andere landen toegepast moeten worden. Daarnaast hangt onduurzaamheid samen met armoede en overbevolking in ontwikkelingslanden. Gezamenlijk beleid met Ontwikkelingssamenwerking, gericht op internationale afspraken over waterzuivering en duurzame landbouw waarbij de Nederlandse expertise een belangrijke rol kan spelen, levert écht iets op. Bovendien werken dergelijke maatregelen als een katalysator voor innovatie en modernisering en zorgen daarmee voor synergie tussen milieu en economie.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.10">Wij zijn daarom verheugd over voornemens om Rusland en de Verenigde Staten tot actie te bewegen en de milieu- en klimaatproblemen in ontwikkelingslanden op de agenda te plaatsen. Het blijft echter nog sterk bij onderzoek doen naar, bekijken wat mogelijk is en het in kaart brengen van de gevolgen voor de Nederlandse concurrentiepositie. Gezien de internationale rol die Nederland de komende tijd gaat spelen, betekent kiezen voor Kyoto dat we concreet acties moeten ondernemen die milieu- en gezondheidswinst opleveren. De Nederlandse visie en daadkracht zijn gezichtsbepalend voor het voorzitterschap van de Milieuraad en het post-Kyototraject. Wij zouden graag zien dat de Europese lidstaten straks méér van deze staatssecretaris weten dan dat hij afgevaardigde is van het land dat milieuregels rond nitraat, zwavelarme brandstof, water en luchtverontreiniging overtreedt. We zouden dus graag méér horen over de ambities van de regering. Wat is de onderhandelingsinzet en welke rol spelen milieu-innovaties en duurzaam energiegebruik daarbij?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.11">De huidige omstandigheden vragen om een hoog ambitieniveau en een langetermijnvisie met een krachtige koppeling tussen nationaal en internationaal milieubeleid. Het eerste deel van mijn betoog samenvattend, kom ik tot de volgende vragen. Deelt de staatssecretaris de analyse dat extra en vaak interdepartementale actie nodig is om de innovaties voor duurzame ontwikkeling te bereiken? Zo niet, waaruit blijkt dán de innovatieve kracht van het huidige beleid? Zo ja, welke meetbare resultaten wil hij bereiken? Welke rol is weggelegd voor de Stad-en milieubenadering, milieueducatie, duurzaam ondernemen en bijvoorbeeld het investeren van winsten op grondverkoop in natuur en milieu? Hoe gaat hij hiervoor draagvlak aanboren bij collega-ministers en andere overheden?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.12">Op internationaal gebied zijn we benieuwd naar de centrale ambities tijdens het EU-voorzitterschap. Hoever is inmiddels het denken gevorderd over innovatie en technologische vernieuwing ter realisatie van de Lissabonstrategie? Daarnaast doen zich nu de Russen omgaan nieuwe kansen voor in het post-Kyototraject. Welke acties worden ondernomen om Poetin écht over de streep te duwen, om resultaatsafspraken met de Russen te maken en armoede- en milieuproblemen in Afrika nadrukkelijker op de agenda te krijgen? Welke streefcijfers heeft de regering en hoe gaat zij daarvoor internationaal draagvlak verwerven?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.13">Dit alles brengt ons bij een gewetensvraag, waarvan ik hoop dat ik die als beginnend Kamerlid mag stellen, mevrouw de voorzitter. Waar droomt deze staatssecretaris van? Wat zou hij anders doen als de financieel-economische ruimte groter was? En wat wil hij in de huidige situatie ten minste bereikt hebben in deze periode?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.14">Het tweede thema van mijn betoog is de uitvoerbaarheid van het beleid. Beleid moet volgens de Algemene Rekenkamer specifiek, meetbaar, acceptabel, relevant, tijdgebonden en consistent zijn. Onwil, onkunde en onwetendheid in de beleidsvorming zorgen er vaak voor dat dit niet het geval is en brengen de beleidsuitvoering in gevaar, aldus de Rekenkamer. Bij economische teruggang en beperkte politieke belangstelling voor milieu is het voor het rendement van ingezette middelen van belang dat er structuren zijn waarbinnen duurzame ontwikkeling daadwerkelijk wordt meegewogen en dat er instrumenten zijn die zorgen voor breed draagvlak en effectieve uitvoering van gemaakte afspraken. Zijn deze kritische succesfactoren voldoende aanwezig?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.15">Als het gaat om de structurele verankering van milieu in beleid en bestuur, horen we nauwelijks meer iets van het groenepoldermodel om breed gedragen en afdwingbare afspraken tussen overheid en markt tot stand te brengen. Het gaat mijn fractie niet zozeer om het groenepoldermodel, maar wél om de dialoog over duurzaamheid in samenleving en economie. De PvdA vergeleek in een eerder beleidsdebat de investeringen in de kenniseconomie met de acties van een rugbyteam, waarbij ministers met de samenleving een innovatief spel moeten spelen en moeten scoren. Wie zijn in het geval van de duurzame ontwikkeling de medespelers van de staatssecretaris? Zijn die spelers wel opgesteld en hoe stuurt hij hen in de richting van scoren? Heeft zijn team voldoende structuur om ieder lid zijn bijdrage aan de score te laten leveren? En heeft hij als spelcoördinator voldoende overredingskracht om hen daartoe te bewegen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.16">Bij het innovatieplatform (dat zou zo'n team kunnen en moeten zijn) zit milieu al niet aan tafel. De staatssecretaris erkende zelf in een interview dat "duurzaamheid in het innovatieplatform niet expliciet een rol speelt", maar dat hij er persoonlijk vanuit gaat dat "zo'n 60% van de innovaties buitengewoon goed zijn voor het milieu". Dat betekent dat economische groei blijkbaar boven duurzame ontwikkeling gaat én dat 40% van de innovaties waarschijnlijk niet duurzaam is. Voor de overige 60% moeten we bouwen op het goede gevoel van de staatssecretaris. Hoewel wij daar veel waarde aan hechten, vindt mijn fractie dit toch een beperkte waarborg. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen dat de staatssecretaris er zelf gerust op is dat zijn collega's de volle aandacht voor het milieu hebben als het vooral over meer werk en minder regels gaat. Mijn fractie is van mening dat structurele betrokkenheid moet garanderen dat de dialoog over duurzaamheid plaatsvindt! Wij vernemen graag de visie van de staatssecretaris daarop.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.17">De Stad- en milieuprojecten zijn voorbeelden van initiatieven waarbinnen succesvol aan commitment is gewerkt bij provincies, gemeenten en maatschappelijke organisaties voor duurzame stadsontwikkeling. Alhoewel milieu daarbij dus wel aan tafel zit, laten de resultaten nog te wensen over. De regering komt hieromtrent nog met nadere plannen en wetgeving, maar de S&amp;M-evaluaties geven belangrijke inzichten die breder betrekking hebben op een tekortschietende verankering van milieu in de integrale beleidsvorming. Ze wijzen op het ontbreken van structuren waarbinnen integrale afwegingen gemaakt kunnen worden én afspraken uitgevoerd worden, en op onvoldoende visie en samenhang vanuit het Rijk op de aansturing. Het blijft daardoor ongewis of en zo ja hoe lagere overheden en marktpartijen het milieu echt meewegen. Het RPB en het RIVM wijzen op het dreigende gevolg daarvan, namelijk dat de milieudoelen niet gehaald worden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.18">Dat brengt ons bij de tweede succesfactor die nodig is voor de uitvoering van milieubeleid: de aanwezigheid van een passend instrumentarium. De regering kiest voor decentralisatie van verantwoordelijkheden, soepeler regelgeving en overredingskracht. Er komen steeds meer inspanningsverplichtingen die weinig meetbaar, tijdgebonden en specifiek zijn. De vier verantwoordelijke ministers voor klimaatbeleid (VROM, LNV, VW, EZ) krijgen streefdoelen mee, maar moeten zelf bekijken welke extra maatregelen nodig zijn als ze deze niet halen. Het straalt veel vrijblijvendheid uit. In krappe tijden trekt ieder zich terug op het eigen budget en is samenwerking snel "lastig, onnodig en extra kostengenererend". Zonder dwang en prikkeling worden bedrijven en overheden slechts zeer beperkt tot extra maatregelen bewogen. Bemoeibeleid blijft dus nodig, zeker als veiligheid en gezondheid in het geding zijn. Een instrument als de milieumonitor leverde door de vrijblijvendheid voor deelname door lagere overheden zo weinig op dat dit reden was om het af te schaffen. We moeten dus juist méér zekerheid inbouwen om gewenste prestaties te garanderen. In de praktijk zien we dat milieubelangen het snel afleggen tegen (boven)lokale ruimtelijke en economische belangen, ofwel dat te veel verschillende regels per gemeente ontstaan die het geheel complexer maken, zoals bij het geluidhinderbeleid en Schiphol.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.19">De PvdA kiest ook voor meer decentraal, maar wel normstellend. Veel vraagstukken vragen om maatregelen die gemeenten niet alleen kunnen treffen. Het Rijk moet hier verantwoordelijkheid nemen, regie voeren en normen handhaven. We dagen de staatssecretaris uit om vanavond uiteen te zetten hoe in zijn onderliggende sturingsfilosofie rond milieu in de integrale beleidsvorming gegarandeerd is dat milieubelangen decentraal geborgd worden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.20">Wij concluderen dat de kritische succesfactoren voor uitvoering van SMART milieubeleid maar beperkt aanwezig zijn. Daarom samenvattend enkele vragen. Deelt de staatssecretaris de analyse dat milieu en duurzaamheid sterker in het overleg over economische groei en MVO tussen overheid en bedrijfsleven verankerd moeten worden? Zo ja, hoe wil hij dat realiseren en hoe kijkt hij aan tegen een revival van de idee van de groene polder? Zo nee, hoe voorkomt hij dat duurzame ontwikkeling het aflegt tegen economische en ruimtelijke ontwikkeling? Hoe gaat hij er bijvoorbeeld voor zorgen dat de uitkomsten van het innovatieplatform de duurzaamheidstoets kunnen doorstaan?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.21">Zijn de instrumenten van de staatssecretaris toereikend om afspraken bij collega-ministers, lagere overheden en bedrijven af te dwingen, nu regels op veel relevante beleidsterreinen gedecentraliseerd of afgeschaft worden? Bundeling van regels rond bouw, milieu en ruimtelijke ordening is mooi, maar hoe voorkomen wij dat milieu ondergeschikt raakt, bijvoorbeeld als het gaat om toezicht? Hoe realistisch is dan de bezuiniging op de handhaving? Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris in alternatieve instrumenten, zoals het directer aanspreken van bestuurders op hun verantwoordelijkheden en het werken met bestuurlijke boetes?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.22">Mijn fractie is al met al kritisch over de ambities van de regering rond duurzame ontwikkeling en klimaatbeleid, alsmede over de wijze waarop zij deze hoopt te bereiken. Ambities en werkwijze hebben met leiderschap en stijl te maken. De staatssecretaris stelde onlangs nog dat hij de stijl wil hanteren van "we doen het of we doen het niet". Dat spreekt ons aan. Maar wat staat hem daarbij voor ogen? Hoge ambities vragen om een sterk coördinerende verantwoordelijkheid voor integraal milieubeleid waar niemand omheen kan. Een bewindspersoon voor milieu zou volgens de PvdA dan ook eigenlijk een minister moeten zijn, maar zeker geen Postbus 51-staatssecretaris of een burgemeester in oorlogstijd die wacht op betere tijden. De opstelling van de staatssecretaris bij de bestrijding van vuile auto's in Europees verband spreekt ons dus aan. Wij hopen dat dit een voorbode voor meer is.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.23">Ik begon mijn bijdrage niet voor niets met de constatering dat creatief en innovatief leiderschap nodig is dat klip en klaar afstand neemt van de gedachte dat het bij economische teruggang even iets minder kan met het milieu. Leiderschap dat de ambitie heeft om naast de staatsschuld onze milieuschuld af te lossen en leiderschap dat een samenhangende visie onder het beleid legt, met een realistisch perspectief op de gevolgen van alle decentralisatieprocessen van dit kabinet. Kortom, een visie die uitgaat van regie in de integrale beleidsvorming en die de dialoog over duurzaamheid garandeert en resultaten afdwingt. Mooie woorden dat milieu vanzelfsprekend is geworden overtuigen ons niet. Het moet nog steeds pijn doen, mevrouw de voorzitter. Duurzame ontwikkeling moet nationaal en internationaal worden afgedwongen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.24">Voorzitter. Ik rond af. Het kabinet waagt zich op het randje van een afgrond, omdat er in de samenleving een terugval dreigt in milieubewustzijn en minder milieubewust gedrag op de loer ligt. Hoe voorkomen we dat we terugvallen in een stijl van "we zien wel of we de doelen halen" en dat de samenleving daar vervolgens een "license to sit still" in ziet? Niet door te stellen dat wij met het milieu niet zo voorop hoeven te lopen. In het licht van het EU-voorzitterschap en de nieuwe EU-leden is dat volgens ons geen aantrekkelijke optie. Mijn fractie ziet veel in de mogelijkheden om het tij te keren, maar vreest de slogan van het Nederlands voorzitterschap al. We hebben hem alvast bedacht: milieu, best belangrijk! Het zal de collega's in het kabinet misschien aanspreken, maar wij vinden het weinig overtuigend.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.25">Voorzitter. Als scout – padvinder zullen enkelen in dit huis waarschijnlijk nog zeggen – zit bij mij de zorg voor natuur en milieu er al vanaf jonge leeftijd in. Padvinders beloven de wereld een beetje beter achter zich te laten dan zij haar gevonden hebben. Ervan uitgaande dat dit de staatssecretaris aanspreekt vanuit zijn geloof in het rentmeesterschap van de overheid zou mijn fractie graag van hem horen hoeveel beter de wereld er na zijn regeertermijn uit zal zien. De gedachten daarover leveren hem ongetwijfeld een veel krachtiger slogan op voor het voorzitterschap van de Milieuraad.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.1.26">Voorzitter. De fractie van de PvdA ziet met belangstelling de antwoorden van de staatssecretaris tegemoet.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.2.1">Mijnheer Putters, het doet mij als ondervoorzitter van de Kamer genoegen, u vanavond te mogen complimenteren met het uitspreken van uw maidenspeech. Dat genoegen is des te groter omdat u deze rede heeft uitgesproken als jongste lid van deze Kamer tijdens de huidige zitting 2003-2007. Uw roemruchte voorganger als jongste lid van de Kamer in de vorige zitting was de heer Driek van Vugt, die de vergaderingen van deze Kamer nogal eens placht te moeten verzuimen wegens het afleggen van een tentamen. U bent ondanks uw nog jonge leeftijd een stuk verder voortgeschreden op de weg van de wetenschap. U heeft zich bovendien sedert de Voorzitterlaatste verkiezingen voor deze Kamer geschaard in een nieuwe generatie jongere leden van deze Kamer, de leden Van Raak, Schouw en Sylvester, die met een dissertatie hun wetenschappelijke studie met succes afsloten. Naar mijn mening mogen wij ons met deze jongere generatie praktiserende wetenschappers verheugen in een welkome en waardevolle aanwas van de binnen deze Kamer al aanwezige generatie van gerenommeerde wetenschappers.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.2.2">Voorafgaande aan en inmiddels naast het lidmaatschap van deze Kamer heeft u een groot aantal wetenschappelijke, politieke en maatschappelijke activiteiten ontwikkeld, waarvan ik er slechts een aantal kan noemen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.2.3">Naast uw hoofdfunctie van docent aan het Centrum voor recht, bestuur en informatisering aan de Universiteit van Tilburg, een functie die u sedert vorig jaar bekleedt, bent u politiek actief als lid van de gemeenteraad van Hardinxveld-Giessendam. Opvallend is verder dat uw wetenschappelijke interesse die, getuige diverse publicaties, vooral gericht is op bestuurlijke en bestuurskundige vragen die samenhangen met de rol, de plaats en de invloed van de verschillende partijen, namelijk overheid, zorgaanbieders, zorgverzekeraars en zorgontvangers op het terrein van de gezondheidszorg, zich niet heeft beperkt tot louter theoretische bijdragen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.2.4">U bekleedt naast uw hoofdfunctie en het lidmaatschap van deze Kamer nog een aanzienlijk aantal nevenfuncties, die vooral raken aan de vraag hoe het door de overheid geformuleerde beleid ten aanzien van de gezondheidszorg in de praktijk van de uitvoering kan worden gemeten en getoetst. Ik noem onder andere uw lidmaatschap van de wetenschappelijke commissie Integraal gezondheidsbeleid van het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieuhygiëne en uw lidmaatschap van de begeleidingscommissie van het project "Overhead bij de ziekenhuizen" van het ministerie van VWS.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.2.5">Uw actieve bijdrage aan de recente activiteiten van onze vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat ten aanzien van het rapport van de Algemene Rekenkamer, getiteld Tussen beleid en uitvoering, maar ook het feit dat u vanavond optreedt als woordvoerder bij dit beleidsdebat over het milieubeleid, tonen aan dat u een veelzijdig mens bent van wie deze Kamer nog veel te verwachten heeft. Het zal u voorts niet verbazen dat wij buitengewoon verheugd zijn over het feit dat u daarnaast nog tijd weet vrij te maken om af en toe op te treden als buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand in uw gemeente en dat u zich vroeger verdienstelijk hebt gemaakt in het werken met jongeren, waarvoor u in 2001 het zilveren waarderingsteken van Scouting Nederland ontving.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.2.6">Nogmaals wens ik u met het uitspreken van uw maidenspeech van harte geluk.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-20032004-1555-1588.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Rabbinge" MPid="02284" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1999-10-26" topic="Substraatteelt" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-29-38.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-29-38.1.5" which-speech-in-topic="4" number-of-paragraphs="7" number-of-words="1009" number-of-unique-words="473" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Belasting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Landbouw <pm:entity> Planten</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Dölle" MPid="02262"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Varekamp" MPid="02939"/>
                <speaker name="Rabbinge" MPid="02284"/>
                <speaker name="Van der Hoeven" MPid=""/>
                <speaker name="Luchtenveld" MPid=""/>
                <speaker name="Peper" MPid="02901"/>
                <speaker name="Dölle" MPid="02262"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Varekamp" MPid="02939"/>
                <speaker name="Rabbinge" MPid="02284"/>
                <speaker name="Van der Hoeven" MPid=""/>
                <speaker name="Luchtenveld" MPid=""/>
                <speaker name="Peper" MPid="02901"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer Rabbinge, die ook zijn maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-29-38.1.5" speaker="Rabbinge" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Rabbinge  (PvdA)" MPid="02284">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-19992000-29-38.1.5.1" speaker="Rabbinge" function="De heer" MPid="02284">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Rabbinge (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Rabbinge</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.5.1.2">Voorzitter! Ook ik wil mijn waardering uitspreken voor het initiatief van onze collega's van de Tweede Kamer, die zeer indringend een belangrijk onderwerp bij de kop hebben gepakt en erop aangedrongen hebben om dat op een behoorlijke wijze van commentaar te voorzien. Zij hebben niet afgelaten om door te zetten toen dat soms lastig was. Dat neemt niet weg dat ik hier zal motiveren waarom de fractie van de PvdA niet zal instemmen met de in het initiatiefwetsvoorstel beoogde vrijstelling van onroerendezaakbelasting voor de substraatteelt. Daarmee wordt een verkeerde weg ingeslagen en daarom wordt het niet onderschreven.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.5.1.3">Ogenschijnlijk hebben de indieners van het wetsvoorstel, de leden van de Tweede Kamer Van der Hoeven en Luchtenveld, een duidelijke en goede argumentatie voor dit voorstel tot wijziging van de Gemeentewet. De collega's die eerder aan het woord waren, hebben dat ook naar voren gebracht. Kweker A en B wonen naast elkaar en telen allebei onder glas op eenzelfde oppervlak en met dezelfde goede omstandigheden, maar krijgen een totaal verschillende belastingaanslag omdat de ene rechtstreeks in de grond teelt en de andere grond in bakken of een of ander kweekmedium gebruikt. Dit verschijnsel lijkt moeilijk uit te leggen. De stap naar een kweek volledig los van de grond op steenwol of andere media is evenwel een vrij logische. De grondbinding raakt daarmee verloren. Dat is een stap in de richting van een industriële, niet-grondgebonden teelt van bloemen, planten of andere producten. Die stap is om verschillende redenen gewenst, want het leidt tot een betere beheersing van verschillende groeifactoren, waardoor zowel teelttechnische als milieutechnische winst kan worden geboekt. Dat zal ook leiden tot een bedrijfseconomische verbetering, mits de juiste teelt- en investeringsbeslissingen worden genomen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.5.1.4">De ontwikkelingen van gecontroleerde teelten in kassen en ook in bedrijfshallen – wij kennen heel veel activiteiten met levende systemen in gesloten ruimten, bijvoorbeeld de champignonteelt en de teelt bij Gist-Brocades – betreffen teelten waarbij zowel het klimaat en de instraling als de plantvoeding zodanig worden gereguleerd dat planten en gewassen onder optimale condities kunnen groeien. Dat is een innovatie van de bovenste plank. Die kennisintensieve en geavanceerde teeltwijze heeft de Nederlandse tuinbouw de leidende positie in de wereld bezorgd. Op minder dan 10.000 hectare, minder dan 0,5% van ons cultuurareaal, wordt meer dan 50% van de totale productiewaarde gerealiseerd. Wij zijn leidinggevend op zowel het gebied van de teelttechniek als het gebied van minimalisatie van negatieve milieueffecten. De immissie van pesticiden is minimaal als gevolg van een zeer sterke inzet van biologische bestrijdingsmogelijkheden tegen ziekten en plagen. De emissie van nitraten en andere plantvoedingsstoffen is verwaarloosbaar door de fijnregeling die in de substraten kan worden gerealiseerd. De PvdA-fractie juicht deze ontwikkeling ook toe en voorziet in toenemende mate een verdere innovatie in de tuinbouw onder glas en andere beschermde teelten. De internationale concurrentiekracht van deze bedrijfstak is in alle opzichten een voorbeeld van een kennisintensieve industrie, werkend met levende systemen waarvan wij verschillende voorbeelden kennen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.5.1.5">Het grondgebonden karakter is evenwel verdwenen. De hoogwaardige productie en de enorme productiecapaciteit per eenheid van oppervlak zijn een veelvoud van iedere vorm van grondgebonden landbouw, met name in financiële zin. Daarom is het onderscheid tussen de grondgebonden en de niet-grondgebonden landbouw zo belangrijk. De ontwikkelingen in de niet-grondgebonden landbouw zijn illustratief voor een beweging waarmee de milieudoelen kunnen worden bereikt en tegelijkertijd een goede teelttechnische prestatie op industriële wijze kan worden gerealiseerd. De randvoorwaarden, doeleinden en regels die op de industrie van toepassing zijn, kunnen en moeten dan ook op deze manier van produceren van toepassing zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.5.1.6">In het wijzigingsvoorstel van wet wordt nog vastgehouden aan een situatie die in het verleden bestond. Dat is onjuist. Beter ware het de uitzondering van de niet-grondgebonden landbouw ook op te heffen voor kassen waarin nog in de grond wordt geteeld, want dan ben je consequent. Dat kan natuurlijk niet zonder hardheidsclausules. Als je uitgaat van het profijtbeginsel, moet je dat ook consequent doen. Het niet-grondgebonden karakter, de industriële werkwijze en de ruimtelijke kenmerken rechtvaardigen opname in de OZB alleszins. Gelet op alle uitzonderingen is er aanleiding om de gehele belastingwetgeving op het gebied van de onroerendezaakbelasting te herzien.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.5.1.7">Bij de grondgebonden landbouw, die nog duidelijk kenmerken van een landbouwkundige activiteit vertoont, is het acceptabel dat een andere regeling wordt toegepast, zeker in het licht van de torenhoge grondprijzen en gelet op het eerder genoemde profijtbeginsel. Op 40% van het cultuurareaal haalt de akkerbouw nog geen 5% van de totale productiewaarde. De nu geldende waterschapsaanslagen zijn acceptabel. Voorgaande sprekers hebben echter al gewezen op de vervaging van de waterschapslasten, die nu ook van toepassing zijn op stedelijke gebieden, en op de Europese regelgeving. Het is verstandig, ook dit stelsel opnieuw te bezien.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.5.1.8">Voorzitter! De PvdA-fractie zal dit wetsvoorstel niet steunen. Zij dringt erop aan om het systeem van onroerendezaakbelasting voor niet-grondgebonden landbouw en de uitzonderingen die gelden voor de grondgebonden landbouw nog eens te bezien op een juiste toepassing van de geldende principes voor deze belastingheffing.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-29-38.1.5.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.5.2.1">Ik wens de heer Rabbinge graag geluk met het houden van zijn maidenspeech in deze Kamer. Toen ik op 1 juni jongstleden afscheid nam van een groot aantal leden van de Kamer die toen in hun laatste vergadering bijeen waren, heb ik uitgesproken dat het een voorrecht is om een volksvertegenwoordiging te hebben met twee Kamers, omdat dit ons in de gelegenheid stelt om mensen met een brede maatschappelijke ervaring ook bij het wetgevende werk te betrekken. Gelet op de huidige nevenfuncties van de heer Rabbinge is het duidelijk dat wij iemand in onze Kamer hebben gekregen die zijn sporen nationaal en internationaal op het terrein van de biowetenschappen heeft verdiend. Ik noem er enkele. Hij is voorzitter van de biologische raad van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen – daarvan hebben wij niet erg veel vertegenwoordigers in ons midden – en verder is hij werkzaam in Maleisië, China, India, Indonesië, Washington, Hamburg, Alabama en de Filippijnen. Dit alles komt uit Wageningen en is nu lid van onze Eerste Kamer, mijn hartelijke gelukwensen.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-29-38.1.5.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-29-38.1.5.3.1">De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Rehwinkel" MPid="02567" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-11-20" topic="Dwangsom bij niet tijdig beslissen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-268-293.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-268-293.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="11" number-of-words="1578" number-of-unique-words="649" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Staatsrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Bestuursrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Huijbregts-Schiedon" MPid="03146"/>
                <speaker name="Rehwinkel" MPid="02567"/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
                <speaker name="Dölle" MPid="02262"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Strik" MPid="02338"/>
                <speaker name="Wolfsen" MPid=""/>
                <speaker name="Luchtenveld" MPid=""/>
                <speaker name="Wolfsen" MPid=""/>
                <speaker name="Ter Horst" MPid="03152"/>
                <speaker name="Hirsch Ballin" MPid="02963"/>
                <speaker name="Scheltema" MPid=""/>
                <speaker name="Wolfsen" MPid=""/>
                <speaker name="Huijbregts-Schiedon" MPid="03146"/>
                <speaker name="Rehwinkel" MPid="02567"/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
                <speaker name="Dölle" MPid="02262"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Strik" MPid="02338"/>
                <speaker name="Wolfsen" MPid=""/>
                <speaker name="Luchtenveld" MPid=""/>
                <speaker name="Ter Horst" MPid="03152"/>
                <speaker name="Hirsch Ballin" MPid="02963"/>
                <speaker name="Scheltema" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Rehwinkel, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-268-293.1.3" speaker="Rehwinkel" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Rehwinkel  (PvdA)" MPid="02567">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.1" speaker="Rehwinkel" function="De heer" MPid="02567">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Rehwinkel (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Rehwinkel</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.1.2">Mevrouw de voorzitter. Ik zou bijna met een raadsel kunnen beginnen. Het is inderdaad mijn maidenspeech, maar toch niet de eerste keer dat ik hier sta. Ik heb bij de behandeling van een aantal huwelijkswetten rondom het Koninklijk Huis als lid van de Verenigde Vergadering ook vanaf deze plek het woord mogen voeren. Het is mij een eer om dat nu als lid van deze Kamer te mogen doen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.1.3">Het initiatiefvoorstel van de heer Wolfsen, inderdaad oorspronkelijk mee ingediend door het oud-Tweede Kamerlid voor de VVD de heer Luchtenveld, die hier vandaag ook aanwezig is – goed dat hij er is, fijn om hem te zien – wil burgers een effectief rechtsmiddel geven tegen te trage besluitvorming door het bestuur. Het beoogt het bestuur te sanctioneren met het opleggen van een dwangsom bij het niet naleven van wettelijk voorgeschreven beslistermijnen. Ik dank de heren Wolfsen en Luchtenveld voor hun initiatief. Ik kan de heer Wolfsen, anders dan de heer Luchtenveld, nog toewensen dat hij als Tweede Kamerlid de hopelijk succesvolle afronding van dit wetsvoorstel mag meemaken. Zeker weten wij nu dat hij snel onder deze wet zal vallen. Inderdaad wordt hij een volgende keer niet door de Utrechtse kiezer, maar op aantallen dwangsommen beoordeeld.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.1.4">De AWB geeft termijnen waarbinnen de overheid moet beslissen. Die termijnen beschermen burgers tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid en ze verschaffen ook rechtszekerheid, omdat burgers zo weten binnen welke termijn zij duidelijkheid krijgen over het standpunt van de overheid. Die termijnen blijken nu veelvuldig te worden overschreden. Voor een bestuursorgaan mag gelden dat het zich aan gestelde termijnen houdt. Er is sprake van structurele vertragingen in de afhandeling van onder andere bezwaarschriften. Vanuit die optiek beoordelen wij als PvdA-fractie het ingediende wetsvoorstel positief. Wij hopen dat extra inspanningen van bestuursorganen ertoe zullen leiden dat voortaan wel op tijd wordt beslist.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.1.5">Bij de schriftelijke behandeling is gewaarschuwd voor het wat te eenvoudige beeld van een krachtige, wat arrogante overheid versus de eenvoudige en wat hulpeloze burger. Wij stellen ons achter die waarschuwing. Dit wetsvoorstel kan een bijdrage zijn om niet tijdig beslissen te voorkomen, maar de indiener wijst er zelf op dat allerlei oorzaken ten grondslag liggen aan het niet halen van beslistermijnen. Die kunnen variëren van te lage prioriteitstelling tot gebrek aan capaciteit of bijvoorbeeld de complexiteit van een zaak. Het mag duidelijk zijn dat met dit wetsvoorstel laatstgenoemde problemen, complexiteit en gebrek aan capaciteit, niet zomaar zijn opgelost.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.1.6">Zeker moet ook de waarschuwing uit het preadvies van mevrouw mr. M. Vos ter harte worden genomen. Zij wijst op bestuursorganen die het werk om uiteenlopende redenen boven het hoofd is gegroeid. De indiener reageert wel op de waarschuwing van mevrouw Vos, maar dat doet hij door te spreken van kennelijke onverschilligheid bij die bestuursorganen ten aanzien van wettelijke termijnen. Er kunnen echter ook problemen van bestuurskracht zijn die meer serieuze aandacht verdienen. Bij de uitvoering van de wet dwangsom bij niet tijdig beslissen, die dan met recht de wet-Wolfsen mag heten – wet-Wolfsen/Luchtenveld, vooruit – moet daarvoor aandacht bestaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.1.7">De voorgestelde dwangsomregeling heeft tot 1&#160;januari 2009 een facultatief karakter voor alle bestuursorganen. Na die datum gaat de regeling van rechtswege gelden. Bestuursorganen hebben dus tot 2009 de tijd om zich voor te bereiden op het volledig van kracht worden van de dwangsomregeling en om de daarvoor noodzakelijke organisatorische maatregelen te treffen. Indien bestuursorganen al gereed zijn om tijdig beschikkingen af te geven, kunnen die bestuursorganen de dwangsomregeling nog voor afloop van de facultatieve periode voor zichzelf vrijwillig van toepassing verklaren. Enkele provincies en gemeenten hebben dat al gedaan. Zij worden met uitvoeringsproblemen geconfronteerd die ons nu ten voordele kunnen zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.1.8">De indiener verwacht dat, als de dwangsomregeling daadwerkelijk is ingevoerd, gemeenteraden of andere controlerende organen beter in staat zijn om structurele termijnoverschrijdingen vast te stellen en te corrigeren. Maar ik meen dat daar eerder zicht op zou moeten ontstaan, eerder dus dan het moment dat de dwangsomregeling daadwerkelijk en definitief is ingevoerd. Zowel de indiener als de ministers wil ik graag vragen waar de meeste dwangsommen worden verwacht. Noemt u eens een aantal organen of overheden. De bedoeling van dit wetsvoorstel is onvermijdelijk ook een zekere "naming and blaming". Als je van gemeenten en deelgemeenten hoort spreken waar in soms tientallen procenten van de gevallen afhandelingstermijnen niet worden gehaald, dan mag je alleen maar hopen dat dit niet juist is. Ik stel dit uitdrukkelijk ook als vraag.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.1.9">Ik wil de ministers ook vragen of zij bereid zijn om ontwikkelingen te volgen. Met name de structurele problemen van bestuurskracht dienen als zodanig te worden benoemd. Mijn vraag is er vooral op gericht om onvoldoende bestuurskrachtige gemeenten, die dus niet voor die facultatieve regeling kiezen, te schouwen. Dat aspect kan volgens ons onderdeel vormen van de integrale schouw naar in de wetgeving voorkomende beslistermijnen die al is aangekondigd voor het geval het voorstel wet wordt. Het toetsen van termijnen moet ook gebeuren vanuit het oogpunt van op te brengen bestuurskracht. Ik vermoed dat het probleem van onvoldoende bestuurskracht zich met name bij gemeenten en minder bij bijvoorbeeld provincies zal voordoen. Nou, wordt hier gezegd. Ook in dat geval is er reden om te schouwen. Bent u bereid dat in beeld te brengen?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.1.10">Het mag overigens duidelijk zijn dat het toetsen van wettelijke beslistermijnen ook onze hand in eigen boezem is. Er werd net "nou" geroepen door iemand die ongetwijfeld ook als vertegenwoordiger van een gemeente zijn hand in eigen boezem zal steken. Dat moeten wij ook als Eerste en Tweede Kamer doen, want de Eerste en Tweede Kamer zullen zich over de redelijkheid van wettelijk gestelde termijnen moeten buigen. Dat kan ook het voordeel van dit wetsvoorstel zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.1.11">De vraag kan ook worden gesteld of eenmaal uitgekeerde bedragen op basis van de wet-Wolfsen meetellen voor de vermogenstoets bij later in de tijd, dus nadat de dwangsom is uitbetaald, ingediende aanvragen voor een uitkering levensonderhoud, voor bijzondere bijstand, voor bijvoorbeeld een langdurigheidstoeslag, maar bijvoorbeeld ook bij aanvragen kwijtschelding gemeentebelastingen. Beoordeling van kwijtscheldingsaanvragen van gemeentelijke belastingen en heffingen geschiedt aan de hand van de Invorderingswet 1990 en aan de hand van verschillende uitvoeringsregelingen. Laten die ruimte om dwangsombepalingen buiten de vermogenstoets te houden? Het wapen van de dwangsom mag toch niet minder krachtig zijn voor mensen die kwetsbaar zijn en het meest afhankelijk zijn van voortvarende besluitvorming van de overheid? Ik sluit mij aan bij de vraag die zojuist door de VVD-fractie is gesteld. Hoe kan, meer in het algemeen, worden voorkomen dat dwangsombepalingen via belastingverhogingen, bijvoorbeeld via de leges, op de burger worden afgewenteld?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.1.12">Hierbij wil ik het laten. Als nieuw lid van de Eerste Kamer past mij bescheidenheid. De tijd die wij hier nemen kan bovendien door de heer Wolfsen niet aan voorbereiding op het burgemeestersambt worden besteed. Ik zou graag in de komende jaren vanuit Naarden met de heer Wolfsen willen duelleren over het zo tijdig mogelijk beslissen door, in ons geval, de gemeentelijke overheid.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.2.1">Mijnheer Rehwinkel, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech. Het oogmerk van het initiatiefwetsvoorstel, het scheppen van een effectiever rechtsmiddel voor burgers tegen te trage besluitvorming van overheden, zal u niet alleen als lid van deze Kamer aanspreken, maar ook als burgemeester van Naarden. Ik heb vernomen dat u daar bekendstaat als iemand die van opschieten houdt. Naarden zal dus, als het aan u ligt, niet snel een dwangsom opgelegd krijgen, als althans het wetsvoorstel door deze Kamer wordt aanvaard.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.2.2">U bent afkomstig uit een SDAP-milieu. Dat heeft zijn sporen nagelaten, gelet op uw studie en al uw andere activiteiten. U studeerde bestuurswetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen en promoveerde in 1991 aan diezelfde universiteit op de staatsrechtelijke positie van de minister-president. De mooie titel van uw proefschrift is: "De minister-president: eerste onder gelijken of gelijke onder de eersten?". Daarna vertrok u uit Groningen om in Den Haag particulier secretaris te worden van de toenmalige minister van Onderwijs en Wetenschappen, de heer Ritzen. Vervolgens werkte u tot begin 1995 bij de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk instituut van de PvdA. Daarna werd u lid van, zoals wij het noemen, de overkant, de Tweede Kamer. Dat lidmaatschap duurde ongeveer zevenenhalf jaar. Daarna bleef u echter actief in de politiek-bestuurlijke sector, want vanaf 2003 was u directeur van het Nederlands Centrum voor Staatsrecht en Politiek. Nu bent u dan, sinds 1&#160;februari 2004, burgemeester van de prachtige vestingstad Naarden.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.2.3">Koud één dag burgemeester ervoer u meteen wat het is om midden tussen de burgers te staan. De plaatselijke carnavalsvereniging De Vestingnarren hees u op het podium voor het stadhuis voor een duet met de zanger Frans Bauer. Dat moet een bijzondere ervaring zijn geweest voor een niet-katholieke en nuchtere Groninger. Overigens bent u een van de eerste burgemeesters met een eigen weblog.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.2.4">U gaat publieke optredens bepaald niet uit de weg. Journalisten weten u met name gemakkelijk te vinden voor commentaar op ontwikkelingen rond het Koninklijk Huis in relatie tot de ministeriële verantwoordelijkheid. Afgelopen zomer ontlokte u zelf echter de nodige commentaren met uw artikel in de Volkskrant over de opheffing van het verschil in strafmaat tussen majesteitsschennis en andere vormen van belediging.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.2.5">Mijnheer Rehwinkel, u bent niet benauwd voor het ventileren van een opvatting en evenmin voor het debat daarover. Dat, gevoegd bij uw kennis en ervaring, maken u zeer welkom in deze Kamer. Ik wens u van harte geluk met uw werkzaamheden hier.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.2.6">Ik schors de vergadering enkele minuten om de heer Rehwinkel te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-268-293.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Rehwinkel, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech. Het oogmerk van het initiatiefwetsvoorstel, het scheppen van een effectiever rechtsmiddel voor burgers tegen te trage besluitvorming van overheden, zal u niet alleen als lid van deze Kamer aanspreken, maar ook als burgemeester van Naarden. Ik heb vernomen dat u daar bekendstaat als iemand die van opschieten houdt. Naarden zal dus, als het aan u ligt, niet snel een dwangsom opgelegd krijgen, als althans het wetsvoorstel door deze Kamer wordt aanvaard.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Reuten" MPid="03161" party="SP" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-07-03" topic="Onafhankelijk netbeheer" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20062007-1079-1092.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20062007-1079-1092.1.5" which-speech-in-topic="4" number-of-paragraphs="19" number-of-words="2541" number-of-unique-words="867" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Energie</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Overige economische sectoren</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Kneppers-Heijnert" MPid=""/>
                <speaker name="Schouw" MPid="03025"/>
                <speaker name="Doek" MPid="03013"/>
                <speaker name="Reuten" MPid="03161"/>
                <speaker name="Laurier" MPid="03177"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Van Driel" MPid="03005"/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Reuten, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5" speaker="Reuten" party="SP" function="De heer" title="De heer Reuten  (SP)" MPid="03161">
                    <speech party="SP" docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1" speaker="Reuten" function="De heer" MPid="03161">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Reuten (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Reuten</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.2">Voorzitter. Ik dank de minister van Economische Zaken voor haar antwoord op de door de SP-fractie schriftelijk gestelde vragen naar aanleiding van haar brief aan de Kamer van 7&#160;juni 2007 aangaande de Nederlandse energievoorziening, in het bijzonder het voorgenomen in werking stellen van de splitsing van het energienetbeheer en de energieproductie en -levering.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.3">De antwoorden van de minister nemen niet weg dat ik in haar genoemde brief geen overtuigende argumenten zie om haar te ontheffen van de ministeriële toezegging de splitsing c.q. het groepsverbod niet in werking te stellen. Die toezegging is gedaan naar aanleiding van de in deze Kamer op 21&#160;november 2006 Kamerbreed, dus ook door de SP, aanvaarde motie-Doek/Sylvester c.s.; een motie die, in de woorden destijds van mijn fractievoorzitter, de splitsingswet veranderde in geen splitsingswet. Overigens is het goed te memoreren dat mijn fractie als enige tegen de wet stemde, omdat zij van mening bleef dat met de motie weliswaar de angel uit de wet gehaald leek te worden, maar de wet als zodanig een slechte wet bleef.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.4">Het vervolg van mijn betoog begint algemeen, gaat dan naar een aantal specifieke zaken en eindigt wederom algemeen en concluderend. Ik bespreek vijf punten.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.5">Net als de minister dit op bladzijde 2 en 3 van haar brief doet, wil ik eerst ingaan op de brede context van het beleidsvoornemen. Op bladzijde 2 van de brief stelt de minister: "Het groepsverbod, splitsing dus, is geen op zichzelf staand beleidsinitiatief. Het moet worden gezien in de context van het brede energiebeleid." Vervolgens geeft de minister, zoals zij het zelf noemt, vier kernelementen c.q. kernargumenten van dit beleid aan. Ik ga in op de eerste drie daarvan.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.6">Het eerste betreft de randvoorwaarden voor de stimulering van duurzame energie. De minister stelt: "Voorts zal de inzet op duurzame energie de afhankelijkheid van het buitenland verder terugbrengen." Ik wil graag van de minister weten of onafhankelijkheid van het buitenland inderdaad deel uitmaakt van "het brede energiebeleid" zoals zij stelt. Graag willen wij ook weten of dergelijke onafhankelijkheid deel uitmaakt van het beleid van Economische Zaken in het algemeen. Het komt ons voor dat dit, om het zacht te stellen, op gespannen voet staat met het beleidsoogmerk van internationaal vrij verkeer van goederen en kapitaal dat wij elders in het beleid menen te kunnen ontwaren. Met andere woorden, het beleid lijkt te zijn: vrij internationaal verkeer, dus afhankelijkheid van het buitenland, maar toch liever niet. Het komt ons voor dat dit inconsistent is. Graag horen wij de reactie van de minister hierop.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.7">Bij het tweede kernelement geeft de minister aan: "In de geliberaliseerde markt zorgen marktpartijen voor investeringen in productiecapaciteit. Deze investeringen komen tot stand in een goed functionerende markt en een aantrekkelijk investeringsklimaat. Inwerkingtreding van het groepsverbod realiseert dit." De minister vervolgt dan: "Het feit dat circa 50% van de Nederlandse elektriciteitsproductie reeds door buitenlandse bedrijven geschiedt, draagt bij aan de leveringszekerheid voor Nederland." Ik neem aan dat de minister net als ik ziet dat dit tweede kernargument van haar beleid in tegenspraak is met het eerste, dat op zichzelf al inconsistent was. Immers, waar de minister zich eerst positief uitlaat over onafhankelijkheid van het buitenland, hanteert zij hier de afhankelijkheid van buitenlandse bedrijven als aanbeveling. Graag wil ik van de minister weten hoe zij deze inconsistente argumentatie verenigt.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.8">Het derde kernelement van het beleid – wij wezen daar reeds op in onze schriftelijke vragen – plaatst het geheel in een opmerkelijk perspectief. Waar er in het tweede kernargument nog sprake is van een geliberaliseerde markt, suggereert het derde kernargument het samen optrekken van de staat en de bedrijven van de ene natie tegen dat van de staat en de bedrijven van een andere natie. Hier lijkt de minister zich te bekennen tot een beleid dat veel weg heeft van een achttiende-eeuws mercantilisme. De minister spreekt hier immers van"onze relaties met de energieproducerende landen", waarbij zij vermoedelijk toch doelt op de staat c.q. de regering. Graag wil ik van de minister weten of zij zich inderdaad bekent tot een natie-economische politiek, waarin de Nederlandse Staat en bedrijven samen optrekken tegenover de energieproducerende staten of wellicht buitenlandse staten in het algemeen. Vervolgens wil ik graag weten hoe dit zich verhoudt tot neoliberale beleidsideeën over vrij internationaal verkeer van goederen en kapitaal waarachter een anationale politiek lijkt te schuilen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.9">Voor de volledigheid constateer ik dat bij het vierde en laatste kernelement van het beleid gemeld wordt dat de onderhavige splitsing geenszins gedwongen is op grond van EU-regels en dat de minister dus eigenstandig voor dit beleid kiest.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.10">Samenvattend op dit punt van de context van het brede energiebeleid: het spreekt voor zichzelf dat het ingewikkeld is om oppositie te voeren dan wel medestand te betuigen ten opzichte van een inconsistent gefundeerd beleid. Wij roepen de minister dan ook op om haar beleidsargumentatie te herzien; het gaat hier om zeer elementaire zaken. Het spijt ons dat deze oproep nodig is in deze fase van een dergelijk omvangrijk en voor de Nederlandse bevolking belangrijk dossier.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.11">Ik kom tot mijn tweede punt. Hoofdkwesties voor de inwerkingstelling zijn enerzijds de internationale aspiraties van een aantal betrokkenen, waarop ik straks indirect inga en anderzijds die van het zogenoemde "gelijke speelveld". De voetbalmetafoor van Economische Zaken spreekt mij overigens in dit verband wat minder aan. Ik ga kort in op deze laatste kwestie, waarop wij in de schriftelijke uitwisseling geen afdoende antwoord kregen. Op bladzijde 2 van haar brief stelt de minister: "De wet garandeert een gelijk speelveld voor alle energieaanbieders in Nederland. Het groepsverbod biedt buitenlandse leveranciers de mogelijkheid om op gelijke voorwaarden de Nederlandse afnemer te bedienen." Uit deze passage maken wij op dat er thans, bij geïntegreerde bedrijfsvoering door de bekende vier, geen gelijk speelveld is. Niettemin opereren er thans overige aanbieders op de leveranciersmarkt. In de huidige situatie zijn er dan drie mogelijkheden. 1. De huidige situatie levert geen ongelijk speelveld. De minister lijktdan verkeerd geïnformeerd te zijn.2. De vier geïntegreerde bedrijven opereren relatief gezien dermate inefficiënt dat andere, eventueel buitenlandse, bedrijven zelfs bij het "ongelijke speelveld" de concurrentie gemakkelijk aankunnen.3. De genoemde vier opereren ongeveer gelijkwaardig efficiënt ten opzichte van de andere, eventueel buitenlandse, aanbieders, doch er is een, eventueel impliciet, prijsleiderschap of er zijn kartel- c.q. kartelachtige afspraken tussen de aanbieders.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.12">Graag willen wij van de minister weten welke van deze drie mogelijkheden zij het meest aannemelijk acht. Vervolgens willen wij graag weten of deze aanleiding geeft tot beleidsherziening.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.13">Ik kom tot mijn derde punt en ga in op de oligopolide en kartelachtige marktvorm van de sector en op de rol van publiek eigendom. Gezien het feit dat, technisch gezien, er slechts zo'n 20% aan elektriciteit geïmporteerd kan worden en gezien het kaliber van de technisch optimale omvang van elektriciteitsopwekkingcentrales in het binnenland, zal het aantal producenten dat gewichtgevend opereert in de Nederlandse energieproductiesector zo beperkt zijn dat de markt nu en in de toekomst een oligopolide karakter heeft. Er zal van de vrije concurrentie uit de elementaire economieboeken dan nooit sprake kunnen zijn. Hetzelfde geldt, doch in mindere mate, voor de distributie van energie. Wat wij zullen gaan zien, is net zoiets als in de huidige benzinemarkt, namelijk dat een prijsleider – ik zal de u bekende naam niet noemen – de prijs en daarmee de winst vaststelt. Gezien dit oligopolide karakter van de Nederlandse elektriciteits- en gasmarkt, gezien het eminente belang van energie voor bedrijven en consumenten en gezien het aandeel van energie in het budget, is de SP-fractie van mening dat de desbetreffende bedrijven publiek eigendom zouden moeten zijn. Indien er dan marktmacht in het spel is en er overwinsten gegenereerd worden, vallen deze overwinsten tenminste toe aan de gemeenschap. Dit is de principiële positie van de SP-fractie.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.14">Meer aansluitend bij de huidige situatie van mengeling van publieke en private bedrijven is de SP-fractie van mening dat deze mengeling gehandhaafd moet worden. De reden is dat dit het de mededingingsautoriteit in beginsel eenvoudiger maakt om kartels of kartelachtige situaties op te sporen, mits de eigenaren van de publieke bedrijven controlerend optreden met betrekking tot de prijspolitiek van het publieke bedrijf. Het publieke bedrijf zou zo fungeren als kartelbreker.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.15">In dit verband ben ik blij met de bereidheid van de minister, aangegeven op blz. 2 van haar brief, om een regiegroep in te stellen die het belang van publiek eigendom van energiebedrijven bij de betrokken provincies en gemeentes entameert. Onze fractie vraagt de minister verder te gaan dan een "bereidheid", en de Kamer toe te zeggen dat zij dit op korte termijn, binnen een spanne van enige maanden, inderdaad onderneemt.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.16">Vervolgens wil ik voorstellen dat de minister op dezelfde korte termijn met de betrokken provincies en gemeentes een overeenkomst sluit waarin zij zich verplichten om bij een voornemen tot vervreemding van de desbetreffende aandelen, een voorkeursrecht te gunnen aan andere Nederlandse publieke organen. In het verlengde hiervan verzoekt de SP-fractie de minister om na te gaan of Nederlandse pensioenfondsen, binnen hun eigen autonomie, in dit geval de bereidheid hebben om de desbetreffende publieke organen hiertoe leningen te verstrekken.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.17">Ik kom op mijn vierde punt, de vermeende urgentie van het voorliggende voornemen van de minister. Gegeven de huidige wet, en de huidige beperkte inwerkingstelling, mogen de netten niet zonder haar instemming vervreemd worden, dus ook niet aan buitenlandse publieke of private bedrijven. Hier ligt dus geen urgentie. Blijft het argument dat de huidige laagnetbeheerders onvoldoende in het net zouden investeren of zouden gaan investeren. Echter, dit zou niet slechts tegen hun eigen belang ingaan, maar wij vinden ook in de NMa/DTe-rapportages geen harde aanwijzingen dat dit het geval zou zijn. Sterker nog, het Nederlandse net is een van de betrouwbaarste in Europa. Voorts is het aan de minister om met betrekking tot netinvesteringen, zo nodig, harde afspraken te maken met de betrokken bedrijven. Uit aan de minister gerichte schriftelijke toezeggingen van betrokkenen blijkt dat dit mogelijk is.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.18">Ten vijfde wil ik kort ingaan op de potentiële schadeclaims die ingesteld kunnen worden indien de volledige splitsingswet in werking wordt gesteld en waarvan er een aantal reeds aangekondigd zijn. In deze kwestie is het door Nederland vooruitlopen op EU-regels cruciaal. Immers, zou in de huidige omstandigheden het groepsverbod door Nederland in werking worden gesteld, dan kunnen betrokkenen vorderingen instellen op grond van huidige EU-regels en -verdragen. Terzijde: wij vermoeden dat de kwestie van mogelijke schadeclaims een rol zal gaan spelen bij de specifieke toekomstige inrichting van de EU-regels, maar dat is nu niet aan de orde. Met het thans instellen van het groepsverbod hangen de minister en daarmee de Nederlandse belastingbetaler enorme onzekerheden boven het hoofd. Ik zeg "onzekerheden". In diverse documenten die wij van de minister ontvingen, wordt steeds gesproken over risico's, maar dat is wat anders. "Risico's" zijn statistisch berekenbaar en in beginsel verzekerbaar. "Onzekerheden" zijn niet statistisch berekenbaar en verzekerbaar, zo heeft Keynes ons 70 jaar geleden al uitgelegd. Indien de minister vol vertrouwen is over de adviezen die haar ambtsvoorgangers inwonnen met betrekking tot schadeclaims en indien het inderdaad om risico's zou gaan, dan zou zij deze risico's moeten kunnen afdekken bij verzekeringsinstellingen. Maar omdat het niet om risico's doch onzekerheden gaat, vermoed ik dat de minister er niet in zal slagen om de vermeende risico's af te dekken tegen zelfs 150% van de door haar adviseurs aangegeven maximale claims. Ik wil de minister daarom vragen of zij bereid is, op korte termijn bij verzekerings­instellingen na te gaan tegen welke prijs zij de potentiële schadeclaims willen afdekken. De minister komt zo de marktprijs te weten van het vermeende risico dat zij aangaat, of zij komt te weten dat het om onzekerheden gaat waar nauwelijks een peil op te trekken valt. Verder zijn er nog de grote onzekerheden waarmee werknemers potentieel geconfronteerd worden en waarvan het de vraag is of schade rechtens geclaimd kan worden, maar waarvan de potentiële gevolgen uiteindelijk vele malen groter zijn dan die voor financiers.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.19">Ik sluit af. Onze fractie had en heeft aanzienlijke bedenkingen bij de inhoud en consistentie van de wet waarover wij thans discussiëren. Echter, gegeven deze wet realiseert de motie-Doek/Sylvester een aantal van de praktische kortetermijndoelstellingen van de SP-fractie op het vlak van publiek eigendom zoals onder mijn derde punt aangegeven. Bovendien vermijdt deze motie de aanzienlijke onzekerheden waarover ik zojuist uitweidde. Wij verzoeken de minister derhalve om de motie-Doek/Sylvester voor onbepaalde tijd gestand te doen en op korte termijn in overleg te treden met de betrokken vier bedrijven teneinde met hen een convenant te sluiten waarin geformuleerd is welke activiteiten als risicovol c.q. onzeker gelden. In dit convenant legt ieder van de vier bedrijven zich dan vast om indien het dergelijke activiteiten niettemin wenst te ondernemen het bedrijf vrijwillig te splitsen. Graag hoor ik de reactie van de minister hierop.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.1.20">Met belangstelling zie ik uit naar de antwoorden van de minister op de in totaal twaalf vragen of voorstellen die ik heb voorgelegd.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.2.1">Mijnheer Reuten, een onderwerp als de splitsing van energiebedrijven, dat vandaag aan de orde is, vraagt om een gedegen kennis van de materie en politiek inzicht. Dit geldt te meer omdat dit dossier, zoals in het debat tot nu toe is gebleken, een voorgeschiedenis heeft, zeker in deze Kamer. Uw inbreng laat zien dat dit alles voor u geen obstakel is geweest. Ik wil u dan ook graag van harte feliciteren met uw eerste plenaire optreden in deze Kamer.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.2.2">U studeerde economie en sociologische economie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en aan het Birkbeck College van de University of London. U promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Het is deze laatste universiteit waar u werkzaam was en bleef. Eerst als docent, later als hoofddocent macro-economie, wetenschapsfilosofie, economie, geschiedenis van de economische theorie en politieke economie. In uw dagelijks leven bent u directeur van de mastersopleiding economie van diezelfde universiteit. Zoals het een goed wetenschapper betaamt, heeft u veel, ook internationale, publicaties op uw naam staan.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.2.3">U staat op de website van de SP te boek als internationaal erkend Marxexpert. U heeft tevens al enige jaren ervaring in de politiek opgedaan als economisch adviseur van de Tweede Kamerfractie van uw partij. Dat kan u hier goed van pas komen, niet alleen als lid van uw fractie en lid van deze Kamer, maar ook als vicevoorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken in deze Kamer.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.2.4">Mijnheer Reuten, in uw omgeving karakteriseert men u als zeer serieus en principieel. Ik heb gemeend die toon ook te kunnen ontwaren in uw bijdrage. U wordt beschouwd als een stevige denker die niet gauw tevreden is. Als ik goed ben ingelicht, is een van de theses van Marx, die u inspireert, dat wij de wereld niet alleen moeten interpreteren, maar ook moeten veranderen.</p>
                    </speech>
                    <speech party="SP" docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.3" speaker="Reuten" function="De heer" MPid="03161">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Reuten (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Reuten</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.3.2">Absoluut!</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.4.1">Daaraan, mijnheer Reuten, kunt u vanaf vandaag als politicus zeker vier jaar lang daadwerkelijk bijdragen. Ik wens u daarbij van harte succes.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.4.2">Ik geef de collega's de gelegenheid om u te feliciteren met uw maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <speech party="SP" docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.5" speaker="Reuten" function="De heer" MPid="03161">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Reuten (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Reuten</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.5.2">Mevrouw de voorzitter. Dank u zeer voor deze mooie woorden. De komende periode zal ik die elfde these voor ogen houden.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.6">
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.6.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.7" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-1079-1092.1.5.7.1">Het woord is aan de heer Laurier, die ook zijn maidenspeech zal houden.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Reuten, een onderwerp als de splitsing van energiebedrijven, dat vandaag aan de orde is, vraagt om een gedegen kennis van de materie en politiek inzicht. Dit geldt te meer omdat dit dossier, zoals in het debat tot nu toe is gebleken, een voorgeschiedenis heeft, zeker in deze Kamer. Uw inbreng laat zien dat dit alles voor u geen obstakel is geweest. Ik wil u dan ook graag van harte feliciteren met uw eerste plenaire optreden in deze Kamer.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Rosenthal" MPid="02273" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2000-02-15" topic="Justitie" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-677-722.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-677-722.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="26" number-of-words="3307" number-of-unique-words="1128" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Hirsch Ballin" MPid="02963"/>
                <speaker name="Rosenthal" MPid="02273"/>
                <speaker name="De Wolff" MPid="02281"/>
                <speaker name="Le Poole" MPid=""/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Kohnstamm" MPid="02667"/>
                <speaker name="Ruers" MPid="02919"/>
                <speaker name="Korthals" MPid="02738"/>
                <speaker name="Cohen" MPid="02657"/>
                <speaker name="Hirsch Ballin" MPid="02963"/>
                <speaker name="Rosenthal" MPid="02273"/>
                <speaker name="De Wolff" MPid="02281"/>
                <speaker name="Le Poole" MPid=""/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Kohnstamm" MPid="02667"/>
                <speaker name="Ruers" MPid="02919"/>
                <speaker name="Korthals" MPid="02738"/>
                <speaker name="Cohen" MPid="02657"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Rosenthal, die zijn maidenspeech uitspreekt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-677-722.1.3" speaker="Rosenthal" party="VVD" function="De heer" title="De heer Rosenthal  (VVD)" MPid="02273">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1" speaker="Rosenthal" function="De heer" MPid="02273">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Rosenthal (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Rosenthal</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.2">Mijnheer de voorzitter! Een paar jaar geleden werden er nog harde woorden geschreven en gesproken over de stand van de rechtsstaat en de rechtshandhaving. De legitimiteit van de rechtshandhaving stond ter discussie. Een kernonderdeel van de rechtshandhaving, te weten de opsporing, verkeerde in een diepe crisis. Op het ministerie van Justitie was het voortdurend onrustig. De relaties tussen ministerie, openbaar ministerie en zittende magistratuur stonden continu onder druk. De kengetallen van de rechtshandhaving wezen bijna zonder uitzondering in een ongunstige richting.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.3">Sinds het aantreden van deze bewindspersonen is de rechtshandhaving in veel opzichten in een rustiger vaarwater terechtgekomen dan enkele jaren geleden. Met het ministerie en de staande en zittende magistratuur gaat het de goede kant op. De gezagscrisis in de relatie tussen justitie en politie is overwonnen. Met de inwerkingtreding van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden is een verdere stap gezet. Alles bij elkaar waardeert de VVD-fractie dan ook het beleid en zeker ook de rustige stijl van deze bewindspersonen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.4">Dit neemt niet weg dat een levende rechtsstaat meer vergt dan deels achterstallig onderhoud. Het blijkt alleen al de nodige moeite te kosten om zoiets op zichzelf vanzelfsprekends als echt toegankelijk recht te verwezenlijken. Als de minister zegt dat iedereen in de gelegenheid moet zijn om zijn rechten te kennen en te realiseren, valt er waarachtig nog veel te doen. Informatie- en communicatietechnologie kan hierbij de helpende hand bieden. Maar voor iets wat zo dichtbij de burger is als informatie- en communicatietechnologie en het omgaan met persoonsgegevens blijkt al een memorie van toelichting van ruim tweehonderd bladzijden nodig te zijn. Die memorie van toelichting is dan nog enkel voor experts te vatten en vergt op haar beurt weer een handleiding in gewone taal. Zo'n wetgevingstraject, met zulke teksten, is dan wel erg lang. Voor je het weet, gaat het gepaard met de nodige ruis.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.5">Anders gezegd, justitie zit weliswaar in de buurt, maar de toegankelijkheid van het recht laat op veel punten te wensen over. Het is kennelijk lastig om wetteksten te vervaardigen die voor de burger begrijpelijk zijn. De VVD-fractie vraagt zich af of dit niet hogere prioriteit moet krijgen in de kwaliteitstoets van het ministerie en bij het onderzoek naar de kwaliteit van de wetgeving.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.6">Een minstens zo hardnekkig probleem is de juridisering van de samenleving en het bestuur. Sterker nog, die juridisering zet zich nog altijd voort. Het is alweer tien jaar geleden dat de commissie-Deetman zich hierover ernstige zorgen maakte: "de balans tussen wetgeving, bestuur en rechtspleging is verstoord".</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.7">De commissie-Deetman wees toen al op de groeiende rol van de rechterlijke macht en het fors uitdijend beroep op de rechter. Terecht zegt de minister hierover in zijn betoog in het Nederlands Juristenblad van januari jongstleden dat "juridisering meer een probleem van wetgeving is dan een probleem van rechtspraak" en dat het bestuur juridisering slechts kan bestrijden met kwaliteit. De VVD-fractie wil op dit punt in elk geval een van de beestjes nog eens even bij de naam noemen. Is het niet zo dat de rechter steeds vaker geconfronteerd wordt met zaken die in wezen om een politieke afweging vragen? De rechter wordt vaak in een lastig parket gebracht wanneer hij een uitspraak doet die de facto neerkomt op partij kiezen in de afweging tussen bijvoorbeeld economische en ecologische belangen bij infrastructurele projecten. De minister spreekt in dit verband in het Nederlands juristenblad zelfs over een afweging tussen min of meer ideologische tegenstellingen op het terrein van economie en ecologie. We hebben dat bijvoorbeeld bij Schiphol aan de hand gehad. Over ideologische tegenstellingen gesproken! Het kan dus verkeren. Het is de rechter die zich teweer moet stellen tegen het einde van de ideologieën.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.8">Vanuit de politiek en de wetgever hoort men, voordat men er erg in heeft, wel eens het geluid dat de jurisprudentie het wel zal houden. Maar dat is, zo komt het ons voor, slecht voor het evenwicht der machten, slecht voor de eigen positie van de uitvoerende en wetgevende machten en ook slecht voor de rechter zelf. Want de rechter wordt dan immers geconfronteerd met conflicterende opvattingen en belangen die eigenlijk in de politieke arena gereguleerd hadden moeten worden. Is het in dit verband niet opmerkelijk dat wij steeds minder het gevleugelde woord horen dat – zo zeiden wij het ooit – de zaak nu "onder de rechter" is? Dat is het "sub judice"-beginsel. Kennelijk wordt de rechterlijke procedure langzamerhand gezien als een voortzetting van de politieke besluitvorming met hooguit andere middelen. Wat vindt de minister hier van de suggestie van de hoogleraar Franken om in journalistieke gedragscodes voor te schrijven, terughoudend te zijn tussen het moment van dagvaarding en de uiteindelijke uitspraak? Ziet de minister er iets in dit een keer bij de media aan te kaarten? Is terughoudendheid op basis van dat "sub judice"-beginsel volgens de minister ook geboden voor het openbaar ministerie? Wat vindt de minister in dit verband van de opvatting in kringen van het openbaar ministerie dat het openbaar ministerie juist eerder de openbaarheid moet zoeken?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.9">Mijnheer de voorzitter! Bij de algemene beschouwingen is van de kant van de VVD-fractie al opgemerkt dat zij het streven van de minister steunt om de regelgeving en het beroep op de rechter te verminderen. De VVD-fractie waardeert de groeiende aandacht voor de buitengerechtelijke geschillenbeslechting. Het gaat daarbij niet alleen om het ontlasten van het gerechtelijk apparaat, maar zeker ook om voortvarendheid en snelheid bij het afwikkelen van conflicten. Maar dat kan toch niet genoeg zijn. Want wij zien ook bij ons een claimcultuur ontstaan, met een eigen dynamiek. En de juridiseringskaravaan trekt almaar verder, via wat Scheltema, de ontwerper van het bestuursrecht, ooit heeft genoemd de "wondere wereld" van het bestuursrecht en niet te vergeten via de juridiserende invloed van de Europese Unie. De minister zelf voegt daar nog in het NJB aan toe dat de liberalisatie van de markt de regelgeving niet eenvoudiger maar juist ingewikkelder maakt. Alles bij elkaar vindt de VVD-fractie, met alle begrip voor de door de minister bepleite realiteitszin, op dit ogenblik de diagnose nog steeds sterker dan de remedie.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.10">De VVD-fractie juicht het beleid om de wetgevingskwaliteit te verhogen toe, maar zij vindt dat het juist ook binnen het bereik van de minister van Justitie ligt om scheefgroei tussen de machten van de trias politica actief te bestrijden. Hoe ziet de minister in dit verband de uitwerking van typisch Nederlandse gedoogsituaties – een gedoogbeleid op allerlei fronten – op dat functioneren van de trias politica en de rechtsstaat?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.11">De levende rechtsstaat is er niet vanzelf. In de welgekozen woorden van de memorie van toelichting waarborgt de rechtsstaat fundamentele rechten en basale waarden en leeft de levende rechtsstaat in de zin dat daarbinnen ruimte bestaat voor verandering en ontwikkeling. En dat vergt evenwichtskunst en voortdurende inspanning. De VVD-fractie volgt deze lijn. Zij begrijpt het zo, dat de rechtsstaat en ook het strafrecht niet alleen een waarborgfunctie hebben, maar dat zij evenzeer een ethisch-maatschappelijk draagvlak nodig hebben. Dit laatste nu komt soms op het tweede plan, zo komt het de VVD-fractie voor. Het strafrecht, zo lijkt het, dreigt op een aantal punten los te raken van de publieke waarden. Een van die publieke waarden is veiligheid. Dan is het niet te veel gezegd, dat de rechtvaardige, ik zou bijna zeggen de rechtsstatelijke, allocatie van openbare en particuliere veiligheid nogal eens in het gedrang komt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.12">Het valt voor veel burgers bijvoorbeeld moeilijk te begrijpen, dat naar aanleiding van de eenmalige politiecontrole in de Millinxbuurt in Rotterdam een juridische veldslag ontstaat over de vraag of en, zo ja, op welke titel de politie preventief mag fouilleren op wapens in een buurt waar het wapenbezit en het dealen van harddrugs volledig uit de hand zijn gelopen. En dat, terwijl degenen die daar van de overlast en onveiligheid op straat te lijden hebben, geen bezwaar ertegen zouden hebben om zelf gefouilleerd te worden. Vanuit de waarborgfunctie van de rechtsstaat en het strafrecht wordt voortdurend principiële kritiek geuit op preventief fouilleren. Maar die principiële kritiek is natuurlijk moeilijk te begrijpen voor wie lijdt onder overlast en onveiligheid. Die wil mogelijk veel liever een waarborg dat hij veilig over straat kan. Bovendien zal het hem moeilijk vallen geloof te hechten aan de principiële kritiek, omdat tegelijkertijd ook vanuit juridische kringen alom wordt gezegd dat het wel kan op grond van een noodbevel van de burgemeester in het kader van de openbareordehandhaving.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.13">Daarbij komen dan ook nog andere situaties waarin wij visitatie en fouillering vandaag de dag vanzelfsprekend vinden. Automobilisten kunnen op elk willekeurig moment voor een alcoholcontrole aangehouden worden. En elke passagier op Schiphol moet zich een vergaande fouillering laten welgevallen. Dat mag daar dan formeel in het private domein gebeuren, als je alleen vanuit Schiphol naar verre bestemmingen kunt vliegen, is er toch eigenlijk sprake van een voorziening in het publieke domein.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.14">Wij komen over deze problematiek zeker nog te spreken bij de behandeling van een aantal wetsvoorstellen. Maar kan de minister, los van de regelgeving terzake, aangeven hoe hij, juist ook vanuit de waarborgfunctie van de rechtsstaat en het strafrecht, aankijkt tegen het recht van burgers op veiligheid en tegen het recht van burgers op een rechtvaardige allocatie van die veiligheid, juist ook in buurten die trekken van "no-go areas" dreigen te vertonen?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.15">Bij de algemene beschouwingen heeft de VVD-fractie de minister lof toegezwaaid voor zijn doordachte reactie op de maatschappelijke en deels ook politieke opwinding over zedendelinquentie en pedofilie. De gezaghebbende, tot rust manende benadering van de minister spreekt ons zeer aan. Het is uiteraard wel zaak zulke signalen uit de samenleving en maatschappelijke onrust in het algemeen serieus te nemen. En het kan zin hebben, afgezien van specifieke regelgeving, ook te kijken, meer in het algemeen gesproken, naar de mogelijkheid om via generale maatregelen het vertrouwen van de burgers in de rechtshandhaving te versterken.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.16">Maatschappelijke opvattingen veranderen. Het ethisch-maatschappelijk draagvlak voor verschillende vormen van rechtshandhaving verandert ook, groeit mee. Dat kan aanleiding zijn om rond de rechtshandhaving en het gevoel van recht mogelijkheden te verkennen die lange tijd buiten de orde zijn verklaard. Zo is het volgens de VVD-fractie hoog tijd voor een gerichte discussie over een algemene identificatieplicht voor allen die zich op Nederlands grondgebied bevinden. De wetenschap dat hiervan ooit op een vreselijke manier met de persoonsbewijzen misbruik is gemaakt, weegt langzamerhand niet meer op tegen de steeds bredere aanvaarding, ook door de oudere generatie, van dit middel om de rechtshandhaving te bevorderen. De Wet op de identificatieplicht die op veel situaties van toepassing is, heeft niet die algemene strekking die vanuit het oogpunt van generale preventie nuttig is. Bovendien blijkt ook dezer dagen wat er kan gebeuren als met een of andere wetswijziging de identificatieplicht in bepaalde omstandigheden ineens op de tocht komt te staan. De VVD-fractie is benieuwd of de minister haar opvatting deelt dat een gerichte discussie over een algemene identificatieplicht gewenst is.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.17">Mijnheer de voorzitter! Het blijkt dat de levende rechtsstaat ook op een ander punt steeds meer evenwichtskunst vergt, te weten de individuele en collectieve toerekening van inbreuken op de rechtsorde. In een als gewoonlijk voortreffelijke studie van het WODC over honderd jaar strafrecht wordt erop gewezen dat de klassieke strafrechtelijke logica die is afgestemd op de individuele dader, langzamerhand is vervangen door de logica van preventie en veiligheid. Op allerlei gebieden is regelgeving in de maak die personen aanspreekt op hun betrokkenheid bij geweldpleging, ook al zal die betrokkenheid moeilijk individualiseerbaar zijn. Verder is – de heer Buruma heeft hierop gewezen – de schuldvraag in het strafrecht terug van bijna weggeweest. In de rechtspraak wordt in toenemende mate plaats ingeruimd voor de individuele beweegredenen van daders, als tegenkanting tegen wat Buruma een mechanisch daadstrafrecht noemt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.18">Er is momenteel nogal wat wetgeving in de maak waarin de handhaving van de orde en veiligheid bij massale gebeurtenissen, bijvoorbeeld bij grote evenementen als het EK 2000, centraal staat. Dat is begrijpelijk vanuit de logica van preventie en veiligheid. Als de rechtspraak echter toe is aan een revitalisering van de individuele beweegredenen van de dader, roept dat, alweer, onmiddellijk vragen op over de verhouding tussen wetgeving en rechtspraak. Hoe verhoudt zich in dit verband de collectivisering in het voortraject van de handhaving van orde en veiligheid tot de individualisering in het natraject van de rechterlijke toetsing? De introductie van individuele beweegredenen zal de verdachte soms hard treffen, maar de VVD-fractie vraagt zich toch af hoe het een en het ander met elkaar in overeenstemming is te brengen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.19">Veel kengetallen voor de rechtshandhaving ontwikkelen zich in gunstige zin. Soms blijken er ook verschillen te bestaan tussen verontrustende beelden in de media en de samenleving aan de ene en harde cijfers aan de andere kant. Deze cijfers laten op zichzelf geen toename zien, zie de cijfers over de recidive na TBS. De minister laat zich in zijn beleid terecht in hoge mate leiden door wat hier werkelijk aan de hand is. Zo zijn er inderdaad maatregelen nodig om de relatief sterke recidive na beëindiging van de TBS vanuit de kliniek tegen te gaan.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.20">Er zijn echter ook verontrustende beelden in de media te zien die echt van doen hebben met een werkelijk verontrustende stijging van de kengetallen. De VVD-fractie maakt zich ernstig zorgen over de toegenomen geweldscriminaliteit onder jongeren. Die toename is waarachtig niet alleen terug te voeren tot een verscherpte politieregistratie, zoals sommigen ons willen doen geloven. Bovendien gaan veel jongeren op steeds jeugdiger leeftijd het criminele pad op, zo blijkt ook uit cijfers. Juist de vroegstarters, zo blijkt uit onderzoek, blijven vaak jarenlang gewelddadig. Zij raken niet meer van het slechte pad af. Een vaststaand gegeven is ook nog eens de oververtegenwoordiging van allochtone jongeren. Dat is een verontrustend beeld. Daarbij komen nog eens steeds meer voorvallen van zinloos geweld: mishandeling bij verkeersincidenten, het in elkaar slaan van passanten en doodslag. Op elke bijeenkomst over dit verschijnsel regent het voorbeelden van naamloos straatgeweld. Het heet dan nog steeds zinloos geweld, maar het dreigt langzamerhand waarachtig een structureel verschijnsel in onze samenleving te worden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.21">De VVD-fractie is zich ervan bewust dat de minister meer geld heeft uitgetrokken voor de bestrijding van de jeugdcriminaliteit en dat hij met maatregelen zoals de Stop-reactie zo vroeg mogelijk probeert te interveniëren, tot binnen in de incubatietijd van het geweld. Toch vraagt de VVD-fractie zich af of al die maatregelen wel voldoende effectief zijn. Is het amalgaam van strafrechtelijke en pedagogische maatregelen toereikend om deze buitengewoon verontrustende trend in de samenleving, die steeds grover vormen aanneemt, metterdaad te keren? Het moet toch een teken aan de wand zijn dat tot in het academiegebouw van de Universiteit Leiden, op een werkelijk keurig rechtsgeleerd symposium, de vraag wordt opgeworpen of de burger niet het recht in eigen hand moet nemen om zichzelf te beschermen. Is het ook voor de minister dat teken aan de wand?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.22">De minister schrijft in antwoord op vragen van de vaste commissie voor Justitie voor de Tweede Kamer, dat "het aandeel van de allochtone jongeren in de toekomst zal toenemen". En hij voegt daaraan toe: "Dit heeft uiteraard ook consequenties voor het aandeel van de allochtone jongeren in de strafrechtelijke keten." Mag de VVD-fractie ervan uitgaan dat de minister die consequenties niet als een automatisme bedoelt en ernaar streeft om voortvarend de criminaliteit onder allochtone jongeren, in het bijzonder ook de harde kern, met alle ter beschikking staande middelen terug te dringen? En wat betekent in dit verband, gelet op de recente kritiek van veel betrokkenen op de integratieprojecten voor criminele jongeren uit etnische minderheden, het door de minister aangekondigde "onverkort doorzetten van het CRIEM-beleid"?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.23">De publicist Paul Scheffer heeft enkele weken geleden in NRC Handelsblad op indrukwekkende wijze "het multiculturele drama" van Nederland geschetst. Hij wijst onder meer op de risico's van gemakzuchtig multiculturalisme. Een van de voorbeelden door hem genoemd is de schietpartij in de scholengemeenschap in Veghel: "Reizen wij bij wijze van gedachtenoefening even" _ "naar Veghel. Al die enthousiaste woordvoerders van de multiculturele samenleving die zweren bij het devies 's lands wijs, 's lands eer, wat moeten die nu denken? Eerwraak is een cultuureigen uiting en toch geen goed idee."</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.24">De VVD-fractie wil in dit verband in het bijzonder aandacht vragen voor de wijze waarop in de rechtspleging en de straf rechtspleging in het bijzonder de etnische achtergrond van verdachten en gestraften nogal eens vergoelijkend meegewogen wordt. De algemene lijn is momenteel, dat het culturele of etnische verweer door de rechter slechts incidenteel expliciet wordt aanvaard. Maar dit neemt niet weg dat bij de opsporing, vervolging en executie van straffen in elk geval rekening wordt gehouden met de etnische achtergrond. Bovenkerk en Yesilgöz zeggen hierover in een artikel in Beleid en Maatschappij, dat het in theorie dan wel niet geaccepteerd is, maar dat het in de manier van afdoen allang ingeslopen is.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.25">Het zou van gemakzuchtig multiculturalisme getuigen hiermee dan vervolgens genoegen te nemen. Ook hier gaat het, zo vindt de VVD-fractie, erom hoe wij ons rechtsstelsel gebruiken in een samenleving waarin het aandeel van allochtonen in hoog tempo toeneemt. Dat geldt voor alle rechtsgebieden, inclusief en in een bijzondere mate voor het strafrecht.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.26">Deze problematiek raakt volgens de VVD-fractie de samenleving in haar kern. De VVD-fractie spreekt zich daarbij onomwonden uit voor het uitgangspunt van rechtsgelijkheid binnen het grondwettelijk kader. De constitutionele waarden en grondrechten gelden immers voor iedereen, juist ongeacht etnische of culturele achtergrond. Daar komt nog bij dat meer dan ooit behoefte bestaat in ons land aan een consistent rechts- en sanctiestelsel dat toch al vergaand gedifferentieerd is. Toevoeging van etnische diversiteit in dat stelsel tast die consistentie aan. Bovendien bestaat het risico dat culturele en etnische overwegingen als excuus zullen worden gebruikt voor begane misdrijven. Dat risico wordt overigens juist ook door personen uit etnische groeperingen zelf in hoge mate gevoeld. Natuurlijk is het denkbaar dat de wetgever op sommige terreinen enige ruimte laat. Dat is van oudsher ook het geval. Het moet dan wel expliciet in de formele wet- en regelgeving neerslaan. Maar voor de strafrechtspleging zou het, behoudens mogelijke ruimte voor individuele beweegredenen in de rechtspraak, toch vaak ongewenste situaties opleveren. Een soort categorale etnische toets hoort in elk geval in het strafrecht niet thuis.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.1.27">Het meest opvallende is naar het oordeel van de VVD-fractie dat er nog nauwelijks een omvattend inzicht bestaat in de theorie en, vooral ook, de praktijk van de multi-etniciteit in de rechtspleging in Nederland. Het valt op dat een omvangrijk onderzoeksprogramma naar deze problematiek net begonnen is. Dat houdt dus in dat de resultaten nog jaren – vier, vijf jaar mogelijk – op zich zullen laten wachten. En dat terwijl de beperkte wetenschap waarover we totnogtoe beschikken, enkel gaat over de rechtspleging jegens thans aanwezige allochtonen – en nog niet eens over degenen die in de komende jaren van elders naar ons land zullen komen. De VVD-fractie wil daarom, ten slotte, nu al graag van de bewindslieden horen hoe zij het multiculturele drama in hun domein denken af te wenden.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.2.1">Ik wens de heer Rosenthal graag geluk met het houden van zijn maidenspeech.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.2.2">Wanneer ik ook wel eens van tijd tot tijd een reflectie wijd aan de Eerste Kamer, dan valt mij altijd op dat deze Kamer aan de Staten-Generaal, naast de professionele Kamer aan de overzijde, een breed scala uit de samenleving toevoegt, weliswaar misschien voor een groot deel uit het hogere gedeelte in die samenleving, het meer intellectuele gedeelte, maar dan toch wel wijd verspreid. Het aardige bij de heer Rosenthal is dat hij dat in één persoon in zich verenigt, want hij is behalve beoefenaar van wetenschap, ook de man die ons allen bekend is van de crisisbeheersing en die de crisisbeheersing in de praktijk door bestuurders en vertegenwoordigers van het openbaar ministerie laat beoefenen, en dat met enige succes. Ik wens hem van harte geluk.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-677-722.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Ruers" MPid="02919" party="SP" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1998-10-13" topic="Telecommunicatiewet" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19981999-16-34.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19981999-16-34.1.7" which-speech-in-topic="6" number-of-paragraphs="20" number-of-words="2304" number-of-unique-words="802" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Economie <pm:entity> ICT</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Hirsch Ballin" MPid="02963"/>
                <speaker name="Zijlstra" MPid="02639"/>
                <speaker name="Jurgens" MPid="01992"/>
                <speaker name="Pitstra" MPid="02868"/>
                <speaker name="Vrisekoop" MPid="02876"/>
                <speaker name="Ruers" MPid="02919"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Luijten" MPid="02936"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Ruers, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19981999-16-34.1.7" speaker="Ruers" party="SP" function="De heer" title="De heer Ruers  (SP)" MPid="02919">
                    <speech party="SP" docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1" speaker="Ruers" function="De heer" MPid="02919">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Ruers (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Ruers</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.2">Mijnheer de voorzitter! Inderdaad, ik sta hier voor het eerst. Dat heb ik overigens gemeen met de staatssecretaris. Ik heet haar van harte welkom. Ik kan mij voorstellen hoe zij zich voelt. Het is moeilijk om bij het eerste optreden een magnum opus te behandelen. Ik zal niet alle onderwerpen uitentreuren bespreken en stip slechts kernbegrippen aan.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.3">Voorzitter! Voorgaande woordvoerders hebben al gesproken over de deregulering. Zowel voor het vorige als voor dit kabinet is deregulering naast marktwerking een belangrijk gegeven. Beide begrippen komen veelvuldig aan de orde in het onderhavige wetsvoorstel. Er zijn te veel betuttelende, klemmende en remmende regels, die weggenomen zouden moeten worden.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.4">Ten aanzien van dit wetsvoorstel kan worden geconcludeerd dat dit averechts heeft gewerkt. Er zijn nog meer regels bijgekomen. Alhoewel er nog slechts sprake is van een kaderwet blijkt zij toch zeer omvangrijk. Ik betwijfel of de deregulering tot veel verbetering heeft geleid ten opzichte van de oude situatie. Ik kijk niet alleen naar de wet, maar ook naar de rol van de OPTA, de strubbelingen tussen OPTA en KPN en, niet te vergeten, de nog komende ONP-richtlijnen. Tegen die achtergrond kan je je afvragen of de doelstelling deregulering gehaald is. Ik denk het niet.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.5">Ik kom bij het belangrijkste aspect van mijn bijdrage – collega Pitstra is hier ook al op ingegaan – namelijk de vraag wat de consument ermee opschiet. Volgens ons is een zwakke stee in dit voorstel dat de consequenties voor de consument onvoldoende aan de orde zijn gekomen. Daarop is ook bij de behandeling aan de overzijde van het Binnenhof gewezen, maar dat aspect is nog te weinig uit de verf gekomen. Naar onze mening staat de 'universele dienstverlening' op gespannen voet met de in dit wetsvoorstel voorgestane marktwerking. Zeker als wij kijken naar de problematiek van de tarieven voor bepaalde marktsegmenten en de discussie die nu reeds is ontstaan door de eerste aanwijzing van OPTA aan KPN, mag verwacht worden dat uiteindelijk de gewone consument het kind van de rekening wordt. Ik wijs daarbij ook op een ander aspect, de verplichting aan KPN als aanbieder van huurlijnen. De regering heeft daarover in de nadere memorie van antwoord opgemerkt, dat de opgelegde verplichting aan KPN moeten leiden tot een level playing field waarna concurrentie zich daadwerkelijk kan ontwikkelen. Maar wij zien reeds bij de eerste aanwijzing van OPTA dat de strijd losbarst over de vraag in hoeverre de marktwerking niet juist wordt gefrustreerd door die aanwijzingen en KPN gedwongen wordt, een positie in te nemen die zij niet wil; een positie die zij uit bedrijfseconomisch en marktoogpunt niet acceptabel acht. Dat is een duidelijk spanningsveld tussen enerzijds marktwerking en vrije concurrentie en anderzijds de bescherming van de cliënt en de garantie van voldoende dienstverlening.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.6">Doel van de wet is daadwerkelijke vrije concurrentie op de telecommunicatiemarkt. Daarbij is het houden van toezicht op die voldoende concurrentie weggelegd voor OPTA dan wel het NMA. Maar als er concurrentie op de markt is en de economische motieven voor de marktpartijen doorslaggevend zijn – ik begrijp dat toch ook uit de reacties van de laatste weken van KPN – dan is het ook duidelijk dat wij moeten vrezen voor de positie van de consument, met name ten aanzien van de universele dienstverlening.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.7">Onverbloemd werd vorig jaar in de memorie van toelichting gesteld dat er eigenlijk twee soorten klanten zijn, namelijk de onrendabele en de rendabele klanten of wel de economische en de oneconomische klanten. Daar is onderzoek naar gedaan en dat wees uit dat in de visie van KPN er maar liefst 940.000 particuliere aansluitingen zijn – 15% van het totaal – en 90.000 zakelijke aansluitingen, te weten 5% van het totaal, die als oneconomisch worden aangemerkt. Als KPN op de markt zou moeten concurreren met andere partijen, ligt het voor de hand dat juist deze oneconomische en onrendabele klanten als eersten uit de boot vallen. De open concurrentie die met de wet wordt voorgestaan, zal die ontwikkeling naar mijn mening niet tegengaan. Ik denk eerder het tegendeel. Het zal een aansporing voor de marktpartijen zijn om zich te ontdoen van deze onrendabele en oneconomische klanten. Je zult maar één van deze onrendabele klanten zijn. Je vraagt je af wat deze klanten met deze wet opschieten.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.8">Ik kom op het aspect van de tarieven. Het is bekend dat KPN Telecom de grootste winsten behaalt op het interlokale en vooral het internationale verkeer. Particuliere bellers die in verhouding weinig bellen, zijn voor de KPN minder winstgevend dan de zakelijke klanten, die veel bellen. Als eenmaal de vrijemarktverhoudingen gelden, zullen alleen al uit puur economische motieven aanbieders zich met name op de lucratieve grootgebruikers en hun marktsegment richten. Zij zullen zich ook zoveel mogelijk tot die deelmarkt beperken.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.9">Hoe de ontwikkeling voor de kleingebruiker, die minder winstgevend is voor KPN en haar concurrenten, gunstig kan uitwerken, is mij niet duidelijk. Ik wijs erop dat de regering dat zelf ook erkent in de nota naar aanleiding van het verslag, verschenen 29 december vorig jaar. Ik citeer: 'Of en, zo ja, in welke mate en op welke wijze de particuliere gebruiker beduidend lagere tarieven kan verwachten is nu niet goed aan te geven. Marktwerking is minder voorspelbaar dan door de overheid vastgestelde tariefelementen.'</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.10">In de memorie van antwoord wordt die consequentie nog eens in andere bewoordingen herhaald. Veelzeggend wordt daaraan toegevoegd dat, naarmate de concurrentie op de zeer winstgevende marktsegmenten toeneemt, de bestaande tariefstructuur waarin het zogenaamde aansluitnet minder rendeert, niet in stand kan blijven. De gevolgen zijn al zichtbaar. Het gevolg is namelijk al geweest dat KPN telecom haar standaardabonnement met ƒ 7 per maand heeft verhoogd. Inmiddels kunnen wij vaststellen dat de huis-, tuin- en keukenbeller – en dat zijn toch de meesten – er sinds de privatisering van de PTT op achteruit is gegaan. Men moet nu bijvoorbeeld betalen voor voorzieningen die vroeger gratis of goedkoper waren. Er is naar mijn mening geen enkele reden om aan te nemen dat deze trend doorbroken wordt als door dit wetsvoorstel de liberalisering en de concurrentie vrij spel krijgen of verder vrij spel krijgen.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.11">In de memorie van antwoord wordt onomwonden aangegeven welke richting het uit zal gaan: het is echter juist dat het vooral de grote, vaak zakelijke gebruikers zijn die het meest profiteren van de tariefaanpassingen; concurrentie brengt nu eenmaal met zich dat 'subsidiestromen' van de zeer winstgevende marktsegmenten naar veel minder winstgevende marktsegmenten niet in stand kunnen blijven. Anders gezegd: de kleingebruikers moeten zich goed in de oren knopen dat zij in de visie van de KPN en de regering worden gesubsidieerd door de grootverbruikers. En aan die liefdadigheid zal een eind komen. Men kan uitrekenen wat dat betekent.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.12">Ik moet wel toegeven dat de regering daar oog voor heeft gehad en er iets tegenover heeft gesteld. Zij heeft gesteld dat de betaalbaarheid van universele dienstverlening verzekerd is en blijft omdat met name in de lagere regelgeving zal worden voorzien in een betaalbaar bereikbaarheidspakket voor de kleingebruiker. Maar het is nog helemaal de vraag hoe zeker die toezegging van de regering is en in hoeverre de overheid, als de liberalisering en de vrije concurrentie eenmaal gerealiseerd zijn, überhaupt nog invloed kan uitoefenen op de betaalbaarheid van de tarieven voor de kleingebruiker. Het is een beetje tegenstrijdig. Enerzijds trekt de overheid zich terug, maar anderzijds geeft zij toch de garantie dat er allerlei zekerheden blijven en dat zij zich ermee zal bemoeien. Ik denk dat dit niet tegelijk gaat.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.13">De overheid treedt terug en OPTA neemt het over. Dat is toch de algemene lijn. En dan is de OPTA nog maar een tijdelijke zaak. Dat is ook duidelijk aangegeven, want als de vrije concurrentie zich eenmaal volledig heeft ontplooid, zal de OPTA verdwijnen. Men begrijpt dat de NMA die rol dan overneemt, maar dan is er toch weer minder toezicht op dit specifieke gebied. Kijken wij naar de recente verhitte discussies tussen KPN en OPTA, dan blijkt naar mijn mening dat die ontwikkeling weinig goeds doet verwachten. Ik ben dan ook van mening dat het aannemelijker is dat de kleingebruikers er nog verder op achteruit zullen gaan. Door de vrije concurrentie en het streven naar winstmaximalisatie zal de strijd tussen de marktpartijen zich toespitsen op de interessantste en interessante klanten.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.14">Dat betekent naar mijn mening dat dit wetsvoorstel een ontwikkeling inhoudt die zal leiden tot een tweedeling op de communicatiemarkt, zowel qua dienstverlening als qua tarieven. Die consequentie van het wetsvoorstel is voor ons niet acceptabel omdat er van de telecommunicatie als nutsvoorziening – en dat is zij toch primair – weinig zal overblijven. Op z'n minst is voor ons nodig dat in de wet een basispakket wordt gegarandeerd dat inhoudt dat alle telecomproducten die niet uitsluitend een consumptief karakter hebben, beschikbaar blijven. En dan denk ik zowel aan de bereikbaarheid als aan de betaalbaarheid. Dat klemt temeer – en dat mag niet worden vergeten – nu telecommunicatie in onze moderne samenleving niet alleen niet meer weg te denken is uit het leven van alle dag, maar ook, gezien de snelle technische ontwikkelingen, een steeds belangrijker rol gaat spelen. Voor een dergelijke belangrijke en nog steeds belangrijker wordende maatschappelijke voorziening – naar onze mening is het een typische nutsvoorziening – dient de overheid op z'n minst zekerheid te bieden aan haar burgers.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.15">In dit verband heeft de regering nog gewezen op artikel 7.7 van het voorstel, waarin gesproken wordt over geschillenbeslechting. Er wordt een regeling aangeboden tussen eindgebruikers en aanbieders van vaste openbare telefoondiensten. Een dergelijke weg biedt de getroffen consument echter weinig soelaas en is in feite de omgekeerde wereld. Voorop moet staan dat de wet voldoende zekerheden en garanties inhoudt voor de kleingebruikers, waarmee de gang naar de geschillencommissie of eventueel de rechter wordt voorkomen. Bovendien: procederen is moeilijk en kostbaar en kent dientengevolge een hoge drempel. Dat moet dus voorkomen worden. Naar mijn mening zou het veel beter zijn, indien de wet zelf die zekerheden zou bieden voor de consumenten, bijvoorbeeld door middel van het basispakket dat ik noemde.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.16">Wij zijn ons er natuurlijk van bewust dat bepaalde regels dwingend, rechtelijk voortvloeien uit Europese regelgeving, maar toch mag dat ons de ogen niet doen sluiten voor de nadelige gevolgen van het voorliggende wetsvoorstel. Het basispakket in het voorstel achten wij uiterst mager. Het bevat slechts enkele, beperkte voorzieningen: de vaste spraaktelefoondienst, de beschikbaarheid van voldoende openbare telefooncellen, gratis toegang tot alarmnummers en de beschikbaarheid van telefoongidsen. Wij zijn van mening dat alle telecommunicatiefaciliteiten die de kansen voor burgers op ontplooiing en werk kunnen beïnvloeden, voor iedereen toegankelijk moeten zijn, en dat daarvoor een garantie in de wet moet worden gegeven. Wij constateren dat deze er nu niet is. Dat is een essentiële lacune.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.17">Eenzelfde gebrek treffen wij aan bij de vraag hoe een eventueel nettotekort bij uitvoering van de universele dienstverlening moet worden gefinancierd. De opvatting van de regering komt erop neer dat men met vertrouwen in de markt eerst de markt blind haar werk laat doen. Daarbij wordt verwezen naar door de Europese context bepaalde principes. Men noemt dat een flexibele methode om de doelstellingen te realiseren. Per saldo komt het erop neer dat eerst de markt haar gang mag gaan en de overheid achteraf met de nodige moeite mag trachten om de scheefgegroeide situatie weer enigszins te ordenen of te corrigeren, als daardoor een onverantwoorde situatie ontstaat. Of dat zal lukken is natuurlijk maar de vraag. Naar onze mening is een goede regeling vooraf veel beter dan de riskante weg die de regering nu voorstelt.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.18">Op verschillende plaatsen in het voorstel wordt verwezen naar, dan wel een beroep gedaan op de Europese regelgeving. Met die regelgeving moeten wij natuurlijk rekening houden, maar dat mag niet betekenen dat wij niet naar de gevolgen kijken van deze regels. Deze zijn naar onze mening een haast ongebreidelde marktwerking en vrije concurrentie. Marktwerking is minder voorspelbaar. Niet onvermeld mag blijven de veelzeggende titel van de recente KPN-notitie: wetten maken geen markten. In het OPTA-verhaal wordt ook gesproken over de zichtbare hand van de OPTA en de onzichtbare hand van de markt.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.19">Het voorliggende voorstel betekent dat telecommunicatie van dienstverlening verandert in handel. Door de terugtredende overheid is er sprake van vercommercialisering van een heel belangrijk nutsbedrijf. In feite treedt er ontdemocratisering op, zoals de heer Pitstra al zei, en opheffing van rechtsbescherming.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.20">De positieve verwachting die de regering heeft van de marktwerking, delen wij niet, niet alleen omdat de kleingebruiker het kind van de rekening zal worden, maar ook omdat de huidige mondiale crisis van het liberale kapitalisme aantoont waartoe ongebreidelde marktwerking leidt. Die onzichtbare hand van de markt laat zeer pijnlijke resultaten zien. Wat ons betreft zouden deze resultaten bij de telecommunicatie vermeden moeten en kunnen worden.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.1.21">Aan het begin maakte ik een opmerking over het dereguleringsstreven van de regering. Wij moeten vaststellen dat dit wetsvoorstel niet tot deregulering leidt. Het wordt juist veel ingewikkelder en nog veel belangrijker is dat het niet langer beheersbaar is. Het grote risico van dit voorstel, in combinatie met een algemene economische en financiële crisis, brengt ons ertoe om niet te pleiten voor meer laissez faire, maar juist voor meer regulering, zeker als het gaat om een zo belangrijke voorziening als betrouwbare en betaalbare telecommunicatie. Daarvoor is controle nodig door de overheid en door de politiek.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.2.1">Ik wens u geluk met het uitspreken van deze eerste rede tijdens een openbare vergadering van deze Kamer. Ik heb dat, in strijd met de vanmiddag door de heer Hirsch Ballin ontwikkelde doctrine, toch nog een maidenspeech genoemd, maar had het moeten hebben over een oratio virginalis. U had dat ook verstaan als oud-gymnasiast en bovendien als praktiserend jurist en advocaat in Utrecht. U hebt bij dit wetsvoorstel inderdaad die juridische scholing van node gehad. Dat was duidelijk te merken. Wat ook duidelijk te merken was, is dat uw partij de verkiezingen is ingegaan met: 'stem tegen'.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.2.2">Ik wens u van harte geluk.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.3">
                        <p docno="h-ek-19981999-16-34.1.7.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Russell" MPid="" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2004-02-03" topic="Defensie" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-710-761.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-710-761.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="25" number-of-words="3396" number-of-unique-words="1087" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Internationaal <pm:entity> Militaire missies</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Middel" MPid="02987"/>
                <speaker name="Russell" MPid=""/>
                <speaker name="Pormes" MPid="02295"/>
                <speaker name="Hoekzema" MPid="02760"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Van Middelkoop" MPid="02973"/>
                <speaker name="Bot" MPid=""/>
                <speaker name="Kamp" MPid="02523"/>
                <speaker name="Van der Knaap" MPid="02227"/>
                <speaker name="Middel" MPid="02987"/>
                <speaker name="Russell" MPid=""/>
                <speaker name="Pormes" MPid="02295"/>
                <speaker name="Hoekzema" MPid="02760"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Van Middelkoop" MPid="02973"/>
                <speaker name="Bot" MPid=""/>
                <speaker name="Kamp" MPid="02523"/>
                <speaker name="Van der Knaap" MPid="02227"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer Russell, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-710-761.1.3" speaker="Russell" party="CDA" function="De heer" title="De heer Russell  (CDA)" MPid="">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1" speaker="Russell" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Russell (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Russell</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.2">Voorzitter. De veiligheid in Europa is eigenlijk alleen maar groter geworden na de Tweede Wereldoorlog, mede door de NAVO en de EU. Dat is echter niet overal in de wereld het geval. Wat de ontwikkelingen van de laatste tijd duidelijk hebben gemaakt, is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de instabiliteit in grote delen van de wereld en de veiligheid van de Europese burgers, dus ook die van ons. Daarom moet Europa, dus ook wij, een bijdrage leveren aan de internationale vrede en veiligheid. Voor die veiligheid vechten onze mannen en vrouwen bij Defensie. Allereerst dus waardering voor deze mensen. Daar ligt dan ook direct het wrange. Na een decennium van bezuinigingen bij Defensie moeten nu ruim 11.000 medewerkers uitstromen. Nederland wil daarbij echter een actieve speler in de internationale gemeenschap op het gebied van defensie blijven. Dat is ook terecht. Wij zijn een van de welvarendste landen ter wereld. Dat schept nu eenmaal verplichtingen. Deze topprestaties moeten nog wel door onze krijgsmacht geleverd kunnen worden, alleen met minder topmensen. Is de regering van mening dat met deze bezuinigingsronde de absolute ondergrens bereikt is in de relatie tussen middelen en doelstelling?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.3">Op dit moment is het Sociaal Beleidskader Defensie gepresenteerd na onderhandelingen met de ACOM en de andere bonden. Het CDA waardeert de inzet van de minister om in het voorjaar 250 mensen van het Defensiepersoneel in te zetten bij de politie. Uit de bespreking in de vaste commissie voor Defensie van de Tweede Kamer is gekomen dat zo veel mogelijk wordt gekeken naar de plaatsing door en bij andere ministeries. Hoe vorderen deze gesprekken met deze ministeries? Kan de regering aangeven wat de termijn is waarop het ministerie van Defensie met respectievelijk Binnenlandse Zaken, VWS en OCW tot concrete afspreken zal komen? Kan de regering hiertoe aangeven wanneer de eerste mensen duidelijkheid krijgen over overtolligheid en/of voor een herplaatsingstraject bij Kansrijk in aanmerking zullen komen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.4">Verder blijft het CDA het belang benadrukken van de (voor- en na)zorg voor veteranen en reservisten. Recentelijk suggereerde een onderzoek van het Veteraneninstituut dat zelfdoding onder actieve militairen rond de 65% hoger is dan onder burgers. Het is een signaal dat de regering serieus zou moeten nemen. De zorg blijft dan ook een punt en onze fractie hoort graag of de regering zelf heeft onderzocht hoe het is gesteld met de zorg, vooraf en achteraf, van het uitgezonden personeel. De zorg voor de uitzending bestaat, zo heeft mijn fractie al bij de uitzending naar het voormalige Joegoslavië een- en andermaal beklemtoond, uit meer dan training in gevechtscapaciteit. Die bestaat ook uit informatieve en morele toerusting voor de confrontatie met geheel andere culturen, leefomstandigheden en vooral het overeind blijven in de sociale, psychische en fysieke destructie, waarmee juist burgeroorlogen gepaard gaan. Het betekent ook het niet uit de weg gaan van indringende voorlichting en het gesprek over de motieven van onze inzet.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.5">Zondagavond was er op Nederland 1 bij Netwerk een documentaire over het "post traumatic stress syndrom", waarin werd gezegd dat een prospectief onderzoek door het ministerie van Defensie werd uitgevoerd. Echter, dit onderzoek heeft een tijdsspanne van tien jaar. Dat is erg lang, vooral omdat er nu al serieuze signalen zijn. Onderzoek dat nu nodig is, zo meent de CDA-fractie, is het luisteren naar militairen die nu al last zeggen te hebben en het in kaart brengen van waar ze dan precies last van hebben. Kan de regering aangeven welke onderzoeken, die op korte termijn een uitslag geven, nu lopen en, indien die er zijn, hoe het is gesteld met de zorgen van veteranen en reservisten? Indien deze niet bestaan, kan de regering dan toelichten wat zij voornemens is te doen en in welk tijdschema?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.6">Zoals gezegd, is de wereld om ons heen onveiliger geworden. De instelling van de NAVO heeft ons in feite verwend met een maximale veiligheid en meer nog, een maximale veiligheid tegen relatief weinig kosten. De NAVO is niet alleen de machtigste militaire organisatie ter wereld, maar ook als politiek forum voor veiligheidsbeleid van groot belang. Het is daarom logisch dat Nederland zijn defensieapparaat afstemt op de wensen van het NAVO-bondgenootschap. Uitgangspunt daarbij is altijd geweest dat wij wat wij alleen niet kunnen doen gezamenlijk moeten doen in NAVO- en EU-verband. De NAVO geeft ook uitdrukking aan de transatlantische band, die het afgelopen jaar binnen de NAVO onder druk kwam te staan. Dat vier Europese landen – Frankrijk, Duitsland, België en Luxemburg– zich uitspraken tegen gewapend optreden in Irak, heeft de betrekkingen met de VS onder druk gezet. De besluitvorming binnen de NAVO werd geblokkeerd.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.7">Niet alleen in de voorbereidende fase, maar ook voor de operatie in Irak zelf hebben de VS vervolgens een beroep gedaan op de bondgenoten. Momenteel doen er achttien Europese NAVO-landen mee aan de stabilisatiemacht en speelt de NAVO alleen een bescheiden rol in de ondersteuning van de Poolse divisie. De VS zien ook een belangrijke rol weggelegd voor de NAVO in de toekomstige stabilisatiemacht. De NAVO blijft dus een belangrijke organisatie en vormt dan ook niet voor niets de hoeksteen van ons veiligheidsbeleid.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.8">Zowel de NAVO als de EU heeft hiertoe een snelle reactiemacht opgericht, respectievelijk de NATO Response Force, de NRF, en de Rapid Response Force, de RRF. De NRF is bedoeld voor het hogere geweldsspectrum. De RRF, zo kondigde de minister bij het NAVO-overleg in de Tweede Kamer in november aan, zal niet alleen gaan deelnemen aan operaties in het lagere geweldsspectrum. In de prinsjesdagbrief stond echter dat het accent van de RRF op humanitaire en gerelateerde zaken zal liggen. Blijft het accent op de humanitaire zaken bij de RRF vooralsnog gelden? De CDA-fractie vraagt zich vervolgens af of de kans op duplicatie niet wordt vergroot wanneer beide reactiemachten zich richten op het hogere geweldsspectrum. De CDA-fractie verzoekt de regering dan ook met het oog op het naderende EU-voorzitterschap alles te doen om een betere afstemming tussen NAVO en EU tot stand te brengen teneinde eventuele duplicatie te voorkomen en het complementaire karakter te waarborgen. Is de regering hiertoe bereid?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.9">De oprichting van de NRF is dus een ambitieus streven van de NAVO om haar rol als "global player" maximaal gestalte te geven. Door velen wordt de oprichting van de NRF gezien als de lakmoesproef voor het voortbestaan van een geloofwaardige NAVO. De CDA-fractie maakt zich zorgen om de legitimering van de acties.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.10">De fractievoorzitter van het CDA in deze Kamer nodigde tijdens de algemene beschouwingen uit tot een gedachtewisseling over de volgende voorwaarden waaraan volgens onze fractie zou moeten zijn voldaan: 1. alle niet-militaire middelen zullen moeten zijn uitgeput;2. er dient brede steun te zijn in de volkerengemeenschap;3. de rechtvaardiging zal een grondslag moeten hebben in het volkenrecht.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.11">De CDA-fractie is van mening dat de NAVO tot het uiterste moet gaan om op basis van een resolutie van de Veiligheidsraad op te treden. De fractie is tevens van mening dat de regering zich hiervoor moet inzetten bij de NAVO. Kan de regering ons mededelen wanneer de beschouwing die de minister-president tijdens de algemene beschouwingen in de Eerste Kamer toezegde, kan worden verwacht?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.12">De NAVO is gebaat bij goede Europese capaciteiten. Echter, deze schieten tekort. Dit geldt zowel voor de kwantiteit als de kwaliteit alsook voor de besluitvorming binnen Europa. Een versterking van het Europees veiligheids- en defensiebeleid is dus tevens een versterking van de NAVO. Om de tekortkomingen van de Europese defensie, ook in relatie tot de NAVO, te verbeteren, is de ECAP opgericht. De ECAP regelt ook de totstandkoming van de RRF. Echter, de ECAP functioneert nu op basis van vrijwillige bijdragen van de EU-lidstaten en mist een strategisch concept. Zou de regering bij het Nederlandse EU-voorzitterschap tevens sterk willen aansturen op genoemd strategisch concept en op het instellen van structurele fondsen ter bekostiging daarvan?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.13">De CDA-fractie is om die reden voorstander van het EVDB voor zover, zoals ik al zei, het complementair is aan de NAVO en er geen onnodige duplicatie tussen beide optreedt. Een eigen Europees hoofdkwartier voor de Europese strijdkrachten is zo'n ongewenste duplicatie. De CDA-fractie ziet graag intensivering van de relatie en de samenwerking tussen de NAVO en de EU. Complementariteit, coördinatie en coherentie moeten sleutelbegrippen blijven. Wij zijn verheugd dat op de mislukte top over de conventie, er wel vooruitgang werd geboekt met aanzetten voor een gemeenschappelijke Europese defensiepolitiek die complementair en in lijn met de NAVO is. Kan de regering aangeven wat nú de stand van zaken is betreffende de samenwerking tussen de NAVO en de EU? Is de regering van mening dat de NAVO en de EU nog beter met elkaar zouden moeten samenwerken? Zo ja, hoe is dat volgens haar te bereiken?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.14">Nederland kiest voor een kleinere, maar hoogwaardige en snel inzetbare krijgsmacht. Voorrang wordt gegeven aan de verbetering van de inzetbaarheid en de kwaliteit van onze wapensystemen boven de instandhouding van aantallen, vooral daar waar in internationaal verband sprake is van overschotten; een nieuw evenwicht tussen kwaliteit en kwantiteit dus. Mijn fractie vindt dit een goede lijn; een lijn ook die wordt gevolgd door belangrijke Europese bondgenoten zoals Frankrijk en Engeland. Alleen, tot nu toe hebben te weinig bondgenoten deze keuze gemaakt. De CDA-fractie wil graag van de minister van Defensie weten of hij zich ervoor wil inzetten om ook andere lidstaten zover te krijgen dat zij deze zelfde keuze maken en, zo ja, hoe hij dat wil bereiken. De toetredende landen zullen op dit moment meer kwantiteit in huis hebben dan kwaliteit. Moeten die landen er niet meer op worden gewezen dat zij bij het doen van investeringen zich vooral moeten concentreren op dat waarin zij goed zijn? Het gaat erom een optimale bijdrage aan het bondgenootschap te leveren en niet meer van hetzelfde. De CDA-fractie wil ook graag weten of er vooroverleg is geweest met de NAVO-bondgenoten en de EU-partners over de maatregelen genoemd in de prinsjesdagbrief.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.15">In 1995 werd in de Herijkingsnota van de regering het belang erkend van het samenwerken van de verschillende departementen. Elk jaar staat het weer als punt op de agenda. Dit jaar staat in de prinsjesdagbrief dat Defensie voornemens is om alle verschillende middelen op een samenhangende manier toe te passen. Het gaat om diplomatieke, economische, financiële, humanitaire en militaire instrumenten. In de brief staat letterlijk:"Buitenlands beleid, ontwikkelingssamenwerking en defensie liggen steeds meer in het verlengde van elkaar." De krijgsmacht is meer dan ooit een actief instrument van ons buitenlands beleid geworden: vrede en stabiliteit zijn een noodzakelijke voorwaarde voor ontwikkelingen. Een meer geïntegreerd beleid – sleutelwoord "ontschotting" – zou op zijn plaats zijn. Minister Van Ardenne heeft volgens een artikel in De Telegraaf van 24 januari 2004 gezegd dat zij veel aandacht heeft voor vredeshandhaving en conflictbeheersing, maar dat zij dat niet ten koste wil laten gaan van traditionele ontwikkelingshulp. Wel wil zij proberen de criteria bij te stellen op basis waarvan wordt bepaald wat wel en niet als zuivere ontwikkelingshulp kan worden aangemerkt. Met ons geld mag, zo zei de minister, nu wel politie worden getraind maar niet militairen, terwijl dat laatste heel relevant kan zijn in een land als Afghanistan. Zij wil echter niet zover gaan dat ook vredesmissies worden gefinancierd. Zij vindt dat dat voorbehouden is aan Defensie en Buitenlandse Zaken. Zoals bekend, is de CDA-fractie geen voorstander van het aantasten van het OS-budget voor andere doeleinden. Wij zijn het dus eens met minister Van Ardenne. Verleden week is zij trouwens samen met de minister van Defensie naar Soedan en Kenia geweest. Heeft de ontschotting nu echt vorm gekregen? Zo ja, hoe dan? De regering heeft in het regeerakkoord aangegeven in de OESO het verruimen van de ODA-normen te bepleiten, zodat een meer integrale internationale aanpak van crises mogelijk is. Wat is de stand van zaken?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.16">Met CIMIC en de oprichting van het stabiliteitsfonds blijkt weer eens dat er behoefte is aan integraal beleid, aan ontschotting. Het is een kleine stap in de goede richting, maar nog niet geheel duidelijk is hoe bijvoorbeeld de bestedingsdoelen van het stabiliteitsfonds worden vastgesteld of wie bepaalt welk geld waarvoor wordt ingezet. De CDA-fractie is benieuwd naar de voortgang van het fonds en vraagt zich af of er concrete meetpunten worden ontwikkeld.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.17">Uitgangspunt van CIMIC is "zo civiel als mogelijk en zo militair als nodig". Het is begrijpelijk dat elke situatie weer een andere aanpak vereist, maar toch is het belangrijk dat de betrokken ministeries met elkaar in overleg blijven over potentiële crises. Kan de regering aangeven of er vroegtijdig interdepartementaal overleg plaatsvindt en hoe dit transparanter kan worden?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.18">Collega Van Gennip zei het al in zijn toespraak bij de NAVO Assemblee in Orlando: "Terrorisme en onveiligheid in de wereld kunnen nooit overwonnen worden alleen met wapens, maar ook door een wereldorde waarin de armere mensen uitzicht krijgen op een fatsoenlijk bestaan. Milieuvervuiling, ziekte, armoede, onderontwikkeling en terrorisme dragen allemaal bij aan de bedreiging van vrede en stabiliteit. Deze dreigingen kunnen wij niet alleen met geweld het hoofd bieden." Hiertoe heeft de heer Van Gennip een motie ingediend waarop de secretaris-generaal van de NAVO lord Robertson dat dit van het grootste belang en spoedeisend is voor de internationale gemeenschap. Hij was het eens met de heer Van Gennip dat op lange termijn geen vooruitgang kan worden geboekt als er sprake blijft van een instabiele, onveilige achtergrond.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.19">Ik zei al eerder dat vrede en stabiliteit een noodzakelijke voorwaarde voor ontwikkeling zijn, maar het geldt ook andersom: ontwikkeling is een voorwaarde voor vrede en stabiliteit. CIMIC en de oprichting van het stabiliteitsfonds passen in deze gedachtegang. Er zijn echter ontwikkelingen gaande die bij de CDA-fractie de vraag doen rijzen of dit wel de weg is die wij ingaan. De NAVO en de EU hebben met de NRF en de RRF hun ambitie duidelijk gemaakt. Zo heeft de NAVO de NRF die zeer snel moet kunnen worden ingezet in alle delen van het geweldsspectrum. Het CDA hoopt dat de wens om een militaire bijdrage van betekenis te blijven leveren aan de NAVO-ambities, ook in de hogere delen van het geweldsspectrum, niet ten koste zal gaan van de VN-operaties en de conflictbeheersingsoperaties zoals wij die tot nu toe hebben uitgevoerd. Wil de regering bevestigen dat Nederland beschikbaar blijft voor peace-keeping en conflictbeheersingsoperaties?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.20">Voorzitter. Kofi Annan zei eens: "You can do a lot with diplomacy, but a lot more with diplomacy backed up by force." De CDA-fractie is het daarmee eens, maar nu lijkt het net alsof wij alleen maar willen gaan vechten, letterlijk voor vrede en veiligheid, terwijl Nederland toch een cultuur en lange ervaring heeft met crisisbeheersingsoperaties. Daarnaast is er ook behoefte aan het vroegtijdig inzetten van zoveel mogelijk middelen om conflicten te voorkomen en alle soorten disciplines voor de wederopbouw van landen, zoals Irak en Afghanistan. Niet voor niets heeft voormalig minister De Hoop Scheffer in de periode dat Nederland voorzitter van de OVSE was, aan dit element van geweldspreventie met succes zoveel aandacht besteed.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.21">Een ander probleem dat hier onder ogen moet worden gezien, is de vraag of er voldoende draagvlak is voor de acties in het hoogste geweldsspectrum. Uit een recente enquête gehouden door het radioprogramma "De ochtenden" blijkt dat een groot deel van de Nederlandse bevolking vindt dat wij ons moeten beperken tot humanitaire taken. Het CDA maakt zich zorgen om het geringe draagvlak dat kennelijk onder de bevolking bestaat voor het inzetten van de Nederlandse krijgsmacht en het vindt dat de Nederlandse deelname aan de verschillende missies vroegtijdig en beter moet worden uitgelegd. Dat zou misschien kunnen door het traject voor zo'n beslissing transparanter te maken of door meer aandacht te besteden aan voorlichting. De vraag is dan: waarom doen wij mee aan een bepaalde missie?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.22">Voorzitter. De Eerste Kamer voelt zich nauw betrokken bij de inzet van de Nederlandse militairen voor vredesoperaties. Artikel 100 van de Grondwet is duidelijk: het verplicht te regering aan beide Kamers vooraf inlichtingen te verschaffen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde is veelomvattend, zoals de regering ook in de memorie van toelichting op artikel 100 Grondwet uiteen heeft gezet. Ze zijn enerzijds een facet van de verdediging en de andere belangen van het Koninkrijk en zij vormen de eerste twee taken van de krijgsmacht die artikel 97 Grondwet noemt. Anderzijds zijn ze ook ruimer dan de belangen van het Koninkrijk. Als de verschillende belangen elkaar overlappen, zoals minister Voorhoeve zei, dan moeten in alle gevallen waarin de krijgsmacht wordt ingezet voor de handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde, beide Kamers vooraf worden ingelicht, uiteraard behoudens de uitzondering die artikel 100 Grondwet zelf noemt. Kan de regering met deze benadering instemmen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.23">Helaas is de inlichtingenplicht beperkt. Artikel 100 bevat geen verplichting over hoe en waarover er inlichtingen dienen te worden gegeven. Bovendien is er geen verplichting om de Kamers te informeren over de fasen van internationaal overleg, over de besluitvorming die voorafgaat aan het besluit van de ministerraad, en over de besluitvorming waarop het besluit van de ministerraad is gebaseerd. Het is dus lang niet altijd helemaal duidelijk welke motieven en afwegingen ten grondslag liggen aan het besluit om de Nederlandse krijgsmacht in te zetten.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.24">Naast de Tweede Kamer heeft de Eerste Kamer in dezen een eigen verantwoordelijkheid. Tot nu toe wordt omtrent het besluit tot wel of geen deelname, de discussie met de Tweede Kamer afgewacht. Wij gaan ervan uit dat de regering bereid is om, wanneer een beslissing omtrent de inzet van de krijgsmacht voorligt, ook bericht van de Eerste Kamer af te wachten of zij wel of geen overleg wenst.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.25">Is de regering nog steeds van mening dat de beperkte inlichtingenplicht van artikel 100 GW volstaat, nu zij steeds hoger in het geweldspectrum wil deelnemen? Of is zij bereid frequenter met het parlement te overleggen, eventueel vertrouwelijk, zodat er vroegtijdig een afstemming plaatsvindt over het voornemen van de regering tot deelname aan missies en vaststelling van het gewenste draagvlak in het parlement of niet, wat ook wat dit betreft het mandaat van de kiezers heeft?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.1.26">Ik kom aan het einde van mijn begrotingsverhaal. Ik wil graag mijn waardering uitspreken aan het adres van de minister en de staatssecretaris van Defensie voor de consequente keuzes die zij in deze begroting hebben durven maken. Ik wil de minister van Buitenlandse Zaken met zijn zeer ruime ervaring op het buitenlandse beleid, complimenteren met zijn rol en die van zijn ministerie op dit gebied. De CDA-fractie is trots op de bijdragen die Nederland internationaal levert. Wij zijn een land waarop de internationale gemeenschap kan bouwen en dit mag best ook eens gezegd worden.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.2.1">Mijnheer Russell. Ik wens u van harte geluk met het uitspreken van uw maidenspeech. U treedt daarmee in de voetsporen van uw vader, die aan het begin van de jaren zeventig en aan het begin van de jaren tachtig voor respectievelijk de KVP en het CDA senator was.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.2.2">Uw lidmaatschap van de Senaat is een vervolgstap in een politieke loopbaan die zich tot nu toe vooral voltrok door partijpolitieke functies. Zowel op plaatselijk, regionaal als op landelijk niveau was u binnen uw partij, het CDA, actief, maar ook uw Europese activiteiten in de Europese Volkspartij en in de Europese Unie voor Christen-democraten springen in het oog. Die internationale dimensie komt eveneens tot uitdrukking in uw dagelijks werk als advocaat in een internationaal georiënteerde praktijk en bijvoorbeeld ook in uw nevenfunctie als consul van Brazilië in Amsterdam.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.2.3">U slaagt erin uw beroep, het juridische handwerk, en uw hobby's, kunst en muziek, op een betekenisvolle wijze aan elkaar te verbinden, getuige het feit dat van uw hand diverse publicaties zijn verschenen over de verhouding tussen kunst en recht. Het leggen van betekenisvolle verbindingen is soms een kunst op zich. Het is in ieder geval een kunst die in deze Kamer wekelijks wordt beoefend en waartoe u de komende jaren volop de gelegenheid krijgt. Met uw bijdrage van vandaag heeft u een vertrouwensvolle start gemaakt.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.2.4">Ik wens u toe dat u aan het werk van de Senaat veel bevrediging ontleent. Ik wens de Kamer toe dat deze de komende jaren zal kunnen profiteren van uw deskundigheid en ervaring.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.2.5">Nogmaals proficiat!</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.2.6">Ik schors de vergadering om de leden in de gelegenheid te stellen om u te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-20032004-710-761.1.3.3.1">De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Russell. Ik wens u van harte geluk met het uitspreken van uw maidenspeech. U treedt daarmee in de voetsporen van uw vader, die aan het begin van de jaren zeventig en aan het begin van de jaren tachtig voor respectievelijk de KVP en het CDA senator was.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Schaap" MPid="03162" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-12-04" topic="Gemeentewet" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-368-375.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-368-375.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="13" number-of-words="2425" number-of-unique-words="864" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Belasting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Schaap" MPid="03162"/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
                <speaker name="Bemelmans-Videc" MPid="02260"/>
                <speaker name="Van Driel" MPid="03005"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Schaap, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-368-375.1.2" speaker="Schaap" party="VVD" function="De heer" title="De heer Schaap  (VVD)" MPid="03162">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1" speaker="Schaap" function="De heer" MPid="03162">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Schaap (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Schaap</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1.2">Voorzitter. Het besluit om het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting af te schaffen is nog maar kortgeleden genomen. Tegelijk daarmee is als een randvoorwaarde besloten om een maximering van de tariefstijging in de wet op te nemen. Deze limitering is zeer zorgvuldig opgezet: in bijzondere, verdedigbare gevallen zou hiervan immers mogen worden afgeweken. Zo zou voorkomen moeten worden dat de ozb voor de eigenaren van woningen en bedrijfspanden bovenproportioneel stijgt. De VVD-fractie heeft kennisgenomen van het wetsvoorstel en de beantwoording van de vragen die door de senaat waren gesteld. De fractie heeft bezwaren tegen het wetsvoorstel en is niet tevreden over de beantwoording van het verslag en de nadere vragen. Ik zal dit verduidelijken. Ik hoop dat de staatssecretaris alsnog duidelijkheid kan geven.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1.3">Het moge bekend zijn dat de VVD streefde naar afschaffing van de totale ozb, maar zich tevreden heeft moeten stellen met de eenzijdige afschaffing van het gebruikersdeel van deze gemeentelijke heffing. Deze eenzijdige maatregel impliceerde het risico dat tariefstijgingen eenzijdig ten laste zouden komen van het resterende eigenarendeel, vandaar het belang van de tariefmaximering. Individuele gemeenten kunnen geconfronteerd worden met knelpunten die voortvloeien uit de huidige systematiek. Ook de huidige regeling biedt echter ruimte om dergelijke knelpunten op te lossen. Met de voorliggende wetswijziging dreigt de grotere eigen financiële ruimte die veel gemeenten klaarblijkelijk vragen, afgewenteld te worden op de eigenaren van particuliere woningen en bedrijfspanden. In de memorie van antwoord op het verslag stelt de staatssecretaris dat het met deze afwenteling wel mee zal vallen. Daarbij verwijst zij echter uitsluitend naar de verwachtingen voor het komende begrotingsjaar. Bovendien, als het vertrouwen zo groot is, waarom wordt er dan tegelijk een sanctie-instrument toegevoegd aan de decentrale ruimte?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1.4">De VVD-fractie betreurt voorliggende wetswijziging. De fractie vraagt zich af welke knelpunten de regering hebben bewogen een nog maar net in werking getreden wet nu reeds te wijzigen. Kan de staatssecretaris op deze overweging ingaan? Kan duidelijk worden gemaakt waarom knelpunten niet met de huidige openingen in de tariefmaximering kunnen worden opgelost? Er mag dan sprake zijn van een stringente micronormering, er is nergens duidelijk gemaakt dat de gemeenten in het huidige tariefstelsel geen compensatie konden vinden voor specifieke problemen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1.5">De VVD-fractie is voorstander van een eigen belastingdomein voor de gemeenten. De fractie erkent ten volle de gemeentelijke autonomie inzake de eigen begroting en het gebruik van een eigen belastingdomein. Decentrale publieke verantwoordelijkheden zijn een groot goed. Nadat de ozb ter discussie kwam te staan, had de VVD-fractie gehoopt dat de regering de vraag naar een transparant en rechtvaardig gemeentelijk belastingsysteem zou aangrijpen om met zorgvuldige voorstellen voor alternatieven te komen. Met de staatssecretaris zijn wij van mening dat er intussen al voldoende studie is verricht om hierover met de VNG en het parlement van gedachten te wisselen. Deze gedachtewisseling is er niet van gekomen. Er ligt slechts de toezegging dat het Rijk volgend jaar met de VNG van gedachten zal wisselen over de samenstelling van het gemeentelijk belastinggebied, en dat dit overleg in samenhang met het decentralisatievraagstuk zal worden gevoerd. Een volgende vraag aan de staatssecretaris is dus waarom er niet gewacht is op de uitkomst van dit overleg alvorens met het onderhavige wetsvoorstel te komen. Waarom deze haast? Waarom is er niet gewacht met de besluitvorming tot een evenwichtig en transparant voorstel voor de samenstelling en de omvang van het gemeentelijk belastinggebied in beeld is gebracht? Waarom konden wijzigingen niet wachten tot een grondige evaluatie van de wet? Nu dreigt er een overhaast besluit genomen te worden, dat bovendien ook nog eens een onverantwoord open einde heeft. Wellicht leidt het overleg volgend jaar opnieuw tot wetswijzigingen inzake het gemeentelijke belastingdomein.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1.6">Ik acht deze haast en deze onzorgvuldige wijze van werken strijdig met een fundamentele voorwaarde van gedegen wetgeving. De wetgever dient de verleiding te weerstaan de gelegenheid aan te grijpen voor overhaaste wetswijzigingen. Al te vaak moeten toegezegde evaluaties een compensatie vormen voor de haast en de dreigende onzorgvuldigheden. In dit geval wordt zelfs niet eens op een evaluatie van de vigerende regeling gewacht. Het kabinet baseert voorliggende wetswijzigingen op voldoende vertrouwen in de Nederlandse gemeenten en hun vertegenwoordiger de VNG. Het stelt er vertrouwen in te hebben dat de gemeentebesturen ook zonder de vigerende micronormering voldoende matiging zullen betrachten bij de verhoging van de ozb-tarieven. Behalve op de verwachtingen voor het jaar 2008 wordt daarbij ook gewezen op een bestuursakkoord tussen kabinet en VNG, en op het herstel van de bestuurlijke verhoudingen tussen het kabinet en deze VNG. In de behandeling van de wetswijziging in de Tweede Kamer wordt hierop breed ingegaan. Ook in de memorie van antwoord roemt de staatssecretaris de goede verhoudingen en het vertrouwen in de gemeenten. Uiteraard juicht de VVD-fractie goede bestuurlijke betrekkingen tussen overheden toe. Het openbare bestuur kan niet functioneren zonder goede horizontale verhoudingen tussen de verschillende overheidsgeledingen. Des te verwonderlijker is het dat de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, de memorie van antwoord en ook nog het nadere antwoord dit vertrouwen onmiddellijk weer relativeren. Ook al stelt de staatssecretaris vertrouwen te hebben in het verantwoord functioneren van het lokaal bestuur, en meent zij dat daarom geen wettelijke regels nodig zijn ter beteugeling van de lokale lasten, toch waarschuwt zij de VNG nadrukkelijk voor het schaden van dit vertrouwen, dreigt zij met haar eigen wettelijke budgetrecht als ook de VNG faalt, en stelt zij een wettelijk instrumentarium in het vooruitzicht voor het geval het instrument van compensatie van de collectievelastendruk via het Gemeentefonds niet zomaar werkt. Zo veel dreiging na zo veel vertrouwen. Klopt de genoemde basis van vertrouwen eigenlijk wel?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1.7">In dit verband maak ik enkele kritische opmerkingen over het instrument ter beteugeling van een te grote stijging van de lastendruk, te weten het sanctie-instrument op basis van de door het Rijk ingestelde macronorm. Op basis van deze macronorm moet een onevenredige stijging van de collectievelastendruk worden voorkomen en zo nodig gecorrigeerd. Intussen heeft de staatssecretaris deze macronorm voor 2008 concreet ingevuld. Het plafond bedraagt 3,75%. Daarboven treedt het sanctie-instrument, de correctie van het volume van het Gemeentefonds, in werking. Zowel in de memorie van toelichting tijdens de behandeling in de Tweede Kamer als in de schriftelijke rondes is niet duidelijk geworden hoe dit sanctie-instrument concreet zal worden ingezet en hoe daarbij onrechtvaardige effecten kunnen worden voorkomen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1.8">De VVD-fractie heeft grote moeite met de wijze waarop de macronorm zal worden gehanteerd, net als met de wijze waarop het sanctie-instrument zal worden ingezet. Ook de memorie van antwoord en de nadere beantwoording van vragen geven geen eenduidig inzicht. Er wordt een paradoxale redenering gebruikt, net als bij het zogenaamde vertrouwen in de gemeente. Enerzijds stelt de rijksoverheid dat de gemeenten individueel vrij zijn in het bepalen van de hoogte van de ozb. Daarmee wordt recht gedaan aan het beginsel van gemeentelijke autonomie. Anderzijds krijgen de gemeenten van bovenaf een bindende norm opgelegd, dus heteronomie. Dit lijkt mij een logische inconsistentie. Kan de staatssecretaris uitleggen hoe zij beide beginselen bijeenbrengt?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1.9">Even vreemd is het bijeenbrengen van microautonomie en een collectieve macrosanctie. Je kunt op gemeentelijk niveau werkelijk niet overzien wat de mogelijke gevolgen zijn van de gebruikte autonomie. Voordat je het beseft, krijg je een sanctie opgelegd, te weten een korting op de bijdrage uit het Gemeentefonds. De vermeende gemeentelijke autonomie gaat dus vergezeld van een uiterst vreemde rechtsmoraal, mocht deze autonomie onverhoopt collectief te ruim worden gebruikt, lees: te vergaande tariefstijgingen. Over deze rechtsmoraal zeg ik nog het volgende. Je zondigt alleen, en het blijkt geen zonde te zijn. Je zondigt in beperkte kring, en het blijkt nog steeds geen zonde te zijn. Je zondigt in groten getale en plotseling blijkt dit gedrag wel zondig te zijn en word je niet individueel, maar collectief gestraft. Je zondigt in het geheel niet, want je past geen onverantwoorde tariefstijging toe en toch word je gestraft, omdat anderen wel zondigen. Het is mij niet duidelijk wat voor beginsel van gerechtigheid hier wordt gebruikt. Kan de staatssecretaris uitleggen waarom zij de macronorm toch rechtvaardig wil noemen? Hoe moet het verschil in effect tussen grote en kleine gemeenten hierin worden meegenomen?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1.10">Hoe open de memorie van toelichting het sanctie-instrument laat, blijkt wel uit de memorie van antwoord. Daarin erkent de staatssecretaris onrechtvaardige effecten van het sanctiemiddel en zoekt zij uitwegen. Om onrechtvaardige kortingen te voorkomen wordt een vluchtweg gezocht in het instellen van drie of vier categorieën. Waar eindigt de correctie op de onrechtvaardige toepassing van een sanctie-instrument? Een verdere verfijning komt als vanzelf in de buurt van de huidige regeling; de micronorm met gelegitimeerde escapes. Waarom dan de ingewikkelde constructie van tariefautonomie en macrosancties? Is de staatssecretaris er zeker van dat gemeenten niet zullen anticiperen op een mogelijke sanctie en alvast een veiligheidsmarge inbouwen in de tarieven? Zij stelt dat zij voor 2008 geen problemen verwacht rond de macronorm. Wat voor inzicht heeft zij in de daaropvolgende jaren?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1.11">Een ander aspect van de macronorm is de fundering in een bestuursakkoord tussen kabinet en VNG. Opmerkelijk is de stelling dat dit instrument gebaseerd moge zijn op een overeenkomst tussen beide partijen, maar dat het kabinet tegelijk de handen vrijhoudt om bij uitblijvend resultaat alsnog met een wettelijke regeling te komen. Weer de combinatie van horizontaal vertrouwen en verticale dreiging. Wij komen er samen wel uit en zo niet, dan volgt een sanctie. Als er dan toch een wettelijk mechanisme in het vooruitzicht moet worden gesteld, waarom wordt dit dan niet direct in de wetswijziging meegenomen? Dan kan het parlement zijn wettelijke verantwoordelijkheid in dezen eveneens direct uitoefenen. Waarom laat het kabinet zo'n wettelijke regeling achterwege?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1.12">Regulering van een rijksverantwoordelijkheid via een overeenkomst met een belangenorganisatie heeft nog een bedenking. Mijns inziens riekt zo'n regulering naar corporatisme. Een belangenvereniging, te weten de VNG, voegt zich via een ogenschijnlijk horizontale overeenkomst direct in de verantwoordelijkheid van het Rijk. In de memorie van antwoord staat letterlijk dat het kabinet van de VNG een actieve rol verwacht richting de gemeenten bij het nastreven van de macronorm. Ook in het nadere antwoord verwacht de staatssecretaris van de VNG een actieve rol in het beteugelen van de gemeentelijke autonomie. Dit ontneemt de VNG de vermeende eigen rol en verantwoordelijkheid. Zij neemt de verantwoordelijkheid van het Rijk over. De overeenkomst inzake het instrumentarium heeft immers een bindend gevolg voor de leden van deze vereniging? Er is niets op tegen om de leden van de VNG via een overeenstemming met het Rijk op te roepen zich te matigen. Dat laat de leden namelijk vrij om hier autonoom mee om te gaan. Dat laat ook de principiële verantwoordelijkheid van het Rijk voor de collectievelastendruk overeind. Nu blijkt deze verantwoordelijkheid te worden gedeeld met een belangengroep die daar rechtens buiten staat.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1.13">Waarom kiest het kabinet niet voor de veel eenvoudiger weg van repressief toezicht door de provincie? Dan kan elke gemeente autonoom verantwoordelijk blijven voor de eigen lastendruk en kan op die basis worden beoordeeld of rechtmatig van deze speelruimte gebruik is gemaakt. De Raad van State wijst ook op deze mogelijkheid. Kan de staatssecretaris duidelijk maken waarom zij heeft gekozen voor de omweg van een opengehouden macronorm en niet voor het veel transparantere repressieve toezicht?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.1.14">Het voorliggende wetsvoorstel bevat niet alleen tegenstrijdigheden, maar is op kritieke punten ook leeg. Het laat te veel over aan goede bedoelingen, vertrouwen en nadere regelingen. Dit wetsvoorstel voegt zich in een trend, namelijk die van raamwetten die alle beslissende punten openlaten of overlaten aan nadere regelingen of afspraken, zoals in dit geval. Dit maakt het voor het parlement steeds moeilijker te beoordelen of de wetgeving transparant, consistent en duurzaam is. Nogmaals, waarom wordt een kritisch instrument als de toepassing van een macronorm niet via wetgeving ingevuld? Nu volgen de beslissende spelregels pas later en moet worden afgewacht welke dat zijn. Graag wacht ik de beantwoording van de staatssecretaris af.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.2.1">Mijnheer Schaap, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech over de onroerendezaakbelasting. Het is niet onopgemerkt gebleven dat u als enig commissielid na ontvangst van de memorie van antwoord nadere vragen hebt gesteld aan de staatssecretaris. Als dat kenmerkend wordt voor uw inzet voor en uw betrokkenheid bij deze Kamer, belooft dat nog heel wat.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.2.2">U hebt een verrassende, want zeer gevarieerde achtergrond. U bent gediplomeerd onderwijzer en hebt economie gedoceerd, maar u volgde ook een opleiding aan de Hogere Landbouwschool in Leeuwarden en studeerde sociale wetenschappen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Alsof dat nog niet gevarieerd genoeg was, studeerde u daarbij ook nog filosofie, en dat zowel bij de Vrije Universiteit als bij de Rijksuniversiteit Groningen. In 1995 bent u gepromoveerd op de dissertatie "De verwerkelijking der filosofie: de metafysische pretentie in het denken van Th. W. Adorno". Ik durf u niet te beloven dat alle Kamerleden dit zullen gaan lezen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.2.3">U was landbouwer in de Noordoostpolder en docent filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en aan de Karel Universiteit in Praag. Sinds 1986 bent u dijkgraaf; tot 1997 van het waterschap Noordoostpolder en nu alweer tien jaar van het waterschap Groot Salland. Sinds januari 2004 combineert u dat met het voorzitterschap van de Unie van Waterschappen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.2.4">In de jaren tachtig bent u vrijwel gelijktijdig zowel lid van de gemeenteraad van Brederwiede als beleidsmedewerker aan de overkant, in de Tweede Kamer, geweest. Uw betrokkenheid bij politiek en bestuur van destijds manifesteert zich ook in uw functies als dijkgraaf en voorzitter van de Unie van Waterschappen. U spreekt en overlegt in die hoedanigheden regelmatig met lokale, regionale en nationale politici en bestuurders. Water is daarbij voor u meer dan de spil waar uw werk om draait, en zelfs meer dan een passie, zo is mij geworden. Iemand uit uw directe omgeving verwoordde dat aldus: "Zonder water geen Sybe."</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.2.5">Mijnheer Schaap, iemand die landbouwers in Oost-Europa down to earth adviseert over de teelt van aardappelen, die causerieën houdt over filosofische onderwerpen en wiens maidenspeech in deze Kamer het schrappen van de maximering van de ozb betreft, kan met recht een veelzijdig mens worden genoemd. U schreef een aantal boeken over niet de minste, Nietzsche, maar u kunt uw liefde voor filosofie moeiteloos scheiden van uw werk als dijkgraaf. U staat bekend als iemand die niet om de hete brij heen draait, zoals ook bleek uit uw maidenspeech, en als een praktische, toegankelijke persoon, met een ruime dosis empathie. Uw gedrevenheid, veelzijdigheid en maatschappelijke betrokkenheid zijn heel waardevolle eigenschappen en maken u meer dan welkom in deze Kamer. Ik wens u van harte succes met al uw werkzaamheden hier.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.2.6">Ik geef de leden de gelegenheid om de nieuwe collega te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-368-375.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Schaap, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech over de onroerendezaakbelasting. Het is niet onopgemerkt gebleven dat u als enig commissielid na ontvangst van de memorie van antwoord nadere vragen hebt gesteld aan de staatssecretaris. Als dat kenmerkend wordt voor uw inzet voor en uw betrokkenheid bij deze Kamer, belooft dat nog heel wat.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Slager" MPid="03163" party="SP" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-12-11" topic="Markttoezicht registerloodsen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-491-500.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-491-500.1.4" which-speech-in-topic="3" number-of-paragraphs="2" number-of-words="2742" number-of-unique-words="1034" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Markttoezicht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Verkeer <pm:entity> Water</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Hofstra" MPid="02566"/>
                <speaker name="Hendrikx" MPid=""/>
                <speaker name="Slager" MPid="03163"/>
                <speaker name="Schouw" MPid="03025"/>
                <speaker name="Linthorst" MPid="02927"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer Slager, die eveneens zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-491-500.1.4" speaker="Slager" party="SP" function="De heer" title="De heer Slager  (SP)" MPid="03163">
                    <speech party="SP" docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.1" speaker="Slager" function="De heer" MPid="03163">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Slager (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Slager</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.1.2">Voorzitter. U zult begrijpen dat het voor iemand die een groot deel van zijn leven heeft doorgebracht achter de dijken van de Schelde een gelukkig toeval is om zijn maidenspeech te mogen houden over een onderwerp, dat te maken heeft met die "eigen" omgeving. De Schelde, met name de Westerschelde, is immers een van de drukste, en tegelijkertijd moeilijkst navigeerbare vaarwateren ter wereld.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.1.3">Toen ik mij begon te verdiepen in het wetsvoorstel, borrelde spontaan de herinnering op aan het meest indringende geluid uit mijn kinderjaren: het geluid van de misthoorn. Op dagen dat het potdicht zat van de mist, klonk dat klagende geluid in monotone regelmaat vanachter de dijken. Dat klonk ongeveer zo:</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.2">
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.2.1">(De heer Slager doet het geluid van een misthoorn na.)</p>
                    </stage-direction>
                    <speech party="SP" docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.3" speaker="Slager" function="De heer" MPid="03163">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Slager (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Slager</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.3.2">Het is een geluid dat iemand die zijn jeugd heeft gesleten aan de boorden van de Geul niet zal herkennen, maar voor ons had dat geluid behalve dat weemoedige ook iets van hulpeloosheid. Over dat hulpeloos varen in de mist kom ik nog te spreken.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.3.3">Ik wil het eerst hebben over die andere vijand van de scheepvaart: de storm. De laatste storm die we meemaakten was die van 8 op 9&#160;november toen heel Nederland was gewaarschuwd dat het zou gaan spoken: storm uit het noordwesten en springvloed. Dan weet je het wel, dan stuwt het water hoog op in de nauwe trechter van de zuidelijke Noordzee en sinds 1953 weten we wat dát voor gevolgen kan hebben. Gelukkig is er sinds de februariramp veel verbeterd: de dijken en het waarschuwingssysteem waren in orde en naast de stormvloedkering in de Oosterschelde werd voor het eerst in de geschiedenis ook de Maeslantkering gesloten. Zo doorstond Nederland die stormnacht betrekkelijk gemakkelijk. Er was wat schade, maar er vielen geen slachtoffers.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.3.4">En toch scheelde het niet veel of er was die nacht wél een slachtoffer te betreuren. Een eindje de Noordzee op, ter hoogte van de Scheldemonding waren die nacht zoals gewoonlijk loodsen bezig om vanaf het daar liggende loodsstation zeeschepen de Schelde op te brengen, en terug. Daarvoor varen ze vanaf dat stationsschip met een jol naar een zeeschip. Stelt u het zich even voor: een kleine jol van 6 meter in de stormnacht, dansend op golven van meer dan 2 meter. Zoiets gebeurt tijdens elke storm. En meestal gaat het goed, ook als de loods de touwladder, die langs de wand van een zeeschip naar beneden hangt, moet zien te grijpen en naar boven klimmen. Maar die nacht gaat er wél iets mis: één van de bemanningsleden van de jol stort in zee. Natuurlijk heeft hij een reddingsvest aan, dus meteen verdrinken zal hij niet. Maar de enige overgebleven man op de jol kan niet én sturen én een collega proberen te vinden en te redden. Hij geeft een noodsein naar het stationsschip. Daar is een reservejol, maar de bemanning is daar, sinds er efficiënter gewerkt wordt, gehalveerd. Er zijn geen wachtlieden meer, zoals vroeger toen het nog een overheidsdienst was. Op één na ligt de bemanning te slapen. Ze worden gewekt, springen in hun kleren en laten de tweede jol te water. En dan begint de zoektocht: twee scheepjes, die proberen de drenkeling in hun zoeklicht te vangen. Het duurt en het duurt, maar eindelijk vinden ze hem. Meer dood dan levend, want ernstig onderkoeld, wordt hij aan boord gehesen. De opgeroepen reddingsboot brengt hem naar Vlissingen en de volgende dag kan het ziekenhuis melden dat de man het avontuur gelukkig op het nippertje heeft overleefd.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.3.5">Toen ik hoorde van dat ongeluk was mijn eerste gedachte dat er nodig geïnvesteerd moet worden in nog veiliger manieren van werken bij zware storm. Ik heb daarnaar geïnformeerd bij de loodsencorporatie, waar ik te horen kreeg dat men daarmee bezig is. Er is voor Vlissingen een SWATH aangeschaft, een soort catamaran, die ook bij storm heel stabiel op het water ligt, zodat een veilige beloodsing mogelijk is bij golven van zelfs meer dan drie meter. Alleen is er een probleem: bij zo'n storm kan de moderne SWATH niet langszij het stationsschip komen om daar loodsen op te pikken of af te zetten, want dat oude stationsschip is daarvoor niet uitgerust. Daarom moeten die stationsschepen worden vervangen, een voor de Rijnmond, een voor de Scheldemond. Zo'n schip kost tussen de 30 en de 50 mln. Samen met nog een SWATH komt dat op een totale investering van 100 mln. Een afschrijvingstermijn van zo'n schip is 20 tot 25 jaar. Als ze volgend jaar worden besteld, zijn ze omstreeks 2030 afgeschreven, wat normaal geen enkel probleem zou zijn, maar nu wel. De loodsencorporatie aarzelt om die investeringen te doen, vanwege het wetsvoorstel dat wij hier vandaag behandelen. Daarin houdt deze minister vast aan het voornemen om in 2019 volledige marktwerking in te voeren, en 2019 is dus halverwege de afschrijvingstermijn. Als in dat jaar inderdaad concurrenten op de markt verschijnen, weet je nu al dat die nieuwe schepen niet zonder verlies zijn af te schrijven, of men moet van tevoren de tarieven omhoog halen. Vandaar de aarzeling bij de loodsencorporatie om 100 mln. te gaan lenen voor de aanschaf van die schepen. Zo zie je hoe de mogelijke marktwerking in 2019 nu al zijn schaduwen vooruitwerpt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.3.6">De SP is principieel tegen concurrentie in een sector waar de veiligheid van de bevolking in het geding is. De veiligheid van de bevolking is hier in het geding. Het aantal "varende bommen" is nog nooit zo groot geweest. Je houdt je hart vast als je denkt aan wat er kan gebeuren als één van de ammoniaktankers die daar wekelijks voorbijkomen lek slaat: dat gaat tienduizenden slachtoffers kosten. Het is nog maar een paar jaar geleden dat een deel van Oost-Zeeuws Vlaanderen net niet werd geëvacueerd, nadat er een schip met gevaarlijke lading aan boord dreigde te scheuren. Gelukkig dat het niet net gebeurde. Wij weten nu al dat als het aantal gastankers blijft groeien zoals het nu groeit, een gedeeltelijke bouwstop in Vlissingen en Terneuzen dreigt, omdat de scheepvaart op de Westerschelde zo riskant is. De schippers noemen het niet voor niets een tricky river. Het loodsen van die steeds groter wordende bakbeesten door bochtige smalle vaargeulen, met hun eb en hun vloed en hun verraderlijke dwarsstromen, is verantwoordelijk werk, werk dat wij niet mogen toevertrouwen aan elkaar beconcurrerende marktpartijen. Gebeurt dat wel, dan zullen de veiligheidsrisico's toenemen. Immers, in de scheepvaart en zeker in de zeescheepvaart is de concurrentie op dit moment moordend. Er is daar eigenlijk maar één alles overheersende drijfveer: kostenbesparing. Daar moet alles voor wijken: milieu, veiligheid, materiaal en voldoende gekwalificeerd personeel. Dat zeg ik niet alleen, dat zegt ook de door het ministerie in de arm genomen professor Frissen in zijn rapport Het loodswezen overwogen, uit 1997. Loodsdiensten zullen bij concurrentie tegen elkaar worden uitgespeeld, en dat niet eens zozeer om die loodstarieven omlaag te krijgen, want die zijn eigenlijk van betrekkelijk belang. Bij een groot containerschip bedraagt het loodstarief misschien 5% van de totale havenaanloopkosten. Veel duurder is sleepboothulp. Als je daarop kunt bezuinigen, tikt dat pas aan. Maar wie bepaalt nu of sleepboothulp nodig is? Dat is de loods. Als nu een loods tegen een kapitein zegt dat die twee sleepboten nodig heeft om veilig door het Nauw van Bath te varen, zal die kapitein daar na enig gesputter wel mee akkoord gaan. De loods zegt het immers zelf. Als er straks echter twee loodsdiensten opereren, kan een loods onder druk worden gezet. De kans is niet denkbeeldig dat hij dan, om zijn klant te behouden, zal zeggen: ach, laten wij het maar met één sleepboot proberen. Dit risico mogen wij niet nemen en die koers moeten wij niet inslaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.3.7">In feite zijn wij deze koers echter al ingeslagen in 1988, toen het parlement op initiatief van minister Smit-Kroes het besluit nam om de goed functionerende overheidsdienst te verzelfstandigen. Dit deed zij niet omdat de loodsen dit wilden, maar omdat de politiek het wilde. Deze verzelfstandiging was de eerste stap naar marktwerking. Helaas zat de SP toen nog niet in het parlement. Wij konden dus toen nog niet zeggen: doe dit niet en houd het bij het oude. Het lijkt mij dat het intussen voor iedereen duidelijk zou moeten zijn dat dit een veel te riskante koers was.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.3.8">Wie kennis neemt van de lange lijdensweg die de overheid sinds 1988 heeft afgelegd, moet onwillekeurig denken aan een schip in de mist. Al bijna twintig jaar is het schip onderweg naar de haven die "Marktwerking" heet. Deze haven is echter nog steeds niet in zicht. Om de paar jaar wordt de koers bijgesteld, maar na een tijdje blijkt hij weer niet de goede te zijn en moet hij opnieuw worden gewijzigd. Ondanks alle commissies, rapporten, ingehuurde adviseurs en andere kostbare operaties, vaart het schip nog steeds rond in de mist. De nieuwste kapitein aan boord – hij zit hier voor ons, heet Eurlings en is al de zevende sinds kapitein Smit-Kroes in 1988 van wal stak – heeft zich als eerste van de zeven nu openlijk afgevraagd of de bestemming ooit zal worden bereikt. Hij deed dit in de Tweede Kamer. Hoewel hij zich dit afvraagt, blijft hij volgens mij nog steeds doormodderen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.3.9">Het valt op dat minister Eurlings vreemde lessen trekt uit onze geschiedenis. Nederland heeft immers ervaring opgedaan met concurrentie bij het loodsen. Van 1839 tot 1939 hebben de Vlaamse en Nederlandse loodsen elkaar op de Schelde beconcurreerd. Dit leidde soms tot halve zeeslagen en zelfs tot enkele doden. Eindelijk, na honderd jaar, heeft men gezegd: het is toch beter als wij samenwerken. Sindsdien gaat het op de Schelde perfect. De minister trekt hieruit lering. Hij zegt in de memorie van toelichting dat wij niet moeten beginnen aan concurrentie met de Belgen, "omdat uit het samenwerkingsverband betekenisvolle kostenreducties voortvloeien". Nog verder wil hij gaan op de Eems, waar een geïntegreerde Nederlands-Duitse loodsdienst zou moeten komen. "Want", zo schrijft de minister, "dit is uiteindelijk het meest voordelig voor alle partijen, inclusief de scheepvaart en de havens." Samenwerken is dus volgens de minister voordeliger dan concurreren. Echter, de nu perfect samenwerkende Nederlandse loodsen moeten juist met elkaar gaan concurreren. Dit zou namelijk voordeliger zijn. Mag ik de minister nogmaals vragen welke argumenten hij hiervoor heeft? Ik stelde deze vraag eerder al schriftelijk. Tot nu toe heeft hij de argumenten niet genoemd. Als hij ze niet heeft, waarom houdt hij dan de optie voor 2019 toch zo krampachtig open?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.3.10">Hij vindt in elk geval geen argumenten in de adviezen die ik heb gelezen en die mijn fractie in onze schriftelijke vragen al heeft genoemd. Deze adviezen stellen allemaal dat concurrentie in deze sector juist onvoordelig uitpakt en voor de veiligheid uit den boze is. Het is geen toeval dat experimenten met loodsenconcurrentie elders op de wereld allemaal na een tijdje zijn afgeblazen en stopgezet. Ik wil één adviseur citeren, namelijk de door de voorganger van minister Eurlings ingehuurde professor Koopmans. Hij schrijft: "Experimenten met de introductie van concurrentie in Argentinië en Australië hebben duidelijk gemaakt dat er vrijwel uitsluitend negatieve effecten te verwachten zijn. Dat wil zeggen: afname van de kwaliteit van dienstverlening met toenemende kosten voor de scheepvaart." Duidelijker kan het volgens mij niet. De minister negeert echter deze waarneming van zijn adviseur en geeft ons geen antwoord op de schriftelijke vraag waarom hij dit doet. Daarom vraag ik het hem nogmaals.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.3.11">Professor Koopmans acht het uitgesloten dat je marktwerking kunt forceren in deze kleine sector met zijn hoge kosten voor infrastructuur – ik noemde al de investering van 100 mln. voor drie schepen – plus de langdurige opleidingen. Er is acht jaar nodig voordat je de grootste bakbeesten mag loodsen. "Daarom", zegt professor Koopmans, "is splitsing van het loodswezen een niet levensvatbare operatie. Er zijn ook te weinig loodsen om twee organisaties in volcontinudienst te bemannen." Dit zijn volgens mij feiten. Ik zou wel eens een steekhoudend argument van de minister willen horen dat deze feiten onderuithaalt. Als hij zo'n argument niet kan noemen, dan sluit ik mij aan bij professor Koopmans, die zegt: "Alles overwegende is de beste oplossing om de positie van het loodswezen te laten zoals deze thans geregeld is. Accepteer dat het loodswezen als veiligheidsorganisatie in een monopoloïde omgeving functioneert, zij het dat er scherp toezicht wordt gehouden op de prijsvorming."</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.3.12">Tot slot wat die prijsvorming betreft nog het volgende. Omdat een van de voorgangers van minister Eurlings in 1995, bij een van de koerswijzigingen tijdens het varen in de mist, het recht op uitvoerige toetsing van de loodsentarieven uit handen heeft gegeven en wij hierdoor nog slechts marginaal kunnen toetsen, wordt er nu een hele wet opgetuigd, met toezicht van de NMa. De SP-fractie in de Tweede Kamer heeft al aangegeven dat zij dit overbodig vindt. Ook binnen de bestaande wetgeving kunnen de doeleinden gewaarborgd worden die de minister zich stelt. En als de minister meer toetsingsmogelijkheden wil, dan moet hij dáárvoor een voorstel doen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.3.13">Wij vinden deze wet niet alleen overbodig, maar ook onwenselijk. De NMa zal er zeker op toezien dat de tarieven zo laag mogelijk blijven en dat de loodsen bij de aanschaf van schepen niet aan "gold plating" doen. Zo wordt het in fraai Nederlands in de memorie van antwoord genoemd. Wanneer is er sprake van gold plating en wat is er nodig voor de veiligheid? Kan de NMa deze vragen goed beantwoorden? Afgezien van de vraag of de NMa wel de deskundigheid heeft om de juiste afweging te maken voor deze zo gespecialiseerde veiligheidsorganisatie, is het nu al zeker dat de economische overwegingen bij de NMa op de eerste plaats komen en niet de veiligheidsaspecten. Mijn fractie is hierop tegen. Voor ons dient bij het loodsen van schepen de veiligheid van mensen, op schepen en achter de dijk, voorop te staat, en niet de portemonnee van een rederij uit Sjanghai of Singapore.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.4.1">Mijnheer Slager. Ook u feliciteer ik hartelijk met uw maidenspeech. U bent het enige lid van de Eerste Kamer dat afkomstig is uit de provincie Zeeland. Ik zou bijna zeggen dat u alleen hierom al heel hartelijk welkom bent in deze Kamer. Wij hebben immers een bijzondere band met alle provincies.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.4.2">Uw werkend leven staat in het teken van het gesproken en geschreven woord. Wij hebben hiervan zojuist al even mogen proeven. U bent 17 jaar lang journalist geweest bij het dagblad Het Vrije Volk en 27 jaar was u radioredacteur/programmamaker; ruim 2 jaar bij de VARA-radio en 25 jaar bij de VPRO-radio. Sinds 1981 schrijft u ook boeken. Daarin staan vooral verhalen van gewone mensen, die generaties lang mondeling werden overgedragen. Dit wordt beschouwd als uw specialiteit die terug te vinden is in onder meer "De Zeeuwse geschiedenis in meer dan honderd verhalen" (2005) en "De ramp. Een reconstructie van de watersnood van 1953". Ik heb begrepen dat u deze ramp op Tholen meemaakte als veertienjarige. Verder verscheen van u "Mijn Zeeland". Met dit boek won u de Jan Bruijns Publieksprijs 2007. Hiernaast schreef u een aantal boeken die ik mag karakteriseren als politieke boeken. Zo verscheen in 2001 van uw hand "Het geheim van Oss. Een geschiedenis van de SP", en meer recent verscheen "Hoe dan, Jan?", waarin een verzameling interviews met de heer Marijnissen is te vinden.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.4.3">Mijnheer Slager, ik vermoed dat u uw hart zou kunnen ophalen als u de historische muren van deze Kamer zou kunnen laten spreken over wat er zich in de afgelopen eeuwen in deze ruimte allemaal heeft afgespeeld. Ik vermoed tevens dat met uw weergave daarvan succes verzekerd is. Een recensent noemde u "een vakman van formaat die al zijn gehele carrière op volstrekt integere en sympathieke wijze verhalen aan het papier toevertrouwt". Wat u als schrijver drijft, heeft u ooit in een interview in Trouw als volgt verwoord: "Ik heb altijd geprobeerd dicht bij de mensen te schrijven om ze een stem te geven die niet gehoord wordt in de geschiedenis. Want de officiële geschiedschrijving vertrekt toch meestal vanuit het perspectief van de autoriteiten die het beleid bepalen. Maar degenen die het beleid te verwerken krijgen in de dagelijkse praktijk, die hoor je te weinig. Mijn fascinatie ligt daar dus."</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.4.4">Mijnheer Slager, ik twijfel er niet aan dat u ook in dit huis "dicht bij die mensen" politiek wilt en zult bedrijven. Ik wens u ontzettend veel succes met uw werkzaamheden hier.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.4.5">Ik schors de vergadering om de leden de gelegenheid te bieden om de heren Hofstra, Hendrikx en Slager te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.5">
                        <p docno="h-ek-20072008-491-500.1.4.5.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Slager. Ook u feliciteer ik hartelijk met uw maidenspeech. U bent het enige lid van de Eerste Kamer dat afkomstig is uit de provincie Zeeland. Ik zou bijna zeggen dat u alleen hierom al heel hartelijk welkom bent in deze Kamer. Wij hebben immers een bijzondere band met alle provincies.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Smaling" MPid="03164" party="SP" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2008-02-12" topic="Duurzame ontwikkeling" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-850-872.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-850-872.1.4" which-speech-in-topic="3" number-of-paragraphs="25" number-of-words="4259" number-of-unique-words="1638" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Landbouw <pm:entity> Dieren</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Landbouw <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Schaap" MPid="03162"/>
                <speaker name="Willems" MPid=""/>
                <speaker name="Smaling" MPid="03164"/>
                <speaker name="Eigeman" MPid="03006"/>
                <speaker name="Schuurman" MPid=""/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Smaling, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-850-872.1.4" speaker="Smaling" party="SP" function="De heer" title="De heer Smaling  (SP)" MPid="03164">
                    <speech party="SP" docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1" speaker="Smaling" function="De heer" MPid="03164">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Smaling (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Smaling</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.2">Voorzitter. Vandaag denk ik terug aan de dag waarop ik als 8-jarig jongetje uit Amsterdam door mijn ouders vriendelijk doch resoluut werd afgevoerd naar een ponykamp in Barneveld. Officieel om de vakantie door te brengen maar ook om mij een beetje te laten afharden op het platteland. Ik weet nog dat de cultuurschok enorm was, maar van korte duur. Vele vakanties hing ik er van de eerste tot de laatste dag rond en tot op de dag van vandaag kom ik er. Behalve pony's hield de familie er ook een melkveehouderij op na. Ik herinner mij de fascinatie voor de grupstal in de winters en wij sloten weddenschappen af welke koe het eerst haar staart zou optillen of een boer zou laten. Dat zoiets broeikasgassen opleverde, hield toen nog niemand bezig. Ook vond ik het niet vreemd dat de koeien een half jaar vastgebonden op één plek stonden of lagen. Als kind neem je de zaken zoals ze zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.3">Deze korte historie vormde de drijfveer voor een loopbaan op het gebied van landbouw en voedselvoorziening in Wageningen, bij het ITC in Enschede en in de tropen, met een zwaar accent op mijn geliefde Afrika ten zuiden van de Sahara. Een deel van die loopbaan vond plaats onder de bezielende leiding van uw souffleur op de tribune.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.4">Het doet mij plezier om hier de degens te kruisen met een landbouwminister die ook de pony hoog in het vaandel heeft. De vorige spreker heeft daar ook al een tik van mee gekregen. Bovendien scheel ik slechts één dag in leeftijd met deze minister. Dat kom je niet vaak tegen en doet vermoeden dat je onder hetzelfde gesternte bent geboren, van dezelfde muziek houdt en wellicht over veel zaken dezelfde mening bent toegedaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.5">Voorzitter, ik ga het niet hebben over de toch vrij schrijnende zaken die recent aan het licht zijn gekomen over de kwaliteit van het toezicht van de Voedsel en Warenautoriteit op veetransport en vleeskeuring. Wel moet mij van het hart dat mijn fractie dit zeer ernstig vindt en uitermate slecht voor de reputatie van het ministerie en de sector, net nu wij weer een beetje uit de crisissfeer zijn. Eens te meer blijkt dat het onwenselijk is om economische belangen in één hand en binnen één departement te combineren met onafhankelijk toezicht op dierenwelzijn en voedselveiligheid. Waar ga ik het wel over hebben? Over de wereld, Europa en een beetje Nederland, zoals wij vandaag met elkaar hebben afgesproken.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.6">Eerst een korte, technische amuse betreffende de begroting 2008 en met name de interne consistentie van dit document. Ik houd het kort. De minister schetst vijf vensters waardoor LNV voor de burger in zicht komt: groene economie, aandacht voor het dier, een mooi landschap, de waarde van onze aarde en lekker en gezond eten. Het budget wordt echter uitgezet over zeven vrij traditioneel geformuleerde beleidsartikelen. Daarbij raken die vijf vensters een beetje uit het zicht. Kan de minister het op een of andere manier beter op elkaar laten aansluiten, zodat het budget is gekoppeld aan de vensters?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.7">Ik heb nog een tweede vraag. Er zijn allerlei programma's en budgetten die het niveau van een beleidsartikel en zelfs het departement overstijgen. De toelichting bij de begroting zou erg aan waarde winnen wanneer de lezer makkelijk kan schakelen tussen het nu gebodene en bijvoorbeeld de uitgaven voor het programma Schoon en Zuinig, het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG), de uitgaven in het kader van het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) en ook de oormerking van Europese fondsen, met name uit de tweede pijler, omdat die geïntegreerd zijn met nationale en provinciale budgetten. Uit de nota van de Homogene Groep Internationale Samenwerking, de zogenaamde HGIS-nota, leid ik af dat de internationale inzet van LNV bijna geheel bestaat uit de contributie aan de FAO en de kosten van de landbouwattachés à raison van ruim 28 mln. Op een totaal budget van 2,3 mld. plus 1,1 mld. uit Brussel is dat wel erg weinig. Graag een reactie van de minister op deze punten.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.8">Ik ga naar de wereld met de centrale vraag of er in 2050 met 9 miljard mensen op aarde nog genoeg te eten is. In december 2007 waarschuwde de FAO dat er wereldwijd voedseltekorten zouden ontstaan, met onrust onder de bevolking tot gevolg. De voorraden rijst en tarwe zijn thans kleiner dan ooit. Het World Food Programme van de Verenigde Naties kon kort geleden voor het eerst nergens overschotten aankopen. De totale kosten van voedselimporten lagen in 2007 21% hoger dan in 2006. Verschillen tussen twee jaren geven geen trend aan, maar toch. Tegelijk gooien wij hier per huishouden 150 kilo voedsel per jaar weg. Oud brood, sloffe koekjes, beschimmeld fruit, producten die over de datum zijn en ons niet leeg gegeten bord. Obesitas is inmiddels wereldwijd een groter probleem dan honger. Kan het cynischer? Het vet dat de een te veel heeft, komt de ander tekort. Wat een rare wereld! Ik schreef er een paar jaar terug met Rindert Kromhout een boek over, Volle buiken. Ik geef het de minister straks graag mee. Het is voor adolescenten geschreven, dus zij kan er op vrijdag in de Trêveszaal uit voorlezen. En ik weet zeker: iedereen zal het begrijpen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.9">Terug naar de honger. In Afrika wordt een verdubbeling van de voedselimport verwacht over de periode tussen 2000 en 2030. Alle reden dus om de lokale productie te stimuleren. Dit is echter niet de insteek van de minister. In Kamerstuk 28973, nr.18, schrijft zij: "De wereld verstedelijkt snel. Zelfvoorziening per land is hierbij geen oplossing. Dat is niet de manier waarop je de groeiende urbane bevolking van een verantwoord en gezond voedselpakket voorziet." Ik vraag mij dan werkelijk af: wat is ertegen om te streven naar zoveel mogelijk lokale productie? Waarom op voorhand zelfvoorziening afserveren? Het is een onjuiste stelling en het gaat in tegen allerlei maatschappelijke stromingen, die het gesleep met voedsel over de aardbol zat zijn. Zo is in Engeland het begrip"food miles" al lange tijd ingeburgerd.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.10">De minister gaat verder: "Ook ontneem je boeren uit ontwikkelingslanden daarmee de mogelijkheid hun inkomen te verbeteren door te exporteren." Dit lijkt mij een vreemde manier van redeneren: al zou je zelfvoorzienend kunnen zijn, dan nog doe je het niet omdat je de boeren uit ontwikkelingslanden het brood uit de mond stoot? Ik vind dat een beetje de wereld op z'n kop.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.11">Het citaat sluit met: "De ontwikkeling gaat dan ook terecht een andere kant op: vrije wereldmarkt en afbouw van Europese bescherming." Welnu, door liberalisering van de wereldhandel is Afrika ten zuiden van de Sahara de afgelopen twintig jaar ruim 270 mld. dollar aan inkomsten misgelopen. Van grootschalige liberalisering profiteren met name landen als Brazilië, Thailand en Vietnam, landen die toch al forse groeicijfers laten zien. Ik stoor mij aan de toevoeging "terecht". De minister mag dat vinden, maar het is onwetenschappelijk en daardoor erg gratuit. Een volledig vrije wereldmarkt kan de bedrijvigheid in Afrika goeddeels de nek omdraaien. Wat is daar "terecht" aan?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.12">Nu wij het hier toch over hebben, ik merk al langere tijd dat vanuit LNV en Ontwikkelingssamenwerking verschillende geluiden opstijgen over de uitwerking van Europees beleid op de landbouw in ontwikkelingslanden. Vorig jaar was het weer raak toen de minister in een polemiek verzeild raakte met oud-minister Pronk in dagblad Trouw. Waar de één de voordelen van de open Europese markt benadrukt, via het "Everything but arms"-initiatief, wijst de ander juist op het handelsverstorende karakter van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Ik geef toe, het is niet eenvoudig. Daarom vraag ik de minister of het ministerie van LNV eens kan doorrekenen hoe de som van al het enerzijds protectionistische en anderzijds preferentiële beleid uitpakt voor Afrika. Het zou fijn zijn als de minister dan ook meteen de nieuwe onder druk van de EU en, indirect, de Wereldhandelsorganisatie (WTO) tot stand gekomen Economic Partnership Agreements (EPA's) meeneemt. De landen die deze hebben getekend, moeten immers hun markten voor minimaal 80% liberaliseren in ruil voor blijvende toegang tot de Europese markten. Dat betekent voor die landen ook het afbouwen van importtarieven, één van de belangrijkste bronnen van inkomsten voor landen met een laag bruto nationaal product. Volgens mij – ik zeg het nog eens – hoort daar op het moment de prioriteit niet te liggen, want er is geen sprake van een level playing field, waar de WTO gemakshalve altijd maar van uitgaat. Lokale en regionale marktontwikkeling ter plaatse, dáár moet het over gaan: infrastructuur, bodemvruchtbaarheid, marktinformatie in de regio en het verbeteren van vraag-aanbodrelaties tussen de snel groeiende Afrikaanse steden en het platteland.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.13">Ik wil ook even stilstaan bij kennis en innovatie, waaraan de minister relatief veel geld uitgeeft. Kan de minister voorbeelden geven hoe LNV concreet gebruik maakt van onderzoeksresultaten met internationale relevantie? Er zijn veel projecten en proefschriften over internationale landbouw, natuur, voeding enzovoorts, maar doorgaans is er niet al te veel bundeling van resultaten en van lessons learned. Verder viel mij in de begroting op dat er weinig steun meer wordt verleend aan de Consultative Group on International Agricultural Research, CGIAR, waaronder bijvoorbeeld het toonaangevende International Rice Research Institute, IRRI, en het International Food Policy Research Institute, IFPRI, vallen. Mede dankzij deze instellingen leefde in Afrika de maïsproductie op in de jaren zeventig en tachtig, totdat de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds deze landen dwongen tot verregaande deregulering. Recent lukte het een van deze instellingen ook om Afrikaanse en Aziatische rijstrassen te kruisen, waarbij de beste eigenschappen van beide in een nieuwe variëteit werden verenigd. Die variëteit maakt nu snel vorderingen in het gehele continent. Is de minister het met mij eens dat dit soort ontwikkelingen aanzienlijk helpt bij het dichterbij brengen van millenniumdoelstelling 1, waarover zij gepassioneerd schrijft in een recente brief aan de Tweede Kamer?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.14">In dezelfde brief noemt de minister ook het recent verschenen World Development Report 2008 van de Wereldbank. Dit rapport toont overtuigend aan dat landbouw nog steeds de drijvende kracht is achter opkomende economieën. Wat zijn voor de minister de belangrijke nieuwe inzichten die het World Development Report heeft opgeleverd en hoe beïnvloedt dat ons internationale landbouw- en voedselbeleid? Of laat de minister dat beleid, zoals hier al jaren en mijns inziens ten onrechte gebruikelijk, over aan de minister voor Ontwikkelingssamenwerking?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.15">Het spreekt vanzelf dat er een integrale visie nodig is op landbouw, natuur en voeding voor 9 miljard mensen in 2050. Op Borneo staat binnenkort geen boom meer overeind behalve de oliepalm. Hoe krijgen wij overheden en burgers zover dat zij beseffen dat er een plafond zit aan welvaart en dat dat bereikt wordt als sprake is van overdaad? Echt, er zijn grenzen aan de groei die wij nu kennen. De conclusies van de Club van Rome zijn nog steeds valide, al hebben wij vooral dankzij sprongen in kennis en innovatie het hoofd boven water weten te houden. Ik licht de twee mijns inziens grootste uitdagingen eruit, die betreffende vlees en biobrandstoffen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.16">Wereldwijd is de vleesproductie in 15 jaar tijd gestegen van 200 naar 300 miljoen ton. Dat is een reuzensprong. Een Chinees at in 1985 20 kilo vlees, in 2007 is dat 50 kilo. De Chinees doet inderdaad veel meer met vlees. Voor een kilo vlees is grofweg 5 à 8 kilo plantaardige grondstof nodig, soms meer. De laatste jaren is met name de invoer van sojaschroot uit Latijns Amerika exponentieel toegenomen, met name nadat China WTO-lid was geworden. In Brazilië wordt de sojateelt onderhand steeds grootschaliger. Begon het op gezinsbedrijven in het zuiden, nu vind je in centrale staten als Mato Grosso voornamelijk bedrijven van 10.000 ha of meer. Weinig mensen verdienen in dit soort bedrijven veel geld. Uit een rapport van het Landbouw Economisch Instituut blijkt dat in Mato Grosso 1 arbeider werkt op 400 ha land, terwijl in de kleinschalige teelt in het zuiden 80 mensen op dezelfde 400 ha werken. De ontbossing in de Amazone, waarmee elk jaar een oppervlakte van ongeveer de helft van Nederland is gemoeid, houdt de laatste jaren volledig gelijke tred met de uitbreiding van de sojateelt. Dit is weliswaar niet helemaal één op één aan elkaar te koppelen, want er zit nog een veehouderijstadium tussen, maar dat er een sterk verband is, is niet tegen te spreken. Als oplossing zou Brazilië veel sterker gecompenseerd moeten worden voor het behoud van de Amazone en de Cerrado savanne, een gebied met een uitzonderlijk hoge biodiversiteit.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.17">Dan wil ik iets zeggen over de biobrandstoffen. Duurzaamheidscriteria of niet, de Europese doelstellingen van 5,75% in 2010 en 10% in 2020 zijn te ambitieus. Mijn fractie vindt dat wij op het verkeerde paard wedden. Er zijn zeer grote arealen nodig om enige betekenis te kunnen hebben voor de energievoorziening, biobrandstoffen zijn allesbehalve CO2-neutraal, ze concurreren met landbouwgrond voor voedsel en drijven daarvan de prijzen op en – dat laatste hoor je minder vaak – ze onttrekken bodemvruchtbaarheid, terwijl het de consument slechts om de koolstof te doen is. Simpelweg is dus ons advies: zet volledig in op een nieuw mobiliteitsdenken en op innovatie. Wat dat laatste betreft: windenergie op zee: goed idee. Maar het grootste potentieel komt ongetwijfeld van zonne-energie. Zet panelen neer in de Sahara, zorg dat landen als Mauritanië, Mali en Niger er aan kunnen verdienen. Kijk ook naar het hiermee samenhangende grote potentieel van algen en andere manieren om fotosynthese efficiënter te maken. Investeer in waterstof als drager van duurzame energie met als enige restproducten water en warmte. Ethanol uit stro en gras biedt kansen, maar voert toch weer bodemvruchtbaarheid af. Een plant als jatropha verdient aandacht want zij is geschikt voor marginale tropische bodems en kan boeren aldaar een bron van inkomsten bieden. Hergebruik van mest is een end-of-pipe-oplossing. Dat heeft wat mijn fractie betreft minder prioriteit. Maar goed, de mestexport naar onze buurlanden groeit de laatste jaren enorm, waarmee een probleem wordt verplaatst maar niet opgelost.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.18">Ik wil vervolgens kort iets zeggen over Europa. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid kennen wij nu 50 jaar. Het is ooit opgezet op volkomen legitieme en plausibele gronden. Met 2008 zijn wij beland in het jaar van de health check, de mid-term review van de huidige GLB-periode. De Europese landbouwcommissaris Fischer-Boel verrichtte op 20&#160;november 2007 de aftrap voor de health check met een startnotitie. Ik wil daarvan drie onderdelen ter behandeling voorleggen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.19">1. Er is geen doorkijkje naar de periode na 2013, wanneer deze periode van het GLB ten einde loopt. Dat is een ernstige omissie, maar ik neem aan dat er nog ruimte is om die te verhelpen. Tegelijkertijd hebben brancheorganisaties als LTO en de Nederlandse Melkveehouders Vakbond al lang visies ontwikkeld op het GLB na 2013.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.20">2. De voorstellen van de health check zijn tamelijk ongelijksoortig. Sommige zijn technisch van aard, zoals versimpeling van de regelgeving en verbetering van uitvoering en handhaving, maar andere zijn inhoudelijk en zij komen ook enigszins opportunistisch over, zoals het afbouwen van de interventie op de meeste granen en het loslaten van zowel de braakleggingsregeling als de melkquotering. Een berekening laat zien dat wij er in het laatste geval 20.000 koeien bij krijgen om Chinese kinderen aan schoolmelk te helpen. Dat kan toch zo weer leiden tot verdere intensivering en bovendien een dalende prijs? Wat natuurlijk ook kan, is de koe langer laten leven dan gemiddeld 5,8 jaar, zoals de Animal Sciences Group van Wageningen UR pas liet weten. De sector is zelf helemaal niet zo blij met het loslaten van de superheffing. De Nederlandse Melkveehouders Vakbond doet in dit licht een aantal nuttige aanbevelingen op het gebied van aanbodbeheersing en zij wijst de EU op de voordelen van het Canadese zuivelsysteem. Die is op het oog redelijk duurzaam en qua prijsstelling aantrekkelijk, zowel voor producent als consument.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.21">3. Wat de tweede pijler voor plattelandsontwikkeling betreft, laat de Europese landbouwcommissaris de invulling grotendeels over aan de lidstaten. Ik citeer: "Niet alle lidstaten, sectoren, en zelfs regio's en sectoren binnen lidstaten hebben te maken met dezelfde risico's." Dat is natuurlijk coulant en genereus en het doet recht aan bestaande verscheidenheid, maar waarom moet dat vanuit Brussel geregeld worden? Je maakt je geld over en je krijgt het terug met de mededeling dat je zelf mag weten hoe je het uitgeeft. In dit kader was ik amper verbaasd toen ik in een interview met oud-minister Veerman las dat van elke door de EU uitgegeven euro slechts 25 eurocent bij de boer terechtkomt. De rest gaat zitten in papierwerk, regelgeving en handhaving. Graag krijg ik van de minister een reactie op deze drie punten.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.22">Samenvattend vindt mijn fractie het internationale LNV-beleid, met name richting EU, te dociel. Beleid en ambitie lijken erg gericht op het volgen van alle supranationale kaders, regels en richtlijnen. Veel EU-richtlijnen knellen op nationaal niveau. Ik denk aan de wolven in Finland. Tot hun eigen verbazing worden zij niet meer afgeschoten bij het belagen van de rendieren. Laat die Finnen dat toch zelf uitzoeken. Ook het strikte karakter van Natura 2000 knelt hier en daar en beboet worden als boer omdat je agrarisch natuurbeheer net iets te weinig soortenrijkdom heeft opgeleverd, tja ... Onze sympathie ligt dan toch bij die boer. De nitraatrichtlijn knelt al evenzeer en keer op keer moet Nederland een ontheffing aanvragen van de EU-bemestingsnorm. Ondertussen debatteren wij over de diepte waarop het nitraatgehalte zou moeten worden gemeten en zegt milieuhoogleraar Lucas Reijnders dat er geen degelijke gezondheidsrisicoanalyse aan de nitraatrichtlijn ten grondslag ligt. Kortom, de drempel van 50 milligram nitraat per liter lijkt daardoor nogal arbitrair. De minister zit in een keurslijf. Antwoorden als "dat kan niet en dat mag niet van de EU, van de WTO" horen wij te vaak. Natuurlijk heb je als lid van een club je spelregels, maar die leiden te vaak tot een gevoel van geestelijke gevangenschap, van machteloosheid ook in de richting van de bevolking. Ongeveer 80% van onze LNV-wetgeving komt uit Brussel. Dat is erg veel. Met 6 landen viel het al niet mee om coalities en compromissen te sluiten. De Gaulle en Mansholt hadden er alles voor over om elkaar tegen te werken. Hoe gaat dat met 27 landen, die samen toch een lappendeken vormen qua historie, cultuur en perceptie van Europa? Hoe smeedt de minister nu coalities om zaken voor elkaar te krijgen? Hoe vaak gebeurt het dat alle nieuwe toetreders hetzelfde stemgedrag vertonen en de minister met lege handen staat? Denkt de minister dan niet stiekem af en toe aan het Eurovisie Songfestival?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.23">Ik kom op Nederland. De laatste Mest- en Mineralenmonitor laat zien dat het aantal bedrijven in de agrarische sector in de laatste twintig jaar met ruim 40% daalde, van 136.000 naar 80.000. Het agrarisch landgebruik daalde in die periode met ruim 5% tot 1.920.000 ha. Kortom, de gemiddelde bedrijfsgrootte is flink gestegen. Deze schaalvergroting versterkt zichzelf. Hoe meer grote bedrijven, hoe lastiger het wordt voor de kleinere om rendabel te blijven. Uiteindelijk treden de kleinere boeren uit waardoor de resterende bedrijven weer groter worden. In haar brief aan de Tweede Kamer van 20&#160;december 2007 schrijft de minister dat "schaalvergroting voortkomt uit de steeds hogere eisen aan efficiëntie, kwaliteit, marketing, innovatie en verduurzaming". Is dit niet een al te eenzijdige voorstelling van zaken? Komt schaalvergroting niet ook vooral voort uit beleid dat zich uitsluitend richt op de wereldmarkt en dat op geen enkele manier probeert het familiebedrijf in stand te houden? Elders schrijft de minister: "In mijn visie kan een duurzame veehouderij vele gezichten hebben: grondgebonden, niet grondgebonden, grootschalig, kleinschalig, etc." Spreekt de minister daarmee niet tegen wat zij eerder zei over verduurzaming, want dat koppelde zij expliciet aan grootschaligheid? Kortom, duurzaamheid lijkt mij bij de minister een nogal rekbaar begrip. Dat geldt niet alleen voor haar, want het ís een lastig begrip.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.24">Ondertussen is Nederland het dichtstbevolkte varkens- en kippenland ter wereld. 85% tot 90% van het veevoer komt uit andere landen en 70% van de productie wordt geëxporteerd. Een bekend citaat van de voorganger van deze minister, de heer Cees Veerman: "Wij importeren voer, wij exporteren varkens en de rommel houden wij hier. Dit systeem is vastgelopen." Dus wat doet de regering: afscheid nemen van dit onderdeel van de landbouwsector, zacht saneren, nu de economie goed draait? Nee, wij gaan megavarkens- en -kippenstallen bouwen. Niet lang geleden was ik in Overijssel bijna getuige van een volksopstand. De gemeentes hadden talloze aanvragen voor de bouw van megastallen ontvangen van Brabantse ondernemingen. "Tja", zei de wethouder, "ik heb het instrumentarium niet om het tegen te houden". Dit had nooit gekund wanneer de compartimenteringsregeling zou zijn gehandhaafd. Het opschorten van die regeling wordt begrijpelijkerwijs gezien als een vorm van verraad aan de lokale boeren en andere bewoners die in het begin welwillend tegenover de Reconstructiewet zandgronden stonden. Het CDA jaagt hiermee het eigen electoraat op een geweldige manier in de gordijnen. Mijn partij zal deze mensen uiteraard met open armen ontvangen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.25">Die megastallen hebben niets te maken met een overgang naar duurzame veehouderij. Een duurzaamheidssprong betekent niet dat je steeds wat opschuift in schaal om de kostprijs te drukken, met een luchtwassertje hier en een mestvergistertje daar. Een duurzaamheidssprong realiseer je alleen door te breken met een trend. CDA-coryfee Wijffels heeft daarover in het verleden wijze dingen gezegd. Ik doel dan met name op het begrip "herontwerp". Dat is iets anders dan langs een curve van afnemende meeropbrengsten doorgaan met schaalvergroting. In dit kleine volle land moeten wij geen megastallen willen, ook niet aan de snelweg en ook niet in de haven. Wij moeten streven naar een verdere inkrimping van de intensieve, niet-grondgebonden dierhouderij. Hiermee vervalt ook de noodzaak tot de aanvoer van eiwitrijke diervoeders, zoals sojaschroot, en kan het mestoverschot verder omlaag. Dát moet de insteek zijn, dát is een benadering die past bij de toekomst waarin een duurzame leefstijl niet langer modieus is, maar bittere noodzaak. Helaas hoort daar ook een exitstrategie bij voor onderdelen van een sector die de duurzaamheidstoets niet doorstaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.1.26">Ik maak een opmerking over maatschappelijke stages voor jongeren. Mijn fractie is zeer te spreken over de inzet van de minister op dit terrein. Die inzet is ook hard nodig, want recent onderzoek laat zien dat tieners natuur saai vinden. Nou vinden tieners wel meer zaken saai, maar toch is actie op zijn plaats. De "smaaklessen", gestimuleerd door deze minister, lijken onderhand uit te groeien tot een groot succes, maar de kinderen komen daarmee nog niet de klas en de stad uit. Mijn fractie stelt daarom voor een zogenaamd "rondje Wageningen" te faciliteren. De universiteit is daar ooit neergezet vanwege de grote verscheidenheid aan bodem, landbouw, landschap en natuur. Een meerdaagse excursie zou een mogelijkheid zijn, met onder andere een bezoek aan een fruitteler in de Betuwe, een intensieve pluimveehouderij in de Gelderse Vallei, een zorgboerderij en de uiterwaarden met uiteraard een oude steenfabriek. Maar ook de Veluwe op, de natuurontwikkelingsprojecten bij de Renkumse beek inspecteren, naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie en op bezoek bij de dijkgraaf. Een en ander kan uiteraard ook rondom andere agrarische opleidingscentra worden opgetuigd. Dit programma moet iedere zevende- of achtstegroeper doordringen van ketens, van kringlopen, van samenhang tussen ecologie, economie en maatschappij. Wij moeten af van de korte ketens waarin kinderen denken: melk komt uit de winkel, patat uit de frituur, een leeg pak gooi ik weg, de vuilniszak zet ik aan de stoeprand en als ik naar de wc ben geweest en ik trek door, dan is het weg. Met een programma zoals hier voorgesteld herleven de tijden van dr. Fop I. Brouwer en zullen de komende generaties weer zijn geboeid door alles wat leeft en groeit.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.2.1">Mijnheer Smaling, ook u van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech over duurzame ontwikkeling van landbouw in Europees en mondiaal perspectief. Het onderwerp is u duidelijk op het lijf geschreven; u hebt er uw vak van gemaakt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.2.2">Na uw studie bodemkunde en bemestingsleer heeft u zich eerst op het terrein van ontwikkelingssamenwerking begeven. Tussen 1983 en 1987 werkte u voor verschillende organisaties in Indonesië, West-Afrika en Kenia, gevolgd door een aantal functies op het terrein van ontwikkelingssamenwerking bij DLO Staring Centrum, het latere Alterra, in Wageningen. In 1998 werd u benoemd tot hoogleraar bodeminventarisatie en landevaluatie aan de Wageningen Universiteit. Sinds 2004 bent u als hoogleraar duurzame landbouw verbonden aan zowel het Internationaal Instituut voor Geo-Informatie Wetenschap en Aardobservatie te Enschede, als aan de Wageningen Universiteit bij de leerstoelgroep Plantaardige Productiesystemen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.2.3">In deze Kamer hebt u zich al heel erg actief betoond als ondervoorzitter van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking. En terwijl de meesten van ons van het kerstreces genoten, nam u deel aan de verkiezingswaarneming in Kenia, die indringende feiten aan het licht heeft gebracht.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.2.4">Dat u als wetenschapper regelmatig publiceert, mag geen verrassing heten, maar educatieve jeugdboeken zijn toch wel van een andere orde. Samen met uw partner hebt u inmiddels vier kinderboeken geschreven voor kinderen van negen tot twaalf jaar. Uw meest recente boek heet: Een ronde tafel in het regenwoud. In het boek is een spel verwerkt waarin kinderen een rol kiezen, van regenwoudbewoner tot bankdirecteur, en samen tot een oplossing moeten komen. U hebt het waarschijnlijk indertijd niet vermoed: het was een poging tot uitlokking. Ik nodig u bij dezen uit om een actieve rol te spelen in ons educatieve programma De Derde Kamer, een lesprogramma voor leerlingen van groep 7 en 8. Daar komt u niet meer onderuit.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.2.5">Mijnheer Smaling, met uw grote kennis en brede ervaring heet ik u meer dan van harte welkom in deze Kamer. Ik wens u van harte veel succes toe!</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.4.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Smaling, ook u van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech over duurzame ontwikkeling van landbouw in Europees en mondiaal perspectief. Het onderwerp is u duidelijk op het lijf geschreven; u hebt er uw vak van gemaakt.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Stekelenburg" MPid="02275" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2000-02-08" topic="Aanpassing arbeidsduur" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-593-605.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-593-605.1.6" which-speech-in-topic="5" number-of-paragraphs="14" number-of-words="2581" number-of-unique-words="867" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Burgerlijk recht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Werk <pm:entity> Arbeidsvoorwaarden</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Hofstede" MPid=""/>
                <speaker name="De Vries" MPid=""/>
                <speaker name="Hessing" MPid=""/>
                <speaker name="De Wolff" MPid="02281"/>
                <speaker name="Stekelenburg" MPid="02275"/>
                <speaker name="Kneppers-Heynert" MPid="02266"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer Stekelenburg, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-593-605.1.6" speaker="Stekelenburg" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Stekelenburg  (PvdA)" MPid="02275">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1" speaker="Stekelenburg" function="De heer" MPid="02275">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Stekelenburg (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Stekelenburg</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.2">Mijnheer de voorzitter! Als minister Peper niet ziek zou zijn geweest, zou ik vorige week bij de behandeling van de begroting van BZK voor het eerst als Eerste-Kamerlid in dit huis het woord hebben gevoerd, namelijk over het grotestedenbeleid van minister Van Boxtel. Een thema dat nauw aansluit bij mijn hoofdfunctie. Nu mag ik spreken over aanpassing van de arbeidsduur, een thema dat in dit huis een bijzondere geschiedenis heeft en waar ik in een vorige hoofdfunctie nogal bij betrokken was. Nu meer indirect, als vertegenwoordiger van de PvdA-fractie in de Eerste Kamer, niet uit eigen ervaring, hoogstens waar het gaat om vermeerdering van arbeidsduur.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.3">Bij discussies over arbeidstijden (arbeidstijdverkorting, deeltijdarbeid, vierdaagse werkweek) is altijd de vraag aan de orde of dat moet worden overgelaten aan individuele afspraken tussen werkgever en werknemer, aan collectieve afspraken in CAO-verband tussen werkgeversorganisaties en vakbonden, aan afspraken tussen werkgever en medezeggenschapsorganen, of dat het moet worden geregeld door middel van wetgeving. Die discussie is actueel geweest toen vanuit delen van de vrouwenbeweging gepleit werd voor een wettelijke regeling van de arbeidstijdverkorting, en opnieuw bij de discussie over deeltijdarbeid. Ik zei al: deze Kamer heeft daar een geschiedenis in, omdat in 1997 het initiatiefwetsontwerp van Paul Rosenmöller in deze Kamer sneuvelde. Via een geslaagde lobby van CNV en VNO/NCW besloot het CDA op de valreep tegen het wetsontwerp te stemmen, waardoor het geen meerderheid kreeg. Het CDA had onder andere de verwachting dat in vele CAO's wel afspraken gemaakt zouden worden. Die verwachting is voor een deel – in mijn ogen een te gering deel – uitgekomen. Er is sprake van uitbreiding, maar naar onze opvatting duidelijk onvoldoende. Weliswaar is Nederland in Europa koploper wat het aantal deeltijdwerkers betreft – tussen de 35 en 40% van de Nederlandse werknemers werkt in deeltijd – maar toch is er nog steeds sprake van een te geringe participatie. De participatie neemt toe (het aantal vrouwen dat werkt, ligt inmiddels op zo'n 60%), maar het gaat dan veelal om te kleine baantjes.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.4">Voor de PvdA-fractie is er dan ook alle aanleiding om positief te staan tegenover wetgeving op dit terrein. Wij doen dat niet omdat er geen vertrouwen zou bestaan in afspraken tussen werkgevers en werknemers, maar omdat wij vaststellen dat veel werknemers toch wetgeving als basis nodig hebben om individuele of collectieve afspraken te kunnen maken over vermindering of uitbreiding van de arbeidsduur. Of om het anders te zeggen: als door deze wetgeving zodanige drempels geslecht worden dat meer mensen aan het werk komen en dat er een betere verhouding tussen arbeid en zorg, tussen werk en privé gaat ontstaan, dan is onze fractie bereid deze wet te steunen, ook al is de wet er bij de behandeling in de Tweede Kamer bepaald niet beter op geworden. Voor ons telt echter dat deze wet ten principale het recht van de werknemer op aanpassing van de arbeidsduur codificeert. Dat past bij de groei naar een nieuwe samenleving, waarin het kostwinnersmodel, met vooral de man als kostwinner en de vrouw belast met de zorg, plaatsmaakt voor het tweeverdienersmodel: man en vrouw beiden verant- woordelijk voor arbeid en zorg en dat ook eerlijker verdelen. Veel meer een maat-maatschappij, waarbij de maat afhankelijk is van de levensfase waarin mensen verkeren. In principe bijdragen aan de situatie dat mannen en vrouwen arbeid en zorg beter kunnen combineren. Dat zal vaak betekenen dat mannen minder en vrouwen meer gaan werken en daarmee wordt toch ook de totale arbeidsparticipatie bevorderd. Jongeren en ouderen zonder zorgtaken kunnen in dat opzicht rustig langer gaan werken.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.5">Ons sprak een citaat van de staatssecretaris in het blad Zeggenschap aan. Zij zei daar: "Wij gaan van een specialistische naar een diverse samenleving. In de specialistische samenleving zijn arbeid en zorg gescheiden circuits, in de diverse samenleving is dat gecombineerd. Man en vrouw trekken samen in plaats van gescheiden op. In de kostwinnerssamenleving is de man overheersend. Hij bepaalt de norm in de cultuur en ook in de politiek. Dat willen wij veranderen." De PvdA wil economische zelfstandigheid voor vrouwen bereiken. Deelname aan het arbeidsproces is daarbij essentieel en het is meegenomen dat het ook nog helpt om de krapte op de arbeidsmarkt op te lossen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.6">Toch wil ik ook in dit overleg met de staatssecretaris nog enige verduidelijking op zes punten. In de eerste plaats is de regeling niet van toepassing op werkgevers met minder dan tien werknemers (artikel 2, lid 12). Ze voorziet slechts in een geclausuleerd recht op aanpassing van de arbeidsduur. Juist omdat een verzoek afgewezen mag worden op grond van zwaarwegende belangen (artikel 2, lid 5) is er geen reden om kleine werkgevers uit te zonderen. Nu dat in de Tweede Kamer toch is gedaan, ben ik benieuwd wat nu precies de tweede zin van lid 12 betekent, waarin staat dat zo'n kleine werkgever wel een regeling dient te treffen. Wat wil dat zeggen? Als ik dat tot me door laat dringen, zou ik kunnen stellen dat deze kleine werkgever in ieder geval enigerlei in rechte afdwingbare aanspraak op aanpassing van de arbeidsduur moet scheppen. Kan de staatssecretaris bevestigen dat deze interpretatie van de tweede zin van artikel 2, lid 12, juist is?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.7">De regering stelt dat de werknemer in rechte de naleving van die verplichting tot het treffen van een regeling kan vorderen. Op blz. 15 van de memorie van antwoord wordt daar iets over gezegd. De vraag is, of dat niet volstrekt irreëel is. Waarom zou de werknemer dat doen, nog daargelaten het risico dat de arbeidsverhouding daarmee onder spanning komt te staan? Het is hem er immers om te doen dat de werkgever concreet in zijn geval het verzoek om aanpassing van de arbeidsduur inwilligt. Het ligt meer voor de hand dat de werknemer, als hij het al waagt te gaan procederen, dan direct van de werkgever medewerking vordert op grond van diens verplichting zich als goed werkgever te gedragen (artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek). Is de staatssecretaris het met mij eens dat verwacht mag worden, dat de rechter bij de beoordeling van de vordering van de werknemer op grond van het goed werkgeverschap tot medewerking aan de door hem gewenste aanpassing van de arbeidsduur, het de werkgever zal aanrekenen en zal laten meewegen dat de werkgever zijn verplichting tot het treffen van een regeling niet is nagekomen? Hoewel wij daarover hier niet gaan, zou ook mogen worden verwacht dat, als de vordering van de werknemer in zo'n geval wordt afgewezen, de werkgever de proceskosten zou moeten betalen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.8">Artikel 2, lid 11, maakt het mogelijk ten aanzien van vermeerdering van de arbeidsduur bij CAO of bij schriftelijke overeenstemming tussen werkgever en medezeggenschapsorgaan af te wijken van de regeling. Deze afwijkingsmogelijkheid is helaas in de Tweede Kamer erbij geamendeerd. Noch de regering, noch een aantal fracties in de Tweede Kamer en noch bijvoorbeeld vertegenwoordigers van de werknemers wilden deze mogelijkheid. De regeling voorziet immers slechts in een geclausuleerd recht op vermeerdering van de arbeidsduur, zonder enige concrete verplichting op te leggen omtrent de vormgeving van die aanpassing van de arbeidsduur. Waarom moeten werkgevers dan de mogelijkheid krijgen om in CAO-onderhandelingen de vakbonden onder druk te zetten om – eventueel als "wisselgeld" voor concessies van werkgeverszijde – mee te werken aan beperking van het recht op vermeerdering van de arbeidsduur? Ik vind dat het recht op aanpassing, waaronder vermeerdering, van de arbeidsduur niet onderhandelbaar hoort te zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.9">Nu is niet te verwachten – zo ken ik ze nog wel – dat vakbonden op dit punt licht zullen toegeven aan wensen van werkgevers. Onze bezwaren spitsen zich dan ook toe op de geschapen mogelijkheid van afwijking met medewerking van het medezeggenschapsorgaan. De wetgever behoort de ondernemingsraad en de personeelsvertegenwoordiging niet in de positie te manoeuvreren dat hun beslissingen om aan de werkgever toe te geven, rechtstreeks negatief doorwerken in de rechtspositie van de individuele werknemers. Mevrouw De Wolff heeft daarover zojuist al uitvoerig gesproken. Dat de wet soms wel afwijking van overigens dwingendrechtelijke bepalingen bij CAO toestaat, wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat met betrokkenheid van onafhankelijke en professionele werknemersorganisaties die zich kunnen beroepen op de vrijheid van onderhandelen en van collectieve actie, een bijzondere waarborg tegen ondoordacht opgeven van de door de wetgever beoogde bescherming is gegeven. Ongeacht het belang dat men hecht aan (verdere ontwikkeling van) medezeggenschap van werknemers, kan toch eenzelfde mate van professionaliteit en onafhankelijkheid ten aanzien van het medezeggenschapsorgaan van de onderneming niet worden verondersteld. Wat is de opvatting van de staatssecretaris over deze variant van afwijking van dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.10">De laatste zin van artikel 2, lid 3, bepaalt, dat de werknemer ten hoogste éénmaal per twee jaren nadat de werkgever een eerder verzoek heeft ingewilligd of afgewezen, opnieuw een verzoek kan doen. Dit sluit natuurlijk niet uit dat de werknemer zo dikwijls een verzoek kan indienen als hem goeddunkt omdat hij meent daartoe goede redenen te hebben, hoewel het gemeten naar de laatste zin van lid 3 eigenlijk te vroeg is. Alleen is de werkgever dan in beginsel niet gehouden om dat verzoek in behandeling te nemen en daarop op voet van lid 5 te beslissen. In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer erkent de regering terecht, in antwoord op vragen van de VVD-fractie, dat omstandigheden zich zodanig ingrijpend kunnen wijzigen dat de werknemer in redelijkheid niet aan die termijn kan worden gehouden. Zij verbindt daaraan echter niet de consequentie dat de werkgever dan op zo'n vroegtijdig nieuw verzoek moet beslissen op voet van lid 5 en het dus in beginsel, behoudens zwaarwegende bedrijfsredenen, moet inwilligen. Van de staatssecretaris wil ik graag de bevestiging dat de werkgever onder zulke omstandigheden toch op het verzoek, hoewel het gemeten naar de laatste zin van lid 3 te vroeg is gedaan, moet beslissen op voet van lid 5.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.11">In verband met het vorige punt merk ik op dat de regering slechts over ingrijpende verandering van de omstandigheden aan de zijde van de werknemer spreekt. Diezelfde redering moet naar mijn mening worden gevolgd wanneer de omstandigheden aan de zijde van de werkgever zodanig gewijzigd zijn, dat de zwaarwegende bedrijfsbelangen die eerder hebben geleid tot afwijzing van een verzoek, niet meer actueel zijn. Ook dan brengt de redelijkheid en de billijkheid met zich mee, dat de werknemer al eerder weer een nieuw verzoek kan doen en dat de werkgever dat verzoek dan op voet van lid 5 in beginsel moet inwilligen. Ook op dit punt krijg ik graag een bevestiging van de staatssecretaris.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.12">Dan nu mijn laatste kanttekening, voorzitter. Artikel 2, lid 6, bepaalt dat de werkgever in beginsel de werktijden (in verband met de wijziging van de arbeidsduur) moet vaststellen overeenkomstig de wensen van de werknemer, tenzij die wensen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moeten wijken voor belangen van de werkgever. Hiermee is een regel voor vaststelling van de werktijden geïntroduceerd voor het geval die vaststelling in verband met de aanpassing van de arbeidsduur opnieuw moet geschieden. Er geldt echter nog steeds geen algemene regel waarop de werknemer zich kan beroepen, indien hij alleen een aanpassing van de werktijden (niet de arbeidsduur) wenst. Hierdoor ontstaat een onevenwichtigheid. De Arbeidstijdenwet schrijft slechts in algemene termen voor, dat de werkgever bij zijn beleid op het gebied van de werktijden rekening moet houden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemers. Maar dat voorschrift is niet bedoeld om aan de individuele werknemer een aanspraak op aanpassing van de werktijden toe te kennen. Een toezegging van de staatssecretaris om op dit punt een voorziening te treffen en daarmee de gesignaleerde onevenwichtigheid te verhelpen, is wenselijk en zou ons in ieder geval helpen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.13">Mijnheer de voorzitter! Mijn fractie heeft uiteraard gevolgd hoe de behandeling in de Tweede Kamer is verlopen. Vanochtend onderweg hier naartoe heb ik delen van het verslag er nog eens op nagelezen. Er is heel wat onderhandeld. Het was een geven en nemen. Er zijn compromissen gesloten, uiteindelijk uitmondend in deze wet. Mooi? Nee, dat niet. Het is een voorbeeld van compromissen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.14">Juist omdat in de Tweede Kamer die compromissen zijn gesloten, waarbij de VVD-fractie een actieve rol heeft gespeeld, om het wetsvoorstel hierheen te krijgen, hoop ik dat de gemaakte politieke deal ook hier in dit huis waarde- en welvaartsvast zal blijken te zijn. Om die reden kijk ik met meer dan bijzondere aandacht uit naar de bijdrage van de VVD-fractie. Daaruit kan een eerste beeld ontstaan van de interne discussie binnen de VVD over de rol van de Eerste-Kamerfractie in relatie tot óf een regeerakkoord óf gemaakte afspraken in de Tweede Kamer.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.1.15">Concluderend, mijnheer de voorzitter. Wij willen uiteraard graag dat de staatssecretaris reageert op onze vragen en stellingnames. Daardoor krijgt het wetsvoorstel zoals het er ligt, nog een iets betere inkleuring. Daardoor ook biedt het meer rechtszekerheid en is het een belangrijke stap op weg naar een betere verhouding tussen arbeid en zorg; een verhouding die wat ons betreft zo snel mogelijk geregeld moet worden in een nieuwe Wet arbeid en zorg.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.2.1">Mijnheer Stekelenburg, u hebt uw carrière grotendeels gemaakt in de vakbeweging. Dat is zeer bekend. Ik zie in uw cv dat u in de vakbeweging hebt gewerkt vanaf 1966 tot 1997. U hebt daarin eigenlijk wel het hoogst mogelijke bereikt als voorzitter van de FNV. In die periode hebt u ongetwijfeld gestreden voor forse loonsverhogingen. Ik herinner mij loonexplosies van 10 tot 15% in het begin van de jaren zeventig. Maar u hebt ook actief meegedaan aan het Akkoord van Wassenaar. Kortom, u hebt alle fases meegemaakt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.2.2">Daarna bent u burgemeester van Tilburg geworden. Als burgemeester van Tilburg hebt u onder andere uitspraken gedaan op het gebied van het drugsbeleid dat in de gemeente Tilburg wordt gevoerd. Dat leidde tot de kop in de krant: Wij zoeken de grenzen van de wet. Het is natuurlijk interessant, dat u als burgemeester de grenzen van de wet zoekt, terwijl u hier als lid van de Staten-Generaal mag meedoen aan het verleggen en het vaststellen van diezelfde grenzen van de wet.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.2.3">Het is boeiend om iemands cv te lezen, omdat het complex aan nevenfuncties iets vertelt van de persoon. Die nevenfuncties variëren bij u van lid van de raad van toezicht van SOS Kinderdorpen tot respectabele commissariaten. Een partijpolitieke functie die hier werd vermeld, vond ik zeer interessant. Hier staat namelijk dat u vice-fractievoorzitter bent van de Partij van de Arbeid in de Tweede Kamer der Staten-Generaal. En dat vanaf 8 juni 1999. Misschien dat dat een wens van u is, maar ik geloof toch dat dat niet combineerbaar is met uw functie hier. Misschien wilt u dat rechtzetten.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.2.4">Kijkend in de krantenknipsels, zie ik hier staan dat u hebt gesproken over tolpoorten rond Tilburg. Boven dat artikel staat, dat u spreekt op persoonlijke titel. U zult hier in dit huis meemaken dat er altijd een spanning is tussen het spreken op persoonlijke titel en het feit dat je tegelijkertijd te maken hebt met een politieke achterban, met verkiezingsprogramma's die toch zeer gerespecteerd moeten worden en wellicht ook met regeerakkoorden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.2.5">Tot slot nog een stukje uit een krantenknipsel waar een journalist u typeert. Dat is misschien wel aardig, want dan hoef ik dat niet te doen. Hier staat: Stekelenburg is een aardige man, hij heeft een goede inborst, een sterke kop en wat bijzonder voor hem inneemt, hij gaat steevast gekleed in de verkeerde combinaties: rood jasje op spijkerbroek.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.2.6">Ik zou deze journalist willen uitnodigen om hier nog eens naar u te komen luisteren en kijken.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.2.7">Ik wens u geluk met uw maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-593-605.1.6.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Stoffelen" MPid="01718" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1996-12-17" topic="Verdrag Vlaamse Gemeenschap" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19961997-482-483.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19961997-482-483.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="3" number-of-words="547" number-of-unique-words="265" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Internationaal <pm:entity> Internationale samenwerking</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Stoffelen" MPid="01718"/>
                <speaker name="Nuis" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Stoffelen, die zijn maidenspeech zal uitspreken.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19961997-482-483.1.2" speaker="Stoffelen" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Stoffelen  (PvdA)" MPid="01718">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-19961997-482-483.1.2.1" speaker="Stoffelen" function="De heer" MPid="01718">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Stoffelen (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Stoffelen</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19961997-482-483.1.2.1.2">Voorzitter! Graag gaan wij akkoord met dit voorstel tot goedkeuring van het cultureel verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse gemeenschap. Op zichzelf zou dat een reden zijn, zeker op de laatste dag voor het reces, om het woord niet te voeren. Na de behandeling in de Tweede Kamer is er echter nog sprake van een los eind, een probleempje. De Tweede Kamer aanvaardde twee moties, de motie-Lilipaly c.s en de motie-Beinema c.s. De eerste motie stelt dat het verdrag ook een dynamische functie heeft en dat er budgettair extra ruimte moet komen. Deze motie werd door beide staatssecretarissen opgevat als een ondersteuning van het beleid.</p>
                        <p docno="h-ek-19961997-482-483.1.2.1.3">Anders ligt het bij de tweede motie, de motie-Beinema c.s. De heer Beinema had in zijn bijdrage namelijk te kennen gegeven dat het verdrag er eigenlijk niet had moeten liggen. De motie spreekt uit dat parlementaire controle heel belangrijk is en dat controle door de interparlementaire commissie van de Taalunie de voorkeur verdient boven toezicht op de uitvoering van het cultureel verdrag door een niet-parlementaire commissie. Op zichzelf is dat zeker waar. De motie spreekt verder uit, althans zo lezen wij het, dat de activiteiten in het kader van het cultureel verdrag gaandeweg binnen de werkingssfeer van de Taalunie worden gebracht. Een zo groot mogelijke integratie dus. Staatssecretaris Nuis reageerde als iemand die geliefkoosd wordt door een stekelvarkentje. Geprikt en geprikkeld. Zeer ongelukkig met deze motie.</p>
                        <p docno="h-ek-19961997-482-483.1.2.1.4">Voorzitter! Voordat wij goedkeuring geven aan dit verdrag moeten wij weten of dit wel of niet een tijdelijk noodverbandachtig cultureel verdrag is dat zo snel mogelijk dient te verdwijnen. Of is dit een verdrag dat loyale en royale dynamische en creatieve uitvoering verdient? Anders gezegd: hoe gaan de bewindslieden deze motie uitvoeren? Wordt het een uitvoering van het verdrag zoals Beinema wil, een zo groot als maar enigszins mogelijke integratie met de Taalunie of wordt het die enthousiaste en dynamische uitvoering waarover ik zo-even sprak? Een uitvoering met vermijding van onnodige dubbeloptoestanden, bekijkend wat samen met de Taalunie gedaan kan worden. Wij zijn voor deze laatstgenoemde uitvoering van het cultureel verdrag. Niet zunig, niet benepen, maar royaal en voluit.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19961997-482-483.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19961997-482-483.1.2.2.1">Dank u wel. Traditiegetrouw zou ik u als eerste willen gelukwensen met deze maidenspeech. Die speech was kort, want u behoeft uw reputatie als parlementariër niet meer te vestigen. Dat u als enige en kort spreekt over dit verdrag met België zegt iets over de gewijzigde verhoudingen tussen onze beide landen en binnen dit land en deze Kamer.</p>
                        <p docno="h-ek-19961997-482-483.1.2.2.2">Bijna 26 jaar geleden kwam u de Tweede Kamer binnen op de rode loper als aanhanger van de polarisatiegedachte. Het is 26 jaar geleden en er kan veel gebeuren. U verliet de Tweede Kamer 23 jaar later via de roltrap. In uw afscheidswoord daar heeft u gezegd: dat noemt men vernieuwing. Hier kwam u op de rode loper binnen, een tikkeltje vertraagd, maar ik kan u garanderen: wanneer u hier ook weer weggaat, of dat over drie, zeven of elf jaar zal zijn, het zal ook weer via de rode loper gebeuren. Ik hoop dat de Kamer in de tussentijd buitengewoon mag profiteren van uw kennis en ervaring en uw vermogen om hard en gedegen te werken. Gelukwensen met deze maidenspeech!</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19961997-482-483.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-19961997-482-483.1.2.3.1">De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Terlouw" MPid="01719" party="D66" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1999-11-30" topic="Taxivervoer" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-202-215.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-202-215.1.4" which-speech-in-topic="3" number-of-paragraphs="12" number-of-words="1979" number-of-unique-words="714" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Markttoezicht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Verkeer <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Baarda" MPid="02837"/>
                <speaker name="Bierman-Beukema toe Water" MPid="02261"/>
                <speaker name="Terlouw" MPid="01719"/>
                <speaker name="Castricum" MPid="01886"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Van Vugt" MPid="02287"/>
                <speaker name="Van der Lans" MPid="02267"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer Terlouw, die, althans in dit huis, zijn maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-202-215.1.4" speaker="Terlouw" party="D66" function="De heer" title="De heer Terlouw  (D66)" MPid="01719">
                    <speech party="D66" docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.1" speaker="Terlouw" function="De heer" MPid="01719">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Terlouw (D66)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Terlouw</naam>
                                <partij>D66</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.1.2">Mijnheer de voorzitter! Een jaar of vijftien geleden had ik de gelegenheid om een korte literatuurstudie te verrichten naar de volgende vraag: wat is het effect op een stad of een stadswijk als je er een nieuw metrostation vestigt? Ik had literatuur ter beschikking over Parijs, New Castle, München en Tokio. Je zou denken dat deze grote steden toch enigszins te vergelijken moesten zijn. Ze hebben dezelfde functie. Er zijn veel verschillen, maar er moet toch ook veel gemeenschappelijks zijn, dezelfde dimensie zeg maar. Tot mijn verrassing was er niet één algemene conclusie te trekken, niet op het gebied van de economie, de werkgelegenheid, de cultuur of de demografie. Die steden waren zo verschillend dat ik met lege handen stond toen ik de studie had verricht. Een paar jaar geleden heb ik mij voor de universiteit van Amsterdam beziggehouden met stadsdistributie. Dat komt meer en meer in de mode. De bevoorrading van binnensteden wordt steeds belangrijker. Ik moest tot nagenoeg dezelfde conclusie komen. Alle studies die er zijn, ook internationaal bekeken, leiden niet tot regels die je kunt gebruiken. Kennelijk zijn steden, ofschoon van eenzelfde soort, toch zo verschillend dat het heel moeilijk is om algemene maatregelen te verzinnen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.1.3">Ik kwam op deze gedachten toen ik de documentatie zag die door het ministerie en de taxibranche naar ons zijn gestuurd. Daarin werden alle mogelijke opmerkingen gemaakt over het effect van regulering of deregulering. Ook daar kon ik eigenlijk geen chocola van maken. Je weet niet wat het effect is. Als je dat vaststelt, dan denk je misschien: dan moet je de smaak van de pudding maar te weten komen door haar te eten. Maar daar moet je voorzichtig mee zijn. Het is natuurlijk geen geringe maatregel als je bescherming van een markt wegneemt. Dat kun je niet lichtvaardig doen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.1.4">Wat is het nadeel van een vrije markt voor de verkoper? Dat is evident. Het nadeel van de vrije markt voor de verkoper is dat er concurrentie is. En wat is het voordeel voor de koper op een vrije markt? Ook dat is evident. Het voordeel is dat er concurrentie is. Dat heeft wellicht zo zijn effect op de kwaliteit en de prijs van de artikelen die worden aangeboden. Ik moet daar vaak aan denken als ik hoor dat artsen spreken over het vrije ondernemerschap. Zij zeggen dat zij vrije ondernemers zijn, maar dat is een volstrekte illusie. De essentie van de vrije markt ontbreekt daar: er is namelijk geen concurrentie. Als er wel concurrentie zou zijn, kan dat voor de cliënt in ieder geval invloed op de prijs hebben. Het kan ook invloed hebben op de keuzevrijheid. Die is er wel, maar die is toch enigszins beperkt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.1.5">Ik meen dat het in het algemeen goed is om ons af te vragen wat de voordelen en de nadelen zijn als je aan het liberaliseren slaat. De voordelen noemde ik al. Dat is natuurlijk de marktwerking. Dat is de beste regulator. De invisible hand van Adam Smith bestaat nog altijd. Dat is op zo'n markt ten voordele van de koper. Een ander voordeel is dat er een optimum, een zeker evenwicht, tot stand komt op zo'n markt tussen vraag en aanbod. En als het goed is, gebeurt dat bij de laagste prijs. Een groot voordeel is ook dat er vrije toegang is voor ieder die tot die markt wil toetreden. Dat is eerlijk tegenover belanghebbenden en belangstellenden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.1.6">Liberaliseren heeft echter ook nadelen en het is goed om je dat te realiseren. Om te beginnen tast je wellicht verworven rechten aan of gewoonterechten. Dat doet zich zeker voor bij de deregulering van de taximarkt. Er kan kapitaalvernietiging optreden bij deregulering. Dat hoef ik nu niet verder uit te werken. Het kan hard uitpakken voor sommigen. Het kan leiden tot verspilling. Twee spoorlijnen naast elkaar leggen die met elkaar willen concurreren, is een duidelijke vorm van verspilling. Verder kun je bij regulering bepaalde waarborgen inbouwen. Bij deregulering is dat veel moeilijker, al wordt dit in het onderhavige geval wel zo goed mogelijk geprobeerd.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.1.7">Het is interessant dat de verkeers- en vervoersmarkt niet alleen in Nederland, maar ook in Europa en feitelijk in de hele wereld altijd heel sterk beschermd is geweest. Dat wordt onder andere veroorzaakt door de wens geen dubbele infrastructuur te willen aanleggen. Velen zien daarnaast het openbaar vervoer als een basisvoorziening. Daarbij speelt de nutsgedachte een zekere rol. Het zit hem misschien ook wel in de krachtige organisatie van degenen die bij de verkeers- en vervoersmarkt betrokken zijn. Ik heb dat sterk gemerkt toen ik in Parijs werkte. Er is bijna geen minister die op kan tegen de spoorwegbonden. Veel verkeers- en vervoersministers hebben daar enorme problemen mee. Deze bonden hebben vaak grote politieke invloed. Het gaat hierbij ook vaak om het beschermen van nationale belangen. Ik noem de cabotage in het wegvervoer. Het gaat dan om iemand die in het ene land is gevestigd en goederen vervoert binnen een ander land. In deze sector heet dat cabotage. Dat heeft heel lang niet gemogen. Een en ander komt heel langzaam tot stand, omdat men zich daar krachtig en effectief tegen weet te verzetten.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.1.8">In 1985 heeft Lord Cockfield, de toenmalige commissaris bij de EEG, een witboek gepubliceerd, waarin hij zei de markt vrij te willen maken in 1992. De liberalisering heeft toen een geweldige versnelling gekregen. Verkeer en vervoer heeft zich met kracht een hele tijd verzet. Van lieverlee is het echter ook in die sector in Europa gedeeltelijk gelukt. Wij zien nu liberalisering bij de bussen en pogingen daartoe bij het spoor. Dat laatste is nog steeds zeer moeilijk. Men probeert het wel. In zo'n markt past, dunkt mij, geen sterk gereguleerde taxibranche. Bij het particulier openbaar vervoer vindt de minister mij aan haar zijde. De branche zegt dat het resultaat slechter zal zijn voor de consumenten. Ik vraag mij af of dat nog kan in Nederland. Ik heb een persoonlijke noot op dit punt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.1.9">Vorige week wilde ik van het Centraal Station in Utrecht naar het Wilhelminapark. Dat is geen kolossale afstand, maar het kostte toch ƒ 24. In Parijs kan ik voor 75 franc, ongeveer ƒ 24, bijna de hele stad door. Dat is echter wel een stad van een ander formaat dan de door mij overigens zeer gewaarde stad Utrecht. Vorige week was ik ook op het station in Deventer op een regenachtige dag. Er was echter geen taxi. Dat overkomt mij zeer regelmatig in Deventer. De bus heeft 's avonds een uurdienst. Wat moet je dan als je naar Twello moet? Ik ben dan zeer geneigd om aan een willekeurige automobilist te vragen of hij mij alstublieft voor ƒ 25 naar Twello wil brengen. Dat mag echter helemaal niet. Hij mag het niet doen. Ik mag het niet vragen. Ik heb zo'n gevoel dat bij een gedereguleerde taximarkt de zaken in deze zin wat beter kunnen worden. Of het dus zoveel slechter wordt voor de consument? Bij mij wil het er nog niet onmiddellijk in. Ik kan het niet uitsluiten, kijkende naar de literatuur.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.1.10">Voorzitter! Er zijn talloze vragen die ik zou kunnen stellen over eventuele voortgang. Ik zal die vragen slechts aanstippen. Voorgaande sprekers zijn er al op ingegaan. Hoever is de minister gevorderd met Schiphol? Hoe staat het met de herinrichting van de standplaatsen van taxi's? Hoe zal het op het platteland worden? Is daar meer inzicht in? Hoe staat het met de 24-uursbeschikbaarheid, zeker op het platteland? Mij baart die zorgen. Wie heeft er nog zin om om drie uur 's nachts met een taxi klaar te staan als het tarief geplafonneerd is? Daar kon wel eens een groot probleem ontstaan. Ik weet niet of de minister, na de uitvoerige schriftelijke gedachtewisseling hierover nog iets kan zeggen. Mocht dat zo zijn, dan ben ik daarin zeer geïnteresseerd.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.1.11">Bij een operatie als deze is het natuurlijk van het grootste belang om goed te evalueren, de jaarlijkse monitoring te houden, en goed in de gaten te houden wat het effect is van wat het kabinet en de medewetgevers aan het doen zijn. Desnoods moeten wij rereguleren. Ik hoop natuurlijk van harte dat dit niet nodig zal zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.1.12">Voorzitter! Een deel van de branche is boos. De Taxicentrale Amsterdam BV beschuldigt de minister van minachting van de betrokkenen, zo las ik in een brief. Er wordt bescherming weggenomen en er wordt vrije toetreding aan anderen geboden. Dat is geen minachting, maar het maken van een politieke keuze. Het kabinet en de Tweede Kamer hebben die gemaakt. Wij staan nu voor het maken van een keuze. Het toerbeurtsysteem in de binnenvaart is afgeschaft. Dat vonden de schippers niet leuk. Het is echter gelukt en het werkt, voorzover ik kan waarnemen, heel behoorlijk. Makelaars hebben geen vast courtagetarief meer. Bij de notarissen is een wet in werking getreden. Er is sprake van concurrentie op het spoornet. Het busvervoer wordt geliberaliseerd. Elektriciteit wordt een marktgoed. Wij leven in een tijd waarin dit soort dingen gebeuren. Is dat allemaal minachting voor de leverancier? De vraag stellen, is haar beantwoorden. De fractie van D66 heeft er zorg over als de overheid zich als een ondernemer gaat gedragen en zich ziet als een van de spelers in het veld. De overheid is de overheid en is wezenlijk iets anders dan een marktpartij. De liberalisering, marktwerking, is dunkt mij medeveroorzaker van de enorme economische groei die wij beleven en heeft al een hele hoop positieve effecten te zien gegeven. Het past in het beeld van de tijd en het is fair tegenover anderen die gedereguleerd zijn dat dit ook in de taxibranche gaat geschieden, omgeven door zorgvuldige waarborgen. Ik ga ervan uit dat bij de monitoring en de evaluatie zorgvuldig wordt gekeken naar de positie van de taxibedrijven en dat de overheid, die de zorg heeft voor alle burgers en dus ook voor taxiondernemers, daar heel zorgvuldig op let. Als de markt een te strenge scherprechter zal blijken te zijn, wat ik niet vermoed, moeten wij dit opnieuw bezien.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.1.13">Intussen hoop ik met voorgaande sprekers dat als het wetsvoorstel het haalt en in het Staatsblad komt de deregulering ertoe bijdraagt dat de taxi een belangrijker rol gaat spelen in het openbare particuliere vervoer, want het aandeel van de taxi daarin is absoluut te klein. Laten wij niet uit het oog verliezen dat wij het hebben over een klein gebiedje van de enorme congestieproblematiek die er is en die verder op ons afkomt. Die wordt niet veroorzaakt door het goederenvervoer. Daar zullen wij in een volgend beleidsdebat met de minister over van gedachten wisselen. Die wordt veroorzaakt door het particuliere autovervoer. Het particuliere autovervoer kunnen wij met geen mogelijkheid volgend jaar naar het openbaar vervoer verplaatsen. Daar is geen denken aan. Maar als wij een deeltje kunnen oplossen door de taxi iets meer te gebruiken, zal blijken dat deze wet ontzaglijk nuttig is. Ik hoop dat het daartoe zal komen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.2.1">Mijnheer Terlouw, uw zeer gevarieerde politieke loopbaan is over het algemeen bij de mensen bekend. Ik denk dat minder bekend is dat u uw carrière begonnen bent als researchmedewerker op het gebied van de plasmafysica. Ik heb natuurlijk geprobeerd een band te leggen met uw maidenspeech van vandaag, maar dat is mij niet gelukt. Ik zag wel dat u uw politieke carrière begonnen bent als gemeenteraadslid in Utrecht. Ik begrijp dat u daarom gekomen bent met het voorbeeld van de hoge taxiprijzen. Ik vroeg mij af of u toen niets gedaan had kunnen hebben aan het afgeven van vergunningen in Utrecht om op die manier de prijs te drukken.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.2.2">Maar dit terzijde. Ik wens u geluk met uw maidenspeech. Wij hopen nog veel van u in dit huis te horen en misschien te lezen.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.3.1">De vergadering wordt enige minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.4.4.1">Het woord is aan de heer Castricum. Ik wijs erop dat dit wetsvoorstel kennelijk zo bijzonder is dat nu ten derden male een maidenspeech wordt gehouden.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Terpstra" MPid="02811" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2003-11-11" topic="Algemene financiële beschouwingen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-271-325.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-271-325.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="32" number-of-words="4294" number-of-unique-words="1268" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van Driel" MPid="03005"/>
                <speaker name="Terpstra" MPid="02811"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Biermans" MPid="03003"/>
                <speaker name="Van Raak" MPid="03035"/>
                <speaker name="Schuyer" MPid="02870"/>
                <speaker name="Van Middelkoop" MPid=""/>
                <speaker name="Zalm" MPid="01630"/>
                <speaker name="Wijn" MPid="02249"/>
                <speaker name="Van Driel" MPid="03005"/>
                <speaker name="Terpstra" MPid="02811"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Biermans" MPid="03003"/>
                <speaker name="Van Raak" MPid="03035"/>
                <speaker name="Schuyer" MPid="02870"/>
                <speaker name="Zalm" MPid="01630"/>
                <speaker name="Wijn" MPid="02249"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Terpstra, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-271-325.1.3" speaker="Terpstra" party="CDA" function="De heer" title="De heer Terpstra  (CDA)" MPid="02811">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1" speaker="Terpstra" function="De heer" MPid="02811">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Terpstra (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Terpstra</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.2">Mevrouw de voorzitter. Het is voor mij een grote eer dat ik hier vandaag mag staan tijdens de algemene beschouwingen en mijn maidenspeech mag houden. Ik verheug mij zeer op het debat met de collega's en met de minister en de staatssecretaris. In de laatste twintig jaar is er in Nederland veel gebeurd. Er zijn veel goede dingen gedaan, maar drie problemen zijn blijven liggen, de volksgezondheid, de WAO en de infrastructuur. Mijn fractie steunt de pogingen van de regering om deze slepende dossiers tot een goed einde te brengen. In dit licht ben ik het dan ook geheel oneens met de conclusie van mevrouw De Wolff tijdens de algemene politieke beschouwingen dat er op sociaal-economisch gebied niets nieuws onder de zon zou zijn. Door het wel oppakken van deze drie problemen die al te lang door politieke onenigheid zijn blijven liggen, zou je zelfs van een trendbreuk met het recente verleden kunnen spreken. Op het MKB-congres van gisteren kreeg ik ook de indruk dat veel middenstanders na het aanhoren van mevrouw Van der Hoeven en mevrouw Van Gennip dachten dat zij in een ander land terecht waren gekomen dan in de afgelopen twintig jaar. Een oude middenstander kon zich zelfs herinneren dat alleen in de tijden van Drees zo positief over de middenstand werd gesproken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.3">Mijn fractie is zeer positief over het feit dat in het Beleidsprogramma 2003-2007 concrete doelstellingen zijn geformuleerd waardoor de beoordeling van het succes van het kabinet kan worden geobjectiveerd. Tijdens de algemene politieke beschouwingen is toegezegd dat het kabinet jaarlijks zal komen met een rapportage over de voortgang. Wij stellen dit zeer op prijs. Mijn fractie is voorstander van een evenwichtig en consistent financieel beleid en dus ook van een stevige minister van Financiën. Zolang de minister van Financiën stevig blijft, kan hij op onze steun rekenen. Dat is niet alleen een voorwaarde voor een gezonde financieel-economische ontwikkeling, maar ook een absolute voorwaarde voor een goed sociaal beleid op langere termijn. Daar waar de minister van Financiën faalt, betaalt uiteindelijk de arme altijd de prijs. Als oud-vakbondsman ben ik mij daar zeer bewust van. In mijn bijdrage zal ik dan ook proberen om het beleid van het kabinet te beoordelen aan de hand van deze dubbele doelstelling van degelijk en sociaal. Ik wil dat doen vanuit de invalshoek wereld, Europa en Nederland. Ik moet toegeven dat dit niet altijd even goed gelukt is, maar het leven is soms moeilijk. De laatste tijd is er een discussie gevoerd over de vraag of tijdens Paars II in de goede jaren niet te weinig is gedaan aan schuldreductie en te veel is gedaan aan lastenverlichting en uitgaven in de zorgsector. Ook de Raad van State maakt hier opmerkingen. Namens mijn fractie spreek ik hier mijn waardering uit voor de kritische analyse die de minister van Financiën zelf heeft gemaakt over deze periode. Wij hebben daar niets aan toe te voegen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.4">Alhoewel wij het hier vandaag hebben over de begroting van Nederland, kan en wil ik niet voorbijgaan aan het feit dat onze problemen relatief gering zijn vergeleken met de grote noden in veel andere landen in de wereld. Bij de behandeling van de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking zullen wij hier uiteraard uitgebreid op ingaan. Ook tijdens de financiële beschouwingen wil ik echter enkele punten aan de orde stellen. Immers, via de Wereldbank en het IMF is onze minister van Financiën medeverantwoordelijk voor de hele wereld. In de discussie over de globalisering wordt vaak de stelling verkondigd dat armen steeds armer worden en rijken steeds rijker. Volgens onze interpretatie van de cijfers in de MEV blijkt echter gelukkig dat de groei in grote delen van de Derde Wereld, inclusief Afrika, hoger is dan in de Europese Unie. Hetzelfde is het geval in de landen in voormalig Oost-Europa. Een onzekere factor hierbij is uiteraard nog de bevolkingsgroei. Graag hoor ik de visie van de minister op de perspectieven van de ontwikkelingslanden en de voormalige Oost-Europese landen in de wereldeconomie. Vooral over Afrika maken wij ons grote zorgen. Binnen de Europese Unie hoor je vaak dat de verschillen tussen de landen onderling kleiner worden, maar dat de verschillen binnen de landen steeds groter worden. Is dat juist en, zo ja, speelt dit effect misschien ook op wereldniveau een rol? Welk concreet beleid voert het kabinet binnen deze internationale instellingen om de wereld iets rechtvaardiger te kunnen maken? De laatste tijd hoor je weinig meer over de schuldsanering van met name Afrikaanse landen. Wat is de inzet van ons land op dit punt?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.5">Voor ons land zijn de ontwikkelingen binnen de andere grote blokken in de wereld uiteraard van groot belang. Vandaag wil ik het echter vooral over Europa hebben, omdat dit toch het meest bepalende gebied is voor ons land. Tijdens het congres van VNO-NCW van 3 november jongstleden kon men veel sombere geluiden horen over de toestand waarin Europa verkeert en met name over de snelheid waarmee Europa de agenda van Lissabon uitvoert. Waardoor dreigt Europa volgens de minister af te zakken in de wereld ten opzichte van Azië en Amerika? Deelt hij de sombere analyse van een aantal sprekers tijdens dat VNO-congres? Opvallend is dat een aantal landen buiten de Eurozone het beter doet dan de meeste landen in de Eurozone, al moet ik toegeven dat er binnen de Eurozone ook heel succesvolle landen zijn, zoals Finland. Komt dit nu vooral door het grote gewicht van Duitsland en Frankrijk of spelen er ook andere factoren een rol? Indien de ontwikkeling dat de niet-eurolanden het beter doen dan de eurolanden, zich lang blijft voordoen, is dat dan geen gevaar voor de uitbreiding van de Eurozone? Ik wijs hierbij op de uitslag van het referendum in Zweden. Duitsland blijft volgens mij het grote probleem in de Eurozone met een werkloosheid van 10%, een negatieve of een nulgroei en een tekort van bijna 4%. Door het grote gewicht van Duitsland in het EU-gebied van ongeveer 30% van het BBP is Duitsland voor de gehele EU, maar zeker voor ons, van het grootste belang. Wel ben ik het eens met de heer Schuyer die tijdens de algemene politieke beschouwingen wees op de geweldige prestaties die de oude BRD heeft geleverd voor de ontwikkeling van de oude DDR, geheel Oost-Europa en de Sovjet-Unie. Maar dit is geen excuus om noodzakelijke hervormingen te lang uit te stellen. Je kunt ook zeggen dat juist deze grote offers de hervormingen extra noodzakelijk hebben gemaakt. Duitsers zelf spreken vaak van een Reformblokkade. Zelf heb ik de Hamburgse CDU eens mogen wijzen op het feit dat in grote landen de"Auslandabhängigkeitsbewustseinsgrad" te laag is. Ik heb dit woord zelf ontdekt en daarom gebruik ik het bij elke toespraak, of het nu nodig is of niet. Ook landen als Frankrijk hebben veel last gehad van dit verschijnsel. Maar volgens mij gaat Frankrijk sneller vooruit op dit moment dan Duitsland. Ik moet overigens toegeven dat ook bij ons dit bewustzijn soms tijdelijk weg is met alle gevolgen van dien, zoals we nu ook weer meemaken. De loonkosten zijn enkele jaren achter elkaar uit de Europese pas gelopen. Toen daarna ook nog de euro in waarde steeg, zat het bedrijfsleven gelijk in de problemen: veel ontslagen en een directe nadelige invloed op de staatsfinanciën.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.6">Tijdens de start van de euro heeft onze minister zich samen met Duitsland met succes ingespannen de normen op Europees niveau te handhaven. De minister was hard tegen vooral landen in het zuiden. Duitsland en Frankrijk overtreden nu zelf de normen, terwijl bijvoorbeeld Spanje en Griekenland zich voorbeeldig aan deze normen houden. Welke concrete middelen hebben de eurolanden om Duitsland en Frankrijk in het gareel te houden? Wat is concreet de inzet van de Nederlandse regering op dit punt? Volgens ons is dit van groot belang voor het internationale vertrouwen in de euro. Niet voor niets vlucht men uit de roebel in de dollar en niet in de euro.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.7">Onlangs lazen we in de krant dat ons land 250 mln euro terugkrijgt uit Brussel. Dit is gebracht als een meevaller. Volgens Nederlandse Europarlementariërs is dit echter nog maar de vraag. De teruggave aan alle lidstaten zou een gevolg zijn van het niet gebruiken van subsidies, om welke redenen dan ook. Daar ons land bekend staat als een grote niet-gebruiker hebben wij de volgende vragen: hoeveel geld heeft Nederland in Brussel aangevraagd? Hoeveel is geweigerd, hoeveel is toegekend en hoeveel is daadwerkelijk opgevraagd en ontvangen? Wat is de verhouding tot de 250 mln?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.8">Komende bij Nederland, wil ik het hebben over de volgende punten: de prioriteiten in het beleid; de verdeling tussen bezuinigen, lasten verhogen en meer schulden; de grote dossiers; enkele aspecten van de belastingen; deregulering; de administratievelastendruk en ten slotte de gevolgen voor de burgers.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.9">Daar er vorig jaar om bekende redenen geen algemene financiële beschouwingen zijn gehouden, wil ik hier vooraf twee onderwerpen aan de orde stellen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.10">De koopkracht van huishoudens is in 2001 mede dankzij de belastinghervorming behoorlijk gestegen. Toch is in datzelfde jaar de bijdrage van de particuliere consumptie aan de economische groei beperkt gebleven (0,2 in 2001 en 0,1 in 2002). Dat is zelfs lager dan de bijdrage van de overheidsconsumptie aan de groei (0,9 in 2001 en 0,8 in 2002). Welke factoren hebben hierbij een rol gespeeld? Het antwoord op deze vraag willen wij graag gebruiken bij de actuele discussie over de vraag of al dan niet via de consumptie de economie moet worden aangezwengeld. Je zou kunnen zeggen: het antwoord willen wij graag gebruiken tegen bijvoorbeeld de heer Van Driel.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.11">In het eerste jaar van de euro is er veel geklaagd over de stijging van de prijzen. Daar ik niet twijfel aan de rekenkunst van veel Nederlanders geloof ik ook niet dat alles van psychologische aard is geweest. Anderzijds vind je in de MEV geen aanwijzingen voor extra prijsstijgingen en ook geen stijging van de winstmarges. Een verklaring zou kunnen zijn dat gemiddeld alles klopt, maar in bepaalde bedrijfstakken niet. Wat is de mening van onze minister op dit punt?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.12">Vervolgens de prioriteiten in het beleid. In 2004 wordt er ondanks de beperkte ruimte bijna 1,5 mld extra uitgetrokken voor mobiliteit, zorg, kennis, veiligheid en natuur. Onze fractievoorzitter heeft hiervoor zijn waardering uitgesproken tijdens de algemene politieke beschouwingen. Indien het met de economie in de komende jaren weer beter gaat, moeten wij met dit beleid doorgaan om ons land in een structureel betere positie te brengen. Maar ook als de economie tegenzit, is het noodzakelijk. Zie bijvoorbeeld de Agenda van Lissabon Wat is de mening van het kabinet op dit punt?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.13">De verdeling tussen bezuinigen, lastenverhoging en schulden. Vooraf wil ik een opmerking maken over het woordgebruik. Bezuinigen wordt vaak gebruikt voor beperking van de uitgaven maar ook voor een wijziging van de lasten. Bezuinigen zou ik willen beperken tot het ombuigen van de te verwachten uitgavenstijging. Het resultaat is meestal een kleinere stijging of soms een daling van de uitgaven. Dit laatste komt in 2004 in reële termen alleen voor bij het openbaar bestuur, defensie en subsidies aan het bedrijfsleven. Alle andere uitgaven stijgen in reële termen, veiligheid, onderwijs en sociale zekerheid het meest. Is de minister het met deze definitie eens en is hij bereid mee te werken aan een meer zuiver woordgebruik op dit punt?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.14">De gevolgen van de tegenvallende economische groei zijn primair opgevangen door een vergroting van het tekort van 0% in 2001 via 1,6% in 2002 naar 2,4% in 2003. Het kabinet wil dit tekort terecht niet verder laten oplopen in 2004. Ten opzichte van de verwachting in de Miljoenennota 2003 stijgt het tekort in 2004 met ongeveer 10 mld. Voor de gehele kabinetsperiode stijgt de staatsschuld met 30 mld, van 246 naar 276 mld. Gisteren werd in het programma Netwerk gezegd dat het kabinet niets aan het milieu doet, omdat het absolute prioriteit geeft aan verlaging van de staatsschuld. Dat kan ik niet goed volgen, dus Netwerk is een van de programma's waar ik mij persoonlijk aan erger! In 2003 zijn de lasten van voornamelijk werknemers gestegen met 4,5 mld euro, met name in de sfeer van pensioenpremies en ziektekosten. De eerste post is niet zozeer een gevolg van het beleid van de overheid, immers werkgevers en werknemers gaan ook over de pensioenpremies. De tweede post is een mengvorm. Aanbieders en overheid zijn hier beide partij. Zonder beleid zou het tekort in 2004 dichtbij de 4% zijn uitgekomen. Dit wil het kabinet verhinderen door de lasten in 2004 nogmaals te verhogen met 1,25 mld, volgens het CPB met 2,5 mld. Het verschil gaat over de visie op de lastenverschuivingen. Daarnaast wordt voorgesteld 10,6 mld te bezuinigen. De totale tegenvaller van 2003 en 2004 wordt volgens mij opgevangen door een ombuiging van bijna 11 mld, een stijging van het tekort van ongeveer 10 mld en een stijging van de lasten van ongeveer 7 mld. Als deze berekening klopt – ik hoor dat graag van de minister – is dit een duidelijke mix van maatregelen. Het is dus niet alleen maar bezuinigen. In de tegenbegroting van de PvdA staat dat het kabinet niets anders doet dan bezuinigen, maar dat is in ieder geval in strijd met mijn waarheid. De heer Van Driel zei dat het kabinet vooral bezuinigt, maar volgens mij is het bezuinigingsbedrag 10 mld op de 27 mld. Wij steunen van harte deze mix.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.15">Gelet op de ontwikkeling van de werkgelegenheid in de marktsector zullen wij eventuele voorstellen om de lasten te verhogen niet steunen. Gelet op het gewenste vertrouwen in de overheidsfinanciën op langere termijn achten wij een verdere verhoging van het tekort zeer ongewenst.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.16">Veel economen, al wordt het aantal de laatste maanden stukken minder, zijn van mening dat ons land zich uit de recessie moet werken door minder te bezuinigen, door extra toekomstgerichte overheidsuitgaven of door het aanzwengelen van de consumptie. Ik geloof niet in de laatste oplossing, In ieder geval niet zolang het nationale kostenpeil te hoog is. Te veel lekt dan weg via de import. Het gevolg van minder bezuinigen bij de overheid en het doen van extra toekomstgerichte uitgaven is een vergroting van de schuldenlast. De eventuele positieve gevolgen daarvan zijn hoogstwaarschijnlijk kleiner dan de negatieve gevolgen van het vergroten van de schulden. Het vertrouwen in het financiële beleid van de overheid is zeer belangrijk voor het herstel van onze economie. Dit vertrouwen wordt ernstig geschaad indien zowel in goede tijden als in slechte tijden de overheid schulden blijft maken met de mededeling dat men daarmee morgen zal ophouden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.17">Het probleem op dit moment is het afbrokkelen van de werkgelegenheid in de marktsector. Dit probleem is niet structureel te compenseren door meer mensen bij de overheid en dergelijke in dienst te nemen. Mij zijn geen landen bekend waar dit medicijn heeft gewerkt. Wel ken ik landen zonder tekorten met een positieve economische ontwikkeling, zoals Spanje en de Scandinavische landen. Vaak wordt gezegd dat Nederland het braafste jongetje in de klas is als het gaat om het naleven van de EMU-normen, maar uit de staat van de miljoenennota blijkt dat acht landen beter scoren dan wij. Mijn vader was onderwijzer en ik heb nooit begrepen dat iemand die op de negende plaats staat het braafste en beste jongetje van de klas is. Graag hoor ik van de minister of hij deze analyse deelt. Tevens zou ik zijn mening willen horen over de vraag hoe het toch komt dat zoveel economen weinig waarde hechten aan de negatieve gevolgen van steeds grotere schulden. Dat kan toch niet alleen liggen aan de kwaliteit van ons onderwijs?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.18">Ik kom aan de grote dossiers. Waar wordt bezuinigd? De Nederlandse collectieve uitgaven worden al jarenlang gekenmerkt door het bevoordelen van de consumptieve uitgaven. Alles wat met de toekomst te maken heeft, wordt – zwart-wit geformuleerd – min of meer verwaarloosd. Vergeleken met het buitenland geven wij minder uit aan onderwijs, kinderbijslag, technologie en infrastructuur. Terecht wil het kabinet deze trend nu ombuigen ten aanzien van onderwijs, technologie en infrastructuur. Daar ontwikkelingssamenwerking terecht wordt ontzien, de rente-uitgaven alleen maar stijgen en defensie al behoorlijk heeft ingeleverd, kom je bij het zoeken naar bezuinigingen bijna automatisch terecht bij het overheidsapparaat, de sociale zekerheid en de volksgezondheid. Daar gaan de grote bedragen in om, ongeveer 70% van de totale uitgaven. Maar er is volgens ons meer. Het kabinet gaat uit van de opvatting dat onze verzorgingsstaat niet vergrijzingsbestendig is. De opvang van de stijgende kosten van de vergrijzing in de vorm van meer AOW, hogere pensioenen en hogere ziektekosten vereist grote ingrepen. Het oorspronkelijke idee om de stijging van de kosten van de AOW te financieren uit de beperking van de staatsschuld wordt nog steeds aangehangen, maar voorlopig stijgt de schuld alleen maar met ongeveer 30 mld. Er moeten dus andere maatregelen worden genomen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.19">Op het gebied van de volksgezondheid zit ons land qua kosten op een gemiddeld Europees niveau. We blijven wel achter bij de toplanden op dit gebied. Wel zijn bij ons de wachtlijsten lang, volgens velen mede een gevolg van de in ons land jarenlang beoefende aanbodsturing door de overheid, het bekende sovjetmodel. Het systeem wordt nu omgebouwd in de richting van een vraagsturing. Deze hervorming kan gemakkelijk leiden tot een geweldige kostenstijging. In 2002 is dit min of meer het geval geweest door de wijziging van de financiering. Hoe wil het kabinet verhinderen dat bij deze, ook door ons gewenste hervorming de kosten niet meer in de hand te houden zijn? Bestaat hiervoor een scenario?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.20">In de oorspronkelijke voorstellen van het kabinet wilde men de prijsgevoeligheid van de consument vergroten door eigen bijdragen en door invoering van een eigen risico. Beide elementen fungeren als "remgeld" om het op z'n Belgisch te zeggen. Maar toch zijn ze verschillend van aard. Tussen haakjes: de Nederlandse voorstellen lijken opvallend veel op het Duitse pakket. Bij de steun van de heer Van Driel aan het Duitse pakket vroeg ik mij af of de PvdA alle bezuinigingen van Schröder kan aanvaarden. Die bezuinigingen gaan immers veel verder dan de bezuinigingen in Nederland. De oproep aan de heer Zalm om Schröder te volgen, betekent een verhoging van het eigen risico en het weer invoeren van eigen bijdragen. Heb ik dat goed begrepen? Ik denk van niet, maar je weet maar nooit! Net zoals bondskanselier Schröder oplossingen probeert te zoeken samen met de oppositie, zijn ook wij bereid tot een goede dialoog met de oppositie in dit huis over de grote stelselherzieningen. De Wet werk en bijstand is hiervan een voorbeeld.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.21">Door de Tweede Kamer is de eigen bijdrage vervangen door een hoger eigen risico. Maakt deze wijziging nog verschil voor de vraagsturing in de volksgezondheid? Volgens het voorlopig sociaal akkoord sluit het kabinet zich met betrekking tot de WAO steeds meer aan bij de voorstellen uit het SER-advies. Wij kunnen deze weg goed volgen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.22">De extra gelden voor de infrastructuur gaan voor een groot deel naar het wegwerken van de achterstanden in het onderhoud van de publieke netten, vooral spoor- en waterwegen. Wij betreuren dat dit noodzakelijk is, maar aanvaarden wel het beleid ter zake. Ter wille van de borging van het publieke belang zijn velen van oordeel dat publieke netten in principe in overheidshanden moeten blijven. Het komt het vertrouwen in de overheid niet ten goede dat juist nu blijkt dat de overheid zelf de openbare netten heeft verwaarloosd. Dat moet veranderen. Vandaar onze steun op dit punt.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.23">Wat betreft de belastingen wil ik het hebben over de fraudebestrijding en deregulering binnen Europa; een generaal pardon voor zwartspaarders en het wijzigen van wetten met terugwerkende kracht.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.24">Alhoewel de Europese bureaucratie relatief beperkt is en veel regels ook tot doel hebben nationale regels te vervangen, blijven wij ons op fiscaal gebied en op het gebied van het toezicht op de financiële markten zorgen maken over de omvangrijke regelgeving die vanuit Europa komt. In hoeverre wordt bij de dereguleringsoperatie ook gelet op de Europese regelgeving?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.25">Een ander punt van zorg betreft de omvangrijke fraude in Europa op het gebied van de btw. Deze fraude zou nog groter kunnen worden bij de uitbreiding van de EU. Fraude ondermijnt het vertrouwen van de burger in Europa. Is het kabinet voornemens deze twee onderwerpen op de agenda te plaatsen tijdens ons EU-voorzitterschap? Ik heb begrepen dat wij dit gedurende een jaar samen met de Ieren gaan doen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.26">In de vele uitgebreide en enthousiaste nieuwsbrieven van de staatssecretaris, die je niet kunt missen als je enigszins op de hoogte wilt blijven van de ontwikkelingen in de wereld, las ik zijn verslag van een bezoek aan een collega in België. Daarin wordt gesproken over een generaal pardon voor zwartspaarders. Ook in de Duitse plannen zit iets dergelijks. Hoe zijn de ervaringen geweest in Italië, waar in het verleden zo'n generaal pardon is afgekondigd? De minister heeft zich in het verleden uitgebreid met Italië bemoeid, dus deze vraag kan hij gemakkelijk beantwoorden. Bestaan er op het ministerie plannen op dit punt? Hoewel het vergeven van zondaars ons zou moeten aanspreken, zijn wij geen voorstander van een dergelijk idee. Zwart sparen mag naar onze mening niet lonen. Een generaal pardon is bovendien onrechtvaardig tegenover belastingplichtigen – ook al zou het er maar één zijn – die hun spaargeld wel eerlijk hebben opgegeven. Vraag is nog of de EU-spaarrichtlijn niet een belangrijk deel van deze problemen oplost.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.27">Onze fractie staat zeer kritisch tegenover het met terugwerkende kracht wijzigen van de fiscale regels in het nadeel van de burger. Hetzelfde geldt voor het laten ingaan van wetten via persberichten. Op dit punt zullen wij het kabinet zeer kritisch volgen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.28">Tijdens de algemene politieke beschouwingen is uitgebreid gesproken over de deregulering. Mijn vraag is of er in dit verband ook wordt gezocht naar snelle oplossingen voor gevallen waarbij ondernemers en burgers te maken krijgen met tegenstrijdige regels. Bij een meldpunt van Economische Zaken zouden hierover 800 klachten van ondernemers zijn ingediend. Zou er een centrale instantie kunnen komen die in zo'n geval de knoop doorhakt, waardoor wij ook afkomen van een deel van het gedogen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.29">Deze minister is belast met het oplossen van het probleem van de administratieve belastingdruk. Uiteraard steunen wij hem daarbij van harte. Kan hij in grote lijnen uiteenzetten hoe hij dit probleem denkt aan te pakken en op te lossen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.30">Tijdens de vorige algemene financiële beschouwingen heeft mijn voorganger Stevens uitgebreid de feestdagenregeling aan de orde gesteld. Wij zijn verheugd dat mede door zijn vragen in 2001 dit probleem in 2003 door de overzijde is opgelost. Zo ziet u maar weer hoe een goed debat in deze Kamer kan leiden tot vooruitgang van onze maatschappij!</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.31">De werkgelegenheid in de marktsector daalt in 2003 met 100.000 en in 2004 met 70.000 personen. Voor de zorg is dat in beide jaren positief, samen ongeveer 28.000 personen. Bij de overheid komen er nog 7000 mensen bij. Het is terecht dat het kabinet en de sociale partners inzetten op meerjarige loonmatiging om de trend in de marktsector om te buigen. In dit licht juichen wij het ontwerpsociaal akkoord toe. Het is nu aan de contractspartijen om dit akkoord verder uit te werken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.32">Tijdens de algemene politieke beschouwingen in deze Kamer is uitgebreid stilgestaan bij de inkomenseffecten en bij de compensatieregeling. Alvast dank voor de notitie van Sociale Zaken daarover. Wij wachten de toegezegde uitwerking van de compensatieregeling vol spanning af, ook in het licht van de jongste NIBUD-cijfers over de inkomenspositie van ouderen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.1.33">Voorzitter. Ik wil het kabinet graag beoordelen op basis van onze twee normen – degelijk en sociaal – op de drie genoemde gebieden, degelijk op financieel gebied op alle fronten en sociaal richting de armste landen in de wereld, richting de nieuwe lidstaten van de Europese Unie. Ook op dit punt staan wij dus ook weer volledig achter de minister van Financiën. Binnen ons land hechten wij heel sterk aan de tijdens de algemene politieke beschouwingen toegezegde compensatieregeling, het sociale complement voor de op zichzelf noodzakelijke stelselherzieningen!</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.2.1">Mijnheer Terpstra, van harte proficiat met uw maidenspeech in deze Kamer. Hoewel sommigen van uw collega's wellicht tegen hun maidenspeech opzien, zeker bij de algemene politieke of de algemene financiële beschouwingen, ben ik er zeker van dat u er niet echt van wakker hebt gelegen. Financiële beschouwingen zijn voor u immers geen onbekend fenomeen, want u hebt gedurende uw zittingsperiode aan de overzijde van 1986 tot 1998 in een dergelijk kader regelmatig het woord gevoerd. Sterker nog, u hebt daarbij niet alleen het woord gevoerd, u hebt ze zelfs een keer laten uitstellen toen in 1994 het tijdstip van de algemene financiële beschouwingen samenviel met het afstuderen van een van uw dochters. Uw commentaar daarop was: "Het behoort tot de uitgangspunten van mijn partij dat dergelijke festiviteiten in familiekring in ere moeten worden gehouden." Wij prijzen ons gelukkig dat er vandaag geen familiefeesten te vieren zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.2.2">Naast uw financieel-economische deskundigheid wordt uw handelen als politicus in belangrijke mate gestempeld – u hebt daar zelf al aan gerefereerd – door uw afkomst uit de vakbeweging. Uw periode van 22 jaar in het CNV, uiteindelijk als bestuurder, heeft u doordrongen van het belang van een goed contact tussen overheid en sociale partners. Enerzijds uitgesproken aanhanger van soevereiniteit in eigen kring, anderzijds nadrukkelijk voor consensus als het gaat om de te volgen koers voor economisch herstel. In een interview in het blad Interruptie in 1997 werd u gekenschetst als een sociaal betrokken man met licht eigenwijze trekjes. Wij weten dat tegenover die eigenwijsheid een grote dosis humor en zelfrelativering staan. Dat brengt mij tot de wens dat deze Senaat de komende jaren letterlijk en figuurlijk veel plezier mag hebben van uw bijdragen in het debat. Veel succes!</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.2.3">Ik geef de leden graag gelegenheid om de heer Terpstra te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Terpstra, van harte proficiat met uw maidenspeech in deze Kamer. Hoewel sommigen van uw collega's wellicht tegen hun maidenspeech opzien, zeker bij de algemene politieke of de algemene financiële beschouwingen, ben ik er zeker van dat u er niet echt van wakker hebt gelegen. Financiële beschouwingen zijn voor u immers geen onbekend fenomeen, want u hebt gedurende uw zittingsperiode aan de overzijde van 1986 tot 1998 in een dergelijk kader regelmatig het woord gevoerd. Sterker nog, u hebt daarbij niet alleen het woord gevoerd, u hebt ze zelfs een keer laten uitstellen toen in 1994 het tijdstip van de algemene financiële beschouwingen samenviel met het afstuderen van een van uw dochters. Uw commentaar daarop was: "Het behoort tot de uitgangspunten van mijn partij dat dergelijke festiviteiten in familiekring in ere moeten worden gehouden." Wij prijzen ons gelukkig dat er vandaag geen familiefeesten te vieren zijn.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Van Bruchem" MPid="02285" party="RPF/GPV" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1999-12-13" topic="Algemene financiële beschouwingen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-319-350.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-319-350.1.8" which-speech-in-topic="7" number-of-paragraphs="19" number-of-words="2350" number-of-unique-words="949" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Ondernemen</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Belasting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Energie</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Economie <pm:entity> ICT</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Boorsma" MPid="02841"/>
                <speaker name="Stevens" MPid="02874"/>
                <speaker name="Hilarides" MPid="02865"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Wöltgens" MPid="01908"/>
                <speaker name="Ter Veld" MPid="02715"/>
                <speaker name="Van Bruchem" MPid="02285"/>
                <speaker name="De Vries" MPid=""/>
                <speaker name="Schuyer" MPid="02870"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Voordat ik het woord geef aan de heer Van Bruchem, maak ik de Kamer erop attent dat hij zijn maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-319-350.1.8" speaker="Van Bruchem" party="RPF/GPV" function="De heer" title="De heer Van Bruchem  (RPF/GPV)" MPid="02285">
                    <speech party="RPF/GPV" docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1" speaker="Van Bruchem" function="De heer" MPid="02285">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Van Bruchem (RPF/GPV)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Van Bruchem</naam>
                                <partij>RPF/GPV</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.2">Mijnheer de voorzitter! Ik heb het genoegen, mede namens de SGP-fractie te mogen spreken. De heer De Vries zal zich concentreren op het Belastingplan, ik wil de wat meer algemene economische aspecten aan de orde stellen. Deze taakverdeling is ook de reden waarom wij verzocht hebben, af te wijken van de volgorde op de sprekerslijst, waarvoor ik u nog dank zeg, voorzitter.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.3">Voorzitter! In vergelijking met een jaar geleden wordt er nu heel wat optimistischer tegen onze economie aangekeken. Toen werd verwacht dat de crises in Azië, Rusland en Zuid-Amerika een heel vervelend staartje zouden krijgen voor de economieën van, zeg maar, de westerse landen; de term "geïndustrialiseerde landen" lijkt mij langzamerhand wat achterhaald. Toen werden de prognoses neerwaarts bijgesteld. Nu zien wij het tegenovergestelde: de prognoses worden gunstiger en de minister van Financiën meldt de ene meevaller na de andere.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.4">Hoe komt het dat de gevolgen van de Azië-crisis zo zijn meegevallen? Zijn ze verkeerd ingeschat? Dat zou een reden tot ongerustheid zijn, want het wijst op een tekortschietend inzicht. De tweede mogelijkheid is dat er door de desbetreffende regeringen en de internationale organisaties zo'n adequaat beleid is gevoerd dat de verwachte gevolgen grotendeels zijn afgewend. Dat zou dan aanleiding geven tot de gedachte dat wij de zaken goed in de hand hebben. Welke van deze twee verklaringen acht de minister het meest waarschijnlijk? En – in verlengde hiervan – zijn er inmiddels voldoende mechanismen ontwikkeld om een volgende internationale financiële crisis te voorkomen? Zijn er bijvoorbeeld concrete maatregelen getroffen of bestaan er voornemens om het flitsen van kapitaal enigszins te beperken?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.5">Met de Nederlandse economie gaat het goed; dat is in vele toonaarden bezongen. Er doet zich een stabiele groei voor, de werkloosheid daalt, zelfs de armoede neemt wat af en het tekort van de overheid tendeert naar nul en dreigt volgens de laatste berichten zelfs om te slaan in een overschot. Dit zijn uiteraard ontwikkelingen waarmee ook onze fracties content zijn. Met een groot overheidstekort en een oplopende werkloosheid is geen enkel doel gediend, ook niet de doeleinden waaraan onze fracties groot belang hechten. Het op orde hebben van de financiën is een niet onbelangrijk aspect van het rentmeesterschap, een centraal uitgangspunt in onze politieke visie. Ik voeg eraan toe dat het daar echter niet mee samenvalt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.6">Over dat laatste een paar opmerkingen. Het feit dat de economie op orde is, betekent in de ogen van onze fracties niet dat het dus ook goed gaat met de samenleving. Hier en daar proef ik wel eens de neiging om, bij wijze van spreken, een soort is-gelijk-teken te zetten tussen de gang van zaken op economisch terrein en de algemene maatschappelijke ontwikkelingen, maar dat getuigt in onze visie van een eenzijdige, economistische kijk op de werkelijkheid. Ook bij de verdeling van de baten van de economische voorspoed staan onze fracties, zacht gezegd, niet altijd te juichen: aan de ene kant soms zeer schrijnende situaties in de zorgsector, mede door het te krappe budget en aan de andere kant een uitbundige consumptie en soms een enorme verrijking van een beperkte groep.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.7">Wat ik met deze opmerkingen wil zeggen, is dat economische ontwikkeling geen doel op zichzelf moet zijn, maar gericht moet zijn op het bevorderen van welzijn en gerechtigheid. Naar de mening van onze fracties is dat momenteel onvoldoende het geval.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.8">Tegen deze achtergrond wil ik een kanttekening maken bij een passage op blz. 19 van de Miljoenennota, die ook is geciteerd door de heer Platvoet, waarin staat dat de gunstige economische ontwikkelingen een solide basis vormen voor het aanpakken van de problemen waar de Nederlandse economie mee wordt geconfronteerd: "Wanneer problemen op het gebied van milieu, mobiliteit en scholing niet ter hand worden genomen, kunnen belemmeringen voor verdere duurzame economische groei optreden." Daar zit natuurlijk een kern van waarheid in, maar er is ook een kritische kanttekening bij te maken. De redenering gaat namelijk niet op voorzover de voortgaande economische groei qua richting en tempo zodanig is dat bepaalde problemen erdoor worden geïntensiveerd. Op het gebied van milieu en mobiliteit is dat verschijnsel naar onze mening onmiskenbaar aanwezig. Daarom zou het aanpakken van de genoemde problemen, terwijl de richting van de economische groei met een sterk accent op verschillende vormen van transport van goederen en mensen niet verandert, wel eens "dweilen met de kraan open" kunnen zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.9">Zoals ik al zei: de overheidsfinanciën zijn redelijk op orde. Dit heeft ongetwijfeld iets te maken met de begrotingsdiscipline, waarvoor de minister zich de afgelopen jaren met succes heeft ingespannen. De vraag rijst echter hoe duurzaam de huidige gunstige gang van zaken is. En dan gebruik ik het woord "duurzaam" niet in ecologische zin, maar in de betekenis van "voortdurend", net zoals in de zojuist door mij geciteerde zin uit de Miljoenennota, althans als mijn interpretatie op dit punt juist is.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.10">Met betrekking tot deze economische duurzaamheid zijn er, als ik het goed zie, twee, tamelijk tegenstrijdige opvattingen. Enerzijds wordt gewaarschuwd voor mogelijke bedreigingen, anderzijds is er een school die met zoveel woorden stelt dat we een nieuwe economie hebben gekregen waarin – ik chargeer een beetje – inflatie en recessies zijn uitgebannen en waarin altijd hoogconjunctuur heerst. Om met het laatste te beginnen, onze fracties denken dat dat te mooi is om waar te zijn. In de eerste plaats staan wij, op grond van onze overtuiging, bij voorbaat heel sceptisch tegenover iedere vorm van utopiedenken. Van het laatste heeft de idee van de nieuwe economie toch wel veel weg. In de tweede plaats wijs ik op de gang van zaken in Japan, dat in feite in de jaren tachtig een economische ontwikkeling kende die het ideaal van de nieuwe economie vrij dicht benaderde, maar die in de jaren negentig, althans tot voor kort, te maken had met een hardnekkige stagnatie, gecombineerd met deflatie, ondanks een hoge scholingsgraad, een goede infrastructuur en enorm veel technologische kennis. Ik kan me voorstellen dat door de snelle verspreiding van nieuwe technologie, zoals de mobiele telefoon en internet, de periode van hoogconjunctuur wat langer duurt dan we gewend zijn. En ook andere ontwikkelingen kunnen ertoe leiden dat conjunctuurremmende knelpunten zich wat later voordoen dan in het verleden. Ik denk aan het betrekkelijk geringe beroep dat sommige snel groeiende sectoren doen op grondstoffen, op de verminderde noodzaak om grote voorraden aan te houden en aan de overvloed aan kapitaal die beschikbaar is, mede door de reductie van de overheidstekorten. Toch spelen, gelet op de gang van zaken in Japan, andere factoren blijkbaar evenzeer een rol.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.11">Eigenlijk past de economische ontwikkeling in de VS nog het beste bij de denkbeelden van de nieuwe economie, maar ook daar zijn enkele onevenwichtigheden te onderkennen. Dan denk ik vooral aan het enorme tekort op de lopende rekening – dat ligt inmiddels in dezelfde orde van grootte als het hele Nederlandse nationaal inkomen – in combinatie met een stijgende dollar. Je zou zeggen: dat moet een keer misgaan. Anderen hebben het ook gezegd. Ik hoor graag van de minister wat hij vindt van de idee van de nieuwe economie en of we naar zijn mening inderdaad in het recessieloze tijdperk zijn aangekomen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.12">In elk geval is lang niet iedereen overtuigd van dat laatste. Onder andere de Raad van State wijst op knelpunten op de arbeidsmarkt en de mogelijk daaruit voortvloeiende stijging van de loonkosten. Ook anderen noemen het risico van een oplopende inflatie, die zich geleidelijk begint af te tekenen in de prognoses. Dat gebeurt nog niet in de MEV, maar sinds die tijd zijn de looneisen duidelijk omhoog gegaan en is ook de dollar behoorlijk geapprecieerd. Beide verschijnselen hebben in beginsel een opwaarts effect op de inflatie. Hogere looneisen zullen de arbeidsinkomensquote ongetwijfeld verder doen stijgen. De MEV gaf daarvoor al een stijging aan. Bij een krappere arbeidsmarkt kun je dat ook gewoon verwachten. Bij de financiële beschouwingen in de Tweede Kamer deed de minister over deze gevaren tamelijk geruststellend. Is dat nog steeds zijn benadering of begint zich ook bij hem een lichte ongerustheid af te tekenen op dit punt? En zo ja, kan en moet er iets aan gedaan worden?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.13">Iemand die althans een half jaar geleden nog bepaald geen aanhanger was van de nieuwe economie, was minister-president Kok. Hij had het over een vulkaan, over een luchtbel en over sneeuwbaleffecten. Dat is andere koek dan de wolkenloze hemel van de nieuwe economie. De minister-president wees daarbij op de hoge koersen van aandelen en op de sterk gestegen huizenprijzen. Bij die stijgingen spelen reële factoren een belangrijke rol, maar zijn ook speculatieve ontwikkelingen te onderkennen. Reële factoren zijn de groei van de inkomens, de daling van de rente, de verbeterde winstgevendheid van het bedrijfsleven en de schaarste op sommige segmenten van de woningmarkt. Daarnaast doen de ruime mogelijkheden om geld te lenen hun invloed gelden. Ik zag laatst in een antwoord van de minister op vragen uit de Tweede Kamer dat de totale hypotheekschuld in Nederland inmiddels is opgelopen tot 520 mld. Dat is een stijging van ruim 60% in 5 jaar. Ik meen dat de heer Platvoet zo-even een ander cijfer noemde, maar misschien bestaan ook van de hypotheekschuld wel verschillende definities. Dat horen wij dan morgen wel. In ieder geval is 500 mld. niet niks. Die antwoorden dateerden van eind augustus, dus ik neem aan dat de hypotheekschuld de staatsschuld inmiddels al ruimschoots overtreft. Bovendien is er volgens het CBS vorig jaar voor 18 mld. meer aan hypothecaire leningen afgesloten dan nodig was voor de aankopen van onroerend goed. Delen de bewindslieden de mening van onze fractie dat hier toch wel enige reden is tot zorg?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.14">Ik ontkom niet aan de indruk dat de koersstijging van de aandelen speculatieve elementen bevat: de koersen stijgen omdat ze stijgen. Hiermee kom ik bij de tulpen van de heer Wöltgens terecht. Er is veel geld in de samenleving, dat een uitweg zoekt en vindt op de effectenbeurzen. Deze tendens kan overigens nog versterkt worden als wij de staatsschuld drastisch verminderen. Via allerlei constructies zoals groeiversnellers en wat dies meer zij, worden er ook nogal wat aandelen op krediet gekocht.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.15">Tegen deze achtergrond waarderen onze fracties het positief dat de regering de aftrekbaarheid van rente voor leningen die weinig met de aanschaf van een eigen huis te maken hebben, tracht de beperken. Daarnaast stellen wij met genoegen vast dat langzamerhand een of andere beperking van de aftrekbaarheid van de hypotheekrente, de "echte" hypotheekrente, uit de taboesfeer komt. Ik zal maar niet vragen hoe de bewindslieden hierover denken, want zolang zij deel uitmaken van dit kabinet, is het antwoord voorspelbaar.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.16">Over de ontwikkeling van de Nederlandse economie zijn er dus wel wat onzekerheden. Ook het Centraal planbureau heft een waarschuwende vinger. Op de bladzijden 18 en 21 van de macro-economische verkenning staat bijvoorbeeld dat een daling van de effectenkoersen en van de woningprijzen tot een vermindering van de economische groei met 0,25 tot 0,5% leidt. Het CPB voegt hier echter aan toe dat, wanneer deze ontwikkelingen samenhangen met een oplopende rente, wat ons geen onmogelijk samenloop lijkt, de negatieve effecten aanzienlijk groter zullen zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.17">Het geheel overziende kunnen onze fracties zich erin vinden dat er veiligheidshalve wordt uitgegaan van een behoedzaam scenario. Het verdelen van meevallers is voor een minister van Financiën, naar ik aanneem, heel wat aangenamer dan het voorstellen van ombuigingen bij een tegenvallende ontwikkeling. Deze instemming neemt niet weg dat hier, als ik het goed zie, toch wel een probleem ligt: de meevallers zitten als het ware ingebakken in de begroting, maar de uitgavenplafonds maken het moeilijk om de meevallers aan te wenden voor verbetering van de kwaliteit van de samenleving. Vanuit dit gezichtspunt is een tussentijdse herziening van het regeerakkoord, zoals door sommigen bepleit, niet verkeerd. Of zo'n midterm review leidt tot een midlifecrisis, zien wij dan wel.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.18">De overheid moet de komende tijd nogal wat investeren in infrastructurele werken. Het is naar onze mening verantwoord dat de overheid hiervoor geld leent. Ook toekomstige generaties mogen best meebetalen een hogesnelheidslijnen waarvan zij volop kunnen profiteren.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.19">In dit verband maak ik een opmerking over de zogenaamde PPS. Ik heb de aanloop van de discussie erover niet van nabij meegemaakt, maar ik kan mij voorstellen dat de invoering ervan mede werd ingegeven doordat de rijksoverheid krap in de financiële middelen zat. Als dat zo is, kan de PPS althans in financieel overzicht wat minder noodzakelijk worden nu de overheid duidelijk ruimer in de middelen komt te zitten. Is een herbezinning op dit punt daarom niet gewenst? Ik vraag dit mede in het licht van de kritische benadering van privatisering tijdens de algemene beschouwingen in deze Kamer. PPS is, hoe je het wendt of keert, een vorm van privatisering, die meestal gepaard gaat met vrij ingewikkelde constructies. Ik heb ergens in de stukken gelezen dat het departement al een hele tijd bezig is met het opzetten van een kenniscentrum. Een PPS kent ook zelden lagere financieringslasten. Bovendien vinden wij dat de openbare infrastructuur een kerntaak van de overheid is. Bij een sterke afhankelijkheid van PPS bestaat het gevaar dat maatschappelijk minder urgente projecten doorgaan terwijl urgentere projecten worden uitgesteld.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.1.20">Ik wacht met belangstelling de reactie van de bewindslieden af.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.2.1">Ik wens de heer Van Bruchem graag geluk met het houden van zijn maidenspeech. De heer Van Bruchem heeft een professionele achtergrond op het gebied van de landbouweconomie. Het is uit zijn eerste inbreng echter wel duidelijk dat zijn economische inzichten niet tot de landbouw zijn beperkt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.2.2">Het samengaan van de fracties van de RPF en het GPV heeft geleid tot een verdubbeling van het aantal leden ten opzichte van de oorspronkelijk samenstellende delen. Tot die verdubbeling heeft de heer Van Bruchem zich in zijn eigen woonplaats met de praktische, toegepaste politiek beziggehouden. Wonende in het dorp Bruchem maakte hij deel uit van de gemeenteraad van Kerkwijk, als fractievoorzitter. Dankzij deze Kamer is er in de Bommelerwaard een gemeentelijke herindeling totstandgekomen. Sinds 1 januari is hij lid van de gemeenteraad van Zaltbommel en daar wethouder.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.2.3">Mijn hartelijke gelukwensen met deze voortzetting van de politieke loopbaan.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-319-350.1.8.4.1">Het woord is aan de heer De Vries. Ook hij houdt zijn maidenspeech.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Van Kappen" MPid="03148" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2008-04-15" topic="Stand van de krijgsmacht/Buitenlandse Zaken/Defensie" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-1085-1100.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-1085-1100.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="25" number-of-words="3698" number-of-unique-words="1222" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van Kappen" MPid="03148"/>
                <speaker name="Hillen" MPid="02886"/>
                <speaker name="Vliegenthart" MPid=""/>
                <speaker name="Van Driel" MPid="03005"/>
                <speaker name="Kuiper" MPid=""/>
                <speaker name="Yildirim" MPid="03178"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is vervolgens aan de heer Van Kappen, die zijn maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2" speaker="Van Kappen" party="VVD" function="De heer" title="De heer Van Kappen  (VVD)" MPid="03148">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1" speaker="Van Kappen" function="De heer" MPid="03148">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Van Kappen (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Van Kappen</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.2">Voorzitter. U kunt zich misschien voorstellen dat het voor mij, gezien mijn achtergrond, een bijzondere gewaarwording is om hier te staan. Ik ben mijn hele leven op de een of andere manier bezig geweest met defensie en veiligheid, maar ik had nooit gedacht dat ik ooit een bijdrage zou mogen leveren aan een beleidsdebat over defensie in dit huis. Ik had ook nooit gedacht dat ik aan de regeringstafel de heer Van Middelkoop zou aantreffen. Ik herinner me nog dat wij een aantal jaren geleden na een bijeenkomst op Clingendael samen liepen te filosoferen over veiligheid, defensie en politiek. We waren het erover eens dat al onze goede ideeën nooit tot wasdom zouden kunnen komen, omdat wij niet in een positie verkeerden om daar echt iets aan te doen. Voor de heer Van Middelkoop is die situatie in ieder geval drastisch gewijzigd. Het bewijst maar weer dat je nooit "nooit" moet zeggen in dit leven.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.3">Voordat mijn betoog over defensie wat al te anekdotisch wordt, wil ik beginnen met iets wat wij allen delen en dat is de behoefte aan veiligheid. leder mens heeft immers behoefte aan zekerheid en geborgenheid voor zichzelf en voor zijn gezin. leder mens wil dat zijn kinderen opgroeien in een veilige en rechtvaardige samenleving. Iedere samenleving verwacht dan ook dat de overheid borg staat voor zekerheid, rechtvaardigheid en veiligheid. Het veiligheidsbeleid en daarvan afgeleid het defensiebeleid, is dan ook een kernverantwoordelijkheid van de overheid.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.4">Helaas is het zo dat we leven in een onzekere wereld die bovendien in een hoog tempo aan het veranderen is. Deze veranderingen zijn niet alleen maar positief. Dit laatste is zeker waar voor het internationale veiligheidsklimaat, dat gekenmerkt wordt door een verwarrende vermenging van traditionele en nieuwe veiligheidsrisico's en het vervagen van de traditionele grenzen tussen interne en externe veiligheid door wereldwijd optredende terroristische organisaties. Thematisch bezien, wordt het internationale veiligheidsklimaat beïnvloed door bloedige burgeroorlogen, falende staten, ernstige vormen van grensoverschrijdende criminaliteit en het catastrofaal terrorisme.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.5">De geopolitieke invalshoek levert weer andere gezichtspunten op. Zo krijgen we in de toekomst te maken met grote demografische veranderingen. De voorspelling van de VN is dat de wereldbevolking zal toenemen van de huidige 6,7 miljard mensen tot meer dan 9 miljard mensen in het jaar 2050. De bevolking van Europa, Rusland inbegrepen, krimpt en vergrijst echter. Het Europese aandeel in de wereldbevolking neemt af van ongeveer 11 % nu, tot 7% in 2050. De effecten van een verdergaande globalisering in combinatie met de steeds maar groeiende wereldbevolking, leidt tot schaarste aan grondstoffen en een stijgende energiebehoefte. Als de klimaatverandering doorzet, wordt de situatie nog nijpender. Het zal dan ook steeds moeilijker worden om de groeiende wereldbevolking te voeden. In het bijzonder de toegang tot drinkbaar water wordt dan een potentiële casus belli.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.6">Een toenemend aantal landen beschikt voorts over een aanzienlijk militair potentieel. De proliferatie van technische kennis brengt het risico met zich dat een aantal van deze landen op de middellange termijn zal beschikken over massavernietigingswapens en de middelen om deze in te zetten op de middel- en lange afstand.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.7">De combinatie van thematische en geopolitieke gezichtspunten levert een beeld op van een onoverzichtelijk en onvoorspelbaar veiligheidsklimaat. We zullen moeten leren omgaan met onzekerheid. Immers, de enige constante factor in de complexe veiligheidsvergelijking is dat alles constant verandert. Het te veel sturen op "dagkoersen" is een recept voor mislukking. Uiteraard moeten we leren van operaties zoals in Afghanistan, maar het volgende conflict kan echt totaal anders zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.8">Een complicerende factor is dat onze traditionele instrumenten en organisaties om internationale vrede en veiligheid te garanderen en de internationale rechtsorde te handhaven, zoals de VN, de NAVO en de EU, onvoldoende in staat zijn gebleken om met de veranderde omstandigheden om te gaan. Het visionaire beeld van de VN als een organisatie die ons vrede, veiligheid en rechtvaardigheid zou brengen, is grotendeels verdampt tijdens de slachtpartijen in Somalië, Rwanda en Bosnië. Het gebleken onvermogen van de VN om conflicten in het hogere deel van het geweldsspectrum te voorkomen of te beteugelen, heeft het aanzien van de VN aanzienlijk geschaad; te vaak heeft de Veiligheidsraad gefaald om een werkbaar mandaat af te geven en te vaak heeft de VN als organisatie gefaald om conflicten te beheersen en een blijvende vrede te bewerkstelligen. Het ziet er helaas niet naar uit dat de VN binnen een afzienbare termijn zodanig kan worden getransformeerd, dat de huidige beperkingen van het systeem worden opgeheven.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.9">De NAVO heeft dringend behoefte aan een nieuw operationeel concept om de organisatie aan te passen aan de gewijzigde politieke en operationele omgeving. Erg veel schot zit daar momenteel niet in. De belangrijkste reden is het verschil in visie tussen de diverse lidstaten over de vraag wat voor organisatie de NAVO nu eigenlijk moet zijn. Gezien de magere resultaten van de recente NAVO-top in Boekarest is de vraag gerechtvaardigd of de NAVO-lidstaten in de huidige complexe en diffuse veiligheidssituatie de noodzakelijke onderlinge solidariteit en politieke wil kunnen opbrengen om de politieke, militaire en morele last met elkaar te delen. De problemen om in de behoefte aan troepen in Afghanistan te voorzien en om de NATO Response Force te vullen, beloven in ieder geval niet veel goeds.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.10">De EU heeft slechts een zeer bescheiden militaire structuur. Eigenlijk kan Europa realistisch gezien slechts ongeveer 150.000 man op de been brengen voor expeditionaire operaties. Dat houdt in dat Europa op permanente basis slechts 50.000 man kan leveren voor crisisbeheersings- en vredesondersteunende operaties. Ook van taakspecialisatie tussen de gelijkgestemde landen in Europa valt voorlopig niet veel te verwachten. Taakspecialisatie heeft namelijk alleen kans van slagen op communautaire basis, dus pas als het EVDB er daadwerkelijk is; en dat moment ligt nog ver achter de tijdshorizon. Het komt er dus op neer dat de EU slechts beperkte operaties kan uitvoeren in het lage en middelste gedeelte van het geweldsspectrum. Veel meer dan dat zit er voorlopig echt niet in.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.11">Dat is de trieste werkelijkheid. Europa is op het gebied van veiligheid en defensie een dwerg en blijft naar het oordeel van de VVD-fractie voor de voorzienbare termijn op veiligheidsgebied strategisch afhankelijk van de VS. Tijdens de algemene politieke beschouwingen heeft mijn fractievoorzitter de heer Rosenthal ook al onderstreept dat het handhaven van de trans-Atlantische band van levensbelang is voor Europa. Gaarne verneemt de VVD-fractie de visie van de minister op de strategische relatie tussen Europa en de VS.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.12">Indien de bovengenoemde internationale ontwikkelingen worden vertaald naar de Nederlandse situatie, tekenen de contouren voor het Nederlandse veiligheids- en defensiebeleid zich af. Hoewel na het ineenstorten van het Warschaupact de integriteit van het Nederlandse grondgebied niet direct wordt bedreigd en Nederland als lid van de NAVO opereert vanuit een betrekkelijk veilige positie, kunnen ontwikkelingen aan de rand van Europa, maar ook verder weg, direct van invloed zijn op de welvaart en de stabiliteit van onze Westerse gemeenschap en dus ook op de welvaart en stabiliteit van Nederland. Het externe veiligheidsbeleid kan zich dus niet beperken tot de directe omgeving, maar behoeft een bredere mondiale blik. Dit houdt in dat ons veiligheidsbeleid als onderdeel van ons buitenlandbeleid en daarmee ons politieke ambitieniveau op het gebied van defensie, niet in isolement kan worden bepaald.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.13">De contouren van het veiligheids- en defensiebeleid geven aan dat het onduidelijk is waar en wanneer toekomstige operaties zich zullen afspelen. Wel is het duidelijk dat operaties zich over het algemeen zullen afspelen op grote afstand van Nederland en in wisselende bondgenootschappelijke verbanden. De reactietijd voor ingrijpen is normaliter beperkt en de politieke en militaire risico's zijn wisselend, maar over het algemeen hoger dan in het recente verleden. Vast staat dat Nederland voor wat betreft het te voeren veiligheidsbeleid rekening moet houden met een grote onvoorspelbaarheid. In een recent verschenen boek, geschreven door een vijftal voormalige topmilitairen getiteld Towards a Grand Strategy for an Uncertain World, wordt dit dilemma als volgt omschreven: To be prepared for what cannot be predicted is going to be one of the foremost challenges in the years ahead.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.14">Het profiel van de Nederlandse krijgsmacht wordt in feite bepaald door de geschetste situatie. Een traditioneel planningsmodel, gebaseerd op "De Dreiging", is gezien het diffuse en onvoorspelbare dreigingsbeeld absoluut kansloos. De beste manier om te plannen voor een dergelijke fluïde situatie is om een zogeheten "capability based"-planningsmodel te hanteren; en dat is nu precies wat Nederland al snel na het vallen van de muur heeft gedaan. Op basis van dit planningsmodel werd een nieuw profiel voor de krijgsmacht vastgesteld. Sinds de Prioriteitennota van 1993 is de Nederlandse krijgsmacht in een aantal stappen getransformeerd van een vrij statische op de dienstplicht gebaseerde krijgsmacht, uitsluitend gericht op het afslaan van een Sovjetaanval op West-Europa in NAVO-verband, tot een zeer flexibele, moderne, expeditionaire en modulair opgebouwde beroepskrijgsmacht met een hoge paraatheid, een grote tactische mobiliteit en het vermogen om onder diverse klimatologische en geografische omstandigheden en in een complexe operationele en politieke omgeving op te treden. Door de modulaire opbouw is de krijgsmacht bovendien in staat om hoogwaardige modules aan te leveren die ingepast kunnen worden in wisselende bondgenootschappelijke verbanden die kunnen opereren in het hele geweldsspectrum.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.15">De VVD-fractie is van mening dat het destijds gekozen profiel van de krijgsmacht de juiste keus is, was en blijft. Deze keus uit het verleden heeft geresulteerd in een Nederlandse krijgsmacht die internationaal groot aanzien geniet. Dit geeft ons ook een stem die gehoord wordt in de belangrijkste internationale fora. Gaarne verneemt de VVD-fractie van de minister of hij van mening is dat het profiel van de huidige krijgsmacht voldoet dan wel dat hij voornemens is om, gedwongen door geldgebrek of om andere redenen, dit profiel te wijzigen. We mogen echter niet vergeten dat het transformatieproces van de krijgsmacht in eerste instantie vrij snel kon worden doorgevoerd omdat het gefinancierd werd door de krijgsmacht aanzienlijk te verkleinen en grote hoeveelheden materieel af te stoten en te verkopen. In feite werd het transformatieproces door Defensie endogeen gefinancierd. Defensie werd in het verleden bovendien nauwelijks gecompenseerd voor prijsstijgingen en Defensie moest ook steeds meebetalen aan algemene budgettaire maatregelen. In feite heeft Nederland dus zonder extra geld en in betrekkelijk korte tijd een moderne expeditionaire krijgsmacht opgebouwd die er toe doet en waar veel landen met bewondering naar kijken.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.16">Het staat voor de VVD-fractie echter als een paal boven water dat we de effectieve krijgsmacht die we hebben opgebouwd niet in stand kunnen houden met een al maar dalend defensiebudget. Het defensiebudget als percentage van het bnp is namelijk sinds 1991 tot op heden constant gedaald, van ongeveer 2,8% van het bnp in 1991 tot 1,4% van het bnp aan het begin van deze regeerperiode. Zoals gezegd, zal aan het einde van deze regeerperiode het percentage verder zijn gedaald tot 1,2% van het bnp. Vasthouden aan het profiel wordt hierdoor steeds moeilijker, ook al omdat er steeds vaker een beroep wordt gedaan op de krijgsmacht.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.17">Daarbij komt dat de defensiebegroting voor een belangrijk deel wordt gedomineerd door kosten voor personele exploitatie en pensioenen en wachtgelden die samen meer dan 50% van het budget in beslag nemen. Daar komt nog bij dat de doorlooptijd voor de invoering van defensiesystemen vrij lang is. Dit soort systemen is nu eenmaal niet van de plank te koop en er zijn vaak complexe logistieke en personele consequenties aan verbonden voordat deze systemen op een verantwoorde wijze kunnen worden ingezet. Dit houdt in dat de financiële verplichtingen van Defensie voor meer jaren vastliggen en er niet veel ruimte is om tegenvallers op te vangen. Bij ieder nieuw kabinet moest Defensie maar afwachten hoeveel geld er ter beschikking werd gesteld voor de defensiebegroting. Sinds 1991 werd er iedere keer opnieuw gesneden in de defensiebegroting; en omdat er echt geen overtollig materieel meer viel te verkopen, moest er gesneden worden in waardevolle operationele capaciteit. In een aantal gevallen werd zelfs noodgedwongen overgegaan tot amputatie en werd met het pistool op de borst overgegaan tot het afstoten van een volledige capaciteit. Een voorbeeld hiervan is het opheffen van onze volledige capaciteit aan lange afstand Orionpatrouillevliegtuigen. We zijn niet alleen de vliegtuigen kwijt, maar ook de technische en operationele kennis is verloren gegaan. Het afstoten van capaciteit is snel gedaan, maar het weer opbouwen van de technische en operationele expertise is uiterst kostbaar en duurt vele jaren.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.18">Ook in deze kabinetsperiode zien wij weer hetzelfde patroon. De minister is content met het feit dat er 500 mln. is vrijgemaakt voor Defensie. Ik begrijp eigenlijk niet waarom, omdat deze 500 mln. is opgebracht door de verkoop van het marinevliegkamp Valkenburg en defensiematerieel; wederom dus sigaren uit eigen doos. Bovendien is de helft van dit bedrag, 250 mln., bestemd om de kosten te dekken voor het deelnemen aan vredesondersteunende operaties. Onze deelname wordt dus gedeeltelijk betaald door verkoop van de inboedel. Ook de extra 100 mln. die via de motie-Van Geel werd toegezegd en de toezegging aan de VVD-fractie in de Tweede Kamer dat de verlenging van de missie in Uruzgan niet zal worden gefinancierd door de krijgsmacht verder uit te hollen, bieden volgens de VVD-fractie geen structurele oplossing. Eigenlijk is Defensie financieel al door de bodem gezakt: het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht is slechts beperkt; operationele verliezen kunnen maar voor een deel worden gecompenseerd; het kost grote moeite om de investeringsquote van 20% in stand te houden; wapensystemen zijn niet inzetbaar door tekorten aan reservedelen; schietoefeningen kunnen niet kunnen doorgaan door tekorten aan munitie; er is onvoldoende geld uitgetrokken voor het personeel dat de krijgsmacht in groten getale de rug toekeert. Ik kan nog wel even doorgaan met deze opsomming, maar de VVD-fractie is van mening dat wij niet kunnen doorgaan op deze weg.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.19">De kernvraag is natuurlijk hoeveel van onze welvaart wij willen besteden aan onze veiligheid en in hoeverre wij bereid zijn om anderen in de wereld te helpen om een veilige en rechtvaardige samenleving op te bouwen. Voor Ontwikkelingsamenwerking (OS), eveneens een belangrijk instrument hiertoe, is deze vraag duidelijk beantwoord. Nederland besteedt 0,8% van het bnp aan ontwikkelingssamenwerking. Dat is ruim boven de internationaal vastgestelde norm van 0,7%. Voor defensie ligt het echter totaal anders. Nederland haalt bij lange na niet de norm van 2% van het bnp die door de NAVO wordt gehanteerd voor de defensie-uitgaven. Nederland voldoet ook niet aan de daaronder liggende NAVO-norm dat in ieder geval de dalende lijn van het defensiebudget moet worden omgebogen naar een stijgende lijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.20">De VVD-fractie realiseert zich maar al te goed dat de omvang van onze bijdrage het resultaat is van een politieke afweging tussen het belang van het beleidsterrein veiligheid en dat van andere beleidsterreinen. Een redelijk uitgangspunt is naar het oordeel van de VVD-fractie echter dat onze bijdrage een afspiegeling moet zijn van onze financiële en economische draagkracht ten opzichte van andere gelijkgestemde landen. Nederland is een zeer welvarend land en die draagkracht is dus aanzienlijk. De Nederlandse samenleving is echter voor het handhaven van het hoge welvaartsniveau sterk afhankelijk van de internationale handel. Als welvarende handelsnatie met een lange democratische traditie heeft Nederland er dus belang bij om naast het handhaven van de integriteit van het grondgebied van het Koninkrijk, eveneens een zinvolle bijdrage te leveren aan de inspanningen van de internationale gemeenschap om de internationale rechtsorde te handhaven en vrede en veiligheid in de wereld te bevorderen. Overigens is dit ook vastgelegd in art. 90 van onze Grondwet.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.21">De VVD-fractie is van mening dat de dalende lijn van de Defensiebegroting moet worden omgebogen naar een stijgende lijn. De VVD-fractie pleit voor een systeem waarin het defensiebudget bestaat uit twee delen. Een deel van het defensiebudget betreft de kosten voor de defensieorganisatie zonder dat eenheden zijn ingezet. In dit deel zijn tevens de noodzakelijke investeringen opgenomen die nodig zijn om de defensieorganisatie ook in de toekomst relevant te houden. Wat dit kost, is vrij eenvoudig te berekenen. Dit deel zou in ieder geval volledig geïndexeerd moeten zijn en bovendien voor een langere periode gekoppeld moeten worden aan het bnp. Dit doet recht aan het principe dat Nederland een defensie-inspanning levert die, evenals onze inspanning op het gebied van Ontwikkelingssamenwerking, in relatie staat tot onze draagkracht die afgemeten wordt aan het bnp. Ik verwijs in dit verband naar het feit dat bijvoorbeeld ook Australië het defensiebudget voor een langere periode heeft gekoppeld aan het bnp.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.22">Het tweede deel van het defensiebudget is bestemd om de kosten voor de daadwerkelijke inzet van de eenheden te betalen. In feite gaat het hierbij om een verbeterde versie van het HGIS-budget. Dit deel van het defensiebudget is afhankelijk van de aard en het aantal operaties waaraan wordt deelgenomen en dient tevens ter compensatie van oorlogsverliezen, maar ook om de door militairen te verrichten activiteiten in het civiele domein te betalen die noodzakelijk zijn om een bestendige vrede te creëren. In het kader van de 3D-benadering bij vredesondersteunende operaties ligt een bijdrage van Ontwikkelingssamenwerking aan dit deel van het budget naar het oordeel van de VVD-fractie in de rede. Er zijn meerdere elementen van militaire ondersteuning die binnen de ODA-normen passen. In dit verband denkt de VVD-fractie onder meer aan het bekostigen van de Security Sector Reform, afgekort SSR, door Ontwikkelingssamenwerking. De SSR is immers een absolute noodzaak indien men een blijvende vrede wil bewerkstelligen in een conflictgebied. Het trainen van de politie in het inzetgebied valt al onder de ODA-normen, maar het trainen van militaire eenheden tot nu toe niet.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.23">De bovengrens van de totale defensiebegroting, dus de som van de twee delen, zou 2% van het bnp moeten bedragen. Graag verneemt de VVD-fractie de mening van de minister over dit voorstel.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.24">Investeren in onze veiligheid vereist een brede mondiale blik en een langere tijdshorizon dan de gemiddelde regeerperiode. Het is hoog tijd dat wij het eens worden over het ambitieniveau voor de wat langere termijn. Een hoog ambitieniveau van de regering, gekoppeld aan een krachteloze krijgsmacht die niet veel kan, geeft immers problemen. Een laag ambitieniveau van de regering, gekoppeld aan een krachtige krijgsmacht die heel veel kan, geeft eveneens problemen. Het vinden van de juiste balans is de grote uitdaging waar wij voor staan.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.25">De regering onderkent dit feit weliswaar en heeft op 5&#160;maart van dit jaar een interdepartementaal project gestart om verkenningen uit te voeren naar de toekomst van de krijgsmacht en het niveau van de defensiebestedingen op de langere termijn. Het probleem is echter dat de regering al heeft besloten om het defensiebudget gedurende deze regeerperiode te reduceren van het huidige niveau van 1,4% van het bnp, tot 1,2% van het bnp aan het einde van deze regeerperiode. De VVD-fractie vindt dit onjuist. Er moet ook nu al worden opgetreden om het verval van de krijgsmacht te stoppen. De VVD-fractie pleit er dan ook voor om in ieder geval het defensiebudget op het huidige niveau van 1,4% van het bnp te handhaven, totdat uitvoering kan worden gegeven aan de uitkomst van het project "Verkenningen, houvast voor de krijgsmacht van 2020". Is de minister bereid om zich hiervoor in te spannen binnen het kabinet?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.1.26">De boodschap van de VVD-fractie is in ieder geval duidelijk. Wij vinden dat het ambitieniveau van Nederland in relatie moet staan tot onze draagkracht en ons nationaal belang. Met dat als uitgangspunt kan onze bijdrage, gezien de omvang van onze economie en ons welvaartsniveau, per definitie geen geringe zijn. De roze bril moet af en de dalende lijn van het defensiebudget moet worden omgebogen in een stijgende lijn.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.2.1">Mijnheer Van Kappen, ik wil u van harte feliciteren met uw maidenspeech over een thematiek die geheel en al uw professie betreft. U bent militair in hart en nieren, gestart met een officiersopleiding aan het Koninklijk Instituut voor de Marine in Den Haag en aan het U.S. Naval War College in Newport in de Verenigde Staten. Vervolgens bent u beroepsmilitair geweest in diverse functies. Zo was u officier bij het Korps Mariniers en voorts bij twee brigades in achtereenvolgens het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. U bent stafofficier geweest bij nationale en internationale strijdkrachten, zoals bij het hoofdkwartier van het Korps Mariniers in Rotterdam, de Marinestaf in Den Haag, de NAVO-hoofdkwartieren in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Van 1992 tot 1995 was u brigadegeneraal en commandant van de Nederlandse strijdkrachten in het Caribisch gebied. Hiermee is overigens tevens uw vicevoorzitterschap van de vaste Eerste Kamercommissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken nader toegelicht. Daarna was u in de rang van generaal-majoor militair adviseur van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in New York op het gebied van vredesoperaties.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.2.2">Hoewel uw militaire loopbaan inmiddels is beëindigd, bent u nog steeds actief op dat terrein. Zo vervult u sinds 1999 een beleidsadviesfunctie bij TNO, bent u sinds 2003 adviseur van de NAVO en sinds 2004 adviseur bij het The Hague Centre for Strategic Studies. Ook bent u voorzitter van de raad van toezicht van het International Security Experimentation and Transformation Institute. Wellicht ten overvloede merk ik op dat vanwege uw deskundigheid veelvuldig een beroep op u wordt gedaan door journalisten en u regelmatig wordt uitgenodigd in televisieprogramma's als Netwerk en NOVA.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.2.3">In een interview met het blad Provincie &amp; Gemeente van uw partij, de VVD, motiveerde u uw lidmaatschap voor deze Kamer met uw dienstbaarheid aan Nederland en het Nederlands belang. Zoals u jarenlang heeft gehandeld als militair in het verlengde van de politiek, zo wilt u dat nu doen als politicus in de Eerste Kamer in het verlengde van uw werkend leven tot nu toe: met moed, loyaal, vasthoudend aan uw principes en, zoals de wapenspreuk van het Korps Mariniers luidt, "Qua Patet Orbis"; voor de niet-latinisten onder ons: "Zo wijd de wereld strekt".</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.2.4">Mijnheer Van Kappen, dit, alsmede uw geweldige kennis en ervaring, vormt een verrijking voor onze Kamer en maakt u meer dan welkom. Ik wens u van harte alle succes bij uw werkzaamheden in dit huis. De vergadering wordt een enkele minuut geschorst om ook de collegae de gelegenheid te geven om u te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-1085-1100.1.2.4.1">Het woord is aan de heer Hillen, die eveneens zijn maidenspeech zal houden.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Van Kappen, ik wil u van harte feliciteren met uw maidenspeech over een thematiek die geheel en al uw professie betreft. U bent militair in hart en nieren, gestart met een officiersopleiding aan het Koninklijk Instituut voor de Marine in Den Haag en aan het U.S. Naval War College in Newport in de Verenigde Staten. Vervolgens bent u beroepsmilitair geweest in diverse functies. Zo was u officier bij het Korps Mariniers en voorts bij twee brigades in achtereenvolgens het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. U bent stafofficier geweest bij nationale en internationale strijdkrachten, zoals bij het hoofdkwartier van het Korps Mariniers in Rotterdam, de Marinestaf in Den Haag, de NAVO-hoofdkwartieren in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Van 1992 tot 1995 was u brigadegeneraal en commandant van de Nederlandse strijdkrachten in het Caribisch gebied. Hiermee is overigens tevens uw vicevoorzitterschap van de vaste Eerste Kamercommissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken nader toegelicht. Daarna was u in de rang van generaal-majoor militair adviseur van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in New York op het gebied van vredesoperaties.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Van Raak" MPid="03035" party="SP" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2003-11-11" topic="Algemene financiële beschouwingen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-271-325.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-271-325.1.6" which-speech-in-topic="5" number-of-paragraphs="3" number-of-words="2818" number-of-unique-words="872" number-of-interruptions="3">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van Driel" MPid="03005"/>
                <speaker name="Terpstra" MPid="02811"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Biermans" MPid="03003"/>
                <speaker name="Van Raak" MPid="03035"/>
                <speaker name="Schuyer" MPid="02870"/>
                <speaker name="Van Middelkoop" MPid=""/>
                <speaker name="Zalm" MPid="01630"/>
                <speaker name="Wijn" MPid="02249"/>
                <speaker name="Van Driel" MPid="03005"/>
                <speaker name="Terpstra" MPid="02811"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Biermans" MPid="03003"/>
                <speaker name="Van Raak" MPid="03035"/>
                <speaker name="Schuyer" MPid="02870"/>
                <speaker name="Zalm" MPid="01630"/>
                <speaker name="Wijn" MPid="02249"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Mijnheer Biermans, ik had al eerder een gelukswens aan uw adres voorbereid in verband met uw maidenspeech. Dat was bij de openbare behandeling van de eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001. U besloot toen om af te zien van het voeren van het woord. U begrijpt dat dit voor deze Kamervoorzitter een bittere teleurstelling was. Vandaag is het er gelukkig van gekomen.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-271-325.1.6" speaker="Van Raak" party="SP" function="De heer" title="De heer Van Raak  (SP)" MPid="03035">
                    <speech party="SP" docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.1" speaker="Van Raak" function="De heer" MPid="03035">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Van Raak (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Van Raak</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.1.2">Mevrouw de voorzitter. Helaas mocht ik de heer Terpstra en de heer Biermans, die ik beiden van harte feliciteer met hun maidenspeech, niet interrumperen. Ik hoop dat in de tweede termijn goed te maken. Tijdens de algemene beschouwingen in deze Kamer strooide mijn fractievoorzitter kwistig met gevulde koeken. Ik zag de minister van Financiën toen al fronsen en zich afvragen waar de dekking bleef. Dat fronsen deed hij nog veel dieper bij tal van andere voorstellen die hier door de verschillende fracties werden voorgelegd. In gedachten zag ik de minister al uitrekenen of Bruin dat wel allemaal kon trekken. Daarvoor is hij echter minister van Financiën. Ik ben gehouden om namens mijn fractie aan de mensen die ik vertegenwoordig, uit te leggen dat wij hier in de Kamer en vooral zij daar van het kabinet zuinig en verstandig omgaan met het geld dat wij met ons allen verdienen. Daarom wil ik de minister vandaag een aantal vragen voorleggen die mensen mij de afgelopen weken hebben gesteld.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.1.3">Een van die vragen is hoe het kan dat wij zo rijk zijn en toch zo veel te kort komen. Met ongeveer 16 miljoen Nederlanders slagen wij erin om volgend jaar 468 mld euro te produceren. De afgelopen tien jaar zijn wij met z'n allen twee keer zo rijk geworden. De minister weet daar natuurlijk alles van, want hij is sinds 1994 de financiële huisvader van Nederland. Een aanzienlijk deel van de grote rijkdom die wij hebben, geven wij aan de overheid. Volgend jaar gaat het daarbij om ruim 176 mld euro. Wij doen dat in de overtuiging dat de overheid dat geld op een efficiënte manier investeert in een fatsoenlijke en leefbare samenleving. Veel burgers kunnen maar moeilijk begrijpen dat wij met al dat geld niet uitkomen. Met ons denken zij dat het hoofdprobleem niet is dat wij te weinig geld hebben, maar vooral dat wij het verkeerd uitgeven. De komende jaren wil de minister met zijn bezuinigingen records breken. Als belangrijkste redenen voor deze bezuinigingen noemt het kabinet de slechte economische vooruitzichten en de vergrijzing van de Nederlandse bevolking. Als wij nu niet hard ingrijpen, zo lees ik in de miljoenennota, dan steken wij ons te veel in de schulden. Nu is schulden maken niet het eerste waar socialisten, althans niet de socialisten van mijn kleur, aan denken als het gaat om het opbouwen van een fatsoenlijke samenleving. Je kunt alleen geld uitgeven, als je zeker weet dat je het ook kunt terugverdienen. Op de pof leven is een zeer gevaarlijke zaak. Dat leerde mijn moeder mij al. Nu tekorten dreigen, moeten wij met de minister gaan bekijken waar het minder kan. Zuinigheid is trouwens bepaald geen rechtse eigenschap. Integendeel, zou ik zelfs zeggen. Vandaar dat de SP gaat pleiten voor zeer forse ingrepen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.1.4">Een ander socialistisch principe is dat de overheid alleen geld mag vragen, als zij het echt nodig heeft. Zuinig zijn is echter iets anders dan gierig zijn. Gierig is een minister die op geld gaat zitten dat beter geïnvesteerd kan worden in bijvoorbeeld zieken en werklozen. Mijn fractie wil, ook als de economie even wat minder snel groeit, niet bezuinigen op de mensen die de hulp het hardste nodig hebben en die bovendien – daar is al aan gerefereerd – in het afgelopen decennium van economische voorspoed het minst hebben mogen meedelen in de sterke groei. Juist in slechte economische tijden meet mijn fractie de beschaving af aan de zorgvuldigheid waarmee wij omgaan met de zwakkeren. Om deze reden moet zij de voorgenomen bezuinigingen dan ook afdoen als onbeschaafd. Ik kan niet instemmen met de typering van de heer Terpstra dat het beleid degelijk en sociaal is. De voorstellen die nu voor ons liggen, kunnen onze steun dan ook niet krijgen. De keuzes van dit kabinet betekenen namelijk dat zieken en bejaarden niet meer gewassen worden, minder eten krijgen en onder de misleidend vrolijke term van pyjamadagen in bed moeten blijven. Dit kabinet wil dat de chronisch zieken, mensen met de zwakste schouders, de zwaarste lasten gaan dragen. Met bezuinigingen op het conto van ouderen en zieken zal mijn fractie echter niet instemmen. Terecht zullen de minister en de staatssecretaris ons dan vragen hoe wij de dekking regelen. Onze bezuinigingen zullen niet alleen anders zijn, maar zij zullen ook lager zijn.</p>
                    </speech>
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.2" speaker="Terpstra" function="De heer" MPid="02811">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Terpstra (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Terpstra</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.2.2">Die bezuinigingen gaan in 2004 in. Daarom wil ik de heer Van Raak vragen hoe het kan dat die problemen er nu al zijn.</p>
                    </speech>
                    <speech party="SP" docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.3" speaker="Van Raak" function="De heer" MPid="03035">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Van Raak (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Van Raak</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.3.2">Dat is een heel goede vraag. In die zin ben ik het ook met u eens, als u het kabinetsbeleid continu noemt. Er zit een heel grote continuïteit in het beleid dat de afgelopen twintig jaar is gevoerd door verschillende liberale partijen, zoals de VVD, de LPF, D66, het CDA en de PvdA. Dat zijn allemaal partijen die de afgelopen twintig jaar een liberaal bezuinigingsbeleid hebben gesteund. Door die continuïteit zitten wij nu met heel veel sociale problemen. Met de helft van uw typering, namelijk dat het een continu beleid is, kan ik instemmen, maar niet met de typering dat het een sociaal beleid is.</p>
                    </speech>
                    <speech party="D66" docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.4" speaker="Schuyer" function="De heer" MPid="02870">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Schuyer (D66)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Schuyer</naam>
                                <partij>D66</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.4.2">Ik vind het best als u ons vergelijkt met andere partijen, maar liever niet met de LPF.</p>
                    </speech>
                    <speech party="SP" docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.5" speaker="Van Raak" function="De heer" MPid="03035">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Van Raak (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Van Raak</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.5.2">Waar het gaat om het sociaal-economisch beleid, kan ik niet zo veel verschillen vinden. Hopelijk komt u daar in uw eigen termijn nog even op terug.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.5.3">Onze bezuinigingen zullen dus niet alleen anders zijn, maar zij zullen ook lager zijn. Als wij zouden moeten besluiten tot maatschappelijk onverantwoorde bezuinigingen, dan zou het voor ons tijd worden – de minister moet niet schrikken – om bij de bank langs te gaan. Zoals gezegd, houden wij er niet van om op de pof te leven. Wij zouden echter wel bij de bank langs gaan om voldoende te kunnen blijven investeren in de toekomst. De heer Platvoet refereerde hier al aan. Wezenlijk is immers niet de vraag of wij veel kunnen lenen, maar of wij kunnen terugbetalen. Dat is ook precies waar de bank altijd naar kijkt. Daarom hebben de rijkste huishoudens ook vaak de hoogste schulden, de hoogste hypotheken en de hoogste leningen. Arme mensen daarentegen hebben over het algemeen veel minder schuld, want dat kunnen zij zich niet eens permitteren. Deze vuistregel geldt trouwens ook voor landen: hoe armer het land, des te kleiner meestal de staatsschuld. Precies daarom hebben bijvoorbeeld de Verenigde Staten met de sterkste economie ter wereld veruit de grootste staatsschuld. In dit licht vraag ik de minister of onze aflossingscapaciteit wezenlijk wordt aangetast als wij het begrotingstekort nu tijdelijk wat verder laten oplopen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.5.4">Wij moeten zuinig zijn. Voor elke belastingeuro moet immers worden gewerkt. Kan de minister uitleggen waarom hij in de paarse jaren heeft toegestaan dat de vele extra miljarden die de overheid toen binnenkreeg, werden weggegeven aan mensen die het geld niet nodig hadden? De heren Van Driel en Platvoet hebben hier al op gewezen. Waarom werden de geldkranen die wij nu hard nodig hebben, toen dichtgedraaid, zoals die van de vermogensbelasting, of deels dichtgedraaid, zoals die van de vennootschapsbelasting of de inkomstenbelasting? Die zouden wij nu wel weer kunnen gebruiken. Hieraan gekoppeld vraag ik de minister of hij het niet redelijk zou vinden om aan de mensen die toen het meeste hebben geprofiteerd, nu de grootste bijdrage te vragen, bijvoorbeeld door belastingen op een aantal plekken opnieuw in te voeren of te verhogen. Als je kunt kiezen tussen de AOW van iemand die het daarmee moet zien te rooien, of het salaris van een ruimbetaalde diskjockey en als je kunt kiezen tussen het op tijd wassen van een oudere of zieke in een verpleegtehuis en het onderwijzen van onze kinderen of vermogens die veel te groot zijn om in een mensenleven op te maken, wat maakt het dan zo moeilijk om te kiezen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.5.5">De rijken worden rijker en de armen worden armer. Het is als altijd. De familie Brenninkmeijer, de rijkste familie van Nederland, is vorig jaar een kwart rijker geworden, evenals gemiddeld alle andere gezinnen in de top 500 van de Quote. De minister weet dat veel armere gezinnen er de afgelopen twintig jaar van economische groei fors op achteruit zijn gegaan. Hij noemt trouwens niet alleen de geringe economische groei, maar vooral ook de vergrijzing als reden voor de voorgestelde bezuinigingen. Zelf heb ik daar geen probleem mee. Ik heb er geen probleem mee dat ik mogelijk ouder word dan mijn vader. Ook vind ik het niet erg dat ik veel meer verdien dan mijn vader, dat ik een veel betere opleiding heb genoten en dat doktoren nu veel beter in staat zijn om mijn gezondheid in de gaten te houden. De minister noemt de vergrijzing echter een tijdbom onder de samenleving. Ik kijk hierbij even rond hier in de Kamer. Roep de AIVD dus maar. Ook de heer Terpstra maakt zich druk om de vergrijzing. Wij vinden, met permissie, de vergrijzing geen ramp, maar een zegen. Wij hebben er in dit land met z'n allen erg hard voor gewerkt om ouder te kunnen worden. Wij hebben met z'n allen ook stevig gespaard en geïnvesteerd in onze oude dag. De minister weet dat de pensioenfondsen meer dan 100% van wat wij met z'n allen in een jaar verdienen, aan reserves hebben. Frankrijk, Duitsland en Italië komen niet verder dan ongeveer 10%. De minister moet het met mij eens zijn dat onze concurrentiepositie ook hier zeer gunstig is en dat de vergrijzing geen financieel probleem, maar vooral een maatschappelijke zegen is.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.5.6">De minister klaagt dat de zegening van een hogere leeftijd gepaard gaat met meer kosten voor de zorg. Ik kan hem echter geruststellen, want ook hier is onze concurrentiepositie zeer rooskleurig. Wij worden met z'n allen niet alleen veel ouder dan in de meeste andere landen, maar wij blijven ook veel langer gezond. Ook hier doen wij het niet zo slecht als de minister ons wil doen geloven. Een probleem waar ik op wil wijzen, is dat mensen met een lager inkomen en met een lagere opleiding een minder hoge levensverwachting hebben. In deze mensen is het dus erg goed investeren. Ook in de zorg kunnen wij de concurrentie aan, als wij bereid zijn om te investeren. Nederland geeft ongeveer 10% van zijn BBP uit aan gezondheidszorg, terwijl een nog weinig vergrijsd land als de Verenigde Staten hier 14% aan uitgeeft. Amerika heeft een goede gezondheidszorg voor mensen met veel geld en een zeer slechte gezondheidszorg voor mensen met weinig geld. Bovendien, zo weet de minister, ontstaat de grootste toename van kosten in de gezondheidszorg niet door toename van onze leeftijd, maar vooral door uitbreiding van de mogelijkheden. Dus ook dit lijkt mij een zeer goede investering.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.5.7">Het huishouden Nederland is rijker dan ooit. Het probleem is dan ook niet een gebrek aan rijkdom, maar een slechte verdeling en – dat ben ik met de minister eens – een tijdelijk stagnerende economische groei. Zoals gezegd, zien ook wij daarom de noodzaak van bezuinigingen. Een kabinet met de SP zou echter andere keuzes maken. Bezuinigingen op zorg, onderwijs en openbaar vervoer hebben niet onze eerste prioriteit. Wij kunnen met een veel kleiner leger en wij betalen niet mee aan de JSF-bommenwerpers. Ook leggen wij minder wegen aan en bevoordelen wij bezitters van lease-auto's niet extra. Als goede rekenmeesters accepteren wij geen structurele tekorten bij projecten als de Betuwelijn. Van ons mag de hypotheekrenteaftrek fors worden beperkt, bijvoorbeeld tot de grens van de nationale hypotheekgarantie. Van ons hoeven minder mensen in de WAO, doordat wij bedrijven verplichten om een bepaald percentage arbeidsgehandicapten in dienst te nemen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.5.8">Ik wil de minister vandaag niet vragen waarom hij niet onze keuzes heeft gemaakt. Aan deze keuzes liggen immers ideologische redenen ten grondslag: van concurrentie ten koste van gemeenschapszin en van individuele verantwoordelijkheid ten koste van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Voor ons beiden valt de keuze tussen bommenwerpers en bejaardenbillen niet hetzelfde uit. Wat ik wel van de minister wil horen, is dat de keuzes die hij heeft gemaakt niet ideologisch neutraal zijn en dat er ook andere keuzes mogelijk zijn. Ik wil van hem horen dat niet de geringe economische groei, de vergrijzing of de staatsschuld van doorslaggevend belang zijn voor het bezuinigingsbeleid van dit kabinet, maar liberale idealen van minder overheid en meer markt en van individualisme ten koste van solidariteit.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.5.9">Een kabinet met een zuinige SP zou niet alleen andere bezuinigingen voorstellen, maar bovendien ook met minder geld veel meer kunnen doen. Ik doe de minister in dit licht twee gratis suggesties. Ik hoor hier graag zijn commentaar op. De eerste gratis suggestie is dat in het kader van de door dit kabinet voorgestane gezinspolitiek de kinderbijslag budgettair-neutraal inkomensafhankelijk kan worden gemaakt. Het Centraal planbureau heeft dat op ons verzoek al eens keurig uitgerekend. Mensen met een hoog inkomen hebben geen behoefte aan kinderbijslag; het gaat op de grote hoop. Mensen met minder geld zien er juist naar uit. Zij kunnen dit geld veel beter gebruiken voor hun kinderen. Voor hen maakt de kinderbijslag het verschil uit tussen wel of niet naar de muziekschool of de voetbalclub gaan, tussen wel of niet meegaan op schoolreisjes en tussen wel of niet meedoen. De tweede gratis suggestie is de volgende. Met de minister ergeren wij ons aan de bureaucratie in de publieke sector. De SP heeft een internetmeldpunt geopend tegen onnodige bureaucratie in bijvoorbeeld de zorg, in het onderwijs, bij de politie, bij justitie en in de sociale zekerheid. Alle daar aangemelde bezuinigingsmogelijkheden mag de minister gratis en voor niets van ons overnemen. Mede op basis van meldingen door mensen van de werkvloer in de zorg heeft de SP berekend dat er 800 mln euro bezuinigd kan worden op onnodige bureaucratie. Een rapport hierover zal de minister volgende week worden aangeboden. Ik wil de minister ook een voorstel doen dat geld oplevert. De vraag is of de minister ermee kan instemmen om een efficiencykorting door te voeren voor politieke partijen. Dat lijkt ons veel beter dan de onvoorwaardelijke verhoging van de budgetten voor politieke partijen die het kabinet ons nu belooft.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.5.10">Ik maak nog kort een meer algemene opmerking over de culturele Zalmnorm. De afgelopen dagen hebben wij een satire op het openbaar bestuur gezien met de minister-president in de hoofdrol. De minister-president beklaagde zich openlijk over persiflages van gezagsdragers in de media. Minister Donner verklaarde afgelopen zondag in dit verband zelfs: vrijheid zonder verantwoordelijkheid leidt tot losbandigheid en verloedering. Kan de minister daarmee instemmen? Wat ik nog belangrijker vind om te weten, is namens wie de minister-president sprak. Sprak hij namens het kabinet of namens het CDA of sprak hij namens zijn eigen persoon? Ik complimenteer de minister met de manier waarop hij de afgelopen dagen afstand heeft genomen van de opmerkingen van de minister-president, maar het wordt nu wel een beetje ingewikkeld. Telkens als ik een bewindspersoon hoor in de media, moet ik mij afvragen of hij namens het kabinet, namens zijn partij of namens zijn persoon spreekt. Daarom stel ik voor dat de bewindslieden een soort onderscheid gaan maken door een hoedje of een speldje op te doen, zodat wij weten namens wie zij spreken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.5.11">Ik kom tot een afronding. Ik besef dat bij de liberalen het goede niet vanzelf komt. In het mensbeeld van de minister hebben burgers een materiële impuls nodig. Ik wil aan het eind van deze dag niet met lege handen blijven staan en daarom wil ik de minister die materiële impuls geven. Zoals hij weet, is het vandaag 11 november, de dag van Sint Maarten, de dag van naastenliefde en samen delen. Zoals men weet, deelde Sint Maarten zijn ruime mantel om die aan een arme te geven. Misschien heeft de minister vroeger ook gezongen: Sint Maarten, bisschop, roem van alle landen; dat wij hier met lichtjes lopen, is voor ons geen schande; hier woont een rijk man die ons wel wat geven kan. Ik zie dat de minister het kent.</p>
                    </speech>
                    <speech party="" docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.6" speaker="Zalm" function="Minister" MPid="01630">
                        <stage-direction type="spreker">Minister Zalm</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Minister</aanspr>
                                <naam>Zalm</naam>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.6.2">Hier woont een kikkerbil die ons niets geven wil.</p>
                    </speech>
                    <speech party="SP" docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.7" speaker="Van Raak" function="De heer" MPid="03035">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Van Raak (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Van Raak</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-271-325.1.6.7.2">Dat wilde ik ook nog zeggen, maar ik was bang dat de voorzitter dat uit de Handelingen zou schrappen. Nu staat het er alsnog in. De minister weet in ieder geval dat kinderen vanavond weer met dit lied langs de deur gaan om een beroep te doen op hun medemens om hun snoeppot of centenbak bij te vullen. Ik wil hem de lampion die ik hier heb staan, aanbieden. Deze is gemaakt door de SP-afdeling Groningen en dus gemaakt uit een suikerbiet. De minister zal begrijpen dat wij met de onfatsoenlijke bezuinigingen die het kabinet heeft voorgesteld, niet langs de deuren kunnen. Dat zal hij vanavond dus zelf moeten doen. Na afloop van het debat kan hij gratis met deze lampion langs de deuren en kan hij mensen wellicht vragen om een extra bijdrage te leveren aan onze staatskas. In ieder geval kan hij mensen vragen hoeveel zij overhebben voor een fatsoenlijke en leefbare samenleving. Volgens mij is dat heel wat meer dan de minister ons nu wil doen geloven.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Van Vugt" MPid="02287" party="SP" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1999-06-29" topic="Studiefinanciering" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19981999-1550-1562.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19981999-1550-1562.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="10" number-of-words="1381" number-of-unique-words="541" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Verkeer <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Onderwijs en wetenschap <pm:entity> Hoger onderwijs</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Boorsma" MPid="02841"/>
                <speaker name="Van Vugt" MPid="02287"/>
                <speaker name="Schoondergang-Horikx" MPid="02937"/>
                <speaker name="Schuurman" MPid=""/>
                <speaker name="Hermans" MPid="01894"/>
                <speaker name="Boorsma" MPid="02841"/>
                <speaker name="Van Vugt" MPid="02287"/>
                <speaker name="Schoondergang-Horikx" MPid="02937"/>
                <speaker name="Schuurman" MPid=""/>
                <speaker name="Hermans" MPid="01894"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer Van Vugt, die zijn maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3" speaker="Van Vugt" party="SP" function="De heer" title="De heer Van Vugt  (SP)" MPid="02287">
                    <speech party="SP" docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.1" speaker="Van Vugt" function="De heer" MPid="02287">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Van Vugt (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Van Vugt</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.1.2">Mijnheer de voorzitter! Het is voor mij een hele eer om voor het eerst het woord te mogen voeren in deze Kamer. Ik hoop dat ik dat in de rest van mijn zittingstermijn nog vele malen mag doen. Verder hoop ik als 19-jarig jochie ook een constructieve bijdrage te kunnen leveren aan het werk van het parlement. Ik ga in ieder geval mijn best doen.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.1.3">Ik kom tot de bespreking van het wetsvoorstel. Toen de OV-kaart in 1991 werd ingevoerd, was ik welgeteld elf jaar oud. Waar deze kaart door velen als een nieuwigheid wordt beschouwd, komt het voor mij eerder over als een overblijfsel uit de prehistorie. De invoering van de OV-jaarkaart in 1991 was allerminst onomstreden. Veel studenten zagen de kaart als een sigaar uit eigen doos. Nu heb ik ongetwijfeld niet zoveel ervaring met sigaren als de meesten in deze Kamer, maar blijkbaar was het toch een hele lekkere, want het verzet verstomde al snel. Inmiddels wordt de OV-kaart door veel studenten als een groot goed beschouwd. De SP-fractie deelt dit standpunt. Niet alleen voldoet de overheid hiermee aan haar wettelijke verplichting om studenten in staat te stellen van en naar hun onderwijsinstelling te reizen, ook zorgt de OV-kaart voor gewenning aan het openbaar vervoer, met alle positieve gevolgen van dien. Zo heeft onderzoek uitgewezen dat bij de invoering van de OV-jaarkaart het totale Nederlandse wagenpark met maar liefst 100.000 voertuigen is afgenomen. Geen geringe prestatie zou je zeggen.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.1.4">De invoering ging echter ook gepaard met een fikse korting op de basisbeurs van ƒ 62,50 per maand, een korting die inmiddels is opgelopen tot maar liefst ƒ 97,96 per maand, waarmee studenten bijna de gehele kostprijs van pakweg ƒ 120 per maand zelf opbrengen. Vervolgens is in 1994 het vrij reizen afgeschaft en is er de keuze gekomen tussen een week- en een weekendkaart. Tot op de dag van vandaag kunnen we dus concluderen, dat de invoering van de OV-jaarkaart een juiste beslissing is geweest, maar ook dat sinds de invoering de kosten voor de studenten zijn toegenomen, terwijl de aangeboden voorziening is verslechterd. Geen goede ontwikkeling dus.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.1.5">Dan de dag van vandaag. Met dit wetsvoorstel wil de minister de OV-kaart onder de prestatiebeurs brengen, met als gevolg dat studenten die niet binnen de gestelde diplomatermijn afstuderen en studenten die in hun eerste jaar niet voldoende punten halen, extra schulden oplopen. De heer Boorsma van het CDA memoreerde al dat deze extra schuld volgens de minister zelf zelfs kan oplopen tot maar liefst ƒ 10.000. Ik zou de minister willen vragen of hij het acceptabel vindt dat iemand die zijn diploma niet binnen de gestelde termijn haalt en daarmee zichzelf al in torenhoge schulden heeft gestoken, zo nog eens een extra financiële last krijgt toegeworpen. Is het opwerpen van extra financiële risico's voor het volgen van onderwijs niet belemmerend voor de toegankelijkheid van het onderwijs, en daarmee in strijd met de door de minister beoogde doelstellingen van het onderwijsbeleid? Verder zou ik willen vragen hoe het zit met de rechtszekerheid van die studenten die dit jaar voor het eerst gaan studeren. Immers, in 2002 loopt het contract met de vervoersbedrijven af. Kan de minister deze groep studenten de garantie geven dat hun situatie gedurende hun studie, dus ook na 2002, ongewijzigd zal blijven?</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.1.6">Mijnheer de voorzitter! Met grote belangstelling heb ik kennisgenomen van het feit dat studenten straks maandelijks de keuze voorgeschoteld krijgen of zij wel of geen gebruik willen maken van de kaart. Met grote verbazing zag ik dat studenten die de kaart weigeren daar geen financiële compensatie voor krijgen, terwijl zij toch gekort worden op hun beurs. Eén betalen, nul halen, dus. Wat is de mening van de minister over deze in de ogen van de SP-fractie bijzonder onrechtvaardige regeling? Betekent de maandelijkse keuze overigens ook dat studenten elke maand opnieuw een OV-kaart moeten ophalen?</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.1.7">Mijnheer de voorzitter! Ik zou de minister willen vragen wat hij ervan vindt dat deze nieuwe constructie als gevolg van verhoogde financiële risico's een rol zou kunnen gaan spelen bij de studiekeus van studenten. Immers, als je als student de financiële risico's van je studie zoveel mogelijk wilt beperken – en ik spreek uit eigen ervaring als ik zeg, dat die gedachte een steeds grotere rol gaat spelen bij studenten – dan doe je er verstandig aan, dichtbij huis te gaan studeren om zo de OV-kaart te omzeilen. Dat kan naar mijn mening in het kader van de vrijheid van onderwijskeuze toch niet de bedoeling zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.1.8">Mijnheer de voorzitter! Verder zou ik graag de mening van de minister horen over het volgende. Studenten betalen allemaal mee aan de OV-kaart door middel van een korting op de studiebeurs. Het grootste deel van de kosten van de OV-kaart wordt zelfs op deze wijze gefinancierd. Stelt u zich het volgende geval voor. Een student voldoet niet aan de prestatienorm waardoor hij de kosten van de kaart als rentedragende lening moet terugbetalen, terwijl hij de kosten van de OV-kaart voor het grootste deel al zelf heeft betaald door de korting op de beurs. Betaalt de student zo niet dubbel voor iets waarvan hij of zij maar één keer gebruik heeft gemaakt?</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.1.9">Mijnheer de voorzitter! Ik heb begrepen dat er discussies op stapel staan over de toekomst van de prestatiebeurs en de studiefinanciering. Het is naar de mening van de SP-fractie in dat kader verstandig, deze discussies af te wachten en niet nu al met wetsvoorstellen te komen die een fors beslag leggen op dezelfde discussies. Bovendien zijn onnodig veel wetswijzigingen niet bevorderlijk voor de transparantie van wetgeving en de rechtszekerheid van de betrokken groep mensen.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.1.10">De minister stelt in zijn nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer, dat het volstrekt onduidelijk is wat voor gevolgen het wetsvoorstel zal hebben op de omvang van de groep weigeraars. Toch gaat hij er in dezelfde nota van uit, dat deze groep relatief beperkt zal zijn. Zijn deze twee beweringen niet strijdig met elkaar? Zo nee, dan zou ik toch graag van de minister horen waar hij dit vermoeden op baseert.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.1.11">Mijnheer de voorzitter! Het voornaamste doel van het wetsvoorstel, aldus de memorie van toelichting, is voor de regering het financieel in stand houden van de keuze tussen week- en weekendkaart. Is deze keuze niet al gegarandeerd tot 2002, in het contract dat de overheid met de vervoersbedrijven heeft gesloten? Graag zie ik de reactie van de minister tegemoet.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.2.1">Ik complimenteer de heer Van Vugt met het houden van zijn maidenspeech. Ik voeg daar graag het volgende aan toe.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.2.2">Voor een jong politicus is het vaak van belang om, wanneer hij carrière wil maken, ervoor te zorgen af en toe op gepaste wijze in de krant of andere media te komen. In het algemeen is de Eerste Kamer daarvoor een bijzonder slechte omgeving, want de Eerste Kamer komt weinig in de publiciteit en als zij in de publiciteit komt is het maar de vraag, of zij daar erg gelukkig mee moet zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.2.3">Zo niet de heer Van Vugt, want nog voordat hij gekozen was, was hij zowel zelf als in zijn toekomstige positie ruimschoots in de media aanwezig. Het stapeltje met krantenknipsels dat hier van Kamerleden wordt bijgehouden – ondanks alle privacybepalingen wordt dat hier bijgehouden – is van hem al aanzienlijk groter dan van vele van de senatoren die op een aanzienlijk langere carrière kunnen terugblikken.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.2.4">Ik wil de heer Van Vugt ook complimenteren met het feit, dat hij aanzienlijk beter dan vele Eerste-Kamerleden met een langere ervaring in staat is gebleken, artikel 84, tweede lid, van het Reglement van orde na te leven, namelijk het zich richten tot de voorzitter. Dat houdt in – en dat is vaak het probleem van de Kamerleden – dat de bewindspersonen in de derde persoon worden aangesproken. Ik denk dat de heer Van Vugt bij het onderwijs dat hij genoten heeft het verschil tussen eerste persoon, tweede persoon en derde persoon niet zo nauwkeurig meer heeft geleerd als wij vroeger, maar hij blijkt des te beter in staat te zijn te handelen zoals het Reglement van orde dat heeft voorgeschreven. Dat is zeker bij deze eerste toespraak een compliment waard. Mijn hartelijke gelukwensen!</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-19981999-1550-1562.1.3.3.1">De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Van de Beeten" MPid="02290" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2000-12-13" topic="Strafrechtelijke opvang verslaafden" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20002001-559-588.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20002001-559-588.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="23" number-of-words="3720" number-of-unique-words="1049" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Criminaliteit</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Strafrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Zorg en gezondheid <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van de Beeten" MPid="02290"/>
                <speaker name="De Wolff" MPid="02281"/>
                <speaker name="Kohnstamm" MPid="02667"/>
                <speaker name="Rosenthal" MPid="02273"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Jurgens" MPid="01992"/>
                <speaker name="Korthals" MPid="02738"/>
                <speaker name="Van de Beeten" MPid="02290"/>
                <speaker name="De Wolff" MPid="02281"/>
                <speaker name="Rosenthal" MPid="02273"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Jurgens" MPid="01992"/>
                <speaker name="Korthals" MPid="02738"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer Van de Beeten, die zijn maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20002001-559-588.1.2" speaker="Van de Beeten" party="CDA" function="De heer" title="De heer Van de Beeten  (CDA)" MPid="02290">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1" speaker="Van de Beeten" function="De heer" MPid="02290">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Van de Beeten (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Van de Beeten</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.2">Voorzitter! Op de kop af een maand geleden heeft de minister in Rotterdam de nieuwe stadsgevangenis geopend. Deze is bestemd voor de strafrechtelijke opvang van verslaafden. Dat is gepaard gegaan met – zo luidt de kop van het Algemeen Dagblad –: Een feestje in de gevangenis. Ik lees een passage uit het verslag daarvan voor, omdat dit wel aardig is: "De genodigden zijn inmiddels in een open ruimte aangekomen, met twee verdiepingen cellenblokken. Twee dames prijzen de heel mooie blauwgrijze kleurschakeringen. De zaal is versierd met ballonnen en er staan borreltafels met groengekleurde champagne. Een kwartet speelt vrolijke muziek." Is het niet wat surrealistisch een receptie te geven in een ruimte die voor gevangenen is bedoeld? "Och, het is maar hoe je het bekijkt", vindt projectleider Scholten: "Of het nu een supermarkt, een bejaardentehuis of een gevangenis is, als de bouw af is, dan vieren wij altijd een feestje." Zou de heer Scholten vandaag in deze zaal zijn en dit debat bijwonen, dan zou hij dat waarschijnlijk ook een beetje surrealistisch vinden. Wij spreken vandaag over het creëren van een wettelijke grondslag voor een stadsgevangenis die al is geopend. Aannemen of verwerpen, de gevangenis is er al.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.3">Dat surrealistische beeld rijst ook op uit de stukken. Het gaat om hoogactieve daders, die echter inactief zijn, want ze hebben geen werk. Het gaat om plegers van zogenaamde "kleine" criminaliteit, maar als er voor de derde keer in je auto of zelfs in je huis is ingebroken, dan wil je als burger die kwalificatie "kleine" niet meer horen. Het voorstel leidt tot een gedwongen opname, maar er mag geen dwangbehandeling plaatsvinden. Het is een maatregel, maar in het eerste deel ervan heeft de verslaafde wel te maken met een met een gevangenisstraf vergelijkbaar regime. Het is geen straf, maar een maatregel. Werkt de maatregel niet, dan wordt het toch een straf. De maatregel kan tussentijds worden beëindigd, bijvoorbeeld als de verslaafde zich niet laat motiveren, maar dat is eigenlijk niet de bedoeling, want dan wordt die onwil beloond. De maatregel kan tussentijds worden beëindigd, ook als het om andere redenen niet lukt de verslaafde te motiveren, maar dat is ook niet de bedoeling, want dan staat zo'n verslaafde weer op straat. Dat is tekenend voor dit voorstel. Het is een hybride voorstel.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.4">Het CDA wil graag dat voor deze groep verslaafden een maatregel als die welke nu voorligt, wordt gerealiseerd. Echter, het hybride karakter ervan leidt tot een aantal ernstige bedenkingen. Ik denk daarbij aan het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het ultimum-remediumkarakter van de maatregel, het karakter van de beslissing van de rechter over oplegging en later over beëindiging van de maatregel en de rechtspositie van de verslaafde. Allereerst enkele opmerkingen en vragen van feitelijke aard.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.5">De opvang bestaat uit drie fasen. Fase 1 duurt zes tot negen maanden. Daarna valt de beslissing over de overgang naar fase 2. Fase 1 is bedoeld voor motivatie. Fase 2 is bedoeld voor een eerste verkenning van de buitenwereld, met het oog op resocialisatie. Fase 3 is bedoeld voor begeleid zelfstandig wonen. De maatregel wordt voor maximaal twee jaar opgelegd. Mijn vraag is of het – gezien de zorgvuldige opbouw van het opvangprogramma en de tijd die nodig is voor vooral fase 1, de motivatie, en in iets mindere mate fase 2 – denkbaar is dat de maatregel wordt opgelegd voor aanzienlijk minder dan twee jaar, bijvoorbeeld 9, 12 of 15 maanden? Kan de minister casusposities schetsen waarin zo'n beperkte duur aan de orde is?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.6">Indien de verslaafde niet te motiveren is of in het geheel niet aan het aangeboden programma van fase 1 deelneemt, dan wordt deze geplaatst in unit 4, een afdeling die gescheiden moet worden gehouden van de overige SOV'ers in fase 1. Ook in unit 4 zal worden geprobeerd de daar geplaatsten alsnog te motiveren. Hoe realistisch is dat? Stel dat een verslaafde na vijf maanden in fase 1 te hebben meegedraaid, afhaakt en in unit 4 wordt geplaatst. Daarin verblijft hij vervolgens zes maanden. Dan is hij opnieuw voldoende gemotiveerd. Zelfs als de maximale duur van 24 maanden is opgelegd, dan blijven er nog maar 13 maanden over voor het afronden van het programma. Hoe waarschijnlijk is dat? Is de minister het met mij eens dat, vanwege die onwaarschijnlijkheid, plaatsing in unit 4 in de praktijk zal uitlopen op een definitief verblijf aldaar voor de rest van de opgelegde periode, in mijn voorbeeld 19 maanden? Op een vraag in het plenaire debat in de Tweede Kamer heeft de minister geantwoord dat unit 4 voor de daar verblijvenden een sober penitentiair regime zal opleveren, dus vergelijkbaar met de gewone gevangenisstraf. Is de minister het met mij eens dat de afhakers in fase 1 vervolgens in feite gewoon een gevangenisstraf van, in casu, 19 maanden uitzitten?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.7">Ik kom bij het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. De maatregel wordt wel toegepast voor mannen, maar niet voor vrouwen. De CDA-fractie hecht aan een objectiveerbaar criterium voor dit onderscheid. Kan de minister uiteenzetten welk objectief criterium aan het onderscheid ten grondslag ligt? Is hij bereid te bevorderen dat die objectieve grondslag ten aanzien van dit onderscheid wordt vermeld in de richtlijn voor het OM die in voorbereiding is?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.8">Het gelijkheidsbeginsel speelt ook een rol in verband met de geografische verdeling. Vooralsnog zullen vooral verslaafde hoogactieve daders die in SOV-gemeenten wonen of er strafbare feiten plegen, een maatregel opgelegd kunnen krijgen. Anderen zullen elders worden afgestraft, bijvoorbeeld met drie maanden cel. Een SOV'er zit in fase 1 feitelijk ook in een met een gevangenisstraf vergelijkbaar regime. Dat geldt zeker voor de SOV'er die in unit 4 belandt; mogelijk zelfs voor 19 maanden. Hierin ligt tevens besloten dat lopende de tenuitvoerlegging van de maatregel de zwaarte van de strafrechtelijke sanctie, zeker in de unit 4-gevallen, steeds minder in verhouding staat tot de ernst van de delicten die aan de oplegging ten grondslag lagen. Ziet de minister hier geen ernstige spanning met het gelijkheidsbeginsel?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.9">Dan kom ik op het alcoholmisbruik en de delicten in het verkeer en in de geweldssfeer. Het ontbreken van in bepaalde stadswijken geconcentreerde overlast als dat van drugsverslaafden is voor de CDA-fractie niet doorslaggevend. De minister heeft in de Tweede Kamer een vage toezegging gedaan over een onderzoek naar de betekenis van een dergelijke maatregel voor alcoholverslaafden. Er is in de Tweede Kamer in die zin ook gesproken over gokverslaafden. Is de minister bereid een concretere toezegging op dit punt te doen? In de commentaren op de nota Sancties in perspectief is erop gewezen dat hierbij ook moeten worden betrokken maatregelen met het oog op de analyse en de schets van het toekomstperspectief. In de discussie over deze nota en het vervolg daarop zou het goed zijn de mogelijkheid van strafrechtelijke opvang van anderen dan drugsverslaafden nader te bekijken. Er is voorzien in een eerste evaluatie van de strafrechtelijke opvang van verslaafden na drie jaar, maar het moet mogelijk zijn al wat eerder te komen tot een onderzoek naar alcoholmisbruikers.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.10">Dan de kwestie van het ultimum remedium. In de Tweede Kamer is een motie van de heer Dittrich en anderen aangenomen, waarin uitdrukkelijk is vastgelegd dat deze maatregel moet worden beschouwd als een ultimum remedium. Het is de bedoeling een en ander vast te leggen in een richtlijn voor het OM ten behoeve van het rekwireerbeleid. Het motief van de motie was vast te leggen dat het middel van de strafrechtelijke opvang van verslaafden niet mag verworden tot een middel om overlast veroorzakende lieden van de straat te houden.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.11">In de nadere memorie van antwoord schrijft de minister dat het amendement-Apostolou verworpen is, omdat de Tweede Kamer er geen behoefte aan zou hebben het ultimum-remediumkarakter vast te leggen. Ik constateer dat dit niet juist is, want het amendement is ingetrokken, niet omdat de Tweede Kamer geen behoefte had aan de strekking van het amendement, maar omdat dit al tot uitdrukking was gebracht in de motie van de heer Dittrich. Daarin zag de Tweede Kamer kennelijk in meerderheid voldoende waarborg dat het ultimum-remediumkarakter van de maatregel door het OM ook in het rekwireerbeleid tot uitdrukking zou worden gebracht.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.12">De minister merkte in de nadere memorie van antwoord al op dat plaatsing in de SOV ook mogelijk is, indien de verslaafde aangeboden kansen, zoals het drangtraject, niet aangrijpt, omdat "hij daartoe niet in staat is". Deze passages in de nadere memorie van antwoord wekken de indruk dat de SOV in de visie van de minister niet pas wordt opgelegd, nadat alle andere middelen zijn uitgeput. Zou de minister zijn visie op dit punt nog eens uiteen willen zetten? Zou hij daarbij ook de richtlijn voor het OM willen betrekken? Wil hij in dat kader ook de vraag beantwoorden of de richtlijn conform de motie-Dittrich wordt of conform de nadere memorie van antwoord?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.13">In verband met de in de stukken beklemtoonde opklimmende reeks van interventies met de SOV als laatste halte heb ik nog een vraag over artikel 38p over de voorwaardelijke veroordeling. Conform artikel 38m, lid 1, sub 4, is een voorwaarde voor oplegging dat het gevaar voor personen of goederen oplegging van de maatregel eist. Desalniettemin is voorwaardelijke oplegging mogelijk. Dat is dus een contradictio in terminis. Is de minister dit met mij eens? Hoe ziet hij de plaats van een voorwaardelijke veroordeling op de escalatieladder?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.14">Dan kom ik op het karakter van de beslissing over oplegging en beëindiging. Gelet op het doel en de opzet van de SOV zal de rechter deze maatregel niet opleggen als hem voor ogen staat dat de betrokkene via een snelle opname in unit 4 voor de rest van de opgelegde duur in een gevangenissituatie verblijft. Hem zal voor ogen staan een poging om de betrokkene af te helpen van zijn verslaving en te komen tot resocialisatie. Niettemin kan een rechterlijke beslissing die het karakter heeft van een maatregel die tenminste mede om bestwil van de verdachte wordt opgelegd, leiden tot een soort mandaat aan de uitvoerende macht om de betrokkene 24 maanden van de straat te houden. Hoe beoordeelt de minister het karakter van de beslissing van de rechter? Legt deze een vrijheidsstraf op? Is het een maatregel met het mandaat deze om te zetten in een vrijheidsstraf? Is het een vrijheidsstraf met een executiemodaliteit die als maatregel kan worden gekwalificeerd? Is de minister niet bang dat de rechter wel eens zou kunnen terugschrikken voor het risico van 24 maanden fase 1, respectievelijk unit 4 en dan weigert de maatregel op te leggen? Gaarne verneemt de CDA-fractie de visie van de minister op deze vragen.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.15">Een vergelijkbaar probleem dient zich aan bij beëindiging van de maatregel. De minister kan daartoe besluiten op voorstel van de inrichtingsdirectie. De rechter kan dat doen op vordering van de officier van justitie, na een voorstel van de directie, dan wel van de veroordeelde zelf. De inrichtingsdirectie kan verschillende motieven hebben voor het voorstel. Zij kan stellen dat betrokkene zo snel de goede kant op gaat dat de dwang van een maatregel niet meer nodig is. Dat is tamelijk onwaarschijnlijk. Er kan ook worden gesteld dat betrokkene al zo vaak is teruggevallen in fase 1 of fase 2 dat het effectief voltooien van het programma niet meer aan de orde is en dat hij dus de plaats inneemt van een andere, mogelijk succesvollere verslaafde. Dat is al heel wat waarschijnlijker. De directie kan ook stellen dat betrokkene nooit uit fase 1 is gekomen en dat hij permanent in unit 4 zit, dat hij de boel daar verziekt en dat hij een plaats inneemt waar anders bij wijze van sanctie een SOV'er uit fase 2 een tijdje zou kunnen zitten. Dat is ook waarschijnlijk. Wat voor afweging is hier dan aan de orde? In het plenaire debat in de Tweede Kamer is gesteld, ook door de minister, dat een SOV'er niet mag worden beloond worden voor zijn gedrag. Wordt het dan geen capaciteitsvraagstuk? Bij capaciteitsdruk in unit 4 of fase 2 wordt een perspectiefloze SOV'er wel naar huis gestuurd. Is er geen capaciteitsdruk, dan blijft hij in unit 4 tot de opgelegde duur is verstreken. Acht de minister dit denkbaar? Hoe beoordeelt hij dan de toepassing van het gelijkheidsbeginsel?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.16">Vraagt de veroordeelde SOV'er zelf de rechter om beëindiging, dan zal dat zijn in fase 1, omdat hij het programma te zwaar vindt. Dat is een zeer waarschijnlijke veronderstelling. De gegevens over uitval in het drangproject in juist de eerste weken bevestigen dit. Het ligt voor de hand dat de rechter een verzoek om beëindiging zal afwijzen. Fase 1 is immers bedoeld om de SOV'er onder dwang te motiveren. Dat moet gebeuren onder de dwang van de opsluiting. Zo wordt hij met aandrang gemotiveerd voor het resocialisatieprogramma. Als dat echter niet lukt, als de SOV'er al tien maanden zit, terwijl hij verblijft in unit 4, dan doen zich dezelfde vragen voor als in de situatie dat het initiatief van de directie of de officier van justitie is uitgegaan (gedrag van de verslaafde; capaciteit in unit 4; al dan niet perspectiefloos?). Onderschrijft de minister deze analyse van de besluitvorming die zich aan de rechter opdringt als een SOV'er zelf naar de rechter gaat?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.17">Er is ook nog een spiegelbeeld als het gaat om de beëindigingsvraag. De veroordeelde, die zonder de strafrechtelijke maatregel zes maanden gevangenisstraf zou hebben gekregen, appelleert en vraagt cassatie. Uiteindelijk verliest hij deze procedures. Hij wordt opgenomen. Inmiddels zijn wij anderhalf tot twee jaar verder, nadat de feiten zijn gepleegd. De man stapt naar de rechter toe om te proberen onder de maatregel uit te komen. De directie constateert dat de man een hele tijd uit het circuit is geweest, dat hij geen hulp heeft gehad en dat hij niet meer te motiveren is. De vraag is dan waarom deze verslaafde nog in de instelling moet worden opgenomen. Er komt vervolgens een advies om een en ander te beëindigen. De rechter beëindigt de maatregel na zes weken, op advies van de directie. De consequentie ervan is, dat de SOV'er die zonder de strafrechtelijke maatregel zes maanden gevangenisstraf zou hebben gekregen, er zonder enige straf van afkomt en dus naar huis kan gaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.18">Dan kom ik op de rechtspositie van de verslaafde veroordeelde. De SOV'er kan op grond van artikel 38s de rechter eenmaal vragen om beëindiging. Het ligt voor de hand dat dit gebeurt in fase 1. De verwachting is dat dit verzoek wordt afgewezen, juist omdat de motivatie nog geen kans heeft gehad. Daarna heeft betrokkene geen toegang meer tot de rechter, maar is het wel in overeenstemming met het karakter van de maatregel om betrokkene voor de rest van de opgelegde duur de toegang tot de rechter te onthouden? Na bijvoorbeeld een terugval in fase 2, waarbij betrokkene in unit 4 belandt, kan deze er behoefte aan hebben, en een heel redelijk belang, om precies dan voor de tweede maal de rechter om beëindiging te vragen. Als de SOV'er de mogelijkheid van een tweede gang naar de rechter wordt onthouden, dan ontstaat de indruk dat het er bij de verdere executie van de maatregel toch vooral om gaat betrokkene van de straat te houden. Ik verzoek de minister zijn zienswijze hierop te geven.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.19">Een ander aspect betreft artikel 5 van het EVRM in relatie tot het Winterwerp-arrest. Het ging daarbij om een opname in een psychiatrisch ziekenhuis krachtens de voorganger van de Wet BOPZ. Het Hof in Straatburg heeft toen onder meer het volgende overwogen: "The very nature of the deprivation of liberty under consideration would appeal to require a review of lawfulnes to be available at reasonable intervalls." Wat "reasonable intervalls" zijn, heeft het Hof toen niet uitgemaakt. In het geval van Winterwerp volgde, na afwijzing van een eerder verzoek door de rechter in december 1969, in april 1971 de eerste weigering van de officier van Justitie om een nieuw verzoek voor te leggen aan de rechter. Hier was dus sprake van een interval van anderhalf jaar. Nu gaat het hier niet om een maatregel krachtens de Wet BOPZ. Het gaat om een strafrechtelijke maatregel, maar niettemin een overheidsreactie met het karakter van een maatregel. In artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht is de mogelijkheid voorzien van een strafrechtelijke plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Dat gebeurt voor maximaal 1 jaar. Op grond van artikel 51 van de Wet BOPZ zijn verscheidene artikelen ook van toepassing op een patiënt die via de strafrechtelijke maatregel is geplaatst. Eén van die op overeenkomstige wijze van toepassing verklaarde artikelen is artikel 49, lid 6, van de Wet BOPZ. Deze vermeldt als interval in de zin van het Winterwerp-arrest een periode van vier maanden. De officier van justitie hoeft een verzoek om beëindiging van de opname niet door te geleiden aan de rechter, indien het om materieel hetzelfde verzoek gaat dat al binnen die periode van vier maanden is ingediend. Hier geldt een wachttijd van vier maanden voor de geplaatste om een nieuw verzoek tot beëindiging te doen aan de rechter. Hij heeft dus elke vier maanden toegang tot de rechter. Bij de SOV is dat gedurende een periode van 24 maanden slechts één keer. Geen wachttijdregeling dus. Tegen deze achtergrond acht ik het bepaald niet uitgesloten dat een SOV'er die in maand twee van de opgelegde duur neen op het rekest heeft gekregen en in maand negen opnieuw naar de rechter wil, zich op artikel 5 EVRM en op het Winterwerp-arrest kan beroepen. Hoe beoordeelt de minister dit punt?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.20">Artikel 5 van het EVRM en het Winterwerp-arrest vereisen een beargumenteerde relatie tussen de wachttijd bij toegang tot de rechter en de aard van de maatregel. In de visie van mijn fractie had het voor de hand gelegen in artikel 38s, gelet op de voor fase 1 voorziene tijdsduur voor de motivatie, te kiezen voor een wachttijdconstructie met een wachttijd van negen maanden. Kan de minister de redenen noemen die hem aanleiding gaven om de SOV'er slechts één keer toegang tot de rechter te verlenen? Is destijds ook overwogen te werken met een wachttijd, naar analogie van de strafrechtelijke plaatsing in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht? Welke redenen zag de minister om dat niet te doen?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.21">Een ander aspect van artikel 38s betreft de vraag of de minister heeft overwogen de rechter de bevoegdheid te geven een keuze te maken uit meer opties dan enkel voortzetting of beëindiging van de plaatsing in de SOV. Ik denk daarbij aan plaatsing in een andere penitentiaire inrichting. Ook valt te denken aan een zekere vrijheid voor de rechter om de duur van die plaatsing elders te bepalen. Wat zou erop tegen zijn, indien de rechter bij gelegenheid van die nadere beslissing ook de ernst van gepleegde feiten en de duur van een eventueel voorlopige hechtenis in aanmerking zou mogen nemen? Graag vernemen wij de visie van de minister op dit punt.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.22">Voorzitter! Ik rond af. Bezien in de totale systematiek van bemoeizorg in de wet ziet mijn fractie op zichzelf geen principiële bezwaren tegen de voorgestelde SOV. Het past in de oplopende schaal van ouderlijk gezag/voogdij en jeugdzorg bij minderjarigen, via mentoraat bij meerderjarigen, onder bewindstelling van het vermogen van natuurlijke personen, ondercuratelestelling, opname in een psychiatrisch ziekenhuis, al dan niet strafrechtelijk, en TBS, al dan niet met dwangverpleging. Ook qua terminologie sluit het wetsvoorstel aan bij de systematiek van het bestaande artikel 37 Wetboek van Strafrecht inzake de strafrechtelijke maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.23">De CDA-fractie is voorstander van dit strafrechtelijke experiment. Zij onderschrijft doel en middel. Het probleem zit in de uitwerking ervan. Daartegen bestaan bezwaren van gewichtige aard. Daarmee samenhangend bestaan bij mijn fractie grote twijfels over de feitelijke en juridische houdbaarheid. Mede door het hybride karakter van de maatregel kent het wetsvoorstel een aantal intrinsieke zwakheden. Die culmineren in artikel 38s. De in dit artikel neergelegde regeling is zo gebrekkig dat het door ons gewenste succes van het experiment al op voorhand wordt bedreigd. Het wordt van buitenaf bedreigd door een beroep op artikel 5 EVRM en het Winterwerp-arrest, van binnenuit door de onduidelijkheid over de positie van langdurige unit 4-bewoners bij het te voeren executiebeleid en in de te verwachten rechterlijke beslissingen. In dat artikel culmineert zo het gebrek aan evenwicht tussen de gerechtvaardigde belangen van de samenleving en haar leden enerzijds en de belangen van, respectievelijk de zorg voor de verslaafde verdachten anderzijds.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.1.24">Mijn fractie hoopt dat de minister de bezwaren en zorgen over de houdbaarheid van de maatregel alsnog kan wegnemen en haar het vertrouwen kan geven dat de maatregel op een evenwichtige wijze zal worden gehanteerd.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.2.1">Toen de heer Van de Beeten als nieuw Kamerlid zijn opwachting bij mij kwam maken, stelde hij zichzelf voor, met een zeker gevoel voor relativiteit of zelfspot – dat laat ik in het midden – als advocaat uit de Achterhoek. Dat geeft twee elementen aan die van belang zijn. Het ene is advocaat. Men zal van mij weten dat ik altijd waarde heb gehecht aan de aanwezigheid van praktijkjuristen in de Eerste Kamer. Ik geloof dat het nuttig is dat praktijkjuristen ook hun licht laten schijnen over de wetgeving die hier aan de orde is. Wie daaraan mocht twijfelen, die heeft zich vanochtend misschien nog laten overtuigen door het betoog van de heer Van de Beeten zelf.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.2.2">Het tweede element is: afkomstig uit een grensregio. Kijken wij naar het curriculum van de heer Van de Beeten, dan blijkt dat hij behalve een gepassioneerd praktijkjurist ook een gepassioneerd Europeaan is. Gedurende vele jaren en zelfs al vanaf jeugdige leeftijd is hij lid van het hoofdbestuur van de Europese beweging. Ik had willen zeggen: vanochtend hebben wij van het ene aspect kennis kunnen nemen door zijn eerste optreden in het openbare debat in deze Kamer over een onderwerp van wetgeving van het ministerie van Justitie. Tot nog toe was het zo dat wij in de commissies Europese samenwerkingsorganisaties en de Bijzondere commissie JBZ al hadden geplukt van de vruchten van zijn Europese invalshoek. Maar zowaar, ook in dit eerste optreden kwam het EVRM ook nog aan de orde. Ik ben buitengewoon benieuwd of de opmerkingen die hij daarover heeft gemaakt aanleiding zullen zijn voor een verdere gedegen discussie.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.2.3">Ik wens de heer Van de Beeten geluk met zijn eerste optreden tijdens de openbare beraadslagingen in deze Kamer.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-20002001-559-588.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Van den Oosten" MPid="03009" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2004-01-20" topic="Huursubsidie" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-623-628.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-623-628.1.5" which-speech-in-topic="4" number-of-paragraphs="7" number-of-words="1242" number-of-unique-words="541" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Huisvesting <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van Raak" MPid="03035"/>
                <speaker name="Pastoor" MPid="02271"/>
                <speaker name="Meindertsma" MPid="02270"/>
                <speaker name="Van den Oosten" MPid="03009"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Van den Oosten voor zijn maidenspeech.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-623-628.1.5" speaker="Van den Oosten" party="VVD" function="De heer" title="De heer Van den Oosten  (VVD)" MPid="03009">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.1" speaker="Van den Oosten" function="De heer" MPid="03009">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Van den Oosten (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Van den Oosten</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.1.2">Mevrouw de voorzitter. Rondom de verstrekking van huursubsidie zijn in het nabije verleden forse problemen geweest: mensen kregen hun geld niet of zij kregen het veel te laat. De Tweede Kamer kwam hiervoor zelfs terug van reces. Overigens vinden wij het eerste ernstiger dan het tweede. Met het wetsvoorstel wordt de modernisering van de uitvoering van de huursubsidie afgerond en wordt een nieuwe procedure voor de aanvraag van de subsidie geïntroduceerd. De VVD-fractie steunt het voorstel van harte. Wij hebben daarvoor alle reden. De resultaten mogen er immers zijn. Ik noem een spectaculaire daling van het aantal incomplete aanvragen met foutieve gegevens. Dit is vooral bereikt door een verbetering van de gegevensuitwisseling. Verder is aanzienlijk bespaard op de uitvoeringskosten en is de hoeveelheid werk voor huursubsidieaanvragers, corporaties en gemeenten verminderd. Mevrouw de voorzitter. Van zulke resultaten kloppen de liberale harten sneller en wellicht ook dat van u! Mevrouw Meindertsma heeft al gezegd dat het hierbij gaat om kwetsbare groepen die vaak niet beschikken over financiële reserves. Wij zijn het graag met haar eens. De aanvragen horen daarom op een snelle wijze te worden afgehandeld. Gezien de resultaten blijkt dat daadwerkelijk het geval te zijn. Er waren verwarringen en problemen bij het bepalen waar wij ons nu bevinden en waar wij naartoe gaan. Met het huidige tempo van verbeteringen hebben wij er alle vertrouwen in dat de moeilijkheden die er nog zijn, snel kunnen worden opgelost.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.1.3">Dat wij dit alles weten is mogelijk, omdat de nieuwe procedure al op 1 juli 2002 is ingevoerd. Daarmee zijn wij minder gelukkig, zoals onze fractie al bij verscheidene gelegenheden in de Kamer heeft laten weten. Wij stonden daarin niet alleen. Ook vanmiddag zijn hierover opmerkingen gemaakt. Hoe sympathiek en nodig de maatregelen zijn, de staatkundige rol van het parlement mag niet op achterstand worden gezet. Nood behoort op de genoemde wijze geen wet te breken. Wij willen dat hier nog eens gezegd hebben. Evenals de heer Van Raak zijn wij benieuwd naar de opvatting van de minister erover en naar de rechtvaardiging van de ingezette weg.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.1.4">Op verschillende momenten is de informatievoorziening aan burgers en andere betrokken partijen aan de orde geweest. Zo stimuleert de minister de totstandkoming van de HIP's. Blijkens de brief die de minister op 7 november 2003 aan de Tweede Kamer heeft gestuurd, groeit het aantal HIP's nog steeds. Thans is het aantal 582, bijna 100 meer dan bij de vorige voortgangsrapportage. In circa 60% van alle gemeenten zijn momenteel een of meer HIP's beschikbaar, in ieder geval in gebieden waar het huursubsidiegebruik hoog is. De VVD-fractie neemt met waardering kennis van deze resultaten. Het bevorderen van het aantal huursubsidie-informatiepunten lukt. Wij steunen dan ook de opvatting van de minister dat het verplicht stellen voor gemeenten van zo'n huursubsidie-informatiepunt niet nodig is en niet aan de orde kan zijn. De minister heeft in het wetgevingsoverleg van 23 juni 2003 met de vaste commissie uit de Tweede Kamer toegezegd dat over twee jaar sprake is van een totale dekking. Geldt die toezegging nog steeds?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.1.5">Als Kamerlid is het goed om te weten hoe de informatievoorziening in de praktijk functioneert. De burger, oftewel de aanvrager, heeft daar vooral mee te maken. Daarom is dat voor de VVD-fractie van groot belang. Ik heb daarom een aanvraagster vergezeld aan wie een huurflat was toegewezen en die voor het eerst huursubsidie had aangevraagd. Ik haast mij, te zeggen dat ik zelf niet voor huursubsidie in aanmerking kom. Ik doe dat omdat ik daarmee wellicht een vraag van de heer Terpstra voorkom.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.1.6">Ik heb dus een verhaal uit de praktijk. Als er een huurder is, moet er ook een verhuurder zijn, meestal een corporatie. Dus komt de huurster ten kantore van die corporatie voor het tekenen van het huurcontract. Het was voor mij niet nieuw, maar daar blijkt geweldig veel informatie beschikbaar te zijn over huursubsidie, over de wijze van aanvragen, het formulier en ook is daar volop bijstand aanwezig voor het invullen van het formulier. Wij hebben daar niet altijd te maken met mensen die gewend zijn wat gecompliceerde formulieren in te vullen. Niet alleen werd het formulier op verzoek ingevuld, ook kon daar al de keuze worden gedaan die bij de behandeling in de Tweede Kamer ook breed aan de orde is geweest, tussen rechtstreekse uitbetaling aan de huurder en uitbetaling via de corporatie.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.1.7">Dat was nog niet alles. Als de huurster weer thuis is, is er altijd nog wel een vraag over. De telefonische bereikbaarheid van het ministerie, waarop ik zo terugkom, is dan buitengewoon belangrijk. Niet alleen de ervaring van die ene keer, maar ook de ervaring van anderen is dat dit goed gaat. Als je informatie nodig hebt, krijg je via dat nummer echt een mens aan de lijn. Ik geef toe dat een minpuntje is dat je niet rechtstreeks de minister aan de lijn krijgt. Er wordt echter op een vriendelijke en doeltreffende wijze informatie verstrekt. Een compliment voor de telefonische bereikbaarheid is verdiend. Er is 100% bereikbaarheid via het geautomatiseerde 0800-nummer. Van het 0900-nummer zei ik al dat je echt iemand aan de lijn krijgt. De bereikbaarheid daarvan is 95%. Uit de rapportage blijkt dat je gemiddeld na 1,1 belpoging al gehoor krijgt. Kom daar bij een gemiddeld bedrijf maar eens om!</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.1.8">Het trof ons dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat gemeenten en verhuurders via een afzonderlijk telefoonnummer gemiddeld 2266 keer per week bellen voor nadere inlichtingen. Uit die doelgroep zou je dat niet verwachten. Kan de minister aangeven of via inventarisatie van de vragen, ook van het 0900-nummer de voorlichting niet zodanig kan worden verbeterd dat veel standaardvragen kunnen worden vermeden en het geheel nog beter gaat verlopen?</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.2.1">Mijnheer Van den Oosten, van harte proficiat met uw maidenspeech! Uw lidmaatschap van de Eerste Kamer is een nieuwe stap in een lange loopbaan in het openbaar bestuur, met name het bestuur van de provincie Utrecht. U hebt daar een groot aantal jaren gefunctioneerd als lid van provinciale staten. U was maar liefst vier keer lijsttrekker van de VVD. U was ruim vijftien jaar gedeputeerde.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.2.2">Ik kan daarnaast melden dat u zitting had in de gemeenteraad van Maarssen, waar u ook enige tijd wethouder bent geweest. Bovendien hebt u binnen de VVD diverse partijpolitieke functies bekleed.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.2.3">In uw loopbaan hebt u een brede ervaring opgedaan. U hebt u met diverse beleidsterreinen beziggehouden. Zo verschenen van uw hand publicaties over gemeentefinanciën en het gemeentelijk herindelingsbeleid. Ook het gebied van de ruimtelijke ordening en de infrastructuur is u bepaald niet onbekend.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.2.4">Veel aandacht trok u in 1999 met een pleidooi voor het invoeren van boetes voor vertraging, die door de minister van Verkeer en Waterstaat zouden moeten worden betaald aan weggebruikers in de file. Het ging u daarbij om de signaalwerking ten behoeve van het sneller en beter investeren in het wegennet. Of dat voorstel, zo het in deze Kamer aan de orde was gekomen, hier voldoende steun had gekregen, zullen wij nooit weten. Vast staat wel dat u in het lidmaatschap van de Kamer een uitstekende gelegenheid hebt om uw signalen rechtstreeks aan de regering te doen toekomen. U hebt dat vandaag voor de eerste keer plenair gedaan. Ik verwacht dat nog veel gelegenheden voor u zullen volgen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.2.5">Mijnheer Van den Oosten, de Kamer weet zich verrijkt met uw kennis en uw ervaring. Veel succes met uw werkzaamheden hier!</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.3">
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.3.1">De beraadslaging wordt geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.4">
                        <p docno="h-ek-20032004-623-628.1.5.4.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Van der Lans" MPid="02267" party="GroenLinks" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1999-06-29" topic="Ruimtelijke ordening" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19981999-1563-1583.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19981999-1563-1583.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="30" number-of-words="4305" number-of-unique-words="1405" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Ruimte en infrastructuur <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Ruimte en infrastructuur <pm:entity> Ruimtelijke ordening</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Baarda" MPid="02837"/>
                <speaker name="Van der Lans" MPid="02267"/>
                <speaker name="De Beer" MPid="01647"/>
                <speaker name="Bierman" MPid="02944"/>
                <speaker name="Pronk" MPid="01735"/>
                <speaker name="Baarda" MPid="02837"/>
                <speaker name="Van der Lans" MPid="02267"/>
                <speaker name="De Beer" MPid="01647"/>
                <speaker name="Bierman" MPid="02944"/>
                <speaker name="Pronk" MPid="01735"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer Van der Lans. Ik maak de Kamer erop attent dat de heer Van der Lans zijn maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3" speaker="Van der Lans" party="GroenLinks" function="De heer" title="De heer Van der Lans  (GroenLinks)" MPid="02267">
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1" speaker="Van der Lans" function="De heer" MPid="02267">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Van der Lans (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Van der Lans</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.2">Voorzitter! Toen ik drie weken geleden in deze zaal als Eerste-Kamerlid werd geïnstalleerd, had ik niet het flauwste benul over welk wetsvoorstel ik mijn eerste publieke opmerkingen zou mogen maken. Dagelijks vond ik enige kilo's wetgevende arbeid op mijn deurmat, maar over de vraag of zich in die stapel post wellicht het onderwerp van mijn eerste toespraak zou bevinden, tastte ik lange tijd in het duister. Soms zonk de moed mij zelfs enigszins in de schoenen als ik tussen het papier een voorstel aantrof met de welluidende kop: Wijziging van de postwet en enige andere wetten in verband met richtlijn nr. 97/67/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PbEG 1998, L15). Zonder ook maar iets af te willen doen van het belang van deze wetswijziging zag ik mij daar toch niet onmiddellijk een gloedvol betoog over afsteken.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.3">Maar toen ik eenmaal – en ik heb daar een week over gedaan – de logica van de voorlopige agenda doorhad, werd mij na enig puzzelwerk duidelijk dat de wijziging van de Wet op de ruimtelijke ordening het onderwerp zou worden waar ik mijn tanden in mocht zetten. Ik moet zeggen dat ik daarbij een gevoel van opluchting moeilijk kon onderdrukken. Niet omdat mijn fractie zo tevreden is over dit voorstel, ik kom daar dadelijk nog uitvoerig over te spreken, maar omdat met dit voorstel, en dan met name met de harde kern daarvan: de voorgestelde verzelfstandiging van het beruchte artikel 19 tot een zogeheten zelfstandige projectprocedure, alle hete hangijzers van de hedendaagse politiek in het geding zijn. Achter deze wetswijziging gaat het debat schuil over de mate waarin de overheid sturend of volgend moet zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.4">Ruimte in Nederland is een schaars goed, waarmee op een doordachte en democratische wijze moet worden omgesprongen. In feite was dat ook de intentie van de Wet op de ruimtelijke ordening, zoals die in 1965 in werking trad. Wie de Handelingen van de parlementaire bespreking van de wet begin jaren zestig erop naslaat, stuit op een bijna aandoenlijk optimisme dat de Tweede Kamer in die dagen ten toon spreidde. Zeker, Nederland raakte ook toen al behoorlijk vol en de verwachting was toen dat Nederland rondom de eeuwwisseling ten minste 20 miljoen inwoners zou tellen, maar met de Wet op de ruimtelijke ordening in de hand zouden wij die klus wel klaren. Het is in het licht van wat wij vandaag weten bijna pikant om te lezen hoe het voor het toenmalige VVD-Kamerlid Cornelis Berkhouwer, die later nationale bekendheid zou krijgen vanwege zijn inspanningen om de melkconsumptie te bevorderen, vanzelfsprekend is dat de belangen van de volksgemeenschap moeten prevaleren boven particuliere belangen, waarbij hij zich uiteraard wel hard maakte voor een wettelijke basis voor stevige schadevergoedingen. En het is bijna ontroerend om te zien hoe de toenmalige verantwoordelijke ARP-minister Van Aartsen, vader van de huidige minister van Buitenlandse Zaken, in de Kamer zijn uiterste best doet om de overheid van die instrumenten te voorzien waarmee ze de inrichting van Nederland naar haar hand kan zetten.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.5">De behandeling van de Wet op de ruimtelijke ordening en de Eerste nota ruimtelijke ordening in juni 1961 nam vele dagen in beslag. Er werd over vele details gesproken, maar over een vrijstelling van een bestemmingsplan, wat later bekend werd als de artikel 19-procedure, werd met bijna geen woord gerept. Als er al getornd mocht worden aan een bestemmingsplan of streekplan, dan was dat niet van onderop, maar van bovenaf door de zogenaamde aanwijzingsbevoegdheid, waarmee de rijksoverheid een lagere overheid tot de orde kon roepen. Over de vraag hoe de rijksoverheid dat het beste kon aanpakken, raakte de Kamer in die dagen nauwelijks uitgesproken.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.6">Ik refereer aan deze geschiedenis omdat het duidelijk maakt dat een planmatige aanpak, waarbij de overheid zorgt voor de grote lijnen, voor de visie, voor de keuzen, tot de kern van de ruimtelijkeordeningstraditie in Nederland hoort. Daarbij ging men in de jaren zestig heel ver. Planning was toen voor tal van sectoren hét beleidstoverwoord. Ruimtelijke vraagstukken, welzijnsvoorzieningen, openluchtrecreatie, onderwijsinstellingen, gezondheidszorg: alles leek in die dagen te plannen. Zo had men eind jaren zestig in de provincie Brabant een nauwkeurige berekening gemaakt van de "ruimteclaims" per inwoner. Een buurtbewoner had recht op 6 tot 12 m2 "blokgroen" binnen een loopafstand van 100 m. Binnen een afstand van 400 m moest hij "buurtgroen" aantreffen, binnen 800 m "wijkgroen" en binnen 1600 m "stadsgroen". In totaal had de stadsbewoner recht op 75 m2 groen binnen een straal van 3 km. Zelfs GroenLinks durft tegenwoordig een dergelijk rigide groen-standpunt niet meer ten toon te spreiden, maar het opmerkelijke is dat wie heden ten dage door de nieuwbouwwijken van Brabantse steden fietst, toch het idee krijgt dat er het nodige van deze gedachtegang terecht is gekomen. Het is maar een klein voorbeeld van het idee dat planning en ordening van de ruimtelijke inrichting op lokaal niveau wel degelijk hun vruchten hebben afgeworpen.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.7">Toch heeft het optimisme van de jaren zestig niet lang stand gehouden. Ondanks het feit dat de demografische groei niet zo spectaculair was als toen werd verondersteld, is op nagenoeg alle andere fronten de druk op de ruimte in Nederland toegenomen. De kaart van Nederland is aanmerkelijk voller geworden, de rode stipjes zijn samengeklonterd tot steeds verder uitdijende rode vlekken en nog steeds bestaat er geen duidelijkheid waar en wanneer dat ophoudt.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.8">De schaarse ruimte is met voorsprong de belangrijkste bron van maatschappelijke conflicten in het land geworden. Kijk naar Schiphol, de Waddenzee, de files, het openbaar vervoer, de Betuwelijn: de politiek woekert met de grootst mogelijke moeite met de ruimte. Niet alleen op nationaal niveau, maar even koortsachtig op provinciaal en lokaal niveau. Zelfs het referendum, waar deze Kamer onlangs nog geschiedenis over heeft geschreven, blijkt in de praktijk vooral een middel om de hoogopgelopen strijd om de schaarse ruimte te beslechten. Vrijwel alle lokale referenda die tot nu toe zijn georganiseerd, gingen over ruimtelijke kwesties. Het zal in de komende eeuw nog een hele toer worden om in dit strijdgewoel goede evenwichten te vinden tussen economische belangen en milieubelangen, tussen particuliere wensen en publieke waarden, tussen stad en platteland, tussen groen en rood, tussen landschap en beton, tussen korte termijn en lange adem. Veelal zijn dat confrontaties tussen partijen en belangen die ongelijksoortig en ongelijkwaardig zijn. Sommige belangen (in termen van milieu, biodiversiteit, omgevingskwaliteit, landschap en leefbaarheid en gezondheid in relatie tot milieu en ruimte) verdienen publieke bescherming, andere moeten aan de teugel gehouden worden.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.9">Meer nog dan in het begin jaren zestig het geval was, is het de overheid die het voortouw moet nemen in deze ruimtelijke afwegingen. Daarvoor moet zij heldere en democratisch te controleren politieke keuzen maken en daarvoor moet zij goede instrumenten beschikbaar hebben.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.10">De discussie die wij vandaag in dit huis voeren over de wijziging van de Wet op de ruimtelijke ordening, gaat over de vraag of tegen de achtergrond van de noodzakelijke rol die de overheid in de strijd om de ruimte in dit land moet vervullen, de weg die de regering nu wil inslaan de juiste is. Mijn fractie is daar huiverig over en dan doel ik met name op de omvorming van artikel 19 tot een zelfstandige projectprocedure, wat naar ons oordeel de harde kern van deze wetswijziging is.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.11">Want terwijl de maatschappelijke en politieke noodzaak toeneemt om met goede en werkbare bestuurlijke instrumenten de ruimtelijke ordening in Nederland in de hand te houden, is er tegelijkertijd een proces op gang gekomen waarin het plannings- en controleregime van de overheid steeds meer lijkt te eroderen. Waar de macht van de overheid juist zou moeten toenemen, lijkt deze in de dagelijkse praktijk juist steeds verder af te brokkelen. Waar de overheid eerder sturend en initiërend zou moeten optreden, lijkt zij steeds meer volgend te zijn waarbij zij in toenemende mate haar oren laat hangen naar de grootste en sterkste marktpartijen.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.12">Dat is een proces dat, zeker op lokaal niveau, al veel langer aan de gang is. Al in 1972 meldt Crince le Roy in zijn beroemde inaugurale reden aan de Rijksuniversiteit in Utrecht dat er op grote schaal sprake is van "oneigenlijk gebruik" van artikel 19. In meer dan tienduizend gevallen per jaar wordt met behulp van dit artikel van het bestaande bestemmingsplan afgeweken, waarbij gemeenten volstaan met een zogenaamd voorbereidingsbesluit om het bestemmingsplan aan te passen, terwijl dat in de praktijk een leeg besluit is. In feite wordt de wet omzeild en de verbijsterde Crince le Roy meldde tijdens het aanvaarden van het hooggeleerde ambt van professor dat het hem tegen deze achtergrond "zwaar zal vallen om de aan mijn zorg toevertrouwde studenten duidelijk te maken dat wij in een rechtsstaat leven".</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.13">Ook nadien zal hem dat niet gemakkelijk zijn afgegaan, want feitelijk is er sindsdien weinig veranderd. Sterker, met een aanduiding die geleend is van het oude echtscheidingsrecht, spreken wij nu nog steeds van "de Grote Leugen". Meer dan vijfentwintig jaar liegen de gemeenten in dit land op grote schaal om daarmee de wet te kunnen ontduiken. In veel gevallen betrof dat kleine leugentjes, maar inmiddels zijn hele woonwijken en grote projecten volgens deze artikel 19-procedure gebouwd.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.14">Het gevolg is dat de kordate, publieke en bestuurlijke controle van de inrichting van de ruimte in Nederland, waar men in de jaren zestig bij aanname van de wet zo van doordrongen was, langzamerhand van onderop is gaan verweken. Plannen werden minder maatgevend, projectontwikkelaars kregen meer ruimte, ongeduld werd beloond, afwegingen moesten sneller gemaakt worden, nu-of-nooit-argumenten zetten voortdurend druk op de ketel; het zou te ver gaan om van een "belgisering" van Nederland te spreken, maar velen menen dat er toch op zijn minst sprake is van een "versnacking van Nederland", waarin het in toenemende mate gaat om het "snel behalen van gemakkelijk te verteren succes".</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.15">Ronduit zorgelijk is dat de overheid daarbij in veel gevallen het nakijken heeft. Dat blijkt nog eens nadrukkelijk uit het rapport over de Inspectie Ruimtelijke Ordening dat de Algemene Rekenkamer twee weken geleden heeft gepubliceerd. Ik kan dat rapport niet anders lezen dan dat de overheid haar controle op de ruimtelijke ordening kwijt is.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.16">De minister weet niet of provincies en gemeenten zich in hun streek- en bestemmingsplannen iets gelegen laten liggen aan landelijk beleid; wat er precies gebeurt in die 13.000 artikel 19-procedures ontgaat de inspectie nagenoeg helemaal, zij doet nauwelijks onderzoek en grijpt zelden in. In feite, zo concludeert de Algemene Rekenkamer, die dat overigens in 1993 en 1997 ook al deed, is de geloofwaardigheid van de minister van VROM als bewaker van ruimtelijke belangen in het geding. Dat is een harde conclusie. Het is niet alleen zo dat dit ongetwijfeld de vader van minister Van Aartsen tot grote droefenis zou stemmen, maar in het vooruitzicht van de belangrijke beslissingen die in het kader van de Vijfde nota moeten worden genomen is het ronduit zorgwekkend.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.17">Voorzitter! Het is te gemakkelijk en te eenvoudig om al deze artikel 19-procedures onder het kopje "misbruik" te scharen. Het feit dat er op zo'n grote schaal gebruikgemaakt wordt van een artikel 19-procedure wijst natuurlijk niet alleen op een wat al te elastisch rechtsbegrip van gemeentebestuurders, maar zegt natuurlijk ook wat over de Wet op de ruimtelijke ordening zelf. De begrijpelijke en goede intenties van het eerste uur blijken in de praktijk toch te star en zijn in de bestuurlijke en maatschappelijke verhoudingen kennelijk verworden tot een veel te weinig wendbaar keurslijf. De toenemende maatschappelijke dynamiek laat zich in de praktijk steeds minder de wet lezen door het oude planningskader van de Wet op de ruimtelijke ordening. Dat is een conclusie waar niemand omheen kan.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.18">Maar de politieke keuze die dan opdoemt is eigenlijk heel eenvoudig. Er zijn twee denkrichtingen waarlangs de verantwoordelijke minister de praktijk van het Grote Liegen tegemoet kan treden. In het eerste, en in onze ogen meest voor de hand liggende geval, houdt hij vast aan de filosofie van het planningskader in de ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dat geheel één van de pronkstukken en de wetgever probeert een weg te vinden om het statische karakter daarvan bij te stellen en te dynamiseren, maar tegelijkertijd probeert hij de planmatige, visionaire en afwegende verantwoordelijkheid van de overheid overeind te houden. Anders gezegd: een planmatig sturende overheid blijft de spil van de ruimtelijke ordening in Nederland, maar vervult die rol op een eigentijdse manier door in de besluitvorming meer flexibiliteit en meer vrijheid toe te laten, zonder dat zorgvuldige en publieke afwegingen van de verschillende ruimteclaims uit het oog wordt verloren. De wendbaarheid moet worden vergroot, zonder de principes overboord te zetten. Dat is noodzakelijk omdat anders gevreesd moet worden voor de zorgvuldigheid en de kwaliteit van de afweging tussen de vele ongelijksoortige, ongelijkmatige en elkaar niet zelden uitsluitende ruimteclaims. Om dat te bereiken, kan bijvoorbeeld meer ruimte geboden worden aan flexibelere en globalere plannen, maar dienen vooral ook de besluitvorming en de toetsing, zeker als het om ingrijpende projecten gaat, in publieke en politieke zin veel transparanter te worden.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.19">Helaas hebben de minister en vooral zijn voorgangster met deze wetswijziging niet gekozen voor deze weg. De minister mag mij straks nog eens uitleggen waarom die weg niet met voortvarendheid is ingeslagen. De minister is, alsof het een echtscheiding betrof – zeker in de eerste versie van het wijzigingsvoorstel – gezwicht voor de Grote Leugen. Daarna is besloten om definitief uiteen te gaan. Artikel 19 en de Wet Ruimtelijke Ordening werden van tafel en bed gescheiden, doordat er een wet in een wet werd gemaakt. De minister en zijn voorgangster zijn daarmee als het ware overgestapt van het oude, bestuurlijke planningsregime naar een nieuw ordeningskader, dat zich de afgelopen decennia onder de oppervlakte van de officiële wet al aan het ontwikkelen was. Dat is een regime waarin in mentaal opzicht in feite al afscheid is genomen van de ordelijke en sturende intenties waarmee 35 jaar geleden de Wet op de ruimtelijke ordening van stapel is gegaan. Op talloze manieren is dit opkomende regime de ideologische ontkenning van het oude regime: tegenover het oude sturingsdenken zet dit regime moderne begrippen als dynamiek en flexibiliteit; tegenover planning en visie komt nu een project te staan; tegenover samenhang staat het woord zelfstandig; tegenover een gebiedsgerichte aanpak staat nu een investeringsgerichte aanpak; tegenover overheid komt markt te staan; tegenover het oude, rationele idee van grotere gehelen komt het postmoderne beeld van losse fragmenten te staan; tegenover de statische orde staat de beweeglijke chaos; tegenover betutteling staat vrijheid.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.20">Voorzitter! Ik trek de contrasten bewust naar een bijna filosofisch niveau, omdat de transformatie die zich hier aftekent, niet een beweging is die beperkt blijft tot de ruimtelijke ordening, maar zich op veel meer maatschappelijke terreinen aftekent. Het is, wat eenvoudig uitgedrukt, een couplet van een liedje waarvan het wijsje al jaren gevangen zit in de hoofden van de bestuurlijke en economische elites van dit land. Het refrein is daarbij steeds hetzelfde: tegenover oude, hiërarchische machtsordeningen, waarbij sturing vanuit een centraal punt plaatsvindt, zingen zich nieuwe sturingsconcepties rond die decentraal zijn, die horizontaal georiënteerd zijn en waarin een begrip als zelfsturing voorop staat. Wat korter door de bocht geformuleerd; het is een mentaliteit van "stoor ons niet in onze bezigheden, laat ons onze gang gaan", waarbij de overheid als een lastig en bureaucratisch obstakel te kijk wordt gezet.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.21">Voorzitter! Het wetsvoorstel waarover wij vandaag spreken, past in deze maatschappelijke transformatie en conjunctuurwisseling. Ik heb mij dan ook erg verbaasd over de bewering van de minister in zijn eerste termijn van de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer dat dit wetsontwerp niets met de terugtreden overheid te maken heeft. Sterker: zelfs het tegendeel daarvan zou zijn. Dat lijkt mij gezien de inhoud van het voorstel en, meer nog, gezien de maatschappelijke context waarin het wordt gelanceerd, toch moeilijk vol te houden. Wellicht kan de minister mij dat nog eens uit de doeken doen. Feit is dat in kringen van deskundigen – en dat is wat anders dan belanghebbenden – het wetsvoorstel niet als een reparatiewet maar als een trendbreuk wordt gezien. Het oorspronkelijke voorstel, dat onder verantwoordelijkheid van de voorgangster van de minister naar buiten kwam, oogstte in deze kringen zelfs verbazing. Iedereen was het er wel over eens dat er wat moest gebeuren met artikel 19, maar dat de minister zo ver ging en weinig richtinggevende noties introduceerde als "goede ruimtelijke onderbouwing" en "project" was voor ingewijden in de ruimtelijke ordening een grote verrassing.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.22">Gelukkig was deze voortvarendheid de Tweede Kamer duidelijk wat al te gortig. Met grote inventiviteit hebben Kamerleden amendementen ingediend die het losgeschoten artikel 19-projectiel zoveel mogelijk in het gareel van het oude planningsregime moesten brengen. Vooral de door de Tweede Kamer aangebrachte koppeling van een zelfstandige projectprocedure aan de aanwezigheid van een geactualiseerd bestemmingsplan heeft die functie. Hetzelfde geldt voor de nadere concretisering door de Tweede Kamer van de invulling van een "goede ruimtelijke onderbouwing", waarbij op zijn minst verwezen moet worden naar een structuurplan.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.23">Het zijn pogingen om de schade voor de door de Tweede Kamer zo gekoesterde ruimtelijkeordeningstraditie binnen de perken te houden, maar of het voldoende is, daar heeft mijn fractie nog steeds haar twijfels over. Voor ons is het ook niet zozeer de vraag of dit voorstel zal leiden tot wat wel "incidentenplanologie" genoemd wordt, want dat is immers nu onder het regime van de Grote Leugen al het geval. De vraag die voor ons telt is of de wetswijziging op dit punt een verandering ten goede zal brengen. Anders gezegd: of de nieuwe wet de versnacking van Nederland een halt zal toeroepen. Wij zijn daar niet gerust op. Gevreesd mag worden dat de maatschappelijke dynamiek nieuwe sluipwegen zal vinden om via niet bedoelde omwegen toch aan de nieuwe verplichtingen te voldoen. Het wetsontwerp, zoals dat nu voorligt, nodigt daar zowel door zijn recente geschiedenis als door zijn huidige formulering impliciet toe uit. Ongetwijfeld zal de wet uitlokken tot het lichtvoetig actualiseren van bestemmingsplannen. Ook de nieuwe koppeling aan structuurplannen en structuurvisies is geen harde garantie om allerhande gelegenheidsargumenten te voorkomen. Het is bekend dat structuurplannen en structuurvisies nu eenmaal niet uitblinken in duidelijkheid en dus veelal weinig concrete richtlijnen opleveren om de kwaliteit van een projectvoorstel te beoordelen, laat staan goed te onderbouwen.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.24">Je hoeft niet heel erg lang in de ruimtelijke ordening mee te lopen om te kunnen constateren dat naarmate op dit terrein de effectiviteit van de planning afneemt – en dat is de laatste decennia onmiskenbaar het geval – tegelijkertijd de taal die in deze wereld wordt gebruikt om plannen te verwoorden en intenties te beschrijven, steeds wolliger en beeldender wordt. In dat klimaat zijn wij nu beland en in die context is het dus niet een echt grote opgave om bij elk project een passende argumentatie te vinden. Desnoods wordt daar een gespecialiseerd adviesbureau voor ingehuurd. De nadruk waarmee in de memorie van antwoord wordt gesteld dat in dit wetsvoorstel de inhoud (dat wil zeggen het argumenteren) boven de vorm (het voldoen aan procedures) staat, komt ons dan ook enigszins naïef over. Wij zien immers voor onze ogen zich een ruimtelijkeordeningspraktijk ontwikkelen waarin de gelegenheid steeds vaker de visie maakt en niet andersom.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.25">Voorzitter! De fractie van GroenLinks is, zoveel zal inmiddels wel duidelijk zijn, niet bepaald ingenomen met het voorliggende wetsvoorstel, temeer daar wij er nu een oordeel over moeten vellen, terwijl ons de samenhang met de dingen die komen gaan, op dit moment volledig onduidelijk is. De vele wijzigingen die in de loop der jaren zijn aangebracht in de Wet op de ruimtelijke ordening, hebben de duidelijkheid en coherentie van het wettelijke bouwwerk behoorlijk aangetast. De Raad van State heeft daar in zijn advies ook op gewezen en beveelt een integrale herziening van de wet aan. De minister heeft dat overgenomen en is inmiddels daarmee aan het werk gegaan. Maar welke kant gaat de minister daarbij op? Gaat hij op de weg verder die hij naar onze mening met dit wetsontwerp is ingeslagen en waarin de kortademigheid het wint van de lange termijn of begrijpt hij dat hij beter ten goede kan keren dan ten halve dwalen? In dat geval kiest hij voor een weg waarin nadrukkelijk op zoek wordt gegaan naar een verversing en dynamisering van de bestaande planningssystematiek. Dat is de weg die nadrukkelijk onze voorkeur heeft en waar wij graag de minister over zouden horen.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.26">Wij pleiten voor een ruimtelijkeordeningssystematiek waarin gestuurd wordt op heldere doelen en maatschappelijke waarden, en waarin in de uitvoering een grote vrijheid wordt gelaten om deze te realiseren. Wij streven ook naar een ruimtelijkeordeningssystematiek waarin minder krachtdadige en financieel minder kapitaalkrachtige belangen in de sfeer van het milieu, van biodiversiteit, van het water, van sociale leefbaarheid en omgevingskwaliteit, van mobiliteitsbeheersing, ja zelfs van gezondheid in relatie tot milieu en ruimte, veel dwingender als toetsingscriteria voor projectaanvragen worden opgenomen. Wat dat betreft zouden wij het, in analogie met de milieueffectrapportages die voor grootschalige projecten gelden, wenselijk vinden als projectplannen op een lokaal niveau zich zo concreet mogelijk over de ruimtelijke gevolgen in de vorm van een soort ruimte-effectrapportage zouden uitspreken. Net zozeer als wij er voorstander van zijn om gemeentelijke milieubeleidsplannen veel nadrukkelijker te gaan integreren met structuurplannen. Een heldere uitspraak daarover helpt ons ook om de precieze status van de voorliggende wetswijziging te doorgronden. Is het inderdaad een soort tussenwet, een reparatiewet, waarmee de Grote Leugen in de ruimtelijke ordening wordt bestreden, waarna er een nieuwe ordeningssystematiek komt met een duidelijk sturende moderne overheid en met voldoende waarborgen voor kwalitatief belangrijke, maar minder machtige ruimteclaims? Of is deze wet een opmaat voor een ruimtelijk-ordeningsregime waarin de deur steeds verder opengaat voor projecten die gehuld in een fraai verwoorde gelegenheidsideologie zich aan weinig meer gelegen laten liggen dan de rendementseisen van projectontwikkelaars? Daarover tasten wij momenteel behoorlijk in het duister en wij zullen het hogelijk op prijs stellen als de minister ons hier straks in zijn antwoord op een heldere en duidelijke manier kan bijlichten.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.27">En dan – ik kom tot mijn laatste punt, voorzitter – kan hij misschien toch iets meer verklappen over de tweede grote onduidelijkheid waarmee wij met het beoordelen van dit wetsontwerp kampen? Die onduidelijkheid betreft de helderheid en krachtdadigheid waarmee de rijksoverheid zich in het begin van de komende eeuw op het terrein van de ruimtelijke ordening wil gaan manifesteren. In feite is dat het onderwerp van de Vijfde nota ruimtelijke ordening, waarmee men momenteel op het ministerie druk doende is.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.28">Die nota is van cruciaal belang, want het is onze stellige overtuiging dat de mate waarin men in Nederland op lokaal niveau een loopje neemt met de wettelijke vereisten in de ruimtelijke ordening nauw samenhangt met het feit, dat een duidelijk richting gevend nationaal beleid ontbreekt. Naar de mate waarin de helderheid en de krachtdadigheid van de nationale overheid minder worden, worden de mogelijkheden om op het lokale vlak zijn eigen plan te trekken groter. Misschien is dat ook wel de tragiek die achter het laatste rapport van de Algemene Rekenkamer schuilgaat. Daarin wordt de overheid verweten, dat ze haar controlefunctie niet goed uitoefent, maar misschien is het wel veel erger: met wat voor dwingende kaders zouden ze eigenlijk nog kunnen controleren?</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.29">Juist daarom wachten wij in spanning af wat de komende Vijfde nota ruimtelijke ordening ons brengen gaat. Daarin moet de overheid haar positie helder markeren, er moeten keuzen gemaakt worden die op de kaart van Nederland tot haarscherpe duidelijkheid leiden. Voor een beoordeling van dit wetsontwerp is het eigenlijk van het grootste belang om te weten wat de inhoud en scherpte van de Vijfde nota gaat worden, want naarmate de nota meer in het midden laat en onhelderheid creëert valt te vrezen, dat de negatieve werking van het onderhavige wetsvoorstel groter wordt en de ad-hocplanologie metterdaad de horizonnen van het Nederlandse landschap gaat bepalen. Wellicht dat de minister in dit opzicht toch alvast een tipje van de sluier kan oplichten?</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.30">Voorzitter! Ik rond af. Ik heb mijn eerste toespraak in dit huis en de eerste ontmoeting van deze minister met de nieuwe senaat aangegrepen om in een aantal ruwe lijnen duidelijk te maken welke kant GroenLinks op wil als het gaat om de toekomstige ruimtelijke ordening in Nederland. Ik hoop dat de aanwezigen mij de wijdlopendheid van mijn verhaal willen vergeven. Ik beloof u dat ik bij een volgende gelegenheid zal proberen wat korter van stof te zijn en de voorzitter mag mij daaraan houden.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.1.31">Wat wel overeind blijft staan is, dat ik het als uitdaging zie om hier in dit huis zoveel mogelijk een inhoudelijk, bij voorkeur toekomstgericht, debat te voeren. Daarbij past het elkaar ondervragen op politiek-ideologische concepties en visies. Juist om die reden meen ik, voorzitter, dat de traditie in dit huis die voorschrijft dat een nieuw lid tijdens zijn maidenspeech niet door zijn collega's wordt geïnterrumpeerd, eigenlijk een geheel verkeerde is. In een levendige chambre de réflexion, zoals ik mij die voorstel, zou die traditie precies het omgekeerde moeten inhouden: een nieuwbakken Kamerlid zou tijdens zijn maidenspeech per definitie geïnterrumpeerd moeten worden. Dat zorgt voor het nodige leven in de brouwerij en juist daaraan heeft de politiek, dus ook dit huis, veel behoefte: echte discussie die de geest scherpt.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.2.1">Ik wens de heer Van der Lans geluk met het houden van zijn maidenspeech. Heb ik eerder vanmiddag bij het houden van een maidenspeech geprobeerd aan te geven dat de betrokkene in staat was een grote mate van publiciteit te genereren, bij de heer Van der Lans wil ik een andere gave toelichten: hij is zelf publicist en nog meer dan dat, hij is ook essayist. Van die kunst hebben wij vanmiddag ruimschoots mogen genieten. Daarom was er een goede reden hem niet te onderbreken. Ik heb met genoegen naar hem geluisterd.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-19981999-1563-1583.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Walsma" MPid="02992" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2001-04-24" topic="Onderwijs en hoger onderwijs (begroting)" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20002001-1279-1312.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20002001-1279-1312.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="1" number-of-words="2760" number-of-unique-words="897" number-of-interruptions="1">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van den Hul-Omta" MPid="02264"/>
                <speaker name="Walsma" MPid="02992"/>
                <speaker name="Ginjaar" MPid="01945"/>
                <speaker name="Dupuis" MPid="02263"/>
                <speaker name="De Jager" MPid=""/>
                <speaker name="Schoondergang-Horikx" MPid="02937"/>
                <speaker name="Witteveen" MPid=""/>
                <speaker name="Rabbinge" MPid="02284"/>
                <speaker name="Schuurman" MPid=""/>
                <speaker name="Veling" MPid="02875"/>
                <speaker name="Schuyer" MPid="02870"/>
                <speaker name="Van Vugt" MPid="02287"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Walsma. Hij zal zijn maidenspeech houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3" speaker="Walsma" party="CDA" function="De heer" title="De heer Walsma  (CDA)" MPid="02992">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.1" speaker="Walsma" function="De heer" MPid="02992">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Walsma (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Walsma</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.1.2">Mijnheer de voorzitter! Het houden van mijn maidenspeech krijgt voor mij een extra dimensie, omdat ik deze mag uitspreken in aanwezigheid van de minister van OCW, voorheen commissaris van de Koningin in de provincie Friesland. Wij hebben in die jaren heel plezierig met elkaar samen mogen werken.</p>
                    </speech>
                    <speech party="" docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.2" speaker="Hermans" function="Minister" MPid="01894">
                        <stage-direction type="spreker">Minister Hermans</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Minister</aanspr>
                                <naam>Hermans</naam>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.2.2">Laten wij dat zo houden.</p>
                    </speech>
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3" speaker="Walsma" function="De heer" MPid="02992">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Walsma (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Walsma</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.2">Wat mij betreft.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.3">Mijnheer de voorzitter! Wij hebben er in het kader van de behandeling van de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, met name voor wat betreft het hoger onderwijs en het wetenschapsbeleid, ervoor gekozen vooral in te gaan op de notitie "Naar een hoger onderwijs". Het gaat in deze notitie over de invoering van een bachelor/masterstructuur. Een wetsvoorstel is, naar wij hebben gegrepen, in de maak. Over deze problematiek is de laatste tijd heel wat gezegd en geschreven. Niet ten onrechte, want het desbetreffende voorstel heeft een grote impact op het hoger onderwijs in ons land. In juni 1999 heeft de minister, samen met zijn collega's uit 28 andere Europese landen, de Bolognaverklaring ondertekend. Deze verklaring was gericht op het zo snel mogelijk tot stand brengen van een Europees stelsel voor het hoger onderwijs. In de komende tien jaar zal dit gerealiseerd moeten worden.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.4">De 29 Europese landen kennen een nogal grote diversiteit voor wat betreft het hoger onderwijs. Zo heeft Nederland, samen met een aantal andere landen, een binair stelsel, hetgeen betekent dat het hbo en het wo een eigen wettelijk kader hebben. Dit sluit aan bij de vereiste vooropleiding van de studenten en bij de behoefte op de Nederlandse arbeidsmarkt.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.5">De deelnemende landen zijn overeengekomen het onderwijs volgens een tweefasemodel in te zetten. De student volgt eerst een brede driejarige – in het hbo vierjarige – opleiding, uitmondend in een bachelordiploma en daarna, als hij/zij ervoor kiest om verder te studeren, nog een tweede opleiding ter verdieping van de opgedane kennis. Deze studie wordt afgesloten met een masterdiploma. Het doel van deze opzet is: - meer uitwisseling van studenten tussen de onderwijsinstellingen, in het binnen- en buitenland;- de kwaliteit van de diverse opleidingen beter zichtbaar maken; de opleidingen zijn met deze aanpak namelijk beter met elkaar te vergelijken;- internationale erkenning van de diploma's en graden van de afgestudeerden.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.6">De CDA-fractie kan zich voor een groot deel vinden in de veranderingen van de structuur van het hoger onderwijs, mits dit niet resulteert in opleidingen die qua niveau onvergelijkbaar zijn, zoals dat onder meer in de Verenigde Staten het geval is. Wij hebben echter wel een aantal opmerkingen en vragen. De minister kiest voor een voortzetting van het binaire stelsel vanwege, kortweg gezegd, de vooropleiding van de studenten en de doelen van de opleiding. Dit betekent dat er twee soorten bachelors komen. Graag wil ik van de minister vernemen wat de andere acht landen in Europa doen die tot nu toe het binaire stelsel kennen. Er is afgesproken dat er niet voor één onderwijssysteem gekozen gaat worden in de 29 landen die de verklaring hebben ondertekend. Daarom de vraag aan de minister of het reëel is te veronderstellen dat de opleidingen binnen het wo en het hbo in deze landen, na de invoering van de nieuwe structuur, in voldoende mate met elkaar te vergelijken zullen zijn en, zo ja, in welke mate daarmee dan wordt voldaan aan de door de minister gestelde doeleinden. Komt het door ons zo gewaardeerde binaire systeem op termijn toch niet op losse schroeven te staan? De hbo-bachelor is meer gericht op beroepskwalificatie, de wo-bachelor op academische vorming. Is er vanwege de internationalisering al nagedacht over de titulatuur van afgestudeerde de hbo-bachelors?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.7">De minister rekent terecht de masterfase in het wo tot het initieel onderwijs. Dit betekent dat de universiteiten in aanmerking komen voor bekostiging en dat de studenten studiefinanciering ontvangen. De minister wil dit om te bewerkstelligen dat zoveel mogelijk talent in onze kenniseconomie wordt benut. De nieuwe masteropleidingen, aansluitend op de hbo-bacheloropleidingen, wil de minister vooralsnog niet tot de initiële opleidingen gaan rekenen. Er komt dus van rijkswege geen bekostiging en de studenten krijgen geen studiefinanciering. De minister gaat ervan uit dat de meeste hbo-studenten na het behalen van een bachelordiploma gaan werken. Willen ze toch nog een postinitiële masterstudie doen, dan moeten ze die zelf betalen of de werkgever kan dit voor zijn rekening nemen.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.8">De minister heeft onlangs in de Tweede Kamer gezegd dat ingeval er een hbo-masteropleiding ontwikkeld wordt die ook vanwege maatschappelijke relevantie door de overheid gewenst wordt, hij wil overwegen die te financieren, dan wel mede te financieren. Vraag aan de minister is waar zo'n opleiding dan aan moet voldoen. Gaat een dergelijke opleiding dan ook tot de initiële opleidingen behoren? De hbo-raad stelt terecht dat hier geen sprake is van een consistente lijn ten aanzien van de bachelor/mastersystematiek en dat de vraag aan de orde is in hoeverre de overheid een bekostigingsverantwoordelijkheid heeft. Als reactie op deze stellingname heeft de voorzitter van de hbo-raad het standpunt ingenomen, zo las ik in het Financieel Dagblad, dat dan voor de lijn gekozen moet worden ook de masteropleidingen in het wo niet meer door het Rijk te laten financieren. Ook het Centraal Planbureau en het Sociaal en Cultureel Planbureau pleiten voor een forse verhoging van de private financiering van het hoger onderwijs en het privatiseren van de wo-masteropleiding.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.9">Als hiervoor gekozen zou worden heeft dit gevolgen die voor het CDA onaanvaardbaar zijn. Want anders dan in de postinitiële masteropleidingen, die veelal in deeltijd gevolgd worden en geheel of gedeeltelijk door de werkgever worden betaald, zullen de initiële masteropleidingen dan door de student en de ouders zelf betaald moeten worden. Dit betekent ontegenzeggelijk dat jongeren met talent uit de lagere- en middeninkomensgroepen, vaak van ouders die zelf geen hoger onderwijs hebben genoten, vanwege de hoge studieschuld die gaat ontstaan dit niet zullen doen. Het CDA kiest voor hoogwaardig en toegankelijk onderwijs. Een student die met succes zijn bacheloropleiding heeft voltooid, moet ongeacht zijn achtergrond en financiële positie de mogelijkheid krijgen een masterstudie te volgen. Een te grote financiële barrière voor de lagere inkomensgroepen, met als gevolg minder deelname, wil de CDA-fractie niet. Bovendien gaat minder deelname aan de masteropleidingen ten koste van de kennisintensieve economie, het onderwijs en de gezondheidszorg. Ik krijg graag een reactie van de minister hierop.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.10">De arbeidsmarkt wordt steeds meer internationaal en veeleisender en vraagt om instroom vanuit academisch georiënteerde en direct op de arbeidsmarkt georiënteerde opleidingen. De universiteiten grijpen de invoering van de bachelor/masterstructuur aan om de academische context van hun wetenschappelijk onderwijs te versterken en hun opleidingen binnen die context te verbreden en te verdiepen om zo de kwaliteit verder te verhogen. Wij delen de mening van de werkgeversverenigingen VNO-NCW en MKB-Nederland dat het programmatisch onderscheid tussen het hbo en wo moet worden gehandhaafd, omdat dit uitstekend aansluit bij de behoefte op de arbeidsmarkt. Zij vullen elkaar aan en dankzij intensieve samenwerking, dan wel fusies kunnen zij ervoor zorgdragen dat studenten voor wie dat gewenst is, een probleemloze overstap maken.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.11">De verbreding van de bacheloropleiding kan gevolgen hebben voor de totale studieduur. Voor de studies waar het gemakkelijk bij duidelijk te maken is dat deze verbreding niet kan zonder compensatie in de masterfase, moet verlenging met één jaar mogelijk zijn. Anders gaat dit ten koste van het aanleren van academische vaardigheden, zoals het kunnen doen van onderzoek. Ingeval hiertoe besloten wordt, mag dit naar de mening van het CDA niet ten koste gaan van de student. Met andere woorden de studieduur en de studiefinanciering moeten aan elkaar gekoppeld blijven. Ook hierover hoor ik graag de mening van de minister.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.12">Het hbo krijgt, zij het in beperkte mate, de mogelijkheid masteropleidingen te verzorgen. Hier doet zich een probleem voor, want grosso modo zijn de docenten van de hbo-instellingen niet gekwalificeerd dit onderwijs te geven. Ze hebben als docenten niet de tijd en de gelegenheid gehad zich te bekwamen in het doen van onderzoek. De oplossing die hiervoor gekozen is, is om per vakgebied een lector te benoemen. Hiervoor en voor de bekostiging van onderzoeksprojecten zal een vernieuwingsfonds komen. Heeft de minister het idee dat hiermee voldoende kwaliteit en middelen beschikbaar zullen komen om het beoogde masterniveau te halen?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.13">Waarom wordt niet als voorwaarde gesteld dat de masteropleidingen verbonden aan de hbo-instellingen, in samenwerking met een of meer universiteiten opgebouwd en verzorgd moeten worden? Bieden de voorgenomen fusies of nauwe vormen van samenwerking tussen de universiteiten en hogescholen van de laatste tijd daarvoor geen goede mogelijkheden? Het is een ontwikkeling die het binaire systeem overstijgt, maar is dit niet een goede invulling van een hoger onderwijs met opener institutionele verhoudingen, zoals de minister dat wil? Graag krijg ik een reactie van de minister.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.14">De minister heeft, naast het uitstekende visitatiestelsel dat wij in ons land hebben om de kwaliteit van de opleidingen te beoordelen, een nieuw doel omarmd, namelijk het invoeren van een systeem van accreditatie. Vanwege ons binaire systeem zal er een accreditatieraad komen voor het wo en voor het hbo. Wel zullen ze de zaken goed op elkaar moeten afstemmen. Deze raden worden belast met de validering van het oordeel van de visitatiecommissies. Ze zullen keurmerken verlenen aan de desbetreffende opleidingen. De accreditatieraden zullen standaarden gaan ontwikkelen waaraan de visitatiecommissies zich zullen moeten houden. Tot nu toe is dit een verantwoordelijkheid van de VNSU en de hbo-raad.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.15">Deze aanpak, afkomstig uit de Verenigde Staten, roept de vraag op – die stel ik dan ook aan de minister – of het wel juist is dat dit werk en deze verantwoordelijkheid in deze mate door de overheid uit handen gegeven moeten worden. Wordt vanwege het gegeven dat de visitatiecommissies toch het eigenlijke werk doen, het werk van deze raden niet sterk overtrokken?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.16">Wat gaat dit kosten en hoe pakken de andere 28 landen dit aan? Zal er afstemming tussen deze landen plaatsvinden?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.17">Gelukkig heeft de minister duidelijk afstand genomen van het idee van de commissie-Franssen om sterren toe kennen. Het toekennen van sterren zou immers alleen internationaal van enige betekenis kunnen zijn. We zijn ook blij met het standpunt van de minister dat eventuele TOP-masters enkel parallel aangeboden zullen worden.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.18">De invoering van het bachelor/mastersysteem is een zeer omvangrijke operatie en brengt, volgens berekeningen van de VSNU, meer dan 225 mln gulden aan transitiekosten met zich. De onderwijsprogramma's moeten worden vernieuwd en de organisatie moet worden aangepast. Uiteraard zal een deel voor rekening komen van de universiteiten en hogescholen, maar het kan niet zonder aanvullende financiering van de rijksoverheid. Is de minister bereid een substantiële eenmalige bijdrage voor zijn rekening te nemen? Aan de overzijde heeft men gepleit voor voortvarendheid ten aanzien van de uitwerking en invoering. Mijn fractie vindt dat deze operatie goed moet gebeuren en dat die tijd ervoor genomen moet worden die daarvoor nodig is.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.19">Dan is er nog een nieuw fenomeen dat zelfs in het buitenland niet gepraktiseerd wordt en dan heb ik het over de zogenaamde voucherbekostiging. Dit zijn simpel gezegd "tegoedbonnen" waarmee hbo-studenten op verschillende instellingen terechtkunnen. Voorwaarde is wel dat de hogescholen op dit terrein gaan samenwerken en aansluitende studiepakketten moeten kunnen aanbieden. Is dit niet het geval, dan worden de studenten de dupe en dat is niet te accepteren. Ook de docenten zullen zich moeten aanpassen. Ik heb hier de volgende vragen over. Hier wordt al tien jaar over gesproken, maar het heeft tot nu toe nog maar weinig opgeleverd. Heeft het wel zin hiermee door te gaan? Komt het postinitiële hoger onderwijs ook voor een dergelijke financiering in aanmerking? Wat heeft het experiment van het hbo en het MKB tot nu toe opgeleverd? Waarom wordt dit wel mogelijk geacht voor het hbo en niet voor het wo? Is het verschil in bekostigingssystematiek het enige argument? Worden de invoeringskosten die de hogescholen moeten maken, door het Rijk vergoed?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.20">Ik wil nog een aantal opmerkingen maken over de ontwikkeling van, wat ik zou willen noemen, de zelfregulering, vooral in het hbo. Of, anders gezegd, de deregulering van het opleidingenaanbod. Tot voor kort had een hogeschool voor elke nieuwe opleiding toestemming nodig van de minister. De minister wil nu om de hem moverende redenen, het hbo daarin meer vrijheid geven. Dit heeft ertoe geleid dat voor het schooljaar 2002-2003 er zo'n 190 nieuwe opleidingen bij komen. Hiervan zijn er 40 nieuw en voor de rest zijn het opleidingen die al elders worden aangeboden. Wel moet een businessplan en een marktonderzoek beoordeeld worden door de Adviescommissie onderwijsaanbod en moet er afstemming plaatsvinden met de concurrenten. Vele hogescholen en ook de hbo-raad voorzien grote problemen en zijn daarom overgegaan tot een vorm van zelfregie. Hiervoor is het hbo-veld in 33 domeinen verdeeld. Een hogeschool die al een opleiding in zo'n domein heeft, mag ook verwante opleidingen beginnen, maar wie buiten de eigen domeinen aan de slag wil, moet eerst overleg plegen met concurrerende hogescholen. In de praktijk blijkt dat deze vorm van zelfregie niets voorstelt. Regels afspreken is één ding, ze nakomen is iets anders. Vooral de kleinere hogescholen vrezen de toekomst, omdat ze weinig domeinen hebben en dus niet zomaar opleidingen kunnen beginnen. Daar komt nog bij dat het totaal aantal studenten nauwelijks toeneemt. Deze vorm van zelfregulering heeft, zoals gezegd, vooral negatieve effecten voor de kleinere hogescholen, omdat het aantal studenten zal afnemen en de kosten per student zullen toenemen. Dit kan wellicht weer gevolgen hebben voor de kwaliteit en het niveau van de opleidingen. Deze ontwikkeling past toch niet in de nieuwe bachelor/masterstructuur?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.21">Fusie of samenwerking met een andere hogeschool of universiteit zou een oplossing kunnen bieden. In dat geval moet wel worden onderkend dat de kleinere hogescholen, met veelal een christelijke identiteit, het niet gemakkelijk hebben met het vinden van een partner. De kans is daarom groot dat er een "gedwongen" samengaan gaat plaatsvinden met als gevolg het moeten prijsgeven van de identiteit. Het laat zich verstaan dat de CDA-fractie daar grote moeite mee heeft. Graag willen wij hierover de mening van de minister vernemen.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.3.22">Wij wachten met belangstelling de reactie van de minister af.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.4.1">Mijnheer Walsma, het is duidelijk dat dit huis er een deskundige bij heeft gekregen op het gebied van het onderwijs en in het bijzonder het hoger onderwijs. Dat konden wij ook wel vermoeden, gezien uw cv. Ik heb voor mij een uitdraai van een website liggen. Daarop staat dat er geen rechten kunnen worden ontleend aan de informatie, maar ik gebruik de informatie toch.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.4.2">U bent na de lagere school uw opleiding begonnen op de lagere landbouwschool. Heel bijzonder is dat u vervolgens alle scholen hebt doorlopen tot en met de hogere landbouwschool in Leeuwarden. Vervolgens heeft u uw opleiding afgerond met de studie biologie in Groningen. Ik noemde die hogere landbouwschool, omdat u daar tijdens uw studie biologie parttime leraar was. Ze wisten kennelijk wie er binnenkwam, want even later was u daar al adjunct-directeur en later directeur. Dat is toch bijzonder. Daarna bent u het openbaar bestuur ingegaan. U bent lid geworden van de provinciale staten van Friesland en dat heeft u 21 jaar gedaan. Het is goed als er in dit huis mensen zitten met zoveel bestuurlijke ervaring, zoals u hebt. U bent in die eenentwintig jaar dertien jaar gedeputeerde geweest. Het laat zich licht raden dat u onder andere in uw portefeuille agrarische zaken hebt gehad en ook onderwijs. Zo kende u de minister natuurlijk ook. Daarnaast bent u echter ook belast geweest met verkeer en vervoer, openbare orde en veiligheid en vastgoed. Dit huis zal wellicht uw advies inroepen wegens haar eigen vastgoedplan. Er staat hier namelijk heel wat op stapel.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.4.3">U hebt uiteraard vele nevenfuncties. De mooiste is ongetwijfeld het voorzitterschap van het bezoekerscentrum in Schiermonnikoog. Daarnaast bent u echter ook kerkvoogd van de gereformeerde kerk in Hardegarijp. Ik dacht het al: de CDA-fractie heeft er een authentieke mannenbroeder bij gekregen. Dat blijkt ook wel uit een vroegere nevenfunctie van u. U bent lid geweest van het dagelijks bestuur van het Friesch Dagblad en zijn daar niet vele grootheden in de Antirevolutionaire Partij gevormd? U trad dus in hun voetsporen.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.4.4">Ik heb hier ook bij staan dat u voorzitter was van het Thorbeckefonds. Dan zijn er misschien mensen die denken dat u in uw verleden enigszins geflirt hebt met de VVD, maar ik vermoed dat het hier gaat om een fonds van de Thorbecke-academie in Leeuwarden en dat u zeer loyaal bent gebleven.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.4.5">Ik wil u gelukwensen met uw zeer deskundige maidenspeech en ik wens u veel plezier en wijsheid toe in uw nieuwe nevenfunctie.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.5">
                        <p docno="h-ek-20002001-1279-1312.1.3.5.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Willems" MPid="" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2008-02-12" topic="Duurzame ontwikkeling" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-850-872.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-850-872.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="30" number-of-words="3613" number-of-unique-words="1230" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Landbouw <pm:entity> Dieren</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Landbouw <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Schaap" MPid="03162"/>
                <speaker name="Willems" MPid=""/>
                <speaker name="Smaling" MPid="03164"/>
                <speaker name="Eigeman" MPid="03006"/>
                <speaker name="Schuurman" MPid=""/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Willems, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-850-872.1.3" speaker="Willems" party="CDA" function="De heer" title="De heer Willems  (CDA)" MPid="">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1" speaker="Willems" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Willems (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Willems</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.2">Voorzitter. Ik heb met grote belangstelling kennisgenomen van de voorgenomen plannen die de minister in de begroting van LNV heeft neergelegd. Zoals reeds besproken, zullen wij niet met haar over de details van de begroting spreken, maar een aantal thema's met haar bespreken die ons als CDA-fractie na aan het hart liggen. Ik richt mij met name tot u, mevrouw de voorzitter, met enkele vragen over het thema mondiale ontwikkelingen in de landbouw – waaronder vragen over biobrandstoffen – en het thema Europees landbouwbeleid of liever het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid om dan af te dalen of, zo u wilt, op te stijgen naar Nederland en te spreken over de klimaatvragen die verband houden met de landbouw. Daaronder vallen vragen over het innovatiebeleid. Tot slot maak ik een afsluitende opmerking over het beleid inzake dierenwelzijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.3">Allereerst snijd ik mijn geloofsbrief rondom landbouwvragen aan, aangezien dit ook de eerste keer is dat ik mij formeel tot u, mevrouw de voorzitter, en de collega's mag richten. Mijn eerste ervaring – naast kleinzoon te zijn van een veehouder en groenteboer – deed ik op toen mijn goede vriend in het dorp op mijn stukje land in de Alblasserwaard, dat sinds een jaar in mijn bezit was – wij spreken over 1975 – 4 mooie Connemara pony's had staan. U weet misschien wel dat dat heel mooie, bijna Arabische minipaarden uit het noordwesten van Ierland zijn. Welnu, een van deze mooie pony's was in de sloot beland. Mijn vriend, die eveneens ingenieur was en weinig met het land van doen had, bedacht dat wij het goede dier met veel touwen, katrollen en een auto, een 2CV wel te verstaan, uit de sloot moesten trekken. Na een uur modderen, stelde ik voor om de lokale veehouder om advies te vragen. U weet: advies vragen doen ingenieurs niet zo gauw. Wel, na nog zo'n 15 minuten modderen, was er veel modder maar geen pony uit de sloot. Toen hebben wij toch maar de veehouder geroepen. Hij heeft, na het geheel aan te zien, eerst tien minuten onbedaarlijk dijenkletsend staan lachen. Vervolgens nam hij een touwtje van 80 centimeter, bond dat aan het halster van ons edele minipaard en ging met het paard in de sloot lopen. Zowaar, het toch wel verzwakte beest sprong er zelf uit toen het wat meer vaste grond onder de voeten kreeg. De moraal van dit verhaal: vraag altijd aan hen die het beter weten. Ik heb in de jaren die erop volgden veel gevraagd en veel wijze lessen gehad. Ons verblijf op dit mooie platteland heeft veel mooie jaren geduurd met pony's, schapen, kalveren, kippen en een hond. Sommige waren er om van te eten en sommige om met ons te werken. Onze kinderen hebben met ons genoten van het leven op het land, de door God geschonken natuur.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.4">Later heb ik vele malen de ondernemersfilosofie van de individuele landbouwer in mijn werk binnen een grote olie- en chemiemaatschappij gebruikt: let op de kleintjes, wat brengt het op en ga goed om met de natuur. Welnu, ziehier mijn beginnende "credentials" in de landbouwsector.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.5">Eerst de wereld. Recentelijk heeft zich een ware prijsexplosie voorgedaan in de wereldlandbouwprijzen. In dollarlanden komt zij nog harder aan dan in Europa omdat de dollar ook zwakker geworden is. Voedselvoorziening wordt in de komende jaren een belangrijke kwestie. Daarbij rijst allereerst de vraag of de naam van het departement van de minister: Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit nog wel de uitdagingen dekt. Valt niet te overwegen om te spreken van "ministerie van Duurzame Voedselvoorziening en Natuurbeheer"? Gaarne krijgen wij van de minister een reactie op deze suggestie. Het gaat tenslotte om goede voorlichting aan de burger en daar is de minister een groot voorstandster van.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.6">Geschat wordt dat de wereldbevolking van zo'n 6 miljard tot 9 miljard in 2050 toeneemt. Het verbruik van granen en vlees is de laatste decennia gestegen met niet meer dan de groei van het BNP in de wereld. Dat is niet genoeg om de honger de wereld uit te helpen. Voorts at de gemiddelde Chinees in 1985 zo'n 20 kilo vlees per jaar; nu is dat 50 kilo vlees per jaar. Het is niet uitgesloten dat dit toeneemt tot bijvoorbeeld het niveau van Nederland met 84,5 kilo per jaar in 2006. Vleesproductie legt nu eenmaal een veel groter beslag op het landbouwareaal dan graanproductie.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.7">Prijzen zijn de laatste jaren gestegen en de graanprijzen zullen in reële termen met zeker 20% stijgen. Overigens lagen alleen al in 2007 de prijzen zo'n 50% boven die van 2006. Dezelfde stijging trad ook op voor melkprijzen in Nederland. Dat is goed nieuws voor de boeren en ik merk dat de veehouders bij mij in de buurt iets meer lucht hebben in hun inkomenssituatie. Dit was hard nodig, want velen stond het water aan de lippen. Zij stonden de laatste jaren onder zware economische en psychische druk. Overigens geldt dit niet voor de varkenshouderij, voor de kalversector en voor de tomatentelers. Voor deze sectoren is de situatie nog niet best. Hoe ziet de minister de toekomst van deze sectoren?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.8">Hoe zal een en ander zich wereldwijd verder ontwikkelen? Volgens de Wereldbank leven 3 miljard mensen in landelijke gebieden van wie 2,5 miljard actief zijn in de landbouw. Tot deze 3 miljard moet tevens 75% van de armste bevolking ter wereld gerekend worden. In principe zullen de landbouwers voordeel hebben van de hogere prijzen. Dit geldt echter niet voor de importerende landen. Landen als Japan, Mexico en Saudi-Arabië kunnen dit wel hebben. Zij hebben hun andere sterke punten die dit kunnen opvangen. Landen als Bangladesh, Nepal, Benin en Niger zullen het echter aanzienlijk moeilijker krijgen. Dit blijkt al uit het feit dat het World Food Programme zijn operationele kosten de afgelopen jaren met zo'n 50% aanzienlijk zag stijgen. Bovendien zitten de stromen voedselhulpprogramma's op het laagste niveau sinds 1973.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.9">Alles wijst er dus op dat voedselvoorziening, en daaraan gekoppeld watervoorziening, een zeer belangrijke uitdaging is. Ik vraag de minister in hoeverre het ministerie van LNV bijdraagt aan de millenniumdoelen ten aanzien van het voedselprogramma. In hoeverre kan Nederland, los van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, toch extra maatregelen nemen als de doelen mogelijk niet worden gehaald? Hoe ziet zij de samenwerking met de minister voor Ontwikkelingssamenwerking in dezen?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.10">Vanwege het eerder genoemde extra landbouwareaal voor vleesproductie, zullen voorstellen over vleesconsumptiemaatregelen erg gevoelig liggen. Ligt op dit punt uiteindelijk niet een sturende taak voor de overheid binnen met name EU-verband? Hieraan gekoppeld is de vraag wat het beleid is van de minister om de uitbreiding van potentieel landbouwareaal in Oost Europa binnen en buiten de EU te steunen. Er is immers nog steeds sprake van een groeiende vraag naar voedsel. In India schijnt de groei de laatste jaren nog sterker te zijn dan in China. In die zin staat ons nog wel wat te wachten. Binnen vele sectoren heeft men dit niet voorzien. Binnen de olie-industrie – ik heb jarenlang gewerkt binnen deze sector – heeft men niet voorzien dat de groei de komende jaren zo sterk zou zijn, gelet op de schattingen van 7 à 8 jaar geleden. Ik denk dat wij met voeding dezelfde kant zullen opgaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.11">De tweede belangrijke ontwikkeling is de groeiende vraag naar energie en de noodzaak om te komen tot verduurzaming van ons energieverbruik. Landbouwgewassen zullen hierin een sterkere rol gaan spelen. De verwachting is echter dat hun aandeel wereldwijd niet zal groeien en dat de groei van het totale energieverbruik met zo'n 1,6% per jaar zal bijhouden. Dit betekent overigens nog wel een verdubbeling rond 2050 en dus een behoorlijk extra belasting van de landbouw. De grote technische vraag die zich hierbij voordoet, is die van de zogenaamde eerste en tweede generatie biobrandstoffen. Welk beleid moet ontwikkeld worden om de groei van de eerste generatie tegen te gaan en van de tweede generatie te bevorderen? Ik denk dan met name aan beleid in Nederland in samenwerking met haar collega van VROM.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.12">De grote uitdaging is om te voorkomen dat het landbouwareaal niet ten gunste van de rijken wordt aangewend in de vorm van energievoorziening en daarmee ten koste gaat van de armen in de wereld aan wie voedsel ontnomen wordt. Onze fractie is benieuwd hoe de minister denkt dat haar inbreng in de Europese discussie ertoe zal bijdragen dat niet wordt toegegeven aan de wens van de landbouw om op dit punt onverstandig te groeien, maar dat gehandeld wordt met verstand en met begrip voor deze mondiale uitdaging.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.13">Het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft tientallen jaren zijn waarde heel duidelijk bewezen. Het is na het Europese kolen- en staalbeleid de tweede of, zo men wil, de derde pijler van het Europese beleid geweest. Het Europese landbouwbeleid is in de afgelopen eeuw onmiskenbaar het voorbeeld geweest van effectieve samenwerking. Nog altijd wordt zo'n 40% van de Europese begroting besteed aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Dat is overigens inclusief natuur. Het is verbazingwekkend dat er desondanks weinig debat is over Europa en over de legitimiteit van het EU-beleid. Overigens deelde de minister ons zelf al mee dat uit een recent uitgevoerd onderzoek door TNS NIPO blijkt dat 90% van de Nederlanders vindt dat de Europese landbouw "belangrijk" of "zeer belangrijk" is voor onze toekomst. We zullen dat debat dan in deze Kamer voeren vandaag.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.14">Sprekend over de toekomst van het Europees landbouw beleid, vraag ik de minister om haar visie te schetsen op de ontwikkeling van de EU-bijdrage aan de Nederlands landbouw na 2013. Zal deze sterk verminderen, gelet op de wens om het totale budget voor landbouw en natuur op de EU-begroting te verminderen? Nu bedraagt dit nog zo'n 40%.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.15">De Nederlands land- en tuinbouwsector is een van de meest innovatieve sectoren in Nederland. Niet voor niets vormt het een sleutelgebied binnen het Innovatieplatform. Met bijna 85.000 ondernemers in de primaire sector is het belangrijk voor Nederland. Ik vermeld dit nog maar eens, omdat wij de land- en tuinbouw in Nederland ondanks globalisering zullen moeten blijven koesteren naast de industrie. De Nederlandse land- en tuinbouw zal een grote rol blijven spelen in de mondiale voedselvoorziening, zeker daar waar het onze kennis op het gebied van duurzame en efficiënte landbouw en veeteelt betreft. Wij zullen daarom het Wageningen Universiteit Researchcentrum als wereldbekend kennisinstituut moeten blijven koesteren.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.16">De land- en tuinbouwondernemers beheren ongeveer 70% van de Nederlands aardbodem. Het is dus niet verwonderlijk dat een integratie met het beheer van onze natuur voor de hand ligt en dat deze integratie in ieder geval de komende decennia blijvend is. Taken die van algemeen belang zijn in een dichtbevolkt land komen bij de landbouwer te liggen. Enerzijds zullen er grote bedrijven bestaan die voor 100% als landbouwbedrijf opereren op een Europese of mondiale markt. Anderzijds zal sprake zijn van kleinere gemengde bedrijven die zich impliciet ook met natuurbeheer bezighouden. Dit brengt mij tot de volgende vragen. Hoe denkt de minister op dit punt sturend te kunnen werken teneinde een goede balans te houden? Denkt zij dat er werkelijk goede mogelijkheden zijn voor een goed gecombineerd bedrijf, waarbij het inkomen uit natuurbeheer ook echt bijdraagt? Vanuit de sector bereiken mij hierover namelijk sombere berichten.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.17">Wij hebben in Nederland met de plannen voor de Ecologische Hoofdstructuur en Natura 2000 een duidelijke positie pro natuur ingenomen. Dat is goed. Sinds wij deze plannen hebben gemaakt is de wereldvraag naar voedsel sterk gegroeid. Is de minister, nu dus sprake is van voortschrijdend inzicht, nog steeds van mening dat het zinvol is om zoveel vruchtbaar land om te zetten in natuurgebied? Is de groei van natuurgebieden niet op een andere manier te verkrijgen, bijvoorbeeld door inpoldering? Plannen voor de Noordzee worden bestudeerd. Is de minister ervan overtuigd dat de betrokkenen inderdaad goed betrokken worden bij het maken van keuzes op dit gebied? Overigens doe ik niets af aan de principes van de Ecologische Hoofdstructuur en Natura 2000.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.18">Ten aanzien van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn er duidelijke afspraken gemaakt die leiden tot verandering in de hervormingen tot 2013. Het is de wens van de CDA-fractie dat tot 2013 niet wordt getornd aan de afspraken over de hervormingen van het EU-beleid. Kan de minister bevestigen dat de regering vasthoudt aan de afspraken tot 2013? Uit Frankrijk zijn immers stukken uitgelekt die impliceren dat er een Franse lobby aan de gang is om een en ander te wijzigen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.19">Voorts zijn we het met de minister eens dat specifieke plannen van de Commissie die door het kabinet worden ondersteund, namelijk volledige ontkoppeling van betalingen en regionalisatie van betalingen, een goede zaak zijn. Voorts ondersteunt onze fractie het instellen van een boven- en ondergrens aan inkomensondersteuning, hoewel ons inziens een ondergrens van €&#160;100 wel wat aan de lage kant ligt. Ik denk dat administratieve lasten hiervan vaak een veelvoud zullen zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.20">In 2003 is een randvoorwaardenbeleid geïntroduceerd, ook wel aangeduid met de term "cross compliance". Toegekende inkomenssteun wordt gekoppeld aan de naleving van voorschriften op het gebied van milieu, dierenwelzijn en voedselveiligheid. Hiermee heeft binnen het gemeenschappelijk landbouwbeleid een nieuwe doelstelling zijn intrede gedaan, namelijk boeren de rol toekennen van beheerder van landschap en milieu. Met de minister hopen wij op een effectieve technische vereenvoudiging van deze "cross compliance" per 1&#160;januari 2008. In een recent artikel in de NRC heb ik gelezen dat boeren nu vaak geen aanspraak maken op de subsidie voor agrarisch natuurbeheer, omdat ofwel de regels te gecompliceerd zijn ofwel de risico's te groot dat na zes jaar de subsidie terugbetaald moet worden. Ik vraag de minister hierop te reageren.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.21">De verdere voortgang en liberalisering van de markt is een goede zaak. Nederland heeft vanwege zijn sterk innovatieve landbouwsector een voorsprong en zal zeker kunnen concurreren in de mondiale markten; toch gaat het niet gewoon maar om een consumentenproduct, maar om een product van levensbelang, namelijk ons voedsel. Het zou verstandig zijn om niet alle interventiemaatregelen overboord te gooien. Kan de minister bevestigen dat het de positie van dit kabinet is om te pleiten voor het behouden van de mogelijkheid van een publieke noodvoorziening in geval van zeer ernstige marktverstoring van graan- en zuivelmarkt?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.22">De CDA-fractie steunt van harte het laten verdwijnen van braaklegging als marktinstrument. Met de huidige en komende jaren te verwachten sterke wereldvoedselvraag is dit een instrument uit het verleden. De gedachten van het kabinet over modulatie zoals verwoord in de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 7&#160;december jongstleden kan onze fractie delen. Een verder verhoging van het bestaande verplichte modulatiepercentage van 5 naar 13 lijkt ons voorbarig, omdat het alleen maar betekent dat meer afgeweken wordt van de in 2005 gemaakte afspraken tot 2013 en dat was niet de bedoeling.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.23">Ik maak nog een enkele opmerking over het thema innovatie rond biobrandstoffen en biotechnologie – wij noemen beide omdat er naast verschillen ook een duidelijke overlap is – en klimaatmaatregelen in de land- en tuinbouw. Ik begin met de biobrandstoffen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.24">Onze fractie sprak eerder al haar zorg uit over de sterke steun in een aantal EU-landen voor het invoeren van biobrandstoffen van de eerste generatie. Wij delen de zorg van velen dat toch van een verkapte landbouwsubsidie sprake lijkt te zijn en dat er grote vragen zijn of de klimaatdoelstellingen werkelijk worden gediend. Hoe denkt de minister daar samen met haar collega van VROM in verder te gaan? Moeten we nu toch naar de 5,75% bijmenging in brandstoffen in 2010 of lijkt het beter een pas op de plaats te maken bij de huidige 2% en de ontwikkelingen van de tweede generatie af te wachten?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.25">Wij spreken over een overlap met biotechnologie omdat in de toekomst naast landbouwafval gewassen die wel gebruikt kunnen worden als brandstof door middel van gentechnologie tot grote verbetering kunnen komen die vervolgens met grotere efficiëntie tot biobrandstoffen kunnen worden herleid. Onze fractie heeft het standpunt van de collega van de minister over de trendanalyse in biotechnologie vernomen en wil graag weten of haar ministerie een actieve rol speelt in het selectief bevorderen van deze nieuwe technologie voor de landbouw, binnen de kaders van de zogenaamde EFSA, de European Food Safety Authority, die de Europese Commissie assisteert met adviezen over de ethiek van de gentechnologie. Hoe denkt de minister over de rol van de EFSA bij gewassen die niet voor de voedselketen gebruikt worden, maar voor de energieketen?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.26">Voorts zien we grote ontwikkelingen in de reductie van energieverbruik in de landbouw. Ik heb in mijn vorige werkzame leven een actieve rol mogen spelen in het zogenaamde OCAP-project in het Westland, organic carbon dioxide for assimilation of plants, waarbij CO2 van een raffinaderij de speciaal geproduceerde CO2 in de kassen vervangt. Er ontstond op deze wijze een nettoreductie in CO2-uitstoot.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.27">Er is nog veel meer mogelijk en wij vragen ons dan ook af of er in de toekomst niet meer gelden juist vanuit het LNV-budget (ook EU-gelden) naar het project Schoon en zuinig moeten. 10 mln. lijkt mij nogal karig, vooral als men bedenkt dat er veel discussie is over de bijdrage van de land- en tuinbouw aan de CO2 equivalent emissie in Nederland.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.28">Een boeiende ontwikkeling is de zogenaamde energie producerende kas en wij begrijpen dat deze ontwikkeling volop gesteund wordt. Wij denken echter ook dat dit veel harder kan. Daarnaast steunt het ministerie van Economische Zaken ook de verdere invoering van WKK-installaties. Nu zijn wij een groot voorstander van WKK-installaties, mits beide producten (elektriciteit en stoom) goed in de nabijheid gebruikt kunnen worden. Maar is er iemand die een afweging maakt tussen deze twee opties? Ik realiseer mij dat ze niet altijd uitwisselbaar zijn. In de toekomst zou er toch veel meer te zeggen zijn voor veel steun aan de energieproducerende kas in plaats van de energie gebruikende kas? Mijn vraag is in hoeverre er nu een integraal klimaatbeleid is in de landbouw voor de diverse sectoren.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.29">Tot slot maak ik nog een enkele opmerking over het thema dierenwelzijn. De CDA fractie steunt de minister in haar aanpak van activiteiten rond dierenwelzijn. Voor het CDA zijn dieren levende schepselen waarvoor de mens verantwoordelijkheid draagt. We moeten zorgzaam met dieren omgaan en de belangen van dieren zorgvuldig afwegen tegen andere belangen zoals volksgezondheid, voedselveiligheid en economische duurzaamheid. Ver voordat zich een partij aandiende die zich specifiek richt op dierenwelzijn was onder andere het CDA reeds actief op dit terrein, getuige ook de vooraanstaande rol die Nederland in Europa heeft op dit gebied, zoals ik in het najaar ondervond tijdens mijn bezoek aan Brussel met enkele leden van beide Kamers der Staten-Generaal.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.30">Met een goed beleid van people planet-profit – of moeten wij zeggen: people animal planet-profit, toch al een goed eind op weg in Nederland? – is mijn vraag of de minister niet met mij van mening is dat wij terug moeten naar een evenwichtige discussie rond dit thema die moet voorkomen dat de veehouder – die toch ook ons land beheert – al te vaak en volledig ten onrechte in een kwaad daglicht wordt gesteld.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.1.31">Wij danken de minister voor de voorgelegde plannen en wachten met belangstelling de antwoorden van de minister af.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.2.1">Mijnheer Willems, van harte proficiat met uw maidenspeech over de thematiek die de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, waarvan u vicevoorzitter bent, heeft gekozen bij de behandeling vandaag van de begroting van LNV.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.2.2">U bent een Shellman pur sang, want vanaf het moment dat u afstudeerde in de chemische technologie aan de Technische Universiteit in Delft tot aan uw pensioen in augustus vorig jaar bent u in diverse functies werkzaam geweest voor deze multinational. Tussen 1970 en 1989 vervulde u binnen de sector chemie verschillende functies in Australië, Engeland en Nederland. Van 1989 tot 1993 was u directeur chemie van Shell Brazilië, vervolgens tot 1997 president van Shell Philippines, waarna – met als standplaats Londen – de benoeming volgde tot vicepresident Base Chemicals and Intermediates. Van oktober 2003 tot aan uw pensioen was u president-directeur van Shell Nederland BV.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.2.3">Dit alles betekent overigens geenszins dat uw lidmaatschap van de Kamer uw eerste politieke ervaring is. U was van 1982 tot 1986 lid van de gemeenteraad van Ottoland. Verder bent u vooral de laatste jaren bijzonder actief geweest in een aantal adviesfuncties voor de regering. Zo was u lid van het Innovatieplatform, voorzitter van de Taskforce Energietransitie en bracht u advies uit aan de minister van VWS over veilig werken in de zorgsector. Daarbij vertaalde u overigens de slogan "je werkt hier veilig of je werkt hier niet", een Shell-adagium naar ik mij herinner, naar de wereld van de ziekenhuizen. Uw huidige nevenfuncties getuigen evenmin van eenzijdigheid, want u bent onder andere lid van de raad van toezicht van Gevangenenzorg Nederland, lid van de Commissie Uitdragen kernwaarden van de rechtsstaat en lid van de raad van toezicht van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.2.4">Tijdens uw studie hebt u overwogen om een overstap te maken naar theologie, om dominee te kunnen worden. U hebt zelf in een publicatie gezegd dat rentmeesterschap een bijbels begrip is dat voor u een belangrijke drijfveer is. Dat is ook een van de uitgangspunten van uw partij, het CDA. Het duidt op het besef dat mensen geen eigenaar zijn van de aarde, maar deze te leen hebben gekregen, om er als rentmeesters mee om te gaan. Het begrip duidt ook op een goed omgaan met eigen talenten en die van anderen. Het schijnt mij toe dat u met uw denkwijze en met uw werkzaamheden hebt getoond, geen dominee te hoeven zijn om van rentmeesterschap te kunnen getuigen. Met al uw kennis en ervaring bent u van harte welkom in dit huis. Ik wens u heel veel succes.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-850-872.1.3.4.1">Het woord is aan de heer Smaling, die zijn maidenspeech zal houden.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Woldring" MPid="02280" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="1999-12-20" topic="Afschaffing omroepbijdrage" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-418-429.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-418-429.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="17" number-of-words="2317" number-of-unique-words="736" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Cultuur en recreatie <pm:entity> Media</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Woldring" MPid="02280"/>
                <speaker name="Jurgens" MPid="01992"/>
                <speaker name="De Vries" MPid=""/>
                <speaker name="De Boer" MPid=""/>
                <speaker name="Luijten" MPid="02936"/>
                <speaker name="Kohnstamm" MPid="02667"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer Woldring, die zijn maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-418-429.1.2" speaker="Woldring" party="CDA" function="De heer" title="De heer Woldring  (CDA)" MPid="02280">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1" speaker="Woldring" function="De heer" MPid="02280">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Woldring (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Woldring</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.2">Mijnheer de voorzitter! Bij de schriftelijke voorbereiding heeft onze fractie al kenbaar gemaakt, met gemengde gevoelens kennis te hebben genomen van dit wetsvoorstel, maar wij hebben toch ook met erkentelijkheid kennis genomen van de memorie van antwoord. Wij hebben nog wel enkele vragen, omdat sommige antwoorden niet geheel bevredigend waren, terwijl wij andere antwoorden zelfs uitgesproken onbevredigend vonden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.3">Om positief te beginnen, de CDA-fractie heeft met waardering kennis genomen van de maatregelen die de staatssecretaris wenst te nemen om televisieprogramma's beter toegankelijk te maken voor mensen met een beperkt gezichtsvermogen en een beperkt gehoor. Deze vinden wij positief, maar voor zulke maatregelen is het niet nodig, de Dienst omroepbijdragen op te heffen; die maatregelen kun je ook op een andere manier nemen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.4">Terzake. Het heeft onze fractie verbaasd dat de bewindslieden nog steeds vasthouden aan een efficiencywinst van 60 mln. door de opheffing van de Dienst omroepbijdragen. Onze lachende minister van Financiën ziet natuurlijk de miljoenen als gebraden kuikens op zich afkomen, maar mijn fractie voorspelt hem dat ze als zwarte lijkjes voor zijn voeten zullen liggen, als niet te ontkennen miscalculaties en bewijzen van grote verliezen. Als wij alleen over 2000 praten, zal de minister die 60 mln. wel binnenhalen, maar daar staan dan tegenover de reorganisatiekosten, de te veel geïnde omroepgelden die moeten worden terugbetaald, de vrij forse verliezen in verband met de niet-geïncasseerde gelden die alsnog geïncasseerd moeten worden en 10 mln. voor het Gemeentefonds. Met het Provinciefonds is de minister nog in overleg; als ik het IPO mag geloven, komt de bijdrage daaraan uit op ten minste 40 mln. Daarbij komt dan nog de vrij schrikbarende brief die wij verleden week ontvingen van de raad van bestuur van de NOS, waarin vermeld wordt dat de december-incasso van de Dienst omroepbijdragen verleden week niet heeft plaatsgevonden, waarmee een bedrag van 100 mln. ongeïnd is gebleven. Welnu, dan zal zelfs een lachende minister van Financiën begrijpen dat wij heel benieuwd zijn naar een antwoord. Zelfs al haalt hij 60 mln. binnen, dan is er toch wel het een en ander te dekken, als er in 2000 een kostenpost van pak weg 110 mln. tegenover staat. Maar ook in 2001, als het nog maar gaat om 15 mln. reorganisatiekosten, maar nog steeds wel de compensatiekosten voor het Gemeentefonds en het Provinciefonds betaald moeten worden, komt de minister nog niet uit. Er blijft nog steeds een verlies; althans, er staan kosten tegenover die 60 mln. En het is nog zeer te betwijfelen of het geheel in 2002 wel op een geringe efficiencywinst zal uitkomen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.5">Mijnheer de voorzitter! Waar hebben wij het nu eigenlijk over? Over een Dienst omroepbijdragen met exploitatiekosten van 60 mln. Doorgaans tovert de minister met miljarden, maar nu wil hij een dienst opheffen terwijl dat een zo gering effect oplevert, dat onze fractie zich in gemoede afvraagt, of het nu nodig was om zoveel politiek tumult en zoveel maatschappelijke onrust bij de Dienst omroepbijdragen en bij de lokale en regionale televisie te veroorzaken. En wat halen wij netto binnen? Niets of een uiterst gering bedrag. Het bedrag van 60 mln. voor de jeugdzorg was al ingeboekt, dat geld wordt wel uitgegeven.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.6">Voorzitter! Over die efficiencywinst maak ik nog een aparte opmerking. Efficiency is een argument dat hier gebruikt wordt, zowel in de memorie van toelichting, alsook later, en het roept vragen op. De CDA-fractie maakt onderscheid in dit verband tussen doeltreffendheid en doelmatigheid. Je kunt op een gegeven ogenblik bepaalde fiscale en andere maatregelen nemen om het innen van financiën zo effectief mogelijk te maken. Die doeltreffendheid is prima. Alleen, het innen van geld is geen doel op zichzelf. Het dient een ander doel, namelijk een onafhankelijke en pluriforme publieke omroep. En gemeten naar de maat van dat doel – dat is doelmatigheid – moet je bepalen of het wetsontwerp aan de maat is of niet, en welke andere maatregel dan ook: of gemeten naar de maat van dat doel, een onafhankelijke publieke omroep, sprake is van een adequaat wetsontwerp en adequate maatregelen. Daar hebben wij ernstige vraagtekens bij.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.7">Als dan de bewindslieden in de memorie van antwoord, maar ook al eerder in de Tweede Kamer, spreken over: het gaat hier om een collectieve last en die wordt betaald uit collectieve middelen, dan zijn wij van mening dat hier een oneigenlijk argument wordt gebruikt. Het gaat namelijk niet zomaar om een collectieve last en collectieve middelen. Zo kun je elk geprofileerd probleem afvlakken en verplatvloersen. Het gaat hier bij het publieke bestel om maatschappelijke stromingen, maatschappelijke organisaties: organisaties met honderdduizenden leden, die worden gefaciliteerd door de overheid. En dan heb je een Dienst omroepbijdragen die een directe relatie legt tussen burger en de omroepen. Er zijn terdege veel burgers die nog steeds een directe relatie kennen tussen hun Dienst omroepbijdragen en het publieke bestel.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.8">De Dienst omroepbijdragen ziet mijn fractie als een soort buffer tussen overheid en publieke omroep. Als je die buffer eruit haalt, dan kort je de relatie tussen de overheid, de politiek en het publieke omroepbestel in. Dan verandert er iets aan de transparantie van het inningssysteem; de afstand met de politiek en omroep wordt ingekort. Nu doet mijn fractie daar niet paniekerig over, want wij hebben heel goed kennis genomen van de garanties die in de Mediawet genoemd worden: artikel 110 en artikel 111. Alleen, het gaat ons om de mogelijkheid die in dit wetsvoorstel wordt geschapen van een iets dichter op elkaar kruipen van publiek bestel en overheid. Als dan de bewindslieden in hun nota van antwoord aan de Tweede Kamer zeggen dat in de huidige kabinetsperiode geen voorstel zal worden gedaan tot aanpassing van het ingediende wetsvoorstel, dan impliceert dat per consequentie de mogelijkheid dat het in de toekomst wel gebeurt. Nu, precies om dat punt gaat het. Niet dat het nu zal gebeuren – de goede bedoelingen van de bewindslieden staan volstrekt buiten twijfel – maar de mogelijkheid dat er in een nieuwe situatie nieuwe voorstellen worden gedaan, is hiermee gecreëerd. Dan is er op termijn een aantasting van de onafhankelijkheid en van de pluriformiteit van de omroepen in geding. Niet direct, nadrukkelijk niet direct. De bewindslieden hebben hun goede bedoelingen op papier gezet. Maar er moet ons in een democratische rechtsstaat alles aan gelegen zijn om een onafhankelijk en pluriform omroepbestel in stand te houden en liever te versterken dan te verzwakken.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.9">Mijnheer de voorzitter! De bewindslieden hebben ter adstructie van hun argument voor die onafhankelijkheid van het omroepbestel een vergelijking gemaakt met de rechterlijke macht. Daar heeft mijn fractie met interesse kennis van genomen. Dat is een heel interessante vergelijking en die roept bij ons nogal wat bedenkingen op. Het lijkt op het eerste gezicht vrij sterk, maar het is naar de mening van de CDA-fractie pure apekool.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.10">In de eerste plaats: de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is gebaseerd op het beginsel van de trias politica, dat in de Grondwet is gefundeerd en in nog een aantal andere wetten uitdrukkelijk is omschreven. Kun je in gemoede daar nu de Mediawet mee vergelijken? Een simpele formele wet kan worden ingediend en daarmee kan veel gemakkelijker een wijziging tot stand gebracht worden betreffende de afhankelijkheid van de publieke omroep dan het geval is bij de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Daar is een vergelijking gewoon buitensporig. Ik wil heel graag daarop het antwoord van de bewindslieden horen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.11">Maar er is een tweede punt. We weten allemaal van het gebrek aan financiën bij de rechterlijke macht en weten dat dit de kwaliteit en ook de werkdruk daar nogal verhoogt. Als u die parallel wilt doortrekken, weet u dat een simpele aantasting of wetswijziging betreffende de omroep daar ook de druk geweldig kan verhogen. Die vergelijking kan opgaan.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.12">Als in de derde plaats de bewindslieden het argument van de vergelijking met de rechterlijke macht serieus nemen, waarom komt er dan niet binnenkort een wetsvoorstel tot fiscalisering van de griffierechten? Elke burger die naar de rechter stapt, moet voor een civiele procedure ruim fl. 100 griffierechten betalen. Nu, dat is een mooie vergelijking met de Dienst omroepbijdragen. Fiscaliseer het dan! Het maakt de toegang van de burger tot de rechtbank wel eenvoudiger. Ik ben benieuwd of dat wetsvoorstel binnenkort zal worden ingediend. Overigens, mijnheer de voorzitter, heeft in de vierde plaats het argument van vergelijking met de rechterlijke macht iets riskants. Uit publieke middelen wordt een instantie betaald. Als dat argument inderdaad zou worden gebruikt, ben je dichtbij een goed argument voor een staatsomroep.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.13">Kortom, de vergelijking met de rechterlijke macht is ondeugdelijk en ondoordacht. De bewindslieden geven natuurlijk best toe, dat betaling van publieke diensten uit publieke middelen geen dogma is. Maar waarom is het geen dogma? Welnu, om de simpele reden dat je je altijd de vraag moet stellen wat de aard van het doel is waarom het gaat. Met welke financiering, gemeten aan de aard van dat doel, ben je op een adequate manier bezig? Als die vraag niet kan worden beantwoord kom je tot een hutspotargumentatie, waarbij rechterlijke macht en onafhankelijke omroep door elkaar heenlopen. De vragen betreffende de financiering van de rechterlijke macht en die van het publieke bestel zijn principieel zeer verschillend.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.14">Mijnheer de voorzitter! Wat ik heb gezegd over de onafhankelijkheid van de pluriforme publieke omroep heeft nog sterker betrekking op de lokale en de regionale omroepen. De opslagen vervallen, er komen compensaties in het Gemeentefonds en het Provinciefonds en al met al kan gezegd worden, dat de lokale en de regionale omroepen, ook naar aanleiding van de berichten die deze Kamer uit die instanties heeft ontvangen, met handhaving van de Dienst omroepbijdragen beter zijn gediend dan met dit nieuwe wetsvoorstel. De Tweede Kamer heeft gekozen voor groei van de lokale en de regionale omroepen, juist om die in hun vitaliteit te bevorderen op lokaal en provinciaal niveau maar straks moet op provinciaal en lokaal niveau, dat wil zeggen in provinciale staten en in gemeenteraden, het debat over de verdeling van de gelden worden gevoerd. Als de staatssecretaris in de Tweede Kamer heeft gezegd dat het lokale subsidiebeleid de lokale media op de huid kan zitten, vraag ik mij in gemoede af waarom hij dan met een dergelijk wetsvoorstel het risico loopt om de mogelijkheden van discussies op dat gebied te vergroten. Ik kan mij voorstellen, dat hij eerder een wetsvoorstel indient om die regionale en lokale omroepen te versterken en de mogelijkheden voor een onafhankelijke en pluriforme omroep zo te versterken dat de mogelijkheden om discussies te krijgen in gemeenteraden en provinciale staten ter aantasting daarvan niet nodig zullen zijn. Ik weet dat een vergelijking met andere Europese lidstaten riskant is en zeker niet afdoende is als argument. Elk land heeft zijn eigen regels. Maar één ding staat vast: bijna alle Europese lidstaten hebben een onafhankelijk inningsbureau voor de omroepbijdragen, juist bedoeld om de politiek op afstand te houden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.15">Mijnheer de voorzitter! Ik wil nog twee opmerkingen maken over de gewetensbezwaarden en over het personeel van de Dienst omroepbijdragen. In de memorie van antwoord zeggen de bewindslieden, dat de plaatsingsmogelijkheden bij de Belastingdienst zijn vergroot. De CDA-fractie heeft geen argumenten om dat te bestrijden. Integendeel, als die vergroting metterdaad zo wordt ervaren binnen de Dienst omroepbijdragen, heeft zij daar ten volle vrede mee. Maar zij heeft wel kritiek en zij wil die openlijk uiten, ook al is het maar achteraf. Het moet gezegd worden in verband met toekomstige processen. Het overleg met de Ondernemingsraad van de Dienst omroepbijdragen loopt parallel met het wetgevingsproces en dat is laakbaar. Dat overleg had eerder moeten plaatsvinden. Dat het convenant nog niet is afgesloten – voorzover ik weet sinds vanmiddag – vind ik laakbaar. Daarover hadden eerder garanties gegeven moeten worden. Het gaat ons dan niet alleen om het personeel van de DOB, maar in veel gevallen ook om hun partners en gezinnen. Die leven in onzekerheid en dat was niet nodig geweest!</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.16">Bij de gewetensbezwaarden schijnt het om slechts 3% van de huishoudens te gaan, een kleine minderheid. De CDA-fractie zal de meeste argumenten van deze mensen om geen radio of televisie in huis te hebben, niet delen. Maar wij komen in een democratie wel op voor minderheden en behoren daarmee met grote zorgvuldigheid om te gaan. Handhaving van de DOB had deze mensen een betere dienst bewezen dan het nieuwe systeem dat voor hen nadrukkelijk nadelig is.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.17">De fractie van het CDA komt tot de voorlopige conclusie dat het kabinet de Staten-Generaal heeft opgezadeld met een overbodig wetsvoorstel. De efficiencywinst zal zeker de eerste twee jaar niet gehaald worden en ook daarna valt dat nog zeer te betwijfelen. De lokale en regionale omroepen zijn slecht af met dit wetsvoorstel en de gewetensbezwaarden en het personeel van de DOB worden erdoor benadeeld en dat was niet nodig geweest.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.1.18">Mijnheer de voorzitter! Wij zien de antwoorden van de bewindslieden met belangstelling tegemoet. Onze vragen zijn bedoeld om een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de mediapolitiek die onderdeel uitmaakt van de cultuurpolitiek. Omdat het woord "cultuur" etymologisch betrekking heeft op "met respect bejegenen" en "met zorg onderhouden", wil mijn fractie het gesprek met de bewindslieden met respect voeren. Wij doen dat echter ook met zorg; zorg om de kwaliteit van het publieke bestel ten behoeve van het hele volk. Met een variatie op de bekende woorden van de staatssecretaris: mijn fractie is heel graag bereid om het beste van het beleid van de bewindslieden populair te maken, maar zij wil er alles aan doen om het populaire van het beleid beter te maken!</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.2.1">Ik wens de heer Woldring graag geluk met het houden van zijn maidenspeech. Met de heer Woldring heeft een politiek filosoof zijn intrede gedaan in deze Kamer en ook een strijdbaar christen-democraat. Als zodanig had de heer Woldring zich al in geschrift laten kennen, maar voor wie het nog niet wist, sprak deze maidenspeech vanavond duidelijke taal.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.2.2">Ik wens de heer Woldring met die duidelijke taal graag van harte geluk.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-418-429.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Yildirim" MPid="03178" party="Fractie-Yildirim" function="MP( De heer)" house="Eerste Kamer" date="2007-10-16" topic="Algemene politieke beschouwingen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-68-108.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-68-108.1.12" which-speech-in-topic="11" number-of-paragraphs="13" number-of-words="1670" number-of-unique-words="671" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Rosenthal" MPid="02273"/>
                <speaker name="Werner" MPid="02609"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Noten" MPid="03018"/>
                <speaker name="Thissen" MPid=""/>
                <speaker name="Schuurman" MPid=""/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Schouw" MPid="03025"/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Yildirim" MPid="03178"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Yildirim, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-68-108.1.12" speaker="Yildirim" party="Fractie-Yildirim" function="De heer" title="De heer Yildirim  (Fractie-Yildirim)" MPid="03178">
                    <speech party="Fractie-Yildirim" docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1" speaker="Yildirim" function="De heer" MPid="03178">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Yildirim (Fractie-Yildirim)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Yildirim</naam>
                                <partij>Fractie-Yildirim</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1.2">Voorzitter. Op een andere wijze dan was voorzien, sta ik hier als volksvertegenwoordiger voor u in deze Kamer. Ik hoop dat wij elkaar in de loop van de tijd beter leren kennen. Ik bedank u en de ambtelijke organisatie voor de mij verleende ondersteuning tot nu toe.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1.3">Vanaf heden zal ik het woord namens de fractie-Yildirim/Solidara voeren. Solidara staat voor eenheid in de samenleving, in vrijheid en solidariteit. Wij zullen op geheel eigen wijze politiek bedrijven en eigentijdse oplossingen zoeken, vinden en aandragen voor de maatschappelijke problemen in onze samenleving. Op basis van een aantal thema's zal ik ingaan op de voorliggende voorstellen van het kabinet.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1.4">Ik begin met het thema eenheid. Wij staan voor eenheid in de samenleving. Het behouden en bewaken van de eenheid in de samenleving voor nu en in de toekomst is één van de belangrijkste thema's en vergt meer waakzaamheid dan voorheen. De laatste tijd worden bevolkingsgroepen steeds vaker tegen elkaar uitgespeeld. Ik noem dat het wij-zij denken. Laten wij ons realiseren dat artikel 1 van de Grondwet actief in de praktijk moet worden gebracht. De regering en de volksvertegenwoordigers hebben daarbij een belangrijke voorbeeldfunctie. Niet de vrijheid van enkelen, maar van iedereen in onze samenleving dient gewaarborgd te worden, zonder onderscheid naar geloof, sociaaleconomische positie, afkomst, sekse of geaardheid. De mens dient weer het uitgangspunt te zijn. Door te kiezen voor eenheid in de samenleving, kiezen wij tegen elke vorm van discriminatie.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1.5">Ten tweede staan wij voor vrijheid. Met vrijheid bedoelen wij de vrijheid van meningsuiting en de vrije keuze van de religie, zonder dat daarbij de vrijheid van een ander wordt ingeperkt. Hierbij wil ik opmerken dat ik met verbazing de reactie van het kabinet heb gelezen op de door ons gestelde schriftelijke vragen over het al dan niet verbieden van de Koran. De antwoorden stellen ons teleur. Wij hebben daaruit niet kunnen opmaken dat iedere burger in Nederland wordt geacht te leven naar artikel 1 van de Grondwet. Gezien het feit dat dagelijks mensen worden onderscheiden naar hun geloof en afkomst bij sollicitaties, op straat of in het uitgaansleven, vraag ik mij af of het bestaan van dit artikel in de Grondwet niet stelselmatig wordt ondermijnd, zonder dat er een bepaalde consequentie volgt?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1.6">Wij staan achter de uitspraken van Prinses Máxima. Naar onze mening bestaat dé Marokkaanse, Iranese of Nederlandse identiteit niet. De kracht van onze culturen is juist de dynamiek en het vermogen zich aan te passen aan de veranderingen in de samenleving. Wij leven nu toch ook niet meer zoals in de jaren 50 van de vorig eeuw? Wij constateren wel dat de aanwezige elementen van een mogelijk Nederlandse identiteit onderhevig zijn aan revisie. Wordt Nederland een land waar onder het mom van vrijheid de tegenstellingen tussen zwart en wit, en tussen geloof en ongeloof toenemen, of gaan wij voor een land dat juist de kracht vanuit de diversiteit haalt en probeert de samenleving op die gebieden te bundelen en te versterken? Solidara kiest voor het laatste en neemt stelling tegen alle tegenstellingen die dit ondermijnen. Wij vragen het kabinet hierin om een actievere houding op basis van concrete maatregelen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1.7">Ten derde: neem de burger serieus. Wij steunen dit kabinet als het gaat om het niet-houden van een referendum over het EU-verdrag. Ook wij zijn niet voor een nieuw referendum, al is onze motivatie daarvoor anders. De burger heeft immers al uitgesproken op basis van een referendum tegen het EU-verdrag te zijn. Aangezien het nieuwe verdrag op tal van punten nauwelijks is veranderd, vragen wij ons af of je de burger wel serieus neemt als je daarvoor opnieuw een referendum uitschrijft en wederom naar dezelfde bevolking van Nederland toegaat. Wat ons betreft, komt er dus geen referendum, maar ook geen nieuw EU-verdrag zoals nu wordt voorgesteld.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1.8">Ten vierde: wij staan voor duurzame landbouw en veeteelt. Minister Verburg heeft aangegeven dat het Nederlandse kabinet zich meer zal richten op de kwaliteit van de landbouw. Zij wil dat landbouw en veeteelt milieuvriendelijker worden, met meer aandacht voor dierenwelzijn. Deze minister kan rekenen op onze steun. Voor ons staat het dierenwelzijn eveneens hoog op de agenda. In ons land is wel sprake van een toenemend aantal varkensflats, dierenmishandeling en dieronvriendelijk vervoer. Wij keuren de toenemende bio-industrie af en kiezen voor meer kleinschalige en biologische landbouw en veeteelt. Wij staan voor duurzame energie en een zorgvuldige omgang met natuur en milieu. De aarde is van onze kinderen, maar wij moeten er wel voor zorgen dat de aarde ook in de toekomst nog leefbaar is.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1.9">Ten vijfde: wij staan voor het herstel van sociale zekerheid. Premier Balkenende zei het al: je moet het dak repareren als de zon schijnt. Dit is een mooie uitspraak. Vervolgens wordt er bezuinigd op in plaats van geïnvesteerd in mensen en in maatregelen om het levensonderhoud van burgers te verbeteren. Dit gebeurt in een tijd waarin het goed gaat met de economie. Gezinnen worden hard aangepakt, terwijl al jarenlang wordt bezuinigd. Nu schijnt de zon. Ik vraag mij af wat er gebeurt als het straks gaat regenen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1.10">Wij willen dit kabinet vragen waarom het een verplicht eigen risico wil invoeren in de basisverzekering. De huidige basisverzekering is al een minimumpakket. Mensen met een hoger inkomen kunnen zich beter verzekeren. Is dit de solidariteit waarvoor het kabinet staat? Waarom bezuinigt het kabinet op de fiscaleaftrekregeling voor chronisch zieken en gehandicapten? Is dit ook de solidariteit waarvoor het kabinet staat? Waarom laat het kabinet het gezin in de kou staan door verhoging van de energierekening? Is dat de solidariteit van het kabinet?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1.11">Waarom wil het kabinet de burger en het bedrijfsleven extra belasten voor het gebruik van de auto door een verhoging van de wegenbelasting, de benzineprijs en de btw? Nederland is in vergelijking met ons omringende landen al jaren een extreem duur land voor de weggebruiker. Wij dagen het kabinet uit om meer te investeren in openbaar vervoer om de mobiliteit te garanderen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1.12">Het lijkt erop dat het kabinet alleen maar de staatskas wil spekken, terwijl ongeveer een miljoen gezinnen in armoede leven. Dat moet anders en het kan beter. Wij pleiten voor een basisinkomen voor iedereen en voor het uitbannen van armoede in Nederland. Gas, licht, water, openbaar vervoer, zorg en onderwijs zijn van ons allen en moeten door de overheid beheerd blijven.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1.13">Ten zesde: wij willen investeren in sociale woningbouw. Minister Vogelaar investeert in een opknapbeurt voor zo'n 40 achterstandswijken. De huren kunnen worden verhoogd met het inflatiecijfer. Daarnaast wil de minister 80.000 tot 100.000 woningen bouwen. Wij willen hieraan toegevoegd zien dat er divers gebouwd wordt, voor zowel arm als rijk. Wij willen evenwichtig samengestelde wijken waar mensen van verschillende achtergronden elkaar tegenkomen. Iedereen heeft immers recht op een betaalbare woning. Waarom moeten de woningcorporaties niet meer investeren dan voorheen? Het kabinet moet zich hiervoor sterk maken.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.1.14">Tot slot missen wij steeds meer de visie en de motivatie van dit kabinet voor de aanwezigheid in Afghanistan. Wat wil Nederland nog bereiken in een land dat in een oorlogssituatie verkeert, met militairen die ernaartoe worden gestuurd onder het mom van hulp? Graag horen wij hierop een toelichting. Het kabinet kan wel op onze steun rekenen bij al zijn plannen die bedoeld zijn om de positie van de sociaal zwakkeren te verbeteren, die de sterk toenemende zwart-wit tegenstellingen kunnen overbruggen en die bedoeld zijn om de eenheid van de samenleving te behouden.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.2.1">Mijnheer Yildirim, ik wil u feliciteren met uw maidenspeech bij deze eerste algemene politieke beschouwingen in deze Kamerperiode. Dat u bij deze gelegenheid voor het eerst in de plenaire vergadering het woord zou voeren, lag aanvankelijk niet voor de hand. Pas twee weken geleden werd duidelijk dat u als zelfstandige fractie in deze Kamer verdergaat. U heeft hiertoe besloten nadat geen overeenstemming mogelijk bleek tussen u en de SP of de SP en u. U bent gekozen met voorkeurstemmen en zet op basis van de mogelijkheden die de Kieswet biedt, uw lidmaatschap van de Eerste Kamer voort als de Fractie-Yildirim. Hoewel in het algemeen gesproken afsplitsingen als onwenselijk kunnen worden beschouwd, is een en ander uw goed recht. Ik wil dan ook nog eens bevestigen dat deze Kamer uw stap respecteert.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.2.2">U bent geboren en getogen in Turkije en bent in september 1980 om politieke redenen naar Nederland gekomen. Dat de politiek in uw bloed zit, blijkt ook uit uw loopbaan sinds uw komst naar Nederland. Van 1986 tot 2002 bent u immers lid geweest van de PvdA. Voor deze partij was u raadslid in Zwolle van 1994 tot 2002. Ook voor dit vertegenwoordigende lidmaatschap bent u, tot twee keer toe zelfs, met voorkeurstemmen gekozen. Nadien hebt u een overstap gemaakt naar de SP, voor welke partij u in 2003 en in 2007 bent gekozen als lid van de provinciale staten van Overijssel. Voor deze partij bent u tevens lid geweest van het bestuur van de regio Overijssel en van het partijbestuur.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.2.3">Mijnheer Yildirim, het behoeft geen verder betoog dat doorzettingsvermogen u niet kan worden ontzegd. Uw geschiedenis spreekt voor zich. U maakt deel uit van deze Kamer met 75 leden die grondwettelijk gelijk zijn aan elkaar. Daarom heeft ieder van de leden, ongeacht of deze deel uitmaakt van een grote fractie of een kleine, gelijke zeggenschap bij de beoordeling van de regering en de wetgeving die zij ons voorlegt. Dat legt een grote verantwoordelijkheid op ieders bijdrage, zo ook op die van u. Als gekozen collega bent u welkom in de senaat. Ik wens u veel wijsheid toe bij uw werk. Wij zullen uw verdere verrichtingen in de Kamer met veel belangstelling volgen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.2.4">Ik schors de beraadslaging voor felicitaties en voor een pauze tot 16.45 uur. Ik deel de Kamer mede dat de minister-president mij te kennen heeft gegeven dat hij op een aantal vragen van technische of gedetailleerde aard schriftelijk wil reageren voordat de eerste termijn van de regering een aanvang neemt.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.3.1">De beraadslaging wordt geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.4">
                        <p docno="h-ek-20072008-68-108.1.12.4.1">De vergadering wordt van 15.30 uur tot 16.45 uur geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Yildirim, ik wil u feliciteren met uw maidenspeech bij deze eerste algemene politieke beschouwingen in deze Kamerperiode. Dat u bij deze gelegenheid voor het eerst in de plenaire vergadering het woord zou voeren, lag aanvankelijk niet voor de hand. Pas twee weken geleden werd duidelijk dat u als zelfstandige fractie in deze Kamer verdergaat. U heeft hiertoe besloten nadat geen overeenstemming mogelijk bleek tussen u en de SP of de SP en u. U bent gekozen met voorkeurstemmen en zet op basis van de mogelijkheden die de Kieswet biedt, uw lidmaatschap van de Eerste Kamer voort als de Fractie-Yildirim. Hoewel in het algemeen gesproken afsplitsingen als onwenselijk kunnen worden beschouwd, is een en ander uw goed recht. Ik wil dan ook nog eens bevestigen dat deze Kamer uw stap respecteert.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Bemelmans-Videc" MPid="02260" party="CDA" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2000-05-23" topic="Binnenlandse Zaken en Justitie (onderdeel Politie)" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-1375-1400.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-1375-1400.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="43" number-of-words="5121" number-of-unique-words="1613" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Politie, brandweer en hulpdiensten</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Bemelmans-Videc" MPid="02260"/>
                <speaker name="Van Heukelum" MPid="02935"/>
                <speaker name="Platvoet" MPid="02272"/>
                <speaker name="Van Schijndel " MPid=""/>
                <speaker name="Witteveen" MPid=""/>
                <speaker name="Stekelenburg" MPid="02275"/>
                <speaker name="Van Thijn" MPid="01363"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Terlouw" MPid="01719"/>
                <speaker name="Bierman" MPid="02944"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan mevrouw Bemelmans-Videc, die vanmorgen haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2" speaker="Bemelmans-Videc" party="CDA" function="Mevrouw" title="Mevrouw Bemelmans-Videc  (CDA)" MPid="02260">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1" speaker="Bemelmans-Videc" function="Mevrouw" MPid="02260">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Bemelmans-Videc (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Bemelmans-Videc</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.2">Mijnheer de voorzitter! Toen mijn vader naar Nederland kwam, moest hij een vak leren. Daar op dat moment alleen de lokale schilderspatroon een leerling kon gebruiken, werd dat zijn vak. Vandaag mag zijn dochter haar maidenspeech uitspreken als lid van een Hoog College van Staat.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.3">Voorzitter! Een land, waarin dat binnen twee generaties mogelijk is; dat land zal ik met vreugde, dankbaarheid en overtuiging dienen!</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.4">Wij voeren vandaag het laatste beleidsdebat naar aanleiding van de begrotingen voor het jaar 2000, dat betreffende het binnenlandse bestuur. Dat is wellicht symbolisch voor de bijzondere positie van dat ministerie als moederdepartement van alle andere terreinen van binnenlandse politie, in de oude en in de nieuwe betekenis van dat woord, zoals die in de loop van de vorige eeuw geïnstitutionaliseerd raakten in nieuwe departementen. Het beleidsdebat biedt de gelegenheid om in wat meer algemene termen te discussiëren over bredere thema's, over uitgangspunten en veronderstellingen, empirisch en normatief, van het bestuursbeleid. Die algemene thema's hebben hun uitwerking in concrete politieke keuzen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.5">Het binnenlands bestuur is een kostbaar bezit, een bezit dat naar de visie van onze fractie een herwaarderingscampagne verdient. Het publieke ambt verdient herwaardering als dienst aan burgers en samenleving. In de Verenigde Staten organiseren sommige steden zogenaamde "Public Service Recognition Weeks" waarin de bijzondere verdiensten van overheidsdienaren uitdrukkelijk worden gememoreerd en waarin onderscheidingen worden uitgedeeld voor "community service", inclusief onderscheidingen aan politiefunctionarissen en brandweerlieden die iedere dag weer de straat op gaan en in het uiterste geval hun leven op het spel zetten.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.6">Het denken over het openbaar bestuur blijft een zoektocht naar een optimale vormgeving van structuur en cultuur. De bestuursgeschiedenis overziend, blijkt de mens steeds met dezelfde "dilemmatische" keuzen te worstelen waar het gaat om de inrichting van dat bestuur. Tegelijkertijd blijkt die bestuurlijke mens steeds weer zo kort van memorie. In zijn magistrale werk The History of Government neemt de auteur Finer ons mee door vijf millennia bestuursgeschiedenis. Hij laat ons de wisselende en vaak toch zo verrassend overeenkomstige structuurwisselingen zien en illustreert telkenmale hoezeer de gedeelde cultuur, meer in het bijzonder de bestuurscultuur, doorslaggevend was voor het functioneren. Dan blijkt steeds weer dat structuren vooral hulpmiddelen zijn die de opvattingen over de inhoud dienen te ondersteunen en dat derhalve de opvattingen hier een primaire functie hebben en dienen te hebben.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.7">Het zal de minister dan ook niet verwonderen dat ik vandaag met hem vooral over de centrale waarden van goed bestuur zou willen debatteren. De vorige bewindsman expliciteerde zijn normatieve oriëntatie in de begrotingstoelichting vanuit een operationalisering van betrokken bestuur in de waarden van effectiviteit, efficiëntie, democratie en rechtsstatelijkheid. Opvallend is dat hij daarbij tevens verwijst naar de groeiende behoefte aan maatschappelijke samenhang, sociale cohesie, als noodzakelijk toetspunt voor het overheidsbeleid, een thema dat in het christen-democratisch gedachtegoed een rode draad vormt. Nu heeft dit kabinet, tot in de troonrede toe, veel van het CDA-gedachtegoed omarmd, zij het soms op een wat onnavolgbare wijze en vooral verpakt in vele warme dekens. Wij beschouwen dat om te beginnen maar vooral als een compliment aan dat gedachtegoed, maar zullen de bewindslieden uiteraard kritisch volgen bij hun uitwerking daarvan.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.8">Zoals gezegd, voor ons is niet in de eerste plaats de discussie over structuren en regels relevant, maar veeleer de politieke en bestuurlijke cultuur. De geïnternaliseerde "mos" van betrokken bestuurlijke actoren zal uiteindelijk doorslaggevend zijn. Dat ethos is de persoonlijke duiding van de centrale waarden van goed bestuur. Zo laat Finer in zijn eerder geciteerde werk zien hoe ten tijde van de Romeinse republiek gravitas, pietas en simplicitas golden als leidende persoonlijke deugden van de politiek-maatschappelijke elite; een mos maiorum die een, in de visie van Finer, in principe onwerkbare constitutie feitelijk effectief maakte.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.9">Waar centrale waarden aan slijtage onderhevig lijken te zijn – zij worden niet meer benadrukt, ceremonieel onderstreept – worden zij niet meer beleefd als relevant. Waardeoverdracht kan plaatsvinden via uitdrukkelijke instructie. Zo zouden in opleidingen en in "in service"-trainingen de relevante codes en achterliggende waarden veel systematischer aandacht moeten krijgen, terwijl zij bij formele initiaties en beëdigingen nog eens plechtig kunnen worden bekrachtigd. Waarden worden vooral effectief overgedragen als zij eenvoudig worden voorgeleefd door leidende figuren in organisaties.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.10">Een herwaardering van het publieke ambt betekent nadrukkelijk aandacht voor een herbekrachtiging van de grote betekenis van een dienstbare, integere en op het algemene belang betrokken rolopvatting. De herwaardering van het publieke ambt, met verwijzing naar vooral het karakter van dienstbaarheid, vormt dan ook een hoofdthema in onze bijdrage vandaag. Die dienstbaarheid houdt nooit op, ook niet bij de beperkingen die efficiencyoverwegingen opleggen. Efficiency is een waarde van goed bestuur die in de afgelopen decennia een dominante rol werd toebedacht, soms ten koste van andere waarden als effectiviteit en rechtstatelijkheid. Ik noem een enkel voorbeeld. De dienstbaarheid van de politie – wij waken opdat u kunt slapen – houdt nooit op. Het vormt als het ware een open en substantiële norm die niet valt weg te reguleren met procedures en efficiencyafspraken. Het mag niet zo zijn dat een burger die een relatief kleine diefstal meldt te horen krijgt: u denkt toch zeker niet dat wij daar achteraan gaan? Dat is funest voor de legitimiteit van het openbaar bestuur, voor de betrouwbaarheid van het publieke ambt en voor het vertrouwen dat de ambtsdrager dient uit te stralen, zeker waar die een cruciale rol vervult in de realisatie van het geweldsmonopolie van de staat.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.11">Wij zouden om te beginnen enkele zinnen willen wijden aan de termen waarin in onze tijd wordt gesproken over politiek en bestuur: de bestuurlijke semantiek die zo "welsprekend" is voor de dominante bestuurscultuur. In de wetenschappelijke literatuur, en vlijtig gekopieerd in het politieke debat, vinden wij waar het gaat om het politiek-bestuurlijke spraakgebruik een verwarrende veelvoud aan termen: er wordt gestuurd, beheerd en beheerst, er wordt beheer gevoerd, beleid gestuurd, er wordt al dan niet beheerst gestuurd, en als het echt menens wordt, dan wordt er aangestuurd. Het woord aansturen is een van de politiek meest succesvolle neologismen van de afgelopen decennia. Als dat werkwoord in de mond wordt genomen, dan ziet men als het ware de wolken van daadkracht achter de bestuurlijke actor opstijgen!</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.12">Voorzitter! Semantische veelvoud is naar ons gevoel meestal indicatief voor een gevoel van bestuurlijke onmacht en uiteindelijk ook voor een gebrek aan visie. Een van de terreinen waarop dat frappant wordt geïllustreerd, betreft het spreken in eufemismen ter aanduiding van de als horizontaler ervaren gezagsverhoudingen van deze tijd. Het lijkt een semantiek van de angst voor hiërarchische verhoudingen. Zo wordt op pagina 6 van de begrotingstoelichting gesproken over horizontale sturingsverhoudingen. Afhankelijk van de definitie van het begrip sturing is hier wel of niet sprake van een contradictio in terminis. Er wordt in convenanten en afspraken gesproken over bestuurlijke coproductie en partnerschap, over regiefuncties en arbitragefuncties. Alles behalve dat goede oude werkwoord besturen, want ja, dat betekent: zonodig dwingend richting geven aan bestuurlijk en maatschappelijk handelen!</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.13">In het algemeen problematiseerde de vorige minister de "horizontaliteit" in zijn verschillende essays. Zoals dat voor alle dichotomieën geldt: let op de vele tussenvormen die hun eigen ratio en veelal ook hun eigen functionaliteit en derhalve bestaansreden hebben of hadden. Een enkel voorbeeld, opnieuw uit Finers rijke "Fundgrube", vormt het feodalisme. Het feodalisme is op het oog redelijk verticaal en dus hiërarchisch en monocratisch. Integendeel! Het blijkt polycratisch met een veelheid van elkaar overlappende verticale en horizontale gezagsrelaties. Vazallen die tevens meester zijn en koningen die tevens vazal van een andere koning waren. Men zou die relaties deels nog als verticaal kunnen definiëren, ware het niet dat zij betrekking hadden op contracten waarin de wederzijdse plichten en rechten, indertijd vooral militair en financieel, waren geregeld, met als zwaarwichtig voorbeeld, in de Engelse geschiedenis, de Magna Carta. Met andere woorden: horizontale relaties, waarin betrokkenen dus over een vergelijkbaar machtspotentieel beschikten en waarbij macht als potentie steeds weer moest worden gerealiseerd, zijn van alle tijden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.14">Erkende wederzijdse afhankelijkheid was en is kenmerk van het Hollandse bestuur, met zijn preferentie voor collegiale bestuursvormen tot en met de zogenaamde "poldermodelliaanse contractrelaties". Veelal wordt horizontalisering verbonden met de noodzaak van overleg, van prudente deliberatie en van vertrouwen wekken. Dat was en is een goede zaak. De Nederlandse bestuursgeschiedenis staat er bol van. Vertrouwen is echter op velerlei wijze te verkrijgen. Ook binnen verticale gezagsverhoudingen moet dat vertrouwen steeds weer verdiend worden, bijvoorbeeld door duidelijk te maken waarom je beslist zoals je beslist, door zorgvuldige hoor- en wederhoorprocedures en door andere principes van behoorlijke bestuurlijke omgang. Dat creëert vertrouwen en een cultuur van betrouwbaar handelen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.15">Belangrijker nog lijkt ons het volgende. Vaak werken juist onduidelijke gezagsverhoudingen wantrouwen in de hand, omdat niet expliciet is gemaakt waardoor bestuurders zich uiteindelijk zullen moeten laten leiden. Als die verhoudingen helder zijn, kan daarbinnen met grotere vrijheid worden gezocht naar optimale samenwerking dan wanneer partners van elkaar niet weten waar de grenzen van bewegingsvrijheid en machtsmiddelen liggen. Met andere woorden, binnen heldere gezagsverhoudingen is de zoektocht naar redelijkheid in de oordeelsvorming een betere kans gegund dan wanneer die verhoudingen worden toegedekt met retoriek die uiteindelijk niemand baat.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.16">Wij vertalen deze analyse naar de noodzaak van juist versterking van de transparantie in termen van bevoegdheden, de daarmee verbonden verantwoordelijkheden en verantwoordingsplichten in de complexe relaties binnen overheden, met overheden op afstand en met maatschappelijke actoren. Met andere woorden, laat zien waar hier de relatie als verticaal dient te worden geduid. Wij zien in dat verband uit naar de bespreking van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, en zullen die vooral ook beoordelen in het licht van de gewenste transparantie van de daarin te schetsen bestuurlijke verhoudingen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.17">De toegenomen veelvouden van naar hun aard verschillende bestuurlijke relaties impliceren veelvoudige verantwoordingsplichten. Met de relatieve nieuwsoortigheid van die relaties, zien wij ook de literatuur ten aanzien van de accountability-vraagstukken toenemen. Versterking van de controlefuncties lijkt de toegenomen onzekerheden en onduidelijkheden in die relaties te moeten compenseren. Gegeven de aard van de arrangementen – ik noem de convenanten, de BANS, enz. – zijn de partners collectief verantwoordelijk, een verantwoordelijkheid die men verder zou kunnen uitwerken in tenminste drie soorten van verantwoordingsrelaties: tussen partners, tussen iedere partner en het eigen bestuur, en tussen partner en het publiek wier belang zij worden geacht te dienen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.18">De transparantievereiste is derhalve direct gerelateerd aan het gegeven dat verscheidene typen partners betrokken zijn, hetgeen het voor de burger extra moeilijk maakt om te achterhalen wie er nu verantwoordelijk is. Vraag: kan de minister het eens zijn met de stelling dat eenduidigheid en eenvoud in de vormgeving van bestuurlijke relaties, de transparantie van het bestuurlijk handelen vergroot en daarmee de mogelijkheid van de democratische controle? Hoe denkt hij dat te realiseren in de veelvouden van initiatieven in de relatievorming die thans gaande is? Wordt het überhaupt niet tijd dat men zich wat meer losmaakt van de modieuze en naar ons gevoel vrijblijvende discussie over een al dan niet verdampende overheid die verdrinkt in een mystieke vijver van netwerkalgen, en kiest voor een heldere positiebepaling van die overheid? De overheid is er uiteindelijk om, daartoe gelegitimeerd, te bemiddelen tussen deelbelangen in het licht van een hardop bediscussieerd en gedefinieerd algemeen belang.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.19">De discussie over verantwoordelijkheid moet gevoerd worden met verwijzing naar heldere bevoegdheden, maar dient aangevuld met verantwoordelijkheidsbesef, hetgeen wijst op het serieus nemen van taken en plichten, op het weloverwogen optreden en het zich rekenschap geven van de gevolgen van het handelen. Dat brengt mij bij de discussie over de integriteit van het openbaar bestuur.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.20">Voorzitter! Er is een verschuiving nodig in het denken van – in Weberiaanse termen gesteld – de dominante, instrumentele doelrationaliteit naar een waarderationaliteit, waarin het handelen uiteindelijk zijn ratio vindt in de bijdrage aan de realisatie van bepaalde waarden. Ontwikkelingen als die naar een "audit" of "ethics" in organisaties zouden daarvan doordrenkt moeten zijn. Een dergelijke oriëntatie is nodig, ook wanneer men wordt geconfronteerd met het probleem van de verantwoordelijkheidsvraag in organisatorische context, meer in het bijzonder het vraagstuk van "de vele handen".</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.21">De ethiek van de ambtelijke neutraliteit en de ethiek van de structuur zijn richtinggevend, maar nooit volledig afdoende voor de vraag naar de moraliteit van het handelen. De individuele verantwoordelijkheid, ook in organisatorische context, betekent een keuze tussen veelal botsende loyaliteiten: de loyaliteit aan de bewindspersoon en diens beleid, aan de democratische rechtsstaat, aan de wet, aan de eigen politieke en religieuze overtuigingen, aan de normen verbonden met eigen discipline, enz. Hoe daartussen te bemiddelen en te bepalen waar de primaire loyaliteit in een gegeven problematische casus dient te liggen? Wat is daarbij het kompas? Waar moeten de uiteindelijke rechtvaardigingsgronden worden gevonden?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.22">Onze fractie ziet die rechtvaardigingsgronden ook en vooral in deugden zoals rechtschapenheid, eerlijkheid en onomkoopbaarheid, en, met verwijzing naar de Thomistische deugdethiek, deugden als prudentie, matigheid, moed en die cruciale deugd van de rechtvaardigheid die overigens ook bescheidenheid impliceert en gedurige inzet ten behoeve van de goede zaak. Dan hebben wij het dus over mentaliteit, over een geesteshouding, die wordt gevoed door het goede voorbeeld, door discussie en die nooit compleet in regels te vangen zal zijn. Procedurele regels, met overwegend procedurele noties van recht en moraal, kunnen het zicht verminderen op de blijvend noodzakelijk discussie betreffende een substantiële visie op het goede. Natuurlijk, ook het procedurele is een expressie van het substantiële, maar nogmaals, zij kan deze nooit volledig omvatten.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.23">Het ministerie heeft veel werk verzet om op centrale en decentrale niveaus de integriteitdiscussie en -codificatie op de agenda te krijgen en te houden. Veel van de tot stand gekomen codes lijken echter vooral betrekking te hebben op een procedurele moraal, de "low road of ethics", die de relatief eenduidig te interpreteren gedragsregels aangaande geschenken, nevenfuncties en dergelijke, betreffen. Dat moet goed geregeld zijn en het is goed dat zij er zijn. Zij zouden echter nog meer een eenheid in denken en vooral in achterliggende waarden kunnen weerspiegelen. Zij heffen tevens de noodzaak van de discussie over de "high road of ethics", de persoonlijke deugdzaamheid in het licht van de dienstbaarheid aan het publieke belang, nooit op. Wij zullen graag van de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken horen of hij zich in deze visie kan herkennen en op welke wijze hij zich daardoor in zijn beleid ten aanzien van de integriteit zou willen laten inspireren. Wij denken daarbij ook aan de bevordering van de relevante discussie binnen het opleidings- en vormingsbeleid van ambtenaren.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.24">Wij spraken over loyaliteit en botsende loyaliteiten. Loyaliteit staat voor trouw aan het beleid en ook aan de persoon van de minister die dat beleid uitdraagt. Het impliceert dus ook een persoonlijke relatie, en die is per definitie tweezijdig. Ook ambtenaren willen zich gedragen weten door de loyaliteit van de politiek verantwoordelijke bestuurder. Dat brengt mij bij de klokkenluiderproblematiek. Wij zijn het eens met de minister: éérst de interne weg, dat is de koninklijke weg. Maar dan? Immers, als het alleen een intern probleem betreft, dan hoeft er, als de interne procedure goed verloopt, geen klok meer geluid te worden. De bedoeling van klokkenluiden is uiteindelijk echter dat het buiten de kerk gehoord wordt. Hoe denkt de minister om te gaan met het naar buiten brengen van door klokkenluiders via de interne weg aangegeven ernstige misstanden? De boodschap én de boodschapper zijn beide belangrijk.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.25">Wij zien de bepalingen inzake de bescherming van de klokkenluider met belangstelling tegemoet, waarbij wij vooral zullen bezien of de bijzondere kenmerken en verantwoordelijkheid van juist het publieke ambt daarin tot hun recht komen. Artikel 125a van de Ambtenarenwet geeft de bekende begrenzingen aan voor de vrijheid van meningsuiting: het mag de goede vervulling van de functie of de goede functionering van de openbare dienst niet in de weg staan, niet in redelijkheid schaden. Hierin en vervolgens in de bepaling van hoe ernstig de door de verontruste ambtenaar gesignaleerde problemen zijn, zitten onvermijdelijk redelijkheidsbepalingen. Die moeten worden ingevuld en gecodificeerd. Daarin zullen de departementale vertrouwenspersoon, de ambtelijke leiding en de Commissie integriteit rijksoverheid een belangrijke rol moeten gaan spelen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.26">De onafhankelijke vertrouwenscommissie die de minister ziet functioneren als laatste etappe in de gang van de klokkenluider, moet haar adviezen aan de minister dan ook openbaar maken. De minister is gehouden bij afwijking van dat advies zijn besluit nader te motiveren. Daar vindt dus een zekere codificatie van oordelen plaats, waarbij het uiteindelijk gaat om de vraag aan de hand van welke bestuursethische maatstaven de beoordeling van de handelswijze van de ambtenaar plaatsvindt. Daar vindt de operationalisering plaats van de bekende zinsnede "zoals een goed ambtenaar betaamt". Onze vraag aan de minister luidt als volgt. Aan de hand van welke maatstaven zou de minister de interne vertrouwenspersoon en de ambtelijke leiding willen zien oordelen? En, in het logisch verlengde daarvan, aan de hand van welke criteria zal de minister straks het functioneren van de vertrouwenslieden en de onafhankelijke commissie willen evalueren?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.27">In het verslag van de Europese Raad te Tampere, op 15 en 16 oktober van het afgelopen jaar, wordt gesteld dat op Nederlands initiatief de Europese Raad het belang benadrukt van een integere overheid. Afgesproken is dat er gemeenschappelijke normen op dit terrein ontwikkeld zullen worden. Hoever is dit overleg gevorderd en welke zijn de ambities van de Nederlandse overheid ten aanzien van de inhoudelijke invulling van die normen?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.28">Voorzitter! Gezien het in het politieke debat toenemende belang gehecht aan de bovenlokale bestuursschaal, wil onze fractie vandaag ook stilstaan bij de provincie. Wij vragen ons af welke visie de minister heeft op de rol van de provincies. Wij zouden op dat punt graag wat meer helderheid willen. De ervaren onduidelijkheid ten aanzien van de taken en bevoegdheden van de provincie wordt ook geïllustreerd in de velerlei toekomsten die deze bestuurslaag in de openbare discussie door allerlei commentatoren, ook uit de politieke sector, wordt toegewenst. De een doet haar in de uitverkoop als overbodige bestuurslaag: het middenbestuur is immers opgelost in rechtstreekse relaties tussen Rijk en vooral de grote steden, Europa is de meest relevante laag, enz. Anderen vinden juist dat zij meer bevoegdheden moet krijgen respectievelijk dat zij effectiever van haar bestaande bevoegdheden gebruik zou moeten maken.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.29">Voorzitter! Het komt ons voor dat hier vooral sprake is van gebrek aan visie bij de centrale overheid, en vooral aan een normatieve visie. Hoe wenst zij de provincie te zien functioneren? In tal van landen met effectieve "landsdelige" of regionale contacten met Europa functioneren uitstekende en bestuurlijk effectieve middenbesturen. Het is maar wat men ermee wil, nietwaar? Zo spreekt de minister voor Grote Stedenbeleid van de noodzaak van een versterking van de regiefunctie op centraal niveau, onder gelijktijdige versterking van de regie op lokaal niveau. Tijdens zijn toespraak bij gelegenheid van de afsluiting van convenanten met 25 steden sprak hij ook over de gevolgen voor de bestuurlijke organisatie en zei onder meer dat de vorming van regionale bestuursvormen onvermijdelijk zal blijken te zijn. Hoe verhoudt zich dat tot zijn visie op de rol van provincies en tot de desbetreffende visie van de minister?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.30">Voorzitter! Het populaire werkwoord regisseren is fascinerend. Het fascineert vooral omdat het in de stukken vaak wordt gebezigd in combinatie met de noodzaak van de versterking van de integratie- en de arbitragefunctie van provincies. Integreren betekent het opnemen van bepaalde zaken in een groter geheel, waarbij het resulterende geheel méér is dan de optelsom van de delen. Het gaat hier dan om de vereniging tot een nieuw geheel van mogelijk tegenstrijdige visies en deelbelangen. Integreren is dus meer dan het coördineren van activiteiten. Het gaat om de integratie van denkbeelden, beleidsintegratie dus. Dat kan niet zonder dat daartoe een ander normatief referentiekader beschikbaar is, aan de hand waarvan men de deelvisies die moeten worden verenigd, weegt en herleidt tot een nieuwe, samenhangende visie. Met andere woorden, integreren betekent een heldere, politieke visie van de provincie op de materie in kwestie. Het betekent tevens dat zij die zonodig dwingend hanteert. De met het werkwoord regisseren gesuggereerde respectvolle afstandelijkheid ten opzichte van de spelers op het bestuurlijk toneel is naar ons gevoel weer zo'n voorbeeld van versluierende retoriek.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.31">Uitgangspunt bij het zoeken naar een optimale vormgeving van het openbaar bestuur blijft de noodzaak van versterking van de legitimatie van het overheidshandelen: de mate van acceptatie van die machtsuitoefening. Daar wordt macht tot gezag. Wij raken daarmee aan de centrale waarde van de democratie. Vandaar het grote belang van de relatie overheid-burger. Het gaat uiteindelijk immers om de perceptie van de burger van die overheid. Een van de voordelen van het gegeven dat wij een minderhedenbeleid moeten voeren, is gelegen in de uitnodiging die dat voor de zogenaamde meerderheid inhoudt omdat deze weer eens herinnerd wordt aan de opdracht tot burgerschap.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.32">De relatie overheid-burger, meer in het bijzonder de participatie van de burger in de politiek, was en is een belangrijk thema, ook voor dit kabinet. Ik wijs daarbij op de voorstellen met betrekking tot het kiesstelsel en de premissen van de opdracht aan de commissie-Elzinga. Ook daar is een relatie verondersteld tussen de afnemende participatie en de formele structuur van het gemeenterecht. Idem bij eerdere initiatieven voor bestuurlijke veranderingen: steeds speelde de kloof burger-overheid een rol. Het is dus geen overbodige luxe daar wat langer bij stil te staan.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.33">Een goede overheid-burgerrelatie verplicht niet alleen de overheid, maar verplicht ook de burger. Democratie is hier een mentaliteit. De burger wordt geacht over belangrijke gemeenschappelijke zaken mee te denken, mee te spreken en mee te beslissen. Het democratisch functioneren van een politieke gemeenschap veronderstelt actieve beleving, dus geen onverschilligheid, ook niet waar die uit luxe lijkt te zijn geboren. Veel gaat immers goed. Hoe inspireer je in onze tijden tot nieuw engagement? Dat is de vraag waarvoor wij staan.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.34">Burgerschap verplicht. In de memorie van toelichting stelt de minister vast dat er sprake is van een minder prominente politieke invulling van het burgerschap. Hij constateert verderop dat burgers hun betrokkenheid bij politieke en maatschappelijke besluitvormingsprocessen in toenemende mate op andere manieren vormgeven dan door middel van verkiezingen. Inderdaad vindt politieke participatie ook plaats buiten de deelname aan verkiezingen, bijvoorbeeld in de "one issue"-bewegingen. Zij heeft zich echter steeds ook voltrokken in processen van inspraak, vertegenwoordiging en medebestuur en -beheer, als vertegenwoordiger van een belangengroep, als lid van beheers- en bestuurscommissies van bibliotheken tot scholen, in toezichtcommissies als lid van besturen van zelfregulerende organen, als vrijwilliger bij de brandweer, enz.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.35">Dit is een groot leger van vrijwilligers dat zich onbetaald en onverplicht inzet voor een veelvoudig geduide staatsgemeenschap. Dat zijn uiterst politiek relevante activiteiten, die wat ons betreft nog veel uitdrukkelijker door de overheid gedragen en gedecoreerd zouden mogen worden. Zij zijn het weefsel van de sociale cohesie, waarnaar ook de minister verwijst. Het gaat daarbij naast burgerschap als status inderdaad ook om burgerschap als deugd, zoals zo helder uitgewerkt in de Rapportage integratiebeleid etnische minderheden 1999. In dat rapport wordt het volgende geconstateerd omtrent burgerschap: "de bekwaamheid om zelf te participeren en competentie om anderen te laten participeren door het toegankelijk maken van instituties in de civil society zijn belangrijke aspecten van actief burgerschap". Nu, dat is een goed beginsel geldend voor de politieke integratie van alle ingezetenen als lid van de staatsgemeenschap en verantwoordelijk voor de publieke zaak. Het CDA wil dit versterkt en bevorderd zien, via opleiding en vorming, meer en uitgesprokener dan nu het geval is, maar ook door de burger zijn verantwoordelijkheid te gunnen, hem die te laten beleven en hem daarin te bevestigen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.36">In dit betoog zijn wij begonnen met de wenselijkheid van een herwaardering van het publieke ambt als publieke dienst: een dienstbaarheid die geldt zowel van de kant van de overheidsdienaar als van de kant van de bediende. Dat laatste is ook een vitaal onderdeel van het burgerschap. Die wordt beleefd in vele rollen, niet alleen als kiezer en zeker niet primair als cliënt. In de rol van cliënt is de burger gedefinieerd door de ambtenaar die te horen kreeg dat hij ondernemend moest zijn, en die daarbij moest vertrekken vanuit de gedachte dat de burger zich vooral zal laten leiden door diens eigen belang. Door die oriëntatie te benadrukken, voeden wij geen staatsburgers op. Er is een dringende noodzaak hernieuwd het accent te leggen op het algemeen belang, als normatief concept. Het begrip "algemeen belang" heeft een fundamentele betekenis, ook in een pluralistische politieke orde. Wij voeden staatsburgers niet op door een oriëntatie als cliënt te benadrukken, maar moeten het accent leggen op de noodzaak zich te oriënteren op het algemene belang. Burgers moeten leren om niet alleen op korte, maar ook op langere termijn te denken. Burgers opvoeden in de gedachte van medebestuurder en medeverantwoordelijkheid. De eerder genoemde maatschappelijke rollen zijn daarvan een goede illustratie.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.37">Ik citeer graag uit het geïnspireerde en inspirerende artikel van fractiegenoot Van Gennip in Christen-Democratische Verkenningen van april jongstleden. Hij spreekt daar over de eenzijdige inzet voor de demonstratie- en protestpolitiek: "Natuurlijk: de profetische getuigenis kan van geweldige betekenis zijn, maar waar onze democratie echt behoefte aan heeft, is niet (alleen) het gemakkelijke protest, maar de aansporing aan jonge, betrokken burgers om in politieke partijen te participeren." Ook zegt hij: "Hoe kunnen wij de Nederlander, de Europeaan het perspectief bieden van een andere samenleving, een samenleving die niet verbrokkelt, niet kapot gaat aan gebrek aan betrokkenheid op elkaar, en daarom, nog niet hier, maar wel elders zulke kansen biedt aan extremistische stromingen? Een personalistisch mensbeeld, herstel van de roeping van de sociale, de culturele, de politieke actie, en bovenal het herstel van het begrip 'algemeen welzijn', het bonum commune, daar gaat het om."</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.38">De burger beleeft politieke en maatschappelijke participatie breder dan de politiek-bestuurlijke elite, wellicht wat narcistisch, graag zou willen zien. Men heeft het vaak druk met de beleving van vormen van verantwoordelijkheid voor het publieke belang in de eigen kring. De CDA-fractie zou er derhalve voor willen pleiten het beeld van de politieke participatie te completeren door empirisch onderzoek van méér dan alleen de deelname aan verkiezingen. Ligt hier niet een opdracht voor onderzoeksinstituten als de WRR en het SCP en een adviesorgaan als de ROB, teneinde ons beeld van de politieke participatie van burgers – met name op lokaal niveau – te verbreden en daardoor completer te maken? Wat denkt de minister in dit verband te gaan doen met de analyse en de aanbevelingen van de ROB aangaande de relatie tussen jongeren en de overheid? Een "Staat van de Jeugd"? Wie de jeugd heeft, heeft immers de toekomst.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.39">Tot slot wil ik enkele gedachten wijden aan politieke partijen. Politieke participatie is dus een breed maatschappelijk fenomeen. Daarbinnen blijven politieke partijen een cruciale functie vervullen als intermediaire structuur tussen overheid en burger. Politieke partijen lijken van afnemende betekenis, althans afgemeten aan het ledental. Feitelijk echter wordt hun positie juist crucialer, gegeven de noodzakelijke versterking van hun zgn. platformfunctie: de integratie van de vele mineure en majeure issues waar omheen zich tijdelijke en minder tijdelijke organisaties groeperen. Aldus vervullen politieke partijen een vitale rol in een parlementaire democratie bij de integrale afweging van gerechtvaardigde deelbelangen en de omsmeding daarvan tot een algemeen belang.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.40">Tevens hebben politieke partijen een cruciale betekenis voor de rekrutering van hen, die dat kostbare openbare bestuur gestalte moeten gaan geven. Opnieuw: wij kunnen sleutelen wat wij willen aan structuren en procedures, maar het zijn uiteindelijk de mensen die het moeten doen. Opnieuw: de vitale betekenis van politieke en bestuurlijke cultuur en dus de noodzaak van vorming en opleiding in al hun facetten van de toekomstige bekleders van publieke ambten. Politieke partijen zijn uit dien hoofde dan ook kweekvijvers van bestuurders en volksvertegenwoordigers.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.41">Er is een grote impuls nodig in het debat inzake de rol van de politieke partijen. Daarvoor zijn uiteraard de politieke partijen zelf, als verenigingen van burgers, eerstverantwoordelijk. Zij zijn verantwoordelijk voor een duidelijk en inspirerend beginsel- programma, vertaald in aansprekende en motiverende stellingnamen. Zij zijn de eerstverantwoordelijken voor de vergroting van de politieke participatie via lidmaatschappen van hun verenigingen. Tegelijk vinden wij dat volksvertegenwoordigers en fracties beter in staat moeten worden gesteld om zich een goed beeld te vormen van de verschillende gerechtvaardigde belangen van burgers en hun instellingen, en in staat moeten zijn om met een eigen visie toekomstgerichte afwegingen te maken. Wij stellen vast dat de verhouding tussen de toerusting van het openbaar bestuur enerzijds en die van fracties en politieke partijen en aan hen gelieerde instellingen anderzijds, te onevenwichtig is geworden. Fracties en partijen moeten zich op alle overheidsniveaus intensiever en breder kunnen inzetten voor een open en modern georganiseerde communicatie met burgers, terwijl ook de controlerende taak van de volksvertegenwoordiging om een betere ondersteuning vraagt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.42">Wij pleiten daarom voor een ruimere facilitering van politieke partijen als organisaties van burgers en van de aan die partijen gelieerde instellingen. Overheden zouden daartoe ook zelf meer financiële middelen beschikbaar dienen te stellen, juist in het licht van de noodzaak van een versterking van (de beleving van) het burgerschap. Politieke partijen ontmoeten historisch gezien nieuwe verschijningsvormen van ad hoc-politieke participatie, die ze alleen kunnen pareren met meer deskundigheid, tijd en personeel en dus financiën.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.43">Als wij de belangrijke platformfunctie van de politieke partijen willen erkennen – en er zijn eenvoudig nog weinig alternatieven – dan is voortgaande ondersteuning vanuit maatschappij en overheid nodig. Wij dringen er dan ook bij de minister op aan te bezien, in hoeverre die impuls mede gedragen zou kunnen worden door een, eventueel tijdelijke, financiële impuls door vergroting van de geoormerkte subsidies die op dit moment zo'n 15% uitmaken van de partijbegrotingen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.1.44">Daarmee, voorzitter, wil ik mijn bijdrage aan de eerste termijn van dit debat graag afsluiten. Ik zie de antwoorden van de ministers met bijzonder veel belangstelling tegemoet.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.2.1">Mevrouw Bemelmans, namens de Kamer feliciteer ik u van harte met het houden van uw maidenspeech. U bent begonnen te zeggen dat u behoort tot de tweede generatie allochtonen en dat u blij bent dat u nu lid van de Eerste Kamer mag zijn. Ik denk dat de Eerste Kamer te feliciteren is met de kwaliteit van uw inbreng. U hebt vanmorgen niet geschroomd om fundamentele zaken aan de orde te stellen, zoals ethiek in het overheidsbeleid, en ook niet geschroomd om meer aandacht te geven aan burgerschap, niet alleen in politieke zin, maar ook in de zin van een "gevuld sociaal burgerschap". Uw bijdrage belooft veel voor de toekomst.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.2.2">Dat was overigens wel enigszins te verwachten, want u hebt inmiddels een carrière achter de rug die er niet om liegt. U bent lid geweest van de verkiezingsprogrammacommissie van het CDA en bent daarmee één van de weinigen in deze Kamer die het verkiezingsprogramma van de partij die men vertegenwoordigt, uit het hoofd kent. U bent verder hoogleraar bestuurskunde in Nijmegen en u hebt tien jaar lang ervaring als hoofd kwaliteitszorg en adviseur van de Algemene Rekenkamer. Dat kan niet iedereen hier zeggen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.2.3">Nogmaals: ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech en wens u toe dat u onze Kamer op het vlak van kwaliteit zult versterken.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-1375-1400.1.2.3.1">De vergadering wordt enige minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Bemelmans, namens de Kamer feliciteer ik u van harte met het houden van uw maidenspeech. U bent begonnen te zeggen dat u behoort tot de tweede generatie allochtonen en dat u blij bent dat u nu lid van de Eerste Kamer mag zijn. Ik denk dat de Eerste Kamer te feliciteren is met de kwaliteit van uw inbreng. U hebt vanmorgen niet geschroomd om fundamentele zaken aan de orde te stellen, zoals ethiek in het overheidsbeleid, en ook niet geschroomd om meer aandacht te geven aan burgerschap, niet alleen in politieke zin, maar ook in de zin van een "gevuld sociaal burgerschap". Uw bijdrage belooft veel voor de toekomst.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Bierman-Beukema toe Water" MPid="02261" party="VVD" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="1999-11-30" topic="Taxivervoer" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-202-215.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-202-215.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="15" number-of-words="1469" number-of-unique-words="639" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Markttoezicht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Verkeer <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Baarda" MPid="02837"/>
                <speaker name="Bierman-Beukema toe Water" MPid="02261"/>
                <speaker name="Terlouw" MPid="01719"/>
                <speaker name="Castricum" MPid="01886"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Van Vugt" MPid="02287"/>
                <speaker name="Van der Lans" MPid="02267"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan mevrouw Bierman-Beukema toe Water, die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-202-215.1.3" speaker="Bierman-Beukema toe Water" party="VVD" function="Mevrouw" title="Mevrouw Bierman-Beukema toe Water  (VVD)" MPid="02261">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1" speaker="Bierman-Beukema toe Water" function="Mevrouw" MPid="02261">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Bierman-Beukema toe Water (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Bierman-Beukema toe Water</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.2">Mijnheer de voorzitter! Om mij mentaal voor te bereiden op de discussie van heden heb ik mij vanochtend, komend uit het centraal station, naar de taxistandplaats begeven. Ik trof daar een fikse rij – in mijn ogen – gelijksoortige auto's aan. Toen ik iets te veel belangstelling toonde voor één van de auto's achterin de rij, werd ik resoluut naar de voorste verwezen. Wat zou het kosten van Den Haag Centraal naar het Binnenhof? Er is een dikke kans dat je een tijdje vastzit. Ik weet trouwens überhaupt niet wat de tarieven zijn. Ik ben dus maar gaan lopen, ook niet slecht voor de modal split.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.3">Voorzitter! Het wetsvoorstel kent een lange voorgeschiedenis met als herkenbaar startpunt het advies van de Raad voor verkeer en waterstaat, dat in 1994 werd uitgebracht. De raad is van mening dat de huidige situatie niet voldoet. Het taxibeleid is te veel op de producent en te weinig op de consument gericht.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.4">In 1995 laat de Werkgroep marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit – de commissie-Jonker – haar licht schijnen over de validiteit van doelstellingen, effecten van regelgeving en de vaststelling van tarieven en brengt zij het rapport "Taxi naar de toekomst" uit. De werkgroep wijt de matige prestaties van de taximarkt, zoals hoge prijzen, lage efficiëntie en bezettingsgraad, onvoldoende kwaliteit en lage innovatiegraad voor een groot deel aan de vergaande regulering van de markt. Een en ander leidt ertoe dat de taxi slechts een bescheiden, statische rol in het verkeers- en vervoersbeleid vervult en het aandeel van het taxivervoer in de modal split beperkt is.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.5">Kern van de voorstellen van de werkgroep is een vergaande deregulering van het taxibeleid om de gewenste marktwerking en concurrentie te bewerkstelligen. Verwacht wordt dat de kettingreactie die hierdoor ontstaat uiteindelijk zal leiden tot een betere afstemming tussen vraag en aanbod en – dat is het belangrijkste – een toename van het taxigebruik. Het zal niet verbazen dat deze aanpak de VVD-fractie bijzonder aanspreekt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.6">De regering heeft in grote lijnen het advies van de commissie-Jonker overgenomen en middels het aan de orde zijnde wetsvoorstel geregeld dat vergunningverlening wordt gecentraliseerd, de minister een maximumtarief kan vaststellen, vergunningen nog twee jaar gebiedsgebonden zijn en de minister nog twee jaar vergunningen kan weigeren op basis van een bijgesteld capaciteitsbeleid. Vastgelegd is bovendien dat de minister binnen achttien maanden verslag zendt naar de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en effecten van deze wet. Als daar zwaarwegende redenen voor zijn, kunnen gebiedsbeperking en capaciteitsbeleid met maximaal twee jaar verlengd worden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.7">Mijnheer de voorzitter! Nederland is niet het enige land dat probeert, met een dergelijke vorm van deregulering het taxigebruik een impuls te geven. De talrijke ervaringen in het buitenland laten zien dat de beoogde doelstelling van "een beter taxiproduct voor een reële prijs" zeker niet zonder meer en gegarandeerd gehaald wordt. Mijn fractie onderschrijft daarom van harte de door de regering voorgestelde voorzichtige en geleidelijke invoering van maatregelen en de aandacht voor kwaliteitseisen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.8">Zo zal bij de afbouw van het capaciteitsbeleid de aanvrager van een ondernemersvergunning moeten aantonen dat hij voldoet aan de landelijke omzetnorm. Daarnaast gaan wij ervan uit dat de minister voor ten minste twee jaar een maximumtarief zal vaststellen. Wij hebben het ontwerp van de ministeriële regeling inmiddels ontvangen. Mocht het vervallen van de 24-uursverplichting ongewenste effecten opleveren, dan zal dat blijken uit de monitoring en kan eventueel aan het einde van het derde jaar een 24-uurseis worden ingevoerd.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.9">Wij verwachten dat de klachtenregeling die haar beslag krijgt in de Wet personenvervoer 2000 een kwaliteitsborgende werking zal hebben en dat de verplichte boordcomputer de klant betere informatie zal verschaffen bij de afrekening.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.10">Mijn fractie verwacht dat genoemde maatregelen toereikend zijn om ongewenste bijverschijnselen zoals tariefstijgingen, vermindering van service en verschraling van kwaliteit, te voorkomen. De ervaringen uit het buitenland leren ons dat dit soort flankerend beleid noodzakelijk is en dat wij te maken hebben met een speciaal product in een speciale markt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.11">Mijnheer de voorzitter! Het is aannemelijk dat het nieuwe regime met name in stedelijk gebied en binnenstedelijke agglomeraties zijn vruchten zal afwerpen en leiden tot een meer substantiële rol van de taxi binnen de vervoersketen. Cruciale randvoorwaarde is hiervoor nog wel dat de taxistandplaatsen zodanig aangepast worden dat het praktisch mogelijk wordt, een andere taxi te kiezen dan de voorste. Graag zou ik van de minister willen vernemen of zij op basis van de laatste inzichten verwacht dat gemeenten binnen afzienbare tijd kans zien en bereid zijn, dit te doen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.12">Een andere vraag is hoe het zit met het platteland. Zullen zich in de dunner bevolkte gebieden prijsstijgingen voordoen? Zal de beschikbaarheid in de nachtelijke uren door het vervallen van de 24-uursverplichting te wensen overlaten? Bij hantering van te hoge prijzen door ondernemers in deze gebieden is de kans groot dat er concurrentie zal ontstaan en de aanbieder met een lagere prijs klanten naar zich toe zal trekken. Ondernemers die nu 24 uur per etmaal voor hun klanten klaarstaan, zullen dat straks ook willen doen, zo mogelijk op basis van een onderlinge regeling. Wij kunnen ons daarom vinden in het hierover gestelde in de memorie van antwoord.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.13">Mijnheer de voorzitter! Het voorgestelde pakket maatregelen doet een groot beroep op de veranderingskracht van de branche. Het valt daarom te betreuren dat er, ondanks de lange voorgeschiedenis van het wetsvoorstel, op dit moment geen sprake is van draagvlak binnen de gehele branche. Belangrijk en begrijpelijk pijnpunt betreft het onderwerp van de goodwill-kosten. Om ondernemers die tegen hoge kosten in het bezit zijn gekomen van een vergunning niet te duperen, heeft de overheid een fiscale tegemoetkoming in het leven geroepen. Sinds 1 januari 1998 kan de goodwill versneld fiscaal worden afgeschreven op een wijze die het beste aansluit bij de individuele situatie. Voor deze maatregel is een bedrag van 300 mln. begroot.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.14">Een ander pijnpunt voor de branche betreft het in de wet opnemen van het eindbeeld. Het kan in sommige gevallen voordelen hebben, niet alles op voorhand dicht te regelen, maar de overheid moet ook niet alle opties open willen houden. Maatregelen moeten geleidelijk en prudent worden ingevoerd en begeleid, maar het moet wel voor iedereen duidelijk zijn dat er sprake is van een wezenlijke stelselverandering en dat een bepaalde hoeveelheid tijd beschikbaar is voor aanpassing aan deze nieuwe omstandigheden. Met het eindbeeld, dat na maximaal vier jaar bereikt moet zijn, is duidelijk welke dereguleringsmaatregelen op welk tijdstip hun beslag krijgen. De VVD-fractie steunt daarom de regering in haar beslissing om dit eindbeeld toch op te nemen. Wat geheel ontbreekt in het kabinetsstandpunt en in de memorie van toelichting is een streefbeeld in kwantitatieve zin. Als operationele beleidsdoelstellingen worden genoemd: een absolute toename van het taxigebruik en een relatieve toename ten opzichte van concurrerende modaliteiten en dan vooral de auto.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.15">Het aandeel van de taxi in de totale vervoersketen is nu ruim 1%. Dat aandeel moet groter worden, absoluut en relatief, maar hoeveel groter? Wanneer kunnen wij zeggen dat de operatie geslaagd en het beleid effectief gebleken is? Wat is in de specifiek Nederlandse context op termijn een haalbaar en wenselijk percentage? Wat is de mening van deskundigen hierover? Mijn fractie beschouwt het ontbreken van dit streefbeeld als een omissie. Het reduceert monitoring en evaluatie op voorhand tot vragen als: zit er beweging in de markt; worden er nieuwe vergunningen aangevraagd; hoe ontwikkelen de tarieven zich; doen zich ongewenste nevenverschijnselen voor? Deze vragen moeten worden gesteld en de vinger moet aan de pols worden gehouden, laat daar geen misverstand over bestaan. Maar wat nu ontbreekt is de mogelijkheid om het traject van de uitgangssituatie naar het bereiken van een redelijke eindsituatie te volgen en waar nodig nog bij te sturen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.1.16">Mijnheer de voorzitter! Concurrentie in prijs en kwaliteit in het taxivervoer is in de huidige situatie niet of nauwelijks mogelijk. De voorgestelde deregulering opent die mogelijkheid en de flankerende maatregelen moeten voorkomen dat deregulering ontaardt in ontregeling. De praktijk zal moeten uitwijzen in welke mate het wetsvoorstel gezonde marktwerking bevordert en de Nederlandse taxi in het belang van de consument een rol van betekenis geeft. Mijn fractie heeft, alles afwegende, vertrouwen in de positieve werking van deze aanpak, maar ziet graag het antwoord van de minister op de gestelde vragen tegemoet.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.2.1">Ik wens mevrouw Bierman-Beukema toe Water geluk met haar maidenspeech. Ik wijs de leden erop dat zij een carrière heeft gehad in de plaatselijke politiek en op het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar zij directeur was van de directie Informatievoorziening en bestuurlijke betrekkingen. Ik vind het heel bijzonder dat zij uit de gemeente Heemstede komt, waar zij wethouder was, want ook de fractievoorzitter van de VVD komt uit Heemstede. Ik denk dat de gemeente Heemstede trots mag zijn op deze grote VVD-vrouwen.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-202-215.1.3.4.1">Ik geef het woord aan de heer Terlouw, die, althans in dit huis, zijn maidenspeech houdt.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Böhler" MPid="03135" party="GroenLinks" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2007-07-02" topic="Politiegegevens" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20062007-1059-1068.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20062007-1059-1068.1.6" which-speech-in-topic="5" number-of-paragraphs="20" number-of-words="2425" number-of-unique-words="849" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Criminaliteit</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Politie, brandweer en hulpdiensten</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Staatsrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Strafrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Rosenthal" MPid="02273"/>
                <speaker name="Franken" MPid=""/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Van de Beeten" MPid="02290"/>
                <speaker name="Böhler" MPid="03135"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Tan" MPid="02277"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan mevrouw Böhler, die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6" speaker="Böhler" party="GroenLinks" function="Mevrouw" title="Mevrouw Böhler  (GroenLinks)" MPid="03135">
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1" speaker="Böhler" function="Mevrouw" MPid="03135">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Böhler (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Böhler</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.2">Voorzitter. Alles van waarde is weerbaar; vrijheid is verantwoordelijkheid. Zo luidt de titel van de initiatiefnota die twee weken geleden in de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer werd besproken. Alles van waarde is weerbaar. Het doet mij bijzonder veel plezier dat ik, een allochtone Nederlander die pas kort geleden de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, mijn maidenspeech kan beginnen met een verwijzing naar een bekende Nederlandse dichter. Het feit dat ik weet hoe de originele dichtregel luidt, het gedicht ken en weet wie de dichter is, doet mij vermoeden dat mijn inburgering in Nederland geslaagd is. Daar ben ik blij om!</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.3">De initiatiefnota is geschreven vanuit de vraagstelling of de Nederlandse rechtsstaat voldoende is beschermd tegen aantasting door een democratisch meerderheidsbesluit dat de grondrechten opzij schuift, tegen een aantasting van binnenuit en via democratische weg. Hoewel de opstellers van de nota het waarschijnlijk niet hebben beoogd, biedt de nota een aantal belangrijke aanknopingspunten voor het debat van vandaag en morgen over de Wet politiegegevens en de brief van de minister van Justitie van 25&#160;januari 2007.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.4">In de nota wordt terecht gesteld dat in een rechtsstaat fundamentele rechten van burgers, zoals de grondrechten, gewaarborgd dienen te worden en dat deze rechten en vrijheden ook grenzen stellen aan de bevoegdheden van de wetgever. Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, dat vandaag onderwerp van debat is, behoort tot deze grondrechten en verdient derhalve bescherming. Maar het recht op privacy is uiteraard niet absoluut. De wetgever mag dit grondrecht beperken mits de beperking bij wet is geregeld, een legitiem doel dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.5">Het staat buiten kijf dat het verzamelen, het opslaan en het verwerken van persoonlijke gegevens van burgers een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer. Het staat eveneens vast dat door de Wet politiegegevens de bevoegdheid van de overheid om gegevens te verzamelen, op te slaan en te verwerken significant wordt verruimd. Sterker nog: deze verruiming is één van de doelen van de nieuwe wet. De minister heeft dit aangegeven in de toelichting op het wetsvoorstel. De vraag dient zich dan ook aan of deze verruiming geoorloofd is binnen de grenzen van artikel 10 van de Grondwet, respectievelijk artikel 8 van het EVRM. De minister vindt van wel en hij spreekt van een nieuw evenwicht tussen de bescherming van de privacy van de burger aan de ene kant en het belang van de rechtshandhaving aan de andere kant. Andere sprekers wezen hier ook al op.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.6">De fractie van GroenLinks deelt deze opvatting vooralsnog niet. Ook de uitvoerige gedachtewisseling tussen de vaste commissie voor Justitie en de minister heeft hierin geen verandering gebracht. Niettemin ben ik de minister erkentelijk voor zijn antwoorden op de vele vragen van de commissie. Deze antwoorden hebben namelijk in belangrijke mate bijgedragen aan de verheldering van de standpunten.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.7">De zorgen en bezwaren van mijn fractie vallen uiteen in verschillende categorieën. Ik zal de belangrijkste hierna nog eens op een rij zetten. Bij de standpuntbepaling van mijn fractie speelde het advies van het College Bescherming Persoonsgegevens een belangrijke rol. Anders dan de VVD-fractie delen wij de bezwaren die het college naar voren heeft gebracht. Wij hadden dan ook graag gezien dat de minister het advies had opgevolgd. Dit is jammer genoeg op een aantal essentiële onderdelen niet gebeurd.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.8">De argumenten van de minister om het advies niet te volgen, hebben mij niet overtuigd. Te meer niet, nu de minister blijkens de memorie van toelichting voor de opzet van de Wet politiegegevens aansluiting heeft gezocht bij de systematiek en de uitgangspunten van de Wet bescherming persoonsgegevens. Had het dan niet voor de hand gelegen om de adviezen van het college over te nemen?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.9">Mijn volgende vraag aan de minister betreft de invulling van het noodzakelijkheidscriterium. In de memorie van toelichting geeft de minister aan dat de beoordeling van de noodzakelijkheid van de verwerking van gegevens een beoordelingsmarge met zich brengt. Die marge beweegt zich volgens de minister ergens tussen onmisbaar als bovengrens en normaal, nuttig, redelijk en wenselijk als ondergrens. Bedoelt de minister hiermee dat de als ondergrens genoemde criteria – normaal, nuttig, redelijk en wenselijk – vallen binnen de grenzen van het noodzakelijkheidscriterium? Met andere woorden: indien het verwerken van bepaalde gegevens voor de politie wenselijk of nuttig is, is dan volgens de minister voldaan aan het criterium "necessary in a democratic society"?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.10">Een ander punt dat ik graag aan de orde wil stellen, is de zogeheten themaverwerking. Ook daarmee heeft mijn fractie grote moeite. In de memorie van antwoord legt de minister uit dat misdrijven als mensenhandel en mensensmokkel slechts dan effectief kunnen worden aangepakt indien de politie over een brede relevante informatiepositie beschikt. Dat klinkt mij logisch in de oren.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.11">Artikel I0 van het wetsvoorstel en dan met name artikel 10, lid 1 onder b biedt volgens de minister de mogelijkheid om die informatie te vergaren die nodig is om de genoemde misdrijven effectief tegen te gaan. Begrijp ik de minister goed, dan betekent dit dat de informatiepositie van de politie op dit moment niet goed genoeg is om deze misdrijven effectief te bestrijden. De minister verwacht kennelijk dat dit door toepassing van de nieuwe wet wél het geval zal zijn. Graag hoor ik of deze interpretatie juist is. Kan de minister ook een inschatting geven van het aantal zaken dat door de gebrekkige informatiepositie niet is opgelost? Laat dit zich ook uitdrukken in een verhoging van het oplossingspercentage na de invoering van de wet?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.12">In de brief van 25&#160;januari lees ik dat uit de evaluatie van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden blijkt dat er tot nu toe slechts incidenteel gebruik is gemaakt van verkennend onderzoek. De minister verwacht dat dit ook voor een verkennend onderzoek naar terroristische misdrijven geldt.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.13">Deze uitkomst van de evaluatie en de verwachting met betrekking tot terroristische misdrijven kan ik niet rijmen met de stelling dat de bestaande bevoegdheden om gegevens te verwerken, de politie onvoldoende armslag geven om bepaalde zware misdrijven aan te pakken. Als de politie géén of nauwelijks gebruik maakt van bestaande bevoegdheden, waarop is dan de verwachting van de minister gebaseerd dat een uitbreiding van bevoegdheden een oplossing zal bieden? Zou het niet voor de hand liggen dat eerst wordt geprobeerd, de reeds bestaande bevoegdheden ten volle te benutten? Ik ben benieuwd naar de antwoorden van de minister op deze vragen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.14">Maar wij hebben, evenals het College Bescherming Persoonsgegevens, meer bezwaren tegen de themaverwerking. Ten eerste hebben wij moeite met de ruime kring van onverdachte personen die vallen onder de toepassing van artikel 10 van de nieuwe wet. Dit artikel is vandaag al een aantal keren aan de orde geweest. Het is voldoende, zo staat er, dat iemand "in een bepaalde relatie staat" tot de verdachte of tot de persoon die mogelijk betrokken is bij het beramen of plegen van het betreffende misdrijf. Is mijn interpretatie juist dat dit bijvoorbeeld ook kan gaan om mogelijke slachtoffers van het misdrijf of familieleden van de verdachte? En is volgens de minister ook een indirecte relatie met een verdachte voldoende? Ik denk dan onder meer aan familieleden van het slachtoffer of aan personen die bijvoorbeeld lid zijn van dezelfde schietvereniging als de verdachte.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.15">Ten tweede maak ik mij zorgen over de voorzienbaarheid van de toepassing van artikel 10. Hiermee doel ik allereerst op het feit dat in artikel 10, lid 1, onder b, heel algemeen wordt gesproken over "handelingen". Ook dit onderwerp is eerder door sprekers genoemd. "Handelingen" omvat vanzelfsprekend niet alleen strafbare handelingen, maar alle handelingen die kunnen wijzen op het beramen of plegen het betreffende misdrijf. Daar komt bij dat de misdrijven waarop dat betrekking heeft, zullen worden bepaald bij algemene maatregel van bestuur, dus lagere wetgeving. Graag hoor ik van de minister waarom hij de betreffende misdrijven niet in de wet zelf wilde vastleggen en voorts waarom hij, anders dan bijvoorbeeld in artikel 10, lid 1, onder a, de categorie van misdrijven niet heeft beperkt tot misdrijven als omschreven in artikel 67, lid 1, van het Wetboek van Strafvordering. Welke misdrijven die niet onder dit artikel van het Wetboek van Strafvordering vallen, heeft de minister op het oog?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.16">Ik kom tot een ander punt van zorg en dat betreft de waarborgen en de controlemechanismen. De minister heeft onderkend – en daar ben ik blij om – dat de uitbreiding van bevoegdheden met zich brengt dat daar tegenover de nodige waarborgen moeten staan. In de memorie van toelichting worden in dit verband specifiek genoemd het autorisatievereiste, de protocolplicht, de auditplicht en de verplichting tot aanwijzing van een privacyfunctionaris.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.17">Vanzelfsprekend zijn deze "interne" controlemechanismen van groot belang. Zoals gezegd, ben ik dan ook blij met de genoemde maatregelen. Maar interne controle is slechts één kant van het verhaal. Even belangrijk, zo niet belangrijker, is het dat ook de burger, om wiens gegevens het tenslotte gaat, voldoende mogelijkheden tot toetsing heeft. En hier wringt de schoen wat mij betreft. Want de toetsingsmogelijkheden door de burger zijn zeker niet ruimer dan in de huidige wet. Integendeel.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.18">Dat heeft ten eerste te maken met het feit dat de weigeringsgronden, dat wil zeggen de gronden waarom kennisneming mag worden geweigerd, zijn uitgebreid, namelijk door artikel 27, lid I, onder c (veiligheid van de staat). De noodzaak hiervoor is mij niet duidelijk. Kan de minister een voorbeeld noemen waarbij de veiligheid van de staat wel in het geding is, zonder dat er tevens kan worden geweigerd omdat de goede uitvoering van de politietaak (weigeringsgrond b) dit noodzakelijk maakt?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.19">Ten tweede kan de burger weliswaar verbetering, aanvulling en afscherming, alsook daarnaast verwijdering van de gegevens verzoeken, maar hij kan niet om vernietiging daarvan vragen. De minister heeft in het betreffende artikel, artikel 28 van het wetsvoorstel, aansluiting gezocht bij de Wet justitiële gegevens. Dat begrijp ik op zich, maar als ik het goed zie, dan kent deze wet het onderscheid tussen verwijdering en vernietiging niet. Het is mij niet duidelijk of dit voor de Wet politiegegevens betekent dat gegevens die op verzoek van de betrokkene moeten worden verwijderd, onder bepaalde omstandigheden net als andere verwijderde gegevens bewaard kunnen worden en dus pas na het verloop van de bewaartermijn worden vernietigd. Artikel 4 van de nieuwe wet spreekt immers alleen over de vernietigingsplicht indien de gegevens onjuist zijn. De rechter kan evenwel ook op andere gronden een verzoek tot verwijdering toewijzen. Kan de minister hierover verduidelijking geven?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.20">Nog een laatste punt met betrekking tot de rechten van de betrokken burger. Artikel 30 van de nieuwe wet bepaalt, evenals artikel 24 van de huidige wet, dat derden aan wie gegevens zijn verstrekt op de hoogte moeten worden gebracht van verbetering, verwijdering, aanvulling of afscherming van bepaalde gegevens. Als dus na een procedure de burger in het gelijk wordt gesteld, moet de politie ook andere instanties hierover inlichten. Maar dat betekent natuurlijk nog niet dat de ontvangende instantie de gegevens vervolgens verwijdert, verbetert of aanvult. Met andere woorden, onjuiste of onvolledige gegevens kunnen ook na een succesvolle procedure in gebruik blijven. Zeker gezien het feit dat de bedoeling van het wetsvoorstel in ieder geval mede ligt in de verruiming van de mogelijkheid om gegevens aan elkaar te koppelen en uit te wisselen, is dit volgens ons een onwenselijk resultaat. Graag hoor ik de visie van de minister hierop.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.1.21">Mevrouw de voorzitter. Ik ben bijna aan het einde van mijn betoog en graag wil ik de minister tot slot nog enkele overwegingen over het nut van gegevensverzamelingen meegeven. Als ik de veelheid aan wetgeving en verdragen bekijk die te maken hebben met het verzamelen en verwerken van gegevens, dan krijg ik de indruk dat wij er te gemakkelijk op vertrouwen dat "meer" in dit verband ook altijd "beter" is. Maar toegang tot meer gegevens brengt niet automatisch meer kennis met zich. Integendeel, zou je bijna willen zeggen. Iedereen die, zoals de minister ongetwijfeld, geconfronteerd wordt met een constante stroom aan nieuwe informatie, weet dat het vergaren van kennis met name afhangt van de vraag of men structuur kan geven aan die informatie. Zonder structuur, zonder context en zonder interpretatie zijn de gegevens waardeloos. En ik vraag mij dus ook af of de verwachtingen die sommigen hebben van de invoering van dit wetsvoorstel, niet al te hoog gespannen zijn. Ik zie evenwel eerst met belangstelling uit naar het antwoord van de minister.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.2.1">Mevrouw Böhler, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech over de Wet politiegegevens, een onderwerp dat u op het lijf geschreven is. U bent immers advocaat en hebt in uw praktijk regelmatig met dit type wetgeving van doen. Het is dan ook geen verrassing dat uw bijdrage vandaag getuigt van zowel betrokkenheid als deskundigheid.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.2.2">Hoewel u tot uw lidmaatschap van deze Kamer weinig politiek actief bent geweest in klassieke zin, zit de politiek u wel in het bloed. Tijdens uw studie strafrecht aan de Albert-Ludwigs Universität van Freiburg im Breisgau haalde u, naast een propedeuse in de economie ook een propedeuse in de politicologie. U bent vervolgens cum laude gepromoveerd op een dissertatie over de rechtsfilosoof Husserl. Zelf noemt u zich sinds uw bezoek aan Zuid-Afrika in 1994 politiek advocaat, een aanduiding die u onder meer recht hebt gedaan als advocaat in een aantal spraakmakende strafzaken waarbij politieke aspecten een belangrijke rol speelden.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.2.3">U bent een erkend voorvechter van de mensenrechten, getuige ook de Clara Meijer-Wichmannpenning die u hiervoor hebt ontvangen in 2005. Daarvoor al, in 2003, ontving u de Dekenprijs voor de beste Amsterdamse advocaat.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.2.4">In uw boek Crisis in de Rechtstaat, uit 2004 schrijft u onder meer: "Onnadenkende en onkundige politici, gelegenheidswetgeving, focus op vrijheid - er zijn voldoende risico's die fundamentele waarden van de rechtstaat kunnen aantasten. En dat gebeurt ook, stelselmatig en steeds dieper." U begrijpt, mevrouw Böhler, wij hebben hoge verwachtingen van u in deze Kamer.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.2.5">Uw verkiezing tot senator is het allerleukste wat u kunt bedenken, zo heb ik mij laten vertellen, al hebt u ooit overwogen uw talent als balletdanseres te gebruiken om van die kunst uw professie te maken. U hebt het ervoor over gehad, uw Duitse nationaliteit op te geven, aangezien voor het lidmaatschap van deze Kamer de Nederlandse nationaliteit vereist is.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.2.6">Relevante literatuur, relevante jurisprudentie, u pluist het allemaal uit om beslagen ten tonele te verschijnen. Uw omgeving karakteriseert u, om in uw moedertaal te spreken, als gründlich en pünktlich. Het komt mij voor dat deze maidenspeech daar een voorbeeld van was.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.2.7">Kortom, mevrouw Böhler, u begrijpt uit dit alles dat u zeer welkom bent in deze Kamer. Ik wens u van ganser harte veel succes.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.2.8">Ik geef de collega's de gelegenheid om u ook te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.3">
                        <p docno="h-ek-20062007-1059-1068.1.6.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Böhler, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech over de Wet politiegegevens, een onderwerp dat u op het lijf geschreven is. U bent immers advocaat en hebt in uw praktijk regelmatig met dit type wetgeving van doen. Het is dan ook geen verrassing dat uw bijdrage vandaag getuigt van zowel betrokkenheid als deskundigheid.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="De Blécourt-Maas" MPid="02933" party="VVD" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2001-04-03" topic="Verkeer en Waterstaat" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20002001-1165-1208.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20002001-1165-1208.1.4" which-speech-in-topic="3" number-of-paragraphs="13" number-of-words="2755" number-of-unique-words="950" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Eversdijk" MPid="01891"/>
                <speaker name="Bierman-Beukema toe Water" MPid="02261"/>
                <speaker name="De Blécourt-Maas" MPid="02933"/>
                <speaker name="Van der Lans" MPid="02267"/>
                <speaker name="Castricum" MPid="01886"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Terlouw" MPid="01719"/>
                <speaker name="Bierman" MPid="02944"/>
                <speaker name="Netelenbos" MPid="02857"/>
                <speaker name="J.M. de Vries" MPid=""/>
                <speaker name="Eversdijk" MPid="01891"/>
                <speaker name="Bierman-Beukema toe Water" MPid="02261"/>
                <speaker name="De Blécourt-Maas" MPid="02933"/>
                <speaker name="Van der Lans" MPid="02267"/>
                <speaker name="Castricum" MPid="01886"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Terlouw" MPid="01719"/>
                <speaker name="Bierman" MPid="02944"/>
                <speaker name="Netelenbos" MPid="02857"/>
                <speaker name="J.M. de Vries" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan mevrouw De Blécourt-Maas en maak de Kamer erop attent dat zij haar maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4" speaker="De Blécourt-Maas" party="VVD" function="Mevrouw" title="Mevrouw De Blécourt-Maas  (VVD)" MPid="02933">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1" speaker="De Blécourt-Maas" function="Mevrouw" MPid="02933">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw De Blécourt-Maas (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>De Blécourt-Maas</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1.2">Voorzitter! Water is één van de thema's die de commissie van de Eerste Kamer in gezamenlijk overleg heeft gekozen om bij deze begrotingsbehandeling van Verkeer en Waterstaat nader uit te diepen. Water heeft ook al heel lang mijn persoonlijke interesse. Mijn lagere school was gelegen naast het historische gebouw van het hoogheemraadschap Uitwaterende Sluizen Hollands Noorderkwartier in Edam. De uitleg aldaar aan de hand van een maquette over het waterbeheer in dat deel van Noord Holland was mijn eerste bewuste confrontatie met zowel eeuwen strijd tegen het water als het creëren van nieuw land door inpolderen, zoals de Purmer. Maar ook de historie boeide mij, zoals beschreven door Schilstra in zijn boek over de West-Friesche omringdijk, waar naast veiligheid, cultuurhistorie en rechtspraak alles in het teken stond van het leven achter een dijk. In die tijd was men zich terdege bewust van de risico's zoals van een wierdijk, en bovendien ook van de telkens terugkerende problemen met de paalworm die verdedigingswerken tegen het water verzwakte.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1.3">Na de watersnood in Zeeland werd de strijd tegen het water gevoerd met de Deltawerken. Luctor et emergo heette de strijd die werd ingevuld met menselijk technisch vernuft tegen de natuur van storm en springvloed. En meer recent, maar vanuit een andere richting, namelijk bij de dreigende overstromingen van de grote rivieren in de Betuwe werden ruim tweehonderdduizend mensen geëvacueerd en kenden wij de overstromingen in Limburg in 1993 en 1995. Maar ook de stad Groningen was bijna overstroomd als niet op het laatste moment een polderdijk was doorgestoken. En in 1999 was voor de tweede keer te zien, in het met huizen en kassen volgebouwde Westland, dat het watersysteem als geheel niet op orde is. Het gebeurde steeds vaker dat er iets mis ging. Maar niet alleen in Nederland ging het mis. Wereldwijd waren er overstromingen en aardverschuivingen ten gevolge van heftige regenval. Er blijken externe omstandigheden, onbeïnvloedbare processen te zijn, zoals klimaatverandering en zeespiegelstijging op mondiaal niveau, waar het Nederlandse beleid vrijwel geen invloed op heeft. Daarentegen vindt in Nederland bodemdaling plaats door peilverlaging en inklink. Wij pompen onszelf als het ware naar beneden, in veel gevallen ten behoeve van het economisch belang. Dit heeft een negatief versterkend effect in relatie tot de zeespiegelstijging, het verschil zeespiegelbodem wordt er nog groter door. Met de toenemende hoogwaterstanden van de rivieren zijn de laatste tien jaar de kosten die daaruit voortvloeiden voor de overheid onevenredig sterk toegenomen. De schade liep in de honderden miljoenen guldens. Het proces van verzwaring en verhoging van de rivierdijken werd er weliswaar door versneld, maar de vraag blijft of technische ingrepen alleen genoeg zijn voor de veiligheid in Nederland. Door zowel interne als externe invloeden op het watersysteem als geheel leek het risico en de onveiligheid toegenomen in algemene, maar moeilijk nader te specificeren zin. Daarom werd de commissie-Tielrooij, waar ik ook deel van mocht uitmaken, gevraagd in welke mate het waterbeheer in de 21ste eeuw al dan niet op orde is.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1.4">De VVD-fractie is verheugd dat het kabinet binnen enkele maanden na het uitkomen van het rapport met een standpunt is gekomen onder de titel "Anders omgaan met water, waterbeleid in de 21ste eeuw". Wij zullen nader ingaan op het kabinetsstandpunt en het maatschappelijk debat dat thans plaatsvindt. Vele organisaties en overheden, zoals IPO, VNG en Unie van waterschappen, hebben hun mening over het waterbeleid kenbaar gemaakt; water is op de politieke agenda gezet. De VVD vindt het van groot belang, die aandacht vast te houden. In een "platform water" met een onafhankelijke, prominente voorzitter zou dat goed mogelijk zijn. In zo'n platform kan tevens invulling gegeven worden aan het bewustwordingsproces van de burger. De heer Eversdijk sprak daar zojuist ook al over. Enerzijds zal het bewustwordingsproces gaan over het leven in een delta zodat het draagvlak voor de daaruit voortvloeiende maatregelen zal toenemen en anderzijds over de eigen verantwoordelijkheid van de burger. Kan de staatssecretaris de Kamer toezeggen dat dit jaar tegelijk met het toegezegde communicatieplan ook invulling wordt gegeven aan het "platform water"? Of heeft de staatssecretaris daar andere ideeën over? Zo ja, welke?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1.5">Het kabinet pleit voor vernieuwing van het waterbeheer. Mijn vraag is of dat op zich wel voldoende is. Beheer is namelijk statisch, behoud van hetzelfde. De commissie pleitte voor een ander waterbeleid, een omslag in denken. Het Rathenau Instituut noemt het "omdenken" in de recente studie "Het Blauwe goud verzilveren". In het kabinetsstandpunt wordt het ook een omslag in denken genoemd, maar wordt het weer samengevat onder de noemer "beheer". Kan de staatssecretaris het standpunt van het kabinet in dezen expliciteren?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1.6">Traditioneel worden voor de bescherming tegen overstromingen technische maatregelen voorgesteld, zoals hogere en bredere dijken en grotere gemalen met meer pompcapaciteit; een deltaplan na de overstroming in Zeeland en nu dan een deltaplan grote rivieren, met op korte termijn versnelde uitvoering van dijkversterking en extra ruimte voor de rivier meer op termijn. Dat alles is vooral gebaseerd op technisch, traditioneel denken. Vorig jaar was in de begroting 2000 nog te lezen dat de hoofddoelstelling was het hebben en behouden van een veilig en bewoonbaar land, naast het instandhouden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Ook toen werd geen helder standpunt ingenomen. Blijven wij niet te veel steken in het traditionele waterstaatdenken van eeuwen her? Is het huidige traditionele denken wel voldoende doordrongen van de mogelijke ontwikkeling van een merkbare klimaatverandering en stijging van de zeespiegel? Twijfelt het kabinet soms, als gesteld wordt in het regeringsstandpunt van december vorig jaar, ik citeer: "De meeste wetenschappers zijn het erover eens dat het klimaat en dus ook het klimaat in Nederland, de komende decennia verandert"? Kan de staatssecretaris aantonen hoe hard het gegeven van klimaatverandering en zeespiegelstijging thans is? Kan de staatssecretaris tevens de relatie aangeven tussen de hardheid van de gegevens en het voorzorgbeginsel? Zijn de omstandigheden thans niet wezenlijk anders aan het worden dan 10, 100, 200 of meer jaar geleden? Zijn we niet op een keerpunt aangeland? Deze trendbreuk in ontwikkelingen kan niet anders dan gevolgd worden door een ander waterbeleid, zowel in denken als doen. Meer ruimte voor water, veerkrachtige watersystemen, is een voorbeeld van die denkrichting. Dat moet worden uitgelegd aan de burgers; die moeten kunnen meedenken, zodat draagvlak ontstaat over een nieuw waterbeleid. In het kabinetsstandpunt wordt enerzijds terecht aangegeven dat de omslag in het denken over water in Nederland inhoudt dat wij ons meer naar het water zullen moeten schikken. Echter, ruimtelijke maatregelen, technische maatregelen en meer ruimte voor water zijn nevenschikkend gesteld en worden in het kabinetsstandpunt in wisselende volgorde gebruikt. Dat betekent naar de mening van de VVD-fractie dat het standpunt van het kabinet niet helder en eenduidig is qua prioritering. Wij zijn van mening dat meer ruimte voor water betekent dat er een hiërarchie in de volgorde van maatregelen is, waarin technische maatregelen in de laatste plaats komen terwijl ze bij het traditionele denken in de eerste plaats komen. Dat zou pas een wezenlijke invulling aan een ander waterbeleid geven. Is het juist dat bij het tot stand komen van de Startovereenkomst waterbeleid 21ste eeuw tussen rijk, IPO, Unie van waterschappen en VNG eerst gekeken is naar de beschikbare middelen en vervolgens naar de maatregelen? Zou een juiste prioritering niet meer helderheid verschaffen en getuigen van een wezenlijk verantwoord waterbeleid?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1.7">Het ligt op dit moment nog voor de hand dat in de praktijk als eerste voor technische maatregelen zal worden gekozen omdat die maatregelen op de korte termijn meestal goedkoper zijn. Het gevolg is echter wel dat, als het misgaat met een hogere dijk of kade, het dan ook goed misgaat. In die zin zijn technische maatregelen niet duurzaam en op termijn niet effectief. Meer ruimte voor water is wel een duurzame maatregel, die in het algemeen nu weliswaar meer geld kost en op korte termijn niet economisch rendabel lijkt, maar op de lange termijn meer veiligheid biedt. Deelt de staatssecretaris deze visie en, zo ja, hoe wordt daar concreet invulling aan gegeven? Het kabinetsstandpunt spreekt zich uit bij meer ruimte naast techniek dat de voorkeur uitgaat naar het stelselmatig bezien van ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Dat vinden wij te vrijblijvend, te weinig structureel en dat geeft onvoldoende houvast voor prioritering. Kan de staatssecretaris aangeven waar de echte bottleneck zit?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1.8">De Unie van waterschappen uit zich tevreden over het kabinetsstandpunt met betrekking tot ruimte voor water en de relatie tussen water en ruimtelijke ordening, maar spreekt haar zorgen uit over weer een ander aspect, namelijk dat het rijk zich meer concentreert op het hoofdsysteem en in het beleid te weinig aandacht besteedt aan een integrale aanpak van regionale watersystemen. De unie geeft ook helder aan waar de schoen wringt en wie verantwoordelijk is voor de financiering. Het creatief omgaan met ruimte, meervoudige ruimteclaims, kan enerzijds door verdeling van kosten over de partners een verlichting betekenen, anderzijds is de unie bevreesd dat de lasten voor de burger onevenredig snel zullen stijgen en vraagt zij een bijdrage uit bijvoorbeeld de algemene middelen. Per brief van 10 november 2000 vragen het IPO en de Unie van waterschappen aan de Minister van Economische zaken om een extra bijdrage voor duurzame en integrale maatregelen ten behoeve van een verdere versterking van de economische structuur. Steunt de staatssecretaris het standpunt van IPO en Unie van waterschappen in deze?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1.9">Het kabinetsstandpunt spreekt van zowel prioritering als van kosteneffectieve mix van maatregelen en daaruit voortvloeiende middelen, waarbij een maatschappelijke kosten- en batenanalyse een belangrijke rol zal spelen. Kan de staatssecretaris aangeven wat daar precies staat? Staat daar dat, als de kosten te hoog worden, de prioritering wordt losgelaten ten gunste van technische maatregelen in plaats van ruimte creëren voor water? En hoe gaat de financiering en prioritering bij het regionale systeem? Waarom gaat het kabinet niet in op de lokale en regionale lastendruk? Is het zo onredelijk dat regionale waterbeheerders, die conform overheidsbeleid voor de te nemen maatregelen voor meer ruimte voor water kiezen, een financiële inspanning van het rijk vragen, bijvoorbeeld uit de algemene middelen? De VVD-fractie is van mening dat met name bij algemene externe invloeden, zoals die worden veroorzaakt door bijvoorbeeld klimaatverandering of zeespiegelstijging, het gelijkheidsbeginsel geldt. Regionale verschillen die bij de uitvoering ontstaan, mogen niet regionaal op de burger worden verhaald waardoor de ene burger ten behoeve van hetzelfde algemene beleid een grotere lastendruk zou hebben dan de ander. Daar dient de rijksoverheid in te springen met algemene middelen die ook door alle burgers worden opgebracht. Kan de staatssecretaris deze visie delen?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1.10">Nederland groeit in inwonertal, bouwt en richt in. In de vorige eeuw is daardoor steeds meer ruimte onttrokken aan het watersysteem. De ruimtelijke ontwikkelingen gaan echter door. Van belang zijn "no regretmaatregelen" en de watertoets. Bij locatiebesluiten zal water in de afweging als harde randvoorwaarde moeten worden meegenomen. De VVD-fractie is tevreden dat het kabinet heeft besloten dat de watertoets vanaf heden door alle overheden wordt toegepast. Toch nog een paar vragen hierover. Hoe gaat de overheid om met de ruimtelijke plannen die al in ontwikkeling, net gestart of bijna afgerond zijn? De heer Eversdijk vroeg zelfs naar plannen die al zijn afgerond, dus in feite een watertoets met terugwerkende kracht. Bij de toepassing van de watertoets worden niet alleen veiligheid en wateroverlast aan de toets onderworpen, maar worden in samenhang waterkwaliteit en verdroging meegenomen. Dat lijkt de VVD-fractie uitermate zinvol, met name omdat de verdrogingsproblematiek steeds groter wordt en negatieve financieel-economische gevolgen heeft. Toch vinden wij in de conceptstartovereenkomst tussen rijk, IPO, Unie van waterschappen en VNG van 21 december 2000 bij de watertoets niets terug van die belangrijke samenhang. Kan de staatssecretaris daar een verklaring voor geven? Dit halfjaar mogen wij een handreiking voor de watertoets verwachten die onder regie van het rijk tot stand komt. Kan de staatssecretaris zeggen wanneer die handreiking komt, of daar de samenhang met verdroging en waterkwaliteit wel in is opgenomen en welke juridische status de handreiking en in het verlengde daarvan de watertoets hebben?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1.11">Het watersysteem moet betrouwbaar, duurzaam en bestuurbaar zijn. Een betrouwbare overheid die duidelijk aangeeft hoe zij anticipeert om rampen en schade te voorkomen en tevens helder aangeeft dat burgers ook zelf verantwoordelijkheden hebben, zoals zich verzekeren. Een duurzaam watersysteem betekent, dat het beleid nu al rekening houdt met toekomstige ontwikkelingen en dat er nu geen besluiten worden genomen die het de toekomstige samenleving onmogelijk maken om in te spelen op toekomstige veranderingen. Een watertoets is een hulpmiddel daartoe. Een bestuurbaar watersysteem vraagt om een maatschappelijke en politieke herkenning en erkenning van het waterprobleem zoals geschetst, en vooral een heldere verdeling van de verantwoordelijkheden met de daaruit voortvloeiende taken. Met name de provincie, de vertegenwoordiger van de algemene democratie, dient de eerstverantwoordelijke te zijn voor het waterbeleid in een regio. De waterschappen, als functionele democratie, zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid. Gemeentelijke bestemmingsplannen dienen daarop te worden afgestemd. De provincie is het toetsend orgaan. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor gemeentelijke rioleringsplannen. Al te vaak worden gemeentelijke rioleringsplannen echter vertraagd uitgevoerd, of zijn er zelfs in het geheel geen rioleringsplannen. Daarnaast wordt het toezicht op de uitvoering nogal eens gedelegeerd van provincie naar waterschap. Is de staatssecretaris het met de VVD-fractie eens dat dit voorbeeld een onwenselijke situatie is vanuit de helderheid van verantwoordelijkheden, en niet als voorbeeld kan dienen voor het waterbeleid in het algemeen? Wat wordt aan dergelijke delegatiebevoegdheden gedaan? Het principe van niet afwentelen geldt op drie terreinen: bestuurlijk, in hoeveelheden water en financieel. Samenwerken is prima, of het nu een startovereenkomst of een nationaal bestuursakkoord water is, maar als taken verdeeld worden, moeten de verantwoordelijkheden niet ondersneeuwen. Die taken dienen gehandhaafd te worden en daar ligt een belangrijke rol voor de provincie. Kan de staatssecretaris toezeggen dat daar op die manier ook invulling aan wordt gegeven?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1.12">Zoals ik aan het begin van mijn betoog met voorbeelden heb aangegeven, hebben we ons watersysteem nog niet volledig op orde. Dat besef hebben we wel, maar ons handelen is nog niet altijd daaraan conform. Preventieve maatregelen nemen als er al een hele tijd niets is gebeurd, is natuurlijk moeilijk, want het kost tijd om eenieder van de noodzaak daarvan te doordringen. Maar er is nog een drempel die opgeworpen wordt tegen duurzame maatregelen. Hebben we namelijk in Nederland niet het gevoel dat het water voor een groot deel via de grote rivieren uit het buitenland komt? Vinden we eigenlijk niet dat in de eerste plaats het buitenland iets moet doen? Is het voldoende bij de burger en vaak ook bestuurders bekend, dat zowel in Arles als Straatsburg in 1995 internationale afspraken zijn gemaakt met betrekking tot ruimtelijke ordening, milieu en hoog water? Ook de actieplannen voor Rijn en Maas geven vaak wel aan wat er in Nederland gebeurt, maar minder duidelijk is wat er in het hele stroomgebied van de afspraken wordt nagekomen. Is de staatssecretaris het met de VVD-fractie eens, dat daar met gerichte voorlichting meer bekendheid aan gegeven zou kunnen worden, zodat er een breder draagvlak ontstaat in eigen land voor het nemen van maatregelen? Een mogelijke deeltaak voor het Platform water bijvoorbeeld?</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1.13">De Europese Kaderrichtlijn water kent een stroomgebiedbenadering die vooral gericht is op de kwaliteit van het water. Zou het mogelijk zijn dat door de Nederlandse regering een Europese aanzet wordt geïnitieerd om aan de Kaderrichtlijn water een kwantiteitsaspect toe te voegen? Zo kan meer tot een internationaal geïntegreerd waterbeleid worden gekomen. Op die manier kan er mede voor worden zorggedragen, dat er een eind komt aan het afwentelingsproces waarbij Nederland fungeert als het putje van Europa. Graag vernemen we de mening van de staatssecretaris over Europese mogelijkheden van waterbeleid.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.1.14">Voorzitter! Ik rond af. Samenvattend zou ik willen zeggen, dat er een trendbreuk in het waterbeleid nodig is om te voorkomen wat onze dichter des vaderlands, Gerrit Komrij, bij het verschijnen van het rapport Waterbeleid voor de 21ste eeuw zo treffend onder woorden heeft gebracht: Geen netwerk dat je ongestraft verbouwt.Het overstroomt bij elke prop meteen.Wordt het in één arterie te benauwd,Dan spatten duizend haarvaten uiteen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.2.1">Ik wens mevrouw De Blécourt graag van harte geluk met haar maidenspeech over waterbeheer.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.2.2">Wanneer wij kijken naar haar politieke carrière, dan zien wij haar als lid van de gemeenteraad van Edam-Volendam in de eerste helft van de jaren tachtig, als lid van de gemeenteraad van Winterswijk in de tweede helft van de jaren tachtig en vervolgens in Zuid-Limburg in de jaren negentig, alles van de vorige eeuw. Eén ding hadden die plaatsen gemeen: overal was waterbeheer.</p>
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.2.3">Nogmaals, van harte geluk gewenst.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.3">
                        <p docno="h-ek-20002001-1165-1208.1.4.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="De Vries-Leggedoor" MPid="03166" party="CDA" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2007-10-30" topic="Kindgebonden budget" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-160-176.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-160-176.1.6" which-speech-in-topic="5" number-of-paragraphs="6" number-of-words="1071" number-of-unique-words="471" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Belasting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Zorg en gezondheid <pm:entity> Jongeren</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Biermans" MPid="03003"/>
                <speaker name="Kuiper" MPid=""/>
                <speaker name="Ten Horn" MPid="03145"/>
                <speaker name="Linthorst" MPid="02927"/>
                <speaker name="De Vries-Leggedoor" MPid="03166"/>
                <speaker name="Rouvoet" MPid="02541"/>
                <speaker name="De Jager" MPid="03153"/>
                <speaker name="Biermans" MPid="03003"/>
                <speaker name="Kuiper" MPid=""/>
                <speaker name="Ten Horn" MPid="03145"/>
                <speaker name="Rouvoet" MPid="02541"/>
                <speaker name="De Jager" MPid="03153"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan mevrouw De Vries-Leggedoor, die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-160-176.1.6" speaker="De Vries-Leggedoor" party="CDA" function="Mevrouw" title="Mevrouw De Vries-Leggedoor  (CDA)" MPid="03166">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.1" speaker="De Vries-Leggedoor" function="Mevrouw" MPid="03166">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>De Vries-Leggedoor</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.1.2">Voorzitter. In de gezinnen van Nederland groeit de toekomst van ons land op. Wij gunnen het ieder kind om op te groeien in een gezin waarin kinderen en volwassenen ervaren en leren wat liefde, geborgenheid, zelfvertrouwen en respect voor een ander is. Vandaar dat het CDA grote waarde hecht aan het gezin.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.1.3">De CDA-fractie stelt bij dit wetsvoorstel het kind centraal. Kinderen hebben hun ouders niet voor het kiezen en kinderen hebben de omstandigheden waarin zij opgroeien ook niet voor het uitzoeken. Veel zaken die voor een kind belangrijk zijn, hebben gelukkig niet met geld van doen. Ik noemde ze zojuist al even, warmte en geborgenheid, maar vast staat ook dat het hebben van kinderen kosten met zich meebrengt die voor het ene gezin makkelijker op te brengen zijn dan voor het andere. Juist om die gezinnen waarin elk dubbeltje moet worden omgedraaid tegemoet te komen in de extra kosten die kinderen met zich meebrengen, dient dit wetsvoorstel en de wijziging op dit wetsvoorstel waarin het bedrag wordt verhoogd. Door deze omzetting van de kinderkorting in een kindertoeslag, wordt de verzilveringsproblematiek van huishoudens met laagbetaald werk wat betreft de kinderkorting opgelost en met de nieuwe kindertoeslag uit de fiscaliteit gehaald. De CDA-fractie hecht daaraan grote waarde, niet alleen omdat kinderen hiermee meer zicht hebben op gelijke kansen, maar ook omdat een stukje van de armoedeval hiermee tot het verleden gaat behoren.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.1.4">Juist omdat het hier om gezinnen gaat in de laatste inkomensklasse zijn wij beducht voor problemen in de uitvoering, want die uitvoering zal door de Belastingdienst ter hand worden genomen in samenwerking met de Sociale Verzekeringsbank, die de gegevens van de kinderbijslag beheert. Ambtshalve bevoorschotting zal in ongeveer 97% van de gevallen plaatsvinden. Bij de definitieve toekenning na ongeveer een jaar zal worden bekeken of die bevoorschotting het terechte bedrag bevatte. De minister stelt in zijn memorie van antwoord dat de risico's van terugvordering hetzij, ik citeer "vrijwel nihil zijn", dat geldt voor de groep met het toetsingsinkomen tot €&#160;29.413, hetzij, ik citeer "beperkt zijn", dat geldt voor de groep met het toetsingsinkomen daar net boven, die niet het volledige budget uitgekeerd krijgt. Hij zegt bovendien dat er een ruimhartige uitstelregeling bestaat.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.1.5">Voor gezinnen met een laag inkomen is elk terug te vorderen bedrag groot en kan het terugvorderen voor problemen zorgen. De minister motiveert in de memorie van antwoord waarop zijn optimisme is gebaseerd: ambtshalve toekenning, koppeling met de Sociale Verzekeringsbank en gebruikmaking van gegevens bij andere toeslagen die reeds bij de Belastingdienst bekend zijn. Dit gaat echter uit van een goedwerkend systeem. Wij vragen ons daarom af of bij de beantwoording de wens de vader van de gedachte is geweest.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.1.6">Bij de Belastingdienst doen zich nog steeds te veel automatiseringsproblemen voor. Dit is ook door de minister van Financiën geconstateerd in de laatste rapportage van 31&#160;augustus jongstleden. Ook in mijn eigen omgeving merk ik dat er mensen zijn die hun zorgtoeslag gedeeltelijk moeten terugbetalen. Laten nu net de inkomensgegevens van de aanvraag van de zorgtoeslag voor het ambtshalve voorschot worden gebruikt. De staatssecretaris zegt dat hij de uitvoering goed zal regelen. Waarop baseren de minister of de staatssecretaris de verwachting dat niet hetzelfde scenario als bij Walvis en de toeslagenwetten zich ook hier zal manifesteren? Ook toen werd de uitvoering vol optimisme tegemoet gezien en bleek het naderhand fiks tegen te vallen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.1.7">Een en ander zorgt ervoor dat wij ondanks ons enthousiasme voor dit wetsvoorstel onze zorgen hebben over de uitvoering. Dat leidt tot de volgende conclusie: zoals reeds gesteld is de CDA-fractie positief over de intentie van dit wetsvoorstel, de theorie, maar heeft zij zorgen over de praktijk. Zij is van mening dat een extra vinger aan de pols door de minister dan wel de staatssecretaris hier op zijn plaats is ten aanzien van de uitvoering en vraagt de minister en de staatssecretaris dan ook om de Eerste Kamer hierover na bijvoorbeeld de termijn van bevoorschotting en definitieve afrekening, dus ongeveer een jaar, te informeren. Zij vraagt de minister of hij bereid is, dat toe te zeggen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.2.1">Mevrouw De Vries, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech over de Wet op het kindgebonden budget. Het is een onderwerp waarmee u affiniteit heeft, gelet op uw vorige functie als gedeputeerde in de provincie Drenthe met de verantwoordelijkheid voor onder meer de portefeuille Zorg. Uw persoonlijke wortels liggen in Oost Groningen, waar u bent geboren en getogen. Uw bestuurlijke wortels liggen echter in Drenthe.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.2.2">Voor het CDA was u van 1987 tot 1991 in die provincie lid van de gemeenteraad van Borger, direct gevolgd door maar liefst veertien jaar lidmaatschap van provinciale staten van Drenthe. Van die veertien jaar was u vier jaar lid van gedeputeerde staten met naast de eerder genoemde portefeuille Zorg ook de portefeuilles Ruimtelijke Ordening, Volkshuisvesting en Regiovisie Groningen-Assen. Sinds 2006 bent u lid van het dagelijks bestuur van het waterschap Hunze en Aa's. Naast uw werk bent u actief in verschillende raden van toezicht en heeft u een aantal commissariaten in de zorg- en watersector.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.2.3">Binnen het CDA heeft u bestuursfuncties gehad op lokaal, provinciaal en landelijk niveau. Zo was u onder andere meer dan tien jaar penningmeester van het landelijke bestuur van de CDA-bestuurdersvereniging. Momenteel maakt u onder meer deel uit van de scoutingcommissie van het CDA. In de Eerste Kamer bent u onder andere fractiesecretaris. Met dat laatste bent u de opvolger van onze oud-collega Jan Pastoor, die u in 1999 ook al opvolgde, maar destijds als gedeputeerde in Drenthe. Bij uw afscheid als gedeputeerde roemden uw collega's in Drenthe u om uw prestaties in de ontwikkeling van de jeugdzorg in die provincie.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.2.4">U staat bekend als iemand die de mens centraal stelt, zonder uw bestuurlijke ervaring te loochenen. Wij hebben hier ook al gezien dat u het kind centraal stelt. Wie kan u beter typeren dan uzelf. Ik citeer u: "Ik ben naast realist ook een onverbeterlijke idealist. Proberen het voor je medemens en de wereld een beetje beter te maken, daarvoor hoef je niet per se de politiek in, het begint dicht bij huis. Maar hoe je het ook wendt of keert, daar worden wel de beslissingen genomen."</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.2.5">Mevrouw De Vries, u zult in deze Kamer uw hart kunnen ophalen. Omgekeerd heet deze Kamer u meer dan welkom. Van harte gefeliciteerd en succes met uw werkzaamheden.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-160-176.1.6.3.1">De vergadering wordt van 14.25 uur tot 15.30 uur geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw De Vries, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech over de Wet op het kindgebonden budget. Het is een onderwerp waarmee u affiniteit heeft, gelet op uw vorige functie als gedeputeerde in de provincie Drenthe met de verantwoordelijkheid voor onder meer de portefeuille Zorg. Uw persoonlijke wortels liggen in Oost Groningen, waar u bent geboren en getogen. Uw bestuurlijke wortels liggen echter in Drenthe.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Dupuis" MPid="02263" party="VVD" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="1999-11-30" topic="Groepsgrootte basisonderwijs" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-215-225.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-215-225.1.5" which-speech-in-topic="4" number-of-paragraphs="10" number-of-words="1409" number-of-unique-words="564" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Onderwijs en wetenschap <pm:entity> Basisonderwijs</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van den Hul-Omta" MPid="02264"/>
                <speaker name="Veling" MPid="02875"/>
                <speaker name="Schuyer" MPid="02870"/>
                <speaker name="Dupuis" MPid="02263"/>
                <speaker name="Van Vugt" MPid="02287"/>
                <speaker name="Witteveen" MPid=""/>
                <speaker name="Schoondergang-Horikx" MPid="02937"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan mevrouw Dupuis. Ook voor haar geldt dat zij haar maidenspeech zal houden. Ik wijs de Kamer erop dat het een bijzondere dag is: dit wordt de vijfde maidenspeech op één dag! De leden van het College van senioren en de griffier wisten zich geen dag te herinneren waarop zij zoiets meemaakten. Wij schrijven vandaag dus geschiedenis!</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-215-225.1.5" speaker="Dupuis" party="VVD" function="Mevrouw" title="Mevrouw Dupuis  (VVD)" MPid="02263">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.1" speaker="Dupuis" function="Mevrouw" MPid="02263">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Dupuis (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Dupuis</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.1.2">Mijnheer de voorzitter! De VVD-fractie is blij dat er aanzienlijke middelen ter beschikking komen om de kwaliteit van het primair onderwijs te verbeteren. Men zou in een periode van voortrazende economie eerlijk gezegd ook niet anders verwachten. Verbetering van de kwaliteit van onderwijs heeft in de ogen van de VVD-fractie een hoge prioriteit en de fractie juicht alle positieve en werkzame bijdragen aan die kwaliteitsverbetering toe.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.1.3">Ten aanzien van het huidige wetsvoorstel zijn er helaas een aantal kritische opmerkingen op zijn plaats. Ik zal drie punten van aandacht, om niet te zeggen punten van kritiek, kort bespreken. Nieuw is het allemaal niet, maar wel nog even belangrijk en urgent. Allereerst is er de al geconstateerde spanning tussen het huidige wetsvoorstel en de intenties van het departement van OCW om tot deregulering te komen. Van zo'n deregulering is bij dit wetsvoorstel niets te merken, integendeel. Bij de hele operatie van de kwaliteitsverbetering lijkt de regulering alleen maar groter te worden. Dan is er de kwestie van het lerarentekort, dat volgens de memorie van antwoord aan deze Kamer mede door deze wet zou worden opgelost, terwijl de wet juist een belangrijke oorzaak van het lerarentekort is. Een derde punt betreft de vraag of klassenverkleining wel de meest werkzame en vooral doelmatige maatregel is ter verbetering van de kwaliteit van het primair onderwijs; het gaat tenslotte om enorme sommen geld, publieke middelen, waarbij de eis van doelmatigheid volledig geldt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.1.4">Voorzitter! Het eerste punt is de kwestie van de deregulering, of liever gezegd de volkomen afwezigheid daarvan bij dit wetsvoorstel, alsmede bij de diverse andere voorstellen om tot kwaliteitsverbetering te komen. De staatssecretaris heeft immers ten minste drie beleidsdoelen ter verbetering van de kwaliteit van het primaire onderwijs: ICT-onderwijs, de positie van de leraar en klassenverkleining. Op zichzelf is het natuurlijk prachtig dat er diverse spitsen in de kwaliteitsverbetering nagestreefd worden en dat er werkelijk aanzienlijke sommen geïnvesteerd worden. Maar deze drie doeleinden plaatsen de scholen opnieuw in een ijzeren keurslijf: er is geen ruimte voor de scholen om eigen prioriteiten te stellen. Het zou immers voor de hand liggen dat de extra middelen bestemd voor kwaliteitsverbetering ten minste voor een deel door de scholen zelf bestemd zouden mogen worden, al naar gelang de knelpunten die zij ervaren. Laten we eens aannemen dat een school geen behoefte heeft aan klassenverkleining, bijvoorbeeld omdat het met een afschuwelijke term een "wegende" school is – een school met veel leerlingen met een 1,9-financiering – maar wel aan ICT-uitbreiding en meer nascholing voor de leraren. Mag de school dan de voor de klassenverkleining gealloceerde middelen besteden aan de andere doelen van kwaliteitsverbetering? De fractie van de VVD zou dat graag van de staatssecretaris vernemen. Want het lijkt erop dat dit door de strakke regelingen in de voorliggende wet onmogelijk is. Daarom legt, anders gezegd, de VVD-fractie de staatssecretaris de vraag voor welke ruimte er nu is voor scholen om in enige vrijheid – dat lijkt toch niet te veel gevraagd – extra middelen te besteden aan de kwaliteitsbevorderende maatregelen die voor die school het meest urgent zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.1.5">Indien het antwoord is dat die ruimte er niet is, is de staatssecretaris dan bereid nader te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om de wet zo uit te voeren dat de vrijheid van scholen vergroot wordt, en niet weer opnieuw beperkt? Mag ik ter illustratie, voorzitter, een enkel citaat voorlezen uit het net verschenen rapport van het Sociaal en cultureel planbureau over het onderwijs, "Scholen onder druk"? Ik hoop dat de staatssecretaris, haar ambtenaren en alle leden van de Tweede Kamer dit rapport van kaft tot kaft te lezen. Het citaat is afkomstig uit een veldonderzoek onder scholen en docenten ter controle van de uitkomsten van het rapport. Wij lezen daar het volgende. Ik citeer overigens alleen hetgeen betrekking heeft op het wetsvoorstel.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.1.6">"Druk van OCW. Diverse instanties beoordelend naar de mate waarin de school druk ondervindt, blijkt de grootste druk uit te gaan van OCW. Dit geldt zowel voor basisscholen als – nog unaniemer geuit – voor scholen voor voortgezet onderwijs. De commentaren van deelnemers uit het basisonderwijs op OCW spreken boekdelen: - Hoe bestaat het dat de overheid zichzelf beschouwt als terugtredend?- Aan de ene kant verkondigt de overheid bestuurlijke vrijheid, maar aan de andere kant durft de overheid de scholen niet los te laten.- De school moet zich verantwoorden en alles vastleggen, zo komen via de achterdeur allerlei eisen binnen.- OCW voert een minimumbeleid, doet niet meer dan het hoogst noodzakelijke. Er komen al nieuwe eisen voordat de andere goed en wel zijn doorgevoerd. Er is ook sprake van een achteruitgang van de middelenvoorziening." Dit is te lezen op blz. 283.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.1.7">Gaarne verneemt de VVD-fractie van de staatssecretaris hoe zij over deze uitspraken denkt en, nogmaals, of zij bereid is om te onderzoeken of met name op het punt van de kwaliteitsverbetering aan scholen meer ruimte geboden kan worden bij de besteding van extra middelen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.1.8">Sinds in 1997 de Tweede Kamer een motie aannam om de klassen te verkleinen, is een aanzienlijk lerarentekort aan het licht gekomen, juist in het primair onderwijs. Het is evident dat klassenverkleining de vraag naar leraren alleen maar zal doen toenemen. Op dit punt is de staatssecretaris door bijna alle fracties al gewezen. Zij meldt echter in de memorie van antwoord dat door het aan de orde zijnde wetsvoorstel het tekort juist zal verminderen, doordat de motivatie van leraren vergroot wordt. Het vervelende is alleen dat die leraren er niet zijn – dat vergeet de staatssecretaris te vermelden – mede vanwege de klassenverkleining, zoals allerwegen in het onderwijs de overtuiging is. In zo'n situatie ligt het toch veel meer voor de hand, eerst te zorgen voor voldoende leraren door hun positie te verbeteren en dan pas aan klassenverkleining te denken? Bijkomend probleem is dat veel leraren weinig belangstelling hebben om in groep 1 of 2 te werken, waarbij het immers gaat om onderwijs aan kleuters.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.1.9">Een laatste, verre van onbelangrijk, punt van kritiek betreft de kern van de zaak zelf, namelijk de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs door klassenverkleining. Ondanks een onlangs verschenen stuk in de Staatscourant over een Amerikaans onderzoek waarbij klassenverkleining positief zou uitpakken, is de meest overheersende opvatting onder deskundigen dat het hoogst dubieus is of klassenverkleining nu werkelijk een reële bijdrage levert aan die begeerde kwaliteitsverbetering. De Onderwijsraad laat niet na om in diverse rapporten steeds weer erop te wijzen dat hier niet van een bewezen verband kan worden gesproken. Integendeel, velen van de hier aanwezigen hebben in klassen van meer dan 40 leerlingen lager onderwijs genoten en zie hoe het ons is vergaan. De trend in vele landen is, dat de klassen de laatste decennia steeds kleiner zijn geworden, maar dat de kwaliteit van het onderwijs niet is verbeterd. Dit blijft een lastig punt, vooral gezien de enorme investeringen die nu al gedaan worden. Eigenlijk zijn wij met de behandeling van dit wetsvoorstel een beetje te laat.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.1.10">Heeft de staatssecretaris al ideeën over de wijze waarop zij het effect van deze dure operatie zal evalueren? En wat te doen als blijkt dat er van kwaliteitsverbetering geen sprake is en de leraren ook niet staan te dringen om in verkleinde groepen les te geven? Is er nog een weg terug of is de klassenverkleining een onomkeerbaar proces dat, eenmaal begonnen, niet gestopt kan worden? Gaarne verzoekt de fractie van de VVD de staatssecretaris, deze en eerder gestelde vragen te beantwoorden.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.1.11">Overigens is de VVD-fractie ervan overtuigd dat de staatssecretaris goede bedoelingen heeft en dat haar inzet voor het primair onderwijs niet ter discussie staat. Maar platdrukken aan de moederborst respectievelijk doodknuffelen gelden in het algemeen niet als positieve uitingen van genegenheid; ware genegenheid streeft ernaar, het voorwerp van liefde mondig en vrij te maken en niet klem te zetten.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.2.1">Mevrouw Dupuis, u bent hoogleraar medische ethiek in Leiden. In een van uw publicaties – die ik voor dit doel enigszins verdraai – ging het over wel of niet behandelen. U zult in dit huis merken dat wij als leden zelden de vraag stellen of wij iets wel of niet behandelen, maar wel wanneer wij iets behandelen. U hebt geen publieke politieke functie bekleed, maar wel partijpolitieke functies. U was onder andere lid van de commissie Liberalisme 21ste eeuw. Luisterend naar u, met kennis van uw carrière, denk ik dat liberalisme in de 21ste eeuw met vertegenwoordigers zoals u geen probleem zal opleveren. Ik wens u geluk met uw maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.5.3.1">De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Duthler" MPid="03141" party="VVD" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2007-12-18" topic="Gedragsbeïnvloeding jeugdigen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-571-579.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-571-579.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="7" number-of-words="1569" number-of-unique-words="617" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Zorg en gezondheid <pm:entity> Jongeren</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Strafrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Duthler" MPid="03141"/>
                <speaker name="Van de Beeten" MPid="02290"/>
                <speaker name="Eigeman" MPid="03006"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Ten Horn" MPid="03145"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan mevrouw Duthler, die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-571-579.1.2" speaker="Duthler" party="VVD" function="Mevrouw" title="Mevrouw Duthler  (VVD)" MPid="03141">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.1" speaker="Duthler" function="Mevrouw" MPid="03141">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Duthler (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Duthler</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.1.2">Voorzitter. Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. In de meeste gevallen is dit gelukkig niet alleen een cliché, maar optimistische realiteit. De toekomst van jeugdigen die crimineel gedrag vertonen, ziet er echter vaak een stuk minder rooskleurig uit. Jeugdigen die in aanraking komen met het jeugdstrafrecht moeten zo effectief mogelijk worden aangepakt. Gedragsmaatregelen die zijn gericht op heropvoeding kunnen daaraan in belangrijke mate bijdragen. Dat met dit wetsvoorstel de zorgvraag van de jeugdige en het pedagogische karakter van de gedragsmaatregel centraal staan, is in principe een goede zaak. De VVD-fractie onderschrijft dan ook de strekking en hoofdlijnen van dit wetsvoorstel. Wel vraagt zij bijzondere aandacht voor de effectiviteit en uitvoerbaarheid ervan. Zij maakt zich met name zorgen over de bureaucratische rompslomp die de uitvoering van dit wetsvoorstel met lijkt mee te brengen. Ook heeft zij nog enkele andere vragen, onder meer over de vanzelfsprekende rol van het gezin, waarvan ook dit wetsvoorstel lijkt uit te gaan, en vraagt zij aandacht voor de eigen verantwoordelijkheid van jeugdigen voor de consequenties van hun gedrag.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.1.3">Om te beginnen de bureaucratische rompslomp. De VVD-fractie maakt zich zorgen over de hoeveelheid organisaties die bij de uitvoering van dit wetsvoorstel en daarmee de gedragsmaatregelen zijn betrokken, en de afstemming tussen deze organisaties. Bij het bepalen, het uitvoeren en het coördineren van de gedragsmaatregel is een veelheid aan partijen betrokken. Het Bureau Jeugdzorg neemt een indicatiebesluit, op basis waarvan een gedragsmaatregel door een rechter kan worden opgelegd. De jeugdreclassering stelt ter voorbereiding van de gedragsmaatregel een plan van aanpak op en voert deze na oplegging door de rechter ook uit. Hoewel de coördinatie van de feitelijke uitvoering bij de jeugdreclassering ligt, heeft het Openbaar Ministerie de eindregie. Dan hebben wij nog de Raad voor de Kinderbescherming, die optreedt als casusregisseur. Deze raad bewaakt afspraken en termijnen en wijst organisaties op hun verantwoordelijkheden. Ook komt deze raad in beeld als de uitvoering van de gedragsmaatregel niet goed verloopt of als verlenging nodig is. Ik tel zo al vijf verschillende partijen die betrokken zijn bij de gedragsmaatregel. Ik heb het dan nog niet over de jeugdige zelf, de vader, de moeder en andere verzorgers.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.1.4">De coördinatie, eindregie en casusregie liggen bij drie verschillende partijen. Dat lijkt de VVD-fractie niet bij te dragen aan de duidelijkheid. Wat is het verschil eigenlijk tussen coördinatie, eindregie en casusregie? Er dient één eindverantwoordelijk regisseur zijn en niet drie verschillende. Als er verschillende verantwoordelijke regisseurs zijn aangewezen, voelt niemand zich echt verantwoordelijk. Men gaat op elkaar wachten of naar elkaar wijzen. Dat is niet goed en helemaal niet effectief. Daarbij komt dat ook de op te richten Centra voor Jeugd en Gezin en de veiligheidshuizen volgens de minister gaan bijdragen aan een goede toepassing van het wetsvoorstel. Nog meer organisaties, dat maakt het er allemaal niet duidelijker op. Doortastend en voortvarend handelen is noodzakelijk. Alleen al de hoeveelheid partijen en verantwoordelijkheden maakt de uitvoering stroperig. De intentie van het wetsvoorstel is goed, de uitvoering verdient meer dan bijzondere aandacht. Het is uitdrukkelijk niet zo, zoals de minister in zijn nadere memorie van antwoord schrijft, dat de VVD-fractie van mening is dat de afstemming meer dan in de huidige situatie tot problemen zal leiden. Wel is het zo dat de afstemming in de huidige situatie problematisch is en dat dit moet worden opgelost, wil dit wetsvoorstel effectief kunnen zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.1.5">De regie in de jeugdzorg is gebrekkig. Dat blijkt ook uit de rapporten van de Inspectie jeugdzorg en de Algemene Rekenkamer. Hulpverleners kennen elkaar niet, werken langs elkaar heen en wisselen geen informatie uit. Ongelukken die het nieuws de afgelopen jaren hebben gehaald, werden veelal veroorzaakt door gebrekkige afstemming, gebrekkige informatievoorziening en gebrekkige informatie-uitwisseling tussen de verschillende instanties die betrokken waren bij een jeugdige. Denk aan het meisje van Nulde en Savannah. Welke maatregelen gaat de minister treffen om de afstemming tussen de verschillende instanties in de jeugdzorg te verbeteren? Als dat niet gebeurt, twijfelt de VVD-fractie ernstig aan de effectiviteit van dit wetsvoorstel. De minister heeft op een eerdere vraag van de VVD-fractie of en op welke wijze wordt gebruikgemaakt van ICT, aangegeven dat elke instantie haar eigen informatiesysteem behoudt. Het is de VVD-fractie nog niet duidelijk hoe aan een effectieve en efficiënte informatie-uitwisseling wordt vormgegeven. Hoe wordt ervoor gezorgd dat de instanties tijdig informatie over jeugdigen ontvangen op het moment dat niet wordt gewerkt met gemeenschappelijke informatiesystemen of verwijsindexen? De VVD-fractie zou hierin graag meer inzicht willen verkrijgen. De Inspectie jeugdzorg beveelt in het eerdergenoemde rapport aan dat onder meer de Wet op de jeugdzorg wordt gecheckt op coördinatie en informatieoverdracht. De VVD-fractie heeft in het voorbereidend onderzoek de minister gevraagd naar de stand van zaken op dit punt. Hierop heeft zij echter nog geen duidelijk en bevredigend antwoord ontvangen. Kan de minister aangeven of dat al is gebeurd en zo ja, wat de resultaten waren?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.1.6">De VVD-fractie heeft al eerder haar zorgen geuit over het bevoogdend karakter van dit kabinet. De positie van het gezin wordt centraal gesteld bij de inspanningen gericht op een goede ontwikkeling van jeugdigen. Dat komt ook tot uitdrukking in de wijze waarop wordt vormgegeven aan het jeugdbeleid, waarvan onderhavig wetsvoorstel deel uitmaakt. De minister schrijft in zijn memorie van antwoord dat vrijwilligheid bij de ondersteuning van ouders bij de opvoeding door de Centra voor Jeugd en Gezin vooropstaat, maar dat bemoeizucht tot de mogelijkheden behoort. De Wet op de jeugdzorg biedt mogelijkheden om opgroei- en opvoedingsproblemen gericht aan te pakken, onder meer door jeugdzorg aan te bieden waarbij het gehele gezin is betrokken. Dat gebeurt door het stimuleren van de ontwikkeling van zogenaamde multisysteemtherapie en functionele familietherapie. In hoeverre kunnen deze therapieën dwingend worden opgelegd? Wat is de relatie met de gedragsmaatregel van dit wetvoorstel? Gezinnen in de traditionele zin van het woord komen steeds minder vaak voor. Hoe gaat de minister om met alternatieve samenlevingsverbanden?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.1.7">Tot slot hoort volgens de VVD-fractie, zoals hiervoor genoemd, ook voor jeugdigen de eigen verantwoordelijkheid voor het handelen een belangrijk uitgangspunt te zijn. Daartoe behoort ook de eigen verantwoordelijkheid voor de consequenties van gedrag. Dit betekent dat de jeugdige op de gevolgen van zijn handelen dient te worden gewezen en de door het slachtoffer geleden schade dient te vergoeden. In de Tweede Kamer is een motie aangenomen waarin de regering is verzocht, te onderzoeken op welke wijze daaraan zou kunnen worden vormgegeven. De VVD-fractie is benieuwd naar de stand van zaken op dit punt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.1.8">Resumerend staat de VVD-fractie achter de intentie van dit wetsvoorstel. Zij heeft echter grote zorg over de uitvoerbaarheid ervan. Bureaucratie en stroperigheid zullen het gevolg zijn als geen passende maatregelen worden getroffen om de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden duidelijk te beleggen bij de verschillende partijen, en als de regie en informatievoorziening niet klip en klaar worden geregeld. De jeugdige waarover dit wetsvoorstel gaat, is uitermate kwetsbaar. De jeugd heeft de toekomst. Dat lukt alleen als het belang van de jeugdige centraal staat en niet dat van de uitvoeringsorganisaties. Er is heel veel te winnen, maar met zoveel partijen ook veel te verliezen. De VVD-fractie kijkt met belangstelling uit naar de reactie van de minister.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.2.1">Mevrouw Duthler, ik wil u graag van harte feliciteren met uw maidenspeech. Zoals u hier staat, bent u een vrouw van gewicht. Niet alleen hebt u op betrekkelijk jonge leeftijd al op veel maatschappelijke terreinen uw sporen verdiend, u bent ook met zijn tweeën. Voor zover bekend bent u de eerste vrouw die in de periode van haar lidmaatschap van deze Kamer een kind ter wereld zal brengen. Deze positie alleen al maakt u vermeldenswaardig in de historie van ons huis. Wij vinden dat geweldig en wij zijn ook een beetje in verwachting.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.2.2">U studeerde bestuurskunde aan de Universiteit Twente en rechten aan de Rijksuniversiteit Leiden. Aan die laatste universiteit promoveerde u op juridische modellen voor zogenoemde trusted third parties. Uw promotor was niemand minder dan onze collega Hans Franken. Uw specialisatie bevindt zich op het snijvlak van bestuur, recht en ICT, waarover u geregeld bent blijven publiceren. Het fascineert u, in uw eigen woorden, hoe technologie de maatschappij en meer in het bijzonder de rechtsstaat beïnvloedt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.2.3">In 1993 begon u uw carrière als adviseur bij KPMG EDP Auditors, maar sinds 1998 hebt u een eigen bureau dat advies uitbrengt over strategisch gebruik, juridische voorwaarden, invulling en kwaliteit van informatievoorziening. Daarnaast bent u nog steeds onderzoeker en universitair docent eLaw aan de Universiteit Leiden. Uit uw nevenfuncties blijkt dat concrete problemen van kwetsbare mensen eveneens uw aandacht hebben. Zo bent u lid van de raad van toezicht van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COA, en lid van het bestuur van het Meldpunt Discriminatie Amsterdam. Naast dat alles bent u politiek actief in uw eigen partij, de VVD, als lid van de partijraad en als lid-voorzitter van diverse lokale en landelijke partijcommissies. Binnen de fractie in deze Kamer vervult u de functies van secretaris en penningmeester.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.2.4">Mevrouw Duthler, u staat bij uw collega's hier nu al bekend als een enthousiast, vrolijk, spontaan Kamerlid met een goed gevoel voor humor, dat zorgvuldig en gedegen te werk gaat; dat hebben wij zojuist ook kunnen beluisteren. In de aanloop naar een belangrijke gebeurtenis in uw persoonlijke leven wens ik u alle goeds. Als senator in dit huis bent u meer dan welkom. Van harte succes met al uw werkzaamheden hier.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-571-579.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Duthler, ik wil u graag van harte feliciteren met uw maidenspeech. Zoals u hier staat, bent u een vrouw van gewicht. Niet alleen hebt u op betrekkelijk jonge leeftijd al op veel maatschappelijke terreinen uw sporen verdiend, u bent ook met zijn tweeën. Voor zover bekend bent u de eerste vrouw die in de periode van haar lidmaatschap van deze Kamer een kind ter wereld zal brengen. Deze positie alleen al maakt u vermeldenswaardig in de historie van ons huis. Wij vinden dat geweldig en wij zijn ook een beetje in verwachting.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Goyert" MPid="" party="CDA" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2007-12-17" topic="Realisering doelen WSW" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-529-538.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-529-538.1.7" which-speech-in-topic="6" number-of-paragraphs="8" number-of-words="1478" number-of-unique-words="625" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Werk <pm:entity> Werkgelegenheid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Werk <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Sociale zekerheid <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Swenker" MPid="02276"/>
                <speaker name="Eigeman" MPid="03006"/>
                <speaker name="Strik" MPid="02338"/>
                <speaker name="De Boer" MPid=""/>
                <speaker name="Elzinga" MPid="03142"/>
                <speaker name="Goyert" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan mevrouw Goyert, die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-529-538.1.7" speaker="Goyert" party="CDA" function="Mevrouw" title="Mevrouw Goyert  (CDA)" MPid="">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.1" speaker="Goyert" function="Mevrouw" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Goyert (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Goyert</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.1.2">Mevrouw de voorzitter. Alvorens in te gaan op de wetswijziging van de Wet sociale werkvoorziening, maak ik enkele opmerkingen vooraf. Het heeft zo moeten zijn dat ik mijn maidenspeech over dit onderwerp mag houden, want de lange jaren dat ik voor arbeidsvoorziening en de arbeidsbureaus heb gewerkt, was ik daar nauw bij betrokken en heb ik daarvoor altijd een heel warm hart gehad. De sociale werkplaatsen bestaan ongeveer vijftig jaar. Aanvankelijk lag het initiatief om mensen met een handicap aan het werk te helpen bij de kerken. In de jaren vijftig van de vorige eeuw nam de overheid deze taak over en ontstonden de beschutte werkplaatsen voor handarbeiders en hoofdarbeiders. Vooral deze laatste groep veelal hoogopgeleide werkzoekenden werd met veel succes gedetacheerd bij overheid en wetenschappelijke instituten. Jammer genoeg werd deze voorziening eind jaren zestig beëindigd. Het huidige instrumentarium van het werkvoorzieningsschap zou het echter weer mogelijk moeten maken ook voor deze groep mensen werk te vinden.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.1.3">Het aantal werkplaatsen heeft zich sterk uitgebreid. Er zijn momenteel negentig bedrijven, waarin bijna honderdduizend mensen werken. Ik citeer uit de wet omdat ik dit nadrukkelijk een keer wil noemen: mensen "met een lichamelijke, verstandelijke en/of psychische handicap, die graag willen werken maar bij wie de handicap van dusdanige aard is dat het verrichten van arbeid duurzaam niet mogelijk is, zonder inzet van de WSW-subsidie ter compensatie van de verminderde arbeidsproductiviteit". Dit kost de samenleving veel geld, namelijk 2,34 mld. Daar staat tegenover dat men ondanks zijn of haar beperkingen kan meedoen in het arbeidsproces, dat men zich, hoe moeizaam ook, verder kan ontplooien en een loon kan verdienen. De CDA-fractie is van mening dat de waarde van economische onafhankelijkheid en zelfrespect niet alleen in geld is uit te drukken.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.1.4">Het moet echter gezegd dat het bereiken van het doel, werk voor eerder genoemde doelgroepen, sterk onder druk staat. In de Trendrapportage ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en werkhervatting van het Centraal en Cultureel Planbureau is gekeken naar de groep arbeidsgehandicapten. Arbeidsgehandicapt is iemand die zelf aangeeft een chronische aandoening of ziekte te hebben die belemmert bij het werk of bij het verkrijgen van werk. Uit dit onderzoek is gebleken dat dit aantal niet sterk toeneemt, maar, en dat is vervelender, dat de arbeidsparticipatie van jaar tot jaar afneemt. Het voert in het kader van deze wetswijziging te ver om hierop nader in te gaan, maar wel opmerkelijk is dat het veelal laagopgeleide mensen betreft. Het rapport Sociaal-economische trends van het CBS geeft aan dat deze groep verschilt van de totale beroepsbevolking, doordat het veel meer ouderen betreft. Het is dus niet zo verwonderlijk dat er jaarlijks ongeveer zesduizend nieuwe personen op de wachtlijst bij komen en dat er nu twintigduizend mensen op de wachtlijst staan.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.1.5">Nu de wetswijziging. De CDA-fractie juicht het toe dat de regering een commissie wil instellen die zal moeten adviseren hoe het nu verder moet met de sociale werkvoorziening, want de problematiek is complex en vraagt om een nadere bezinning. Hoewel er nog geen opdracht is geformuleerd, geeft de staatssecretaris al wel een bandbreedte aan. Op de vraag van de CDA-fractie om naar de financieringssystematiek van de werkplaatsen te kijken, wordt geantwoord dat dit niet tot de taak van de commissie behoort, omdat het hier zou gaan om de individuele bedrijfsvoering van de werkplaatsen. In een aantal gevallen zal dat zeker zo zijn. Maar het feit dat meer dan de helft van de werkplaatsen worstelt om de begroting rond te krijgen, vraagt om nader onderzoek, niet per bedrijf maar naar de oorzaken, voortkomend uit de wet en het systeem van werken.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.1.6">Een sociale werkplaats kent uit de aard der zaak een lagere arbeidsproductiviteit. Om nu voldoende omzet te behalen, worden de werknemers die de beste prestaties leveren zo lang mogelijk vastgehouden. Zij worden ook niet opnieuw geïndiceerd en stromen niet door naar een detacheringsplaats of begeleidwerkenplaats. Dit is een dilemma dat met de wet te maken heeft. In het kader van de doorstroming zal de commissie dit toch mee kunnen nemen? Is de staatssecretaris alsnog bereid dit onderwerp daar aan de orde te stellen?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.1.7">De gemeenten dragen reeds de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening, zij het in WGR-verband. Het wetsvoorstel om het budget over te dragen aan de individuele gemeente betekent dat beleid en uitvoering in één hand komen en dat is altijd een goede zaak. Het college is verantwoordelijk, er is controle door de gemeenteraad en uiteraard door het Rijk. Decentralisatie van bevoegdheden naar gemeenten, dat wil zeggen dichter bij de burger, onderschrijft de CDA-fractie. Doordat de gemeente de regie nu geheel in handen krijgt, is de verwachting dat er meer personen geplaatst zullen worden bij een reguliere werkgever. De bonusregeling kan daar een positieve bijdrage aan leveren, maar die is een aanvulling op bestaand beleid. Immers, de werkgever loopt nu reeds weinig of geen risico indien hij iemand uit de sociale werkvoorziening aanneemt. Aangepast werk bij de werkgevers is een delicate aangelegenheid. Enerzijds omdat er veel eenvoudige werkzaamheden door automatisering, mechanisatie en uitplaatsing naar lagelonenlanden zijn verdwenen en anderzijds omdat de arbeidsproductiviteit op een hoog niveau ligt en nog steeds toeneemt. De brief van de minister en staatssecretaris van 6&#160;december jongstleden waarin de arbeidsmarktplannen voor 2008 worden aangekondigd, speelt in op de plaatsingsproblematiek van langdurig werklozen en biedt een breder perspectief. De CDA-fractie waardeert de inspanningen die de regering verricht om zoveel mogelijk mensen mee te laten doen in het arbeidsproces.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.1.8">Nu terug naar de werkzoekenden die aangewezen zijn op de sociale werkvoorziening. Alhoewel het CDA de decentralisatie van het budget en de bevoegdheden naar de gemeente onderschrijft, is er toch sprake van enige aarzeling om daarmee akkoord te gaan. In het dagblad Trouw van 11&#160;december jongstleden staat dat de VNG een ingenieuze constructie bedacht heeft om mensen met een geringe arbeidsproductiviteit te plaatsen in een participatiebaan. Zij worden gedetacheerd bij maatschappelijke instellingen en, en daar gaat het mij om, in de Sociale Werkvoorziening. Een verdringing op de wachtlijsten zou het gevolg kunnen zijn. In de eerder genoemde brief van de minister en staatssecretaris wordt dit probleem ook met name genoemd en bij de nog in te stellen commissie neergelegd. Echter, omdat de gemeente per 1&#160;januari volledig bevoegd is, zou dat gevolgen kunnen hebben voor de mensen die nu reeds op de wachtlijst staan. Is de staatssecretaris bereid met de gemeenten en de VNG af te spreken dat zij hiermee wachten tot het advies van de commissie en de voorstellen van het kabinet bekend zijn?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.1.9">Wij wachten het antwoord met belangstelling af.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.2.1">Mevrouw Goyert. Ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech over de wijziging van de Wet sociale werkvoorziening. Dit is geen onbekend terrein voor u – u refereerde daar al zelf aan – gelet op uw langdurige ervaring op het gebied van de arbeidsvoorziening.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.2.2">U volgde uw opleiding ook in de geest van deze sector, te weten maatschappelijk werk, aan een hbo in Haarlem. Vervolgens bent u jarenlang in diverse functies verbonden geweest aan het Gewestelijk Arbeidsbureau in Amsterdam, was u onder andere directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau Zaanstreek en daarmee de eerste vrouwelijke directeur van een arbeidsbureau, en directeur Regionale Arbeidsvoorziening Kennemerland. U was drie jaar lang landelijk projectleider Verzelfstandiging Centra Vakopleiding van de Arbeidsvoorziening tot u medio 2002 lid werd van gedeputeerde staten van Noord-Holland voor het CDA. In totaal bent u met aan dat GS-lidmaatschap voorafgaande lidmaatschap van provinciale staten in Noord-Holland gedurende acht jaar, waarvan drie jaar als voorzitter van de CDA-fractie, elf jaar aan die provincie verbonden geweest. Uw afscheid in 2002 is dan ook luister bij gezet door de uitreiking van de zilveren penning van de provincie.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.2.3">Naast het lidmaatschap van deze Kamer bent u onder meer voorzitter van de Stichting Regenboog Inloophuizen, een hulporganisatie voor daklozen en drugsverslaafden in Amsterdam, bestuursvoorzitter van de Coöperatieve Vereniging Recreatiepark Giethmense Veld, bestuurslid van de Protestants-christelijke Ouderenbond en tevens treedt u binnenkort toe tot het hoofdbestuur van de Vereniging Palliatieve Zorg.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.2.4">Bij uw afscheid als gedeputeerde in Noord-Holland bent u getypeerd als een beminnelijke, oplossingsgerichte bestuurder die stille diplomatie verkiest boven snel publicitair succes. Maar ondanks dat laatste was u bepaald niet onbekend. Zo leverden uw vele werkbezoeken als gebiedsgedeputeerde u in de media schertsend de erenaam op: onbezoldigd onderkoningin van West-Friesland. In een interview heeft u over het Eerste Kamerwerk opgemerkt: "Ik vind het belangrijk dat wetgeving niet alleen juridisch juist is, maar ook uitvoerbaar is naar de menselijke maat. In de Eerste Kamer krijg ik de kans daaraan te werken."</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.2.5">Mevrouw Goyert, ik ben ervan overtuigd dat u die kans met beide handen zult weten aan te pakken. Ik wens u heel veel succes met uw werkzaamheden hier.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.2.6">Ik schors de beraadslaging van dit wetsvoorstel en ik schors tevens de vergadering voor de felicitaties aan onze collega.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.3.1">De beraadslaging wordt geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.4">
                        <p docno="h-ek-20072008-529-538.1.7.4.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Goyert. Ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech over de wijziging van de Wet sociale werkvoorziening. Dit is geen onbekend terrein voor u – u refereerde daar al zelf aan – gelet op uw langdurige ervaring op het gebied van de arbeidsvoorziening.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Haubrich-Gooskens" MPid="03144" party="PvdA" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2008-09-23" topic="Oneerlijke handelspraktijken" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20082009-10-14.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20082009-10-14.1.4" which-speech-in-topic="3" number-of-paragraphs="15" number-of-words="1776" number-of-unique-words="687" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Strafrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Handel</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Burgerlijk recht</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Duthler" MPid="03141"/>
                <speaker name="Van de Beeten" MPid="02290"/>
                <speaker name="Haubrich-Gooskens" MPid="03144"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan mevrouw Haubrich-Gooskens, die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20082009-10-14.1.4" speaker="Haubrich-Gooskens" party="PvdA" function="Mevrouw" title="Mevrouw Haubrich-Gooskens  (PvdA)" MPid="03144">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1" speaker="Haubrich-Gooskens" function="Mevrouw" MPid="03144">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Haubrich-Gooskens (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Haubrich-Gooskens</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.2">Mevrouw de voorzitter. Ik mag vandaag mede het woord voeren namens de SP-fractie.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.3">Wij spreken hier vandaag opnieuw over een stuk consumentenwetgeving. Het lijkt om onbelangrijke wetgeving te gaan, want je leest of hoort er zelden over. Hooguit "Kassa!" wil er nog wel eens aandacht aan besteden. Maar alles wat er mis kan gaan bij de aanschaf van goederen of diensten is nu precies een onderwerp dat heel veel emoties oproept bij gewone mensen in gewone huizen en met gewone levens. Eigenlijk zouden alle wetsvoorstellen, en zeker consumentenwetgeving, vanuit die invalshoek bekeken moeten worden.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.4">Wat heeft mijn collega-Kamerlid aan deze nieuwe wet als zij een nieuwe printer koopt? Wordt het internetverkeer van mijn buurman door deze wet makkelijker gemaakt? Schiet mijn neef, die koikarpers houdt, hier iets mee op, als hij zich opgelicht voelt door een koikarperhandelaar? Ik kom daar dadelijk nog op terug.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.5">Dit is een redelijk goed wetsvoorstel. De hoge bestuurlijke boete die door de AFM en de Consumentenautoriteit kan worden opgelegd, kan een effectief instrument zijn, met de vereiste afschrikwekkende werking. De Consumentenbond kan in kort geding op basis van artikel 3:305a BW snel en effectief stopzetting van een louche handelspraktijk vorderen. Maar dit wetsvoorstel had wel beter gekund. Daar kunnen wij als senaat helaas niets meer aan doen. Ik moet zeggen: dat valt mij niet mee.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.6">Ik wil het vandaag niet hebben over het feit dat het consumentenrecht zo langzamerhand een lappendeken is geworden, waarbij de lapjes vaak niet tegen, maar over elkaar heen zitten vastgenaaid. Wie heeft nog overzicht? Een duidelijk voorbeeld daarvan zijn de vandaag aan snee zijnde titels 6.3.3A en 6.3.4.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.7">Ik wil het evenmin hebben over de vrij beperkte afschrikwekkende werking die van deze manier van implementatie van de richtlijn uitgaat. Ook al wil ik het daar vandaag niet over hebben, toch vragen de fracties van PvdA en SP, en naar ik begrijp ook de VVD-fractie, of beide Kamers begin 2009 geïnformeerd kunnen worden over de ervaringen in België, waar dan ondertussen al een heel jaar, namelijk sinds 1&#160;december 2007, praktijkervaring is opgedaan met ontbinding van de overeenkomst door de misleide consument, met de mogelijkheid tot behoud van de prestatie als afschrikwekkende boete.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.8">Ik wil het ook niet hebben over de mogelijkheid dat de rechter het beroep van een door de Consumentenautoriteit beboete handelaar gegrond zou kunnen verklaren omdat de boete niet is gebaseerd op een "duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige wetsbepaling", maar op een "open norm" als "een gebrek aan professionele toewijding", zoals vermeld in artikel 6:193b, lid 2, BW. Is een dergelijke overtreding dan wel eenvoudig vast te stellen? Dat lijkt in strijd met artikel 7 EVRM. En als een dergelijk beroep dan gegrond wordt verklaard door de rechter, ligt het dan niet voor de hand dat de Consumentenautoriteit en de AFM in gevallen van open-normovertreding er verder wel voor zullen waken om nog eens op basis van een dergelijke open norm een bestuurlijke boete op te leggen?</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.9">Ook willen wij niet uitspreken dat kleine ondernemers, zoals zzp'ers, aan dit wetsvoorstel heel weinig hebben. Wij willen dus ook niet vragen wat de minister daaraan denkt te gaan doen.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.10">Wij willen het vooral hebben over de gewone consument. Wordt het hogere doel van deze wet bereikt, namelijk het doeltreffend beschermen van de consument tegen ernstige bedreigingen en risico's waar hij individueel machteloos tegenover staat? Natuurlijk heeft de gewone consument er baat bij als de Consumentenautoriteit via bestuurlijke boetes verdere oneerlijke handelspraktijken voorkomt. Natuurlijk heeft de consument er baat bij als door bijvoorbeeld de Consumentenbond collectieve acties worden ondernomen. Maar wat te doen als het kwaad al is geschied? Wat te doen als de koikarperverzamelaar de bijzondere koikarpers al heeft besteld en ontdekt dat hij daar veel meer voor moet betalen dan hij dacht? Wat te doen als het Kamerlid al weken met haar printer heeft geprint en voor de eerste keer een vervangende cartridge gaat kopen, die exorbitant duur blijkt te zijn? Deze consumenten hebben niet zo veel aan een schadevergoedingsactie. Zij zullen veel vaker behoefte hebben aan vernietiging van de al gesloten overeenkomst. Als mijn buurman de breedbandovereenkomst niet zou hebben afgesloten, zou hij zich gelukkig prijzen dat hij niet in de val is getrapt van een misleidende provider en afzien van het vorderen van schade. Dit laatste staat trouwens nog los van het feit dat die schade meestal ook moeilijk te begroten zal zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.11">De minister zegt geruststellend dat als er sprake is geweest van een misleidend aanbod, er ook wel voldoende grond zal zijn voor een succesvol beroep op een wilsgebrek. Ik heb een tweetal tegenargumenten. Allereerst moet de consument voor een succesvolle vernietiging van de overeenkomst de causaliteit tussen het misleidende aanbod en het sluiten van de overeenkomst aantonen. Het Kamerlid moet dus aantonen dat als zij had geweten dat de vervangende cartridges zo duur waren, zij de printer van dit merk niet had aangeschaft. Ten tweede zal de consument moeten bewijzen dat juist hij is bedreigd of dat juist hij dwaalde en daar terecht een beroep op doet. Immers, oneerlijke handelspraktijken zien op de gemiddelde consument, terwijl het leerstuk van de wilsgebreken, zoals dwaling, ziet op die ene, individuele consument. Als mijn neef de koop van koikarpers wil vernietigen wegens dwaling, dan zou het verweer van de verkoper wel eens doel kunnen treffen dat de gegeven informatie weliswaar niet de uiteindelijk te betalen prijs bevatte, maar dat in deze specialistische branche iedereen pleegt te weten wat er aan bijkomende kosten moet worden betaald, zodat hij gevoeglijk mocht aannemen dat mijn neef de aankoop ook zonder het noemen van deze all-inprijs zou hebben gedaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.12">Voor beide problemen, de causaliteit en de individuele versus gemiddelde consument, zijn best oplossingen te bedenken. Een gewone consument zou zeer geholpen zijn met de grondregel dat in geval van een oneerlijke handelspraktijk van de zwarte lijst, de causaliteit tussen de oneerlijke handelspraktijk en het wilsgebrek als een gegeven wordt beschouwd, tenzij het tegenbewijs wordt geleverd. De minister stelt in de nadere memorie van antwoord dat invoering van deze grondregel aanpassing van de wet vereist. Wij zijn dat met hem eens, maar met de zojuist gegeven voorbeelden hoop ik duidelijk gemaakt te hebben dat een vastgestelde oneerlijke handelspraktijk niet altijd één op één zal leiden tot een succesvol beroep op een wilsgebrek.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.13">Wij vragen heus niet om een novelle. Deze wet, met al zijn kleine gebreken, moet echt heel snel worden ingevoerd. Wij willen wel de toezegging van de minister en de staatssecretaris dat bij de eerstvolgende wetswijziging op het gebied van het consumentenrecht een nieuw artikel 6:228A wordt ingevoerd, waarbij een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in 6.3.3A voor een consument altijd een grond tot vernietiging van de overeenkomst oplevert.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.14">Er is een andere, minder verstrekkende oplossing die wij van de minister vragen. Een "richtlijnconforme interpretatie" van dit wetsvoorstel kan de civiele rechter nopen om 6:193j BW toe te passen in een vernietigingsprocedure wegens een wilsgebrek. Van Boom spreekt in zijn artikel in het Tijdschrift voor consumentenrecht ook wel van kruisbestuiving vanuit de wet OHP naar het leerstuk van de wilsgebreken. Dit kan dus zonder verdere wetswijziging. Indien de minister onomwonden uitspreekt dat artikel 6:193j BW niet alleen toepasbaar is in geval van schadevordering door een individuele consument, maar dat de rechter ook in een vernietigingsprocedure de handelaar het bewijs kan opdragen dat het wilsgebrek van de consument niet door zijn oneerlijke handelspraktijk kan zijn ontstaan, dan helpt hij ongetwijfeld de rechter bij zijn richtlijnconforme interpretatie van de wet.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.15">Samenvattend zou ik graag drie zaken door de minister beantwoord zien: - Komt de minister de Kamer tegemoet door een evaluatie van het punitieve Belgische systeem toe te zeggen voor het eerste kwartaal van 2009?- Wil de minister meer dan vrijblijvend toezeggen dat serieus naar een wetswijziging à la het door mij voorgestelde artikel 6:228A zal worden gekeken?- Als de minister deze toezegging (nog) niet wil doen, wil hij dan bevestigen dat niets de civiele rechter tegenhoudt om in een richtlijnconforme interpretatie van deze wet de handelaar te belasten met het bewijs dat het beweerde wilsgebrek niet door zijn oneerlijke handelspraktijk kan zijn ontstaan?</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.1.16">Ik zie met belangstelling uit naar het antwoord van de minister en de staatssecretaris.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.2.1">Mevrouw Haubrich-Gooskens, ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech. U hebt zojuist onder andere voor de fractie van de PvdA het woord gevoerd. Voor deze partij bent u al lang actief. Vanaf 1973 fungeerde u zeven jaar lang als secretaris van de partijafdeling Geldermalsen. Uw partij en het lokale bestuur hebben u niet losgelaten. Want naast en tijdens uw loopbaan als jurist en advocaat was u vanaf 1986 dertien jaar lid van de gemeenteraad van Geldermalsen, waarvan zeven jaar tevens wethouder. Dat was uiteraard nog voor het dualisme. Aansluitend, in 1999, werd u lid van provinciale staten van Gelderland voor de duur van acht jaar, waarna u lid werd van deze Kamer.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.2.2">U heeft zich niet beperkt tot advocatuur en politiek. Zo was u in de regio onder andere bestuurlijk actief in het Waterschap Rivierenland, was u voorzitter van de Unie Van Vrijwilligers en bekleedde u onder andere het vicevoorzitterschap van de raad van toezicht van de stichting Zorgcentra De Betuwe. Tot op de dag van vandaag wendt u uw deskundigheid in het patiënten- en cliëntenklachtrecht nog aan als voorzitter van verschillende klachtencommissies.</p>
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.2.3">Uw ervaring in het lokale en provinciale bestuur brengt u nu ook op nationaal niveau in deze Kamer in. Daarbij bent u ook internationaal actief. Ik wijs graag op al uw inspanningen als waarnemer bij verkiezingen in Kosovo, in Guatemala en in Georgië. Het zijn gebieden waar, zoals u deze zomer in Lokaal Bestuur schreef, democratie minder vanzelfsprekend is dan in Nederland. In dat artikel maakte u tevens gewag van het feit dat ook deze Kamer, veel vaker dan de gemiddelde Nederlander denkt, Europese regelgeving beoordeelt. U stelt: "Menige gemeente en provincie zal zelfs oordelen: het gaat te vaak om Europese regelgeving (...) waar bemoeit Europa zich mee." Verderop vervolgt u: "Mensenhandel, internetcriminaliteit, broeikasgas en schending van mensenrechten, daartegen helpen geen nationalisme, geen ijsmuts en geen klompen meer." Ik weet niet of het toeval is dat het onderwerp van uw maidenspeech vandaag de implementatie van een Europese richtlijn betreft, maar u bent bepaald niet onkritisch geweest. Een goed kritisch vermogen om wetsvoorstellen te beoordelen, is een wezenskenmerk van Eerste Kamerleden. Ook daarom wens ik u van ganser harte geluk met uw maidenspeech en succes met uw werkzaamheden.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.3">
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.4.1">Wenst een van de leden nog het woord in eerste termijn? Dat is niet het geval.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.5">
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.5.1">De beraadslaging wordt geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.6">
                        <p docno="h-ek-20082009-10-14.1.4.6.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Haubrich-Gooskens, ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech. U hebt zojuist onder andere voor de fractie van de PvdA het woord gevoerd. Voor deze partij bent u al lang actief. Vanaf 1973 fungeerde u zeven jaar lang als secretaris van de partijafdeling Geldermalsen. Uw partij en het lokale bestuur hebben u niet losgelaten. Want naast en tijdens uw loopbaan als jurist en advocaat was u vanaf 1986 dertien jaar lid van de gemeenteraad van Geldermalsen, waarvan zeven jaar tevens wethouder. Dat was uiteraard nog voor het dualisme. Aansluitend, in 1999, werd u lid van provinciale staten van Gelderland voor de duur van acht jaar, waarna u lid werd van deze Kamer.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Huijbregts-Schiedon" MPid="03146" party="VVD" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2007-07-09" topic="Luchtkwaliteitseisen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20062007-1149-1157.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20062007-1149-1157.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="11" number-of-words="1322" number-of-unique-words="602" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Lucht</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Huijbregts-Schiedon" MPid="03146"/>
                <speaker name="Putters" MPid="03023"/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
                <speaker name="Laurier" MPid="03177"/>
                <speaker name="Janse de Jonge" MPid="03147"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan mevrouw Huijbregts-Schiedon die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2" speaker="Huijbregts-Schiedon" party="VVD" function="Mevrouw" title="Mevrouw Huijbregts-Schiedon  (VVD)" MPid="03146">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.1" speaker="Huijbregts-Schiedon" function="Mevrouw" MPid="03146">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Huijbregts-Schiedon</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.1.2">Mevrouw de voorzitter. Met haar brief van 27&#160;juni jongstleden heeft de minister de weg vrijgemaakt voor de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel in deze Kamer. Artikel 5.8 zal geen onderdeel uitmaken van de Wet milieubeheer en dus geen kracht van wet krijgen. Terecht heeft de minister hiermee uitvoering gegeven aan de motie-Jurgens van 15&#160;mei jongstleden. Wij waarderen het dat de minister zo snel heeft gereageerd. Wij concluderen uit de brief dat de minister klaarblijkelijk haast heeft. Ook dat waarderen wij doorgaans, maar wanneer wij deze haast plaatsen tegenover de reikwijdte, de complexiteit en de voorgeschiedenis van ongeveer tien jaar van dit wetsvoorstel, was behandeling direct na de recesperiode ook goed mogelijk geweest.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.1.3">Ook in deze Kamer is veel en intensief met voorheen staatssecretaris van Geel hierover gediscussieerd. Ook onderling is er veel gewisseld over dit voorstel en dan in het bijzonder over fijn stof. Bij deze plenaire behandeling zullen wij dat niet herhalen en ons beperken tot een aantal opmerkingen op hoofdlijnen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.1.4">De wijziging van de Wet milieubeheer heeft hier en daar nogal al wat stof doen opwaaien; een grapje dat al vaker is gemaakt. In 2001 heeft de VVD-fractie er in de Tweede Kamer op aangedrongen om de regelgeving rond luchtkwaliteit bij wet te regelen in plaats van via een algemene maatregel van bestuur. Dit om een fatsoenlijke parlementaire behandeling mogelijk te maken, maar vooral ook om voor helderheid en controleerbaarheid van de uitvoering te kunnen zorgen, zonder dat Nederland daar – in huiselijke termen gesproken – door op slot gaat. En uiteraard de Brusselse toets kan doorstaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.1.5">Na zes jaar is het resultaat een wetsvoorstel met als kern een groot samenwerkingsconvenant volgens typisch Nederlands model – het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit – met de strik van wetgeving er luchtig omheen gebonden. Het programma heeft een uitermate globaal karakter. Het kernbegrip is "flexibiliteit". Op eerdere vragen heeft de toenmalige staatssecretaris Van Geel geantwoord dat het niet verstandig is om aan het begin van dit programma te veel vast te leggen. Hoewel mijn fractie een groot voorstander is van flexibiliteit, ontbureaucratisering en samenwerking, dreigt nu net dit wetsvoorstel daardoor in zijn eigen zwaard te vallen. Globaliteit en flexibiliteit zijn uitstekende bestuurlijke begrippen, maar zij laten zich nu eenmaal moeilijk of niet combineren met de concreetheid die de wetgever van het toetsingskader verlangt, waarop deze Kamer haar oordeel dient te baseren.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.1.6">De VVD-fractie is van mening dat deze wet op z'n zachtst gezegd niet de schoonheidsprijs verdient en zeker niet bijdraagt aan de zo zeer door ons gewenste ontbureaucratisering. Met een positieve attitude en met de notie dat het betere soms de vijand van het haalbare kan zijn, hebben wij binnen de hiervoor geschetste context het navolgende overwogen. - De primaire doelstelling om de luchtkwaliteit te verbeteren ten behoeve van de algemene volksgezondheid staat buiten discussie.- De uitzonderingssituatie van Nederland in Europa met betrekking tot de koppeling van ruimtelijke projecten aan onder meer milieuwetgeving, maakt nationale wetgeving voor luchtkwaliteit zeer gecompliceerd. De VVD – ook in deze Kamer – pleit er dan ook voor om ontkoppeling ter hand te nemen. Iedere poging om de consequenties van Europese wetgeving op dit gebied nationaal te ontkoppelen leidt tot een complexe bypassoperatie, zoals dit voorstel.- Door die uitzonderingssituatie zijn wij dan ook in Nederland in de uitzonderlijke situatie terechtgekomen dat de ontwikkeling dreigt te stagneren.- Europees bronbeleid is essentieel; Nederland samen in en met Europa dus.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.1.7">Daarnaast wenst mijn fractie in lijn met de schriftelijke behandeling hier nog een aantal punten te stipuleren. Ten eerste is dat de kwestie van de juridische toets en de mogelijkheid van beroep en bezwaar. Zoals betoogd, laten globaliteit en flexibiliteit zich vrijwel niet juridisch toetsen. Hoe denkt de minister daaraan dan wel vorm te kunnen geven? Welke juridische toets is van toepassing totdat de nieuwe Europese richtlijn van kracht is en als dan pas het NSL in werking treedt?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.1.8">Dat brengt mij bij mijn tweede punt: de kwetsbaarheid van het hart van dit voorstel. Het pakket aan compenserende maatregelen in het NSL heeft in grote mate het karakter van het bekende kaartenhuis. Wat wanneer belangrijke compenserende maatregelen niet of pas later worden in- en uitgevoerd?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.1.9">Mijn derde punt is de betekenis van de projecten die niet in betekenende mate – minder dan 3% – bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit: 95% van de regionale en lokale projecten behoort tot die categorie en wordt lokaal en regionaal aangepakt. Nog steeds is niet helder of en, zo ja, in hoeverre deze projecten gezamenlijk wel in betekende mate worden gesaldeerd en gecompenseerd in het NSL. Vele kleintjes maken immers ook een grote.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.1.10">Ten vierde wijs ik erop dat ook bij de partners nog veel onduidelijk is, met name over de te hanteren rekenmethode. Meten is weten, maar op interpretatievrijheden en -marges wordt beslist en straks over het al dan niet doorgaan van projecten. Kan de minister ons geruststellen dat hiervoor een eensluidend en goed toetsbaar rekenmodel wordt gehanteerd, waarin ook de partners zich herkennen? Maar ook het vaststellen van een methodiek voor de verplichte jaarlijkse rapportage aan Brussel en het nog op te zetten systeem voor monitoring en voortgangsbewaking vormen nog een belemmering voor de vaststelling van het NSL. Wanneer kan dit volgens de minister wel gebeuren?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.1.11">Uit mijn inbreng mag de minister afleiden dat de VVD-fractie zich kritisch opstelt ten aanzien van dit voorstel. Dat is niet verwonderlijk, omdat dit in de lijn ligt van onze schriftelijke inbreng. De juridische houdbaarheid en soliditeit achten wij niet optimaal, om het voorzichtig te zeggen. Het NSL kent nog vele open einden; het zit in"wijde zakken". Tegelijkertijd voelen wij ook de urgentie om tot wetgeving te komen. Er is behoefte aan duidelijkheid, maar vooral aan resultaten.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.1.12">Voorzitter. Ik wacht met belangstelling de reactie van de minister in eerste termijn af.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.2.1">Mevrouw Huijbregts, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech over de Wet luchtkwaliteitseisen. Ik zal het kort houden, want als ik goed ben geïnformeerd, houdt u niet zo van toespraken die over uzelf gaan. U hebt een lange staat van dienst in het openbaar bestuur. Dat begon in 1978 met het lidmaatschap van de gemeenteraad in Teteringen. In die gemeente bent u vervolgens zes jaar wethouder van onderwijs, cultuur en financiën geweest. In 1991 werd u lid van de provinciale staten van Brabant. Na vier jaar was u zes jaar lang tevens lid van gedeputeerde staten in diezelfde provincie, belast met de portefeuilles economische zaken, arbeidsmarktbeleid, toerisme en recreatie. Bijna zes jaar geleden werd u geroepen tot het mooie ambt van eerste burger van de gemeente Oosterhout, een functie die u tot nu toe met verve vervult. Met uw verkiezing tot senator behoort u dus tot het selecte gezelschap politici dat uit eigen ervaring bekend is met alle niveaus van het huis van Thorbecke.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.2.2">Ook de Europese dimensie is u niet vreemd. Met succes haalde u omvangrijke stimuleringsgelden naar Zuidoost-Brabant. Al kan ik beter Brabant zeggen, want met het onderscheid tussen de verschillende delen van Noord-Brabant heeft u weinig op. Ook in uw partij, de VVD, bent u actief. Zo was u in 2002 lid van de kandidaatstellingscommissie van de Tweede Kamer, in 2003 voorzitter van de programmacommissie voor de statenverkiezingen en dit jaar nog voorzitter van de kandidaatstellingscommissie voor diezelfde verkiezingen. Dit bevestigt uw wortels in provincie én partij en completeert het beeld van u als een doortastende en toegankelijke bestuurder met een uitstekend netwerk in het Brabants bedrijfsleven. U wordt gekenmerkt als open, ontvankelijk, creatief en zeer actief, met gevoel voor mensen die een schouderklop nodig hebben.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.2.3">Met deze achtergrond, mevrouw Huijbregts, kan het niet anders dan dat u zich hier heel goed thuis zult voelen. Ik hoop dat het lidmaatschap van deze Kamer voor u een feest zal worden, zoals u van eerdere functies die u hebt bekleed voor velen om u heen en ook voor uzelf een feest hebt kunnen maken. Van harte gefeliciteerd.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.2.4">Ik geef de leden de gelegenheid mevrouw Huijbregts te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-20062007-1149-1157.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Huijbregts, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech over de Wet luchtkwaliteitseisen. Ik zal het kort houden, want als ik goed ben geïnformeerd, houdt u niet zo van toespraken die over uzelf gaan. U hebt een lange staat van dienst in het openbaar bestuur. Dat begon in 1978 met het lidmaatschap van de gemeenteraad in Teteringen. In die gemeente bent u vervolgens zes jaar wethouder van onderwijs, cultuur en financiën geweest. In 1991 werd u lid van de provinciale staten van Brabant. Na vier jaar was u zes jaar lang tevens lid van gedeputeerde staten in diezelfde provincie, belast met de portefeuilles economische zaken, arbeidsmarktbeleid, toerisme en recreatie. Bijna zes jaar geleden werd u geroepen tot het mooie ambt van eerste burger van de gemeente Oosterhout, een functie die u tot nu toe met verve vervult. Met uw verkiezing tot senator behoort u dus tot het selecte gezelschap politici dat uit eigen ervaring bekend is met alle niveaus van het huis van Thorbecke.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Lagerwerf-Vergunst" MPid="03170" party="ChristenUnie" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2007-09-25" topic="Strafrechtelijke sancties" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-2-10.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-2-10.1.5" which-speech-in-topic="4" number-of-paragraphs="11" number-of-words="1605" number-of-unique-words="627" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Strafrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Internationaal <pm:entity> Europese zaken</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Politie, brandweer en hulpdiensten</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Broekers-Knol" MPid="02296"/>
                <speaker name="Van de Beeten" MPid="02290"/>
                <speaker name="Westerveld" MPid=""/>
                <speaker name="Lagerwerf-Vergunst" MPid="03170"/>
                <speaker name="Böhler" MPid="03135"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan mevrouw Lagerwerf-Vergunst, die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-2-10.1.5" speaker="Lagerwerf-Vergunst" party="ChristenUnie" function="Mevrouw" title="Mevrouw Lagerwerf-Vergunst  (ChristenUnie)" MPid="03170">
                    <speech party="ChristenUnie" docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.1" speaker="Lagerwerf-Vergunst" function="Mevrouw" MPid="03170">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Lagerwerf-Vergunst (ChristenUnie)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Lagerwerf-Vergunst</naam>
                                <partij>ChristenUnie</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.1.2">Mevrouw de voorzitter. Ik spreek zowel namens de fractie van de ChristenUnie als namens de fractie van de SGP.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.1.3">Het wetsvoorstel waarover wij vandaag debatteren is de implementatie van het kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties. Dit wetsvoorstel staat niet op zichzelf, maar past in een reeks wetsvoorstellen die op hun beurt een reeks kaderbesluiten implementeren. Ik wil, voordat ik toekom aan de bespreking van het onderhavige wetsvoorstel, eerst enkele kanttekeningen plaatsen bij de ontwikkeling die ten aanzien van deze kaderbesluiten valt te signaleren.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.1.4">In de afgelopen jaren is het systeem van de Europese rechtshulp in strafzaken grotendeels vervangen door een systeem van geharmoniseerd Europees strafprocesrecht gebaseerd op het principe van de wederzijdse erkenning. Ik noem bij voorbeeld het kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel. Het eind hiervan is nog niet in zicht. We kunnen denken aan het kaderbesluit Wederzijdse erkenning van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen. In de memorie van antwoord van het onderhavige wetsvoorstel geeft de minister aan dat het blijkens het op 22&#160;juni 2007 overeengekomen mandaat van de IGC de bedoeling is dat het Hervormingsverdrag zal voorzien in een uitdrukkelijke rechtsgrondslag voor samenwerking in strafzaken overeenkomstig het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.1.5">Daar waar het woord "rechtshulp" reeds impliceert dat er sprake is van vrijwilligheid ten aanzien van het al dan niet voldoen aan de gevraagde hulp, is er inmiddels sprake van een systeem van een "verplicht opgelegd vertrouwen". Onze fracties kennen de nadelen van het "oude" systeem, dat traag en omslachtig is en onderschrijven derhalve een wijziging hiervan. De vraag die zich echter voordoet bij het nieuwe systeem, gebaseerd op het principe van de wederzijdse erkenning, is enerzijds of voldoende ruimte wordt gelaten voor het bestaan van grenzen en verschillen in de eigen rechtscultuur en anderzijds of er sprake is van een gerechtvaardigd vertrouwen in de rechtsstelsels van andere lidstaten. Het eerstgenoemde punt dient per kaderbesluit te worden beoordeeld en zal ik daarom bespreken wanneer ik het onderhavige wetsvoorstel in concreto zal behandelen. Het tweede punt, de vertrouwenskwestie, heeft betrekking op het concept "wederzijdse erkenning" en wordt verondersteld te gelden bij alle kaderbesluiten die hierop betrekking hebben. Omdat dit veronderstelde vertrouwen – ik sprak zojuist van een verplicht vertrouwen – direct aan de rechtsbescherming van burgers raakt, is dit voor onze fracties een aangelegen punt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.1.6">Toen dit punt tijdens de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel in de Tweede Kamer aan de orde was, heeft de minister gesteld dat "het vertrouwen stellen in elkaars rechtsstelsels en dat over en weer uitvoeren bij de Europese Unie hoort". De minister heeft in dit kader bovendien opgemerkt dat "de lidstaten partij zijn bij het EVRM en dat in het kaderbesluit een verwijzing naar die grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen is opgenomen".</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.1.7">Onze fracties vinden dit antwoord te mager. Bovendien is inmiddels bekend dat het op de voorlaatste vergadering van de JBZ-Raad niet is gelukt om overeenstemming te bereiken over het ontwerpkaderbesluit betreffende procedurele rechten in strafprocedures. Dit baart onze fracties zorgen, mede gelet op het feit dat het in dat ontwerpkaderbesluit slechts om minimumnormen gaat, zoals het recht op kennisneming, (kosteloze) rechtsbijstand, vertolking en vertaling van processtukken. Het kan niet zo zijn dat er iedere keer kaderbesluiten ter implementatie van het beginsel van wederzijdse erkenning in strafzaken tot stand komen, terwijl er nog steeds geen overeenstemming kan worden bereikt over het ontwerpkaderbesluit over procedurele rechten in strafprocedures.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.1.8">Dit leidt concreet tot de volgende vragen: - Hoe oordeelt de minister over het advies van de Permanente commissie van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, vluchtelingen- en strafrecht van 5&#160;september jongstleden? Deze adviseert de Staten-Generaal om niet langer mee te werken aan de totstandkoming van nieuwe kaderbesluiten ter implementatie van het beginsel van wederzijdse erkenning in strafzaken, zolang er nog geen overeenstemming is bereikt over het ontwerpkaderbesluit over procedurele rechten in strafprocedures.- Kan de minister in algemene zin uitleggen op welke wijze de Nederlandse regering zich inspant om te bewerkstelligen dat alle lidstaten voldoen aan een aantal minimumwaarborgen, zodat het vertrouwen dat in de rechtsstelsels van andere lidstaten gesteld dient te worden, ook daadwerkelijk gerechtvaardigd is?- Op welke wijze zal in het hervormingsverdrag worden verzekerd dat bij toepassing van EU-recht op de relevante bepaling van het handvest van de grondrechten in rechte een beroep kan worden gedaan?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.1.9">Dan kom ik nu concreet bij het wetsvoorstel waarover wij vandaag debatteren. Onze fracties beseffen dat dit wetsvoorstel verplichte uitvoering geeft aan een kaderbesluit dat met instemming van de Tweede en de Eerste Kamer tot stand is gekomen. Gelet op de eerder geuite zorg over alle kaderbesluiten aangaande de wederzijdse erkenning hebben onze fracties gemengde gevoelens bij dit wetsvoorstel. Wij stemmen in met de gekozen systematiek om omschrijvingen van strafbare feiten op de bij algemene maatregel vastgestelde lijst op te nemen in plaats van delictsomschrijvingen. Deze biedt voldoende ruimte voor de eigenheid van onze rechtscultuur.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.1.10">Bij onze fracties leven nog de volgende vragen. - In het voorlopig verslag is aandacht gevraagd voor het gebruik van het begrip "onherroepelijke rechterlijke beslissing, genomen in een beroep tegen een beschikking" in artikel 6, eerste lid, onder c, van het wetsvoorstel in relatie tot de definitie van de term "rechterlijke uitspraak" in artikel 1, onder a. In de memorie van antwoord stelt de minister dat het onjuist zou zijn om een rechterlijke beslissing, genomen in een beroep tegen een beschikking, een rechterlijke uitspraak te noemen. De minister motiveert dit standpunt als volgt. Het zou in deze gevallen niet altijd gaan om een beslissing van een rechter wegens een strafbaar feit. Concreet vragen wij ons af waarop de minister deze interpretatie van het begrip "rechterlijke uitspraak" baseert. Hoe verhoudt deze interpretatie zich tot de definities van rechterlijke beslissingen, beschikkingen en uitspraken zoals neergelegd in artikel 138 van het Wetboek van Strafvordering?- Indien de officier van justitie op grond van artikel 13 een vordering indient, is op grond van het tweede lid van dit artikel de rechtbank van Leeuwarden exclusief bevoegd. Heeft de minister onderzoek gedaan naar de te verwachten extra werkdruk die dit voor deze rechtbank met zich brengt? Is voorzien in extra financiën voor deze extra werkzaamheden?- De laatste vraag is al eerder gesteld. De termijn die in het kaderbesluit aan de lidstaten is gegund om tot implementatie te komen, is reeds op 22&#160;maart 2007 verstreken. Wat betekent dit voor de sancties die zijn opgelegd tussen 22&#160;maart 2007 en de datum waarop het onderhavige wetsvoorstel kracht van wet krijgt?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.1.11">Onze fracties zien met belangstelling de reactie van de minister tegemoet.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.1.12">Mevrouw de voorzitter. Ik begon met de ogenschijnlijk neutrale woorden dat ik zou spreken zowel namens de fractie van de ChristenUnie als namens de fractie van de SGP. Ik vertel echter niets nieuws, wanneer ik zeg dat deze woorden, gelet op het feit dat zij uitgesproken zijn door iemand van het vrouwelijk geslacht, historisch zijn. Ik signaleer de volgende parallel tussen de ontwikkeling die ik zojuist ten aanzien van het Europees strafrecht heb geschetst en de ontwikkeling van de positie van de vrouw binnen de SGP. Het feit dat ik vandaag mede namens de SGP-fractie sprak, is namelijk eveneens gebaseerd op vertrouwen. Een belangrijk verschil is echter dat hier geen sprake is van een "verplicht opgelegd vertrouwen". U zult het mij niet euvel duiden dat ik van de gelegenheid gebruikmaak om de SGP-fractie te danken voor dit vertrouwen en voor de prettige samenwerking.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.2.1">Mevrouw Lagerwerf-Vergunst, van harte proficiat met uw maidenspeech over de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties. Deze wet moet u als jurist met een strafrechtelijke achtergrond aanspreken. U bent jurist in hart en nieren, hoewel u aanvankelijk kennelijk een carrière voor ogen had in het onderwijs, getuige uw eerste opleiding, namelijk die aan de pedagogische academie in Gouda. Na uw studie rechten aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam hebt u ruim drie jaar strafrecht gedoceerd aan achtereenvolgens de Rijksuniversiteit Leiden en de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg. Vervolgens bent u een aantal jaren werkzaam geweest bij het Openbaar Ministerie, totdat u in 2001 toetrad tot de zittende magistratuur, eerst als gerechtsauditeur, rechter-plaatsvervanger, daarna als rechter, rechter-commissaris en sinds 1&#160;september als rechter in de sector familierecht: dit alles bij de arrondissementsrechtbank in Rotterdam. Daarnaast heb ik ervan kunnen getuigen dat u negen jaar plaatsvervangend lid bent geweest van de Commissie Gelijke Behandeling.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.2.2">Oorspronkelijk was u lid van de RPF. Voor die partij was u van 1994 tot 1996 voorzitter van de kiesvereniging Ridderkerk, uw eigen woonplaats, en later bent u lid geweest van de werkgroep individualisering en gezinsbeleid en secretaris van de stichting fractieassistentie van de RPF-fractie in de Tweede Kamer. Nu maakt u deel uit van de fractie van de ChristenUnie. Dat is bijzonder, want u zult in ieder geval de historie ingaan als het eerste vrouwelijke lid van die fractie in deze Kamer. Ook het feit, waar u zelf al op doelde, dat u als vrouwelijke woordvoerder mede namens de SGP-fractie mocht spreken, mag historisch heten.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.2.3">Mensen die u kennen, typeren u als een principieel persoon – wat u allemaal moet waarmaken, zoals u begrijpt – doortastend en helder en to the point formulerend. Dat hebben wij daarnet ook mogen horen. Ook doorzettingsvermogen kan u niet worden ontzegd, getuige onder andere de periode in uw leven waarin u de verzorging van een jong gezin combineerde met een rechtenstudie.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.2.4">Mevrouw Lagerwerf-Vergunst, u hebt hier uw visitekaartje afgegeven. Wij verwachten nog veel van u te zullen horen en wij wensen u hoe dan ook van harte veel succes bij alle werkzaamheden hier. Proficiat. Ik schors de vergadering even om de collega's de gelegenheid te geven, u te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-2-10.1.5.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Lagerwerf-Vergunst, van harte proficiat met uw maidenspeech over de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties. Deze wet moet u als jurist met een strafrechtelijke achtergrond aanspreken. U bent jurist in hart en nieren, hoewel u aanvankelijk kennelijk een carrière voor ogen had in het onderwijs, getuige uw eerste opleiding, namelijk die aan de pedagogische academie in Gouda. Na uw studie rechten aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam hebt u ruim drie jaar strafrecht gedoceerd aan achtereenvolgens de Rijksuniversiteit Leiden en de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg. Vervolgens bent u een aantal jaren werkzaam geweest bij het Openbaar Ministerie, totdat u in 2001 toetrad tot de zittende magistratuur, eerst als gerechtsauditeur, rechter-plaatsvervanger, daarna als rechter, rechter-commissaris en sinds 1&#160;september als rechter in de sector familierecht: dit alles bij de arrondissementsrechtbank in Rotterdam. Daarnaast heb ik ervan kunnen getuigen dat u negen jaar plaatsvervangend lid bent geweest van de Commissie Gelijke Behandeling.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Lodders-Elfferich" MPid="02269" party="CDA" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="1999-12-21" topic="Korps landelijke politiediensten" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-465-477.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-465-477.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="17" number-of-words="1907" number-of-unique-words="715" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Politie, brandweer en hulpdiensten</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Rijksoverheid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Lodders-Elfferich" MPid="02269"/>
                <speaker name="Tan" MPid="02277"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Korthals" MPid="02738"/>
                <speaker name="Peper" MPid="02901"/>
                <speaker name="Lodders-Elfferich" MPid="02269"/>
                <speaker name="Tan" MPid="02277"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Korthals" MPid="02738"/>
                <speaker name="Peper" MPid="02901"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan mevrouw Lodders-Elfferich, die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-465-477.1.2" speaker="Lodders-Elfferich" party="CDA" function="Mevrouw" title="Mevrouw Lodders-Elfferich  (CDA)" MPid="02269">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1" speaker="Lodders-Elfferich" function="Mevrouw" MPid="02269">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Lodders-Elfferich (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Lodders-Elfferich</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.2">Mijnheer de voorzitter! Ik heb ingetekend voor twintig minuten. Mijn conclusie is dat ik die zeker niet nodig zal hebben. Dat scheelt weer in verband met de dreigende woorden die u zonet sprak met betrekking tot de dinerpauze en alle gevolgen van dien.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.3">Voor ons ligt ter behandeling het voorstel tot wijziging van de Politiewet 1993 en de Wet politieregisters in verband met de overdracht van het beheer van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Met dit voorstel wordt het beheer van het KLPD overgedragen van de minister van Justitie aan zijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Volgens de memorie van toelichting voorziet het voorstel daarnaast in waarborgen voor de minister van Justitie om te verzekeren dat deze zijn verantwoordelijkheid voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, zowel nationaal als internationaal, alsmede voor taken ten dienste van Justitie en de beveiliging van de leden van het Koninklijk Huis wat de taakuitvoering van het KLPD betreft, op goede wijze kan uitoefenen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.4">Om maar meteen met de deur in huis te vallen, voorzitter, deze zinsnede uit de memorie van toelichting raakt aan het hart van het hier voorgestelde. Want wat is hier aan de orde? Omvatte het begrip "politie" ten tijde van Hugo de Groot nog praktisch de gehele overheidstaak – het Engelse woord policy verwijst hier nog naar – in de loop van de 19de eeuw heeft de term zijn huidige betekenis gekregen die volgens Van der Pot, Donner, handboek van het Nederlandse staatsrecht, valt te omschrijven als "overheidstoezicht op en overheidsdwang tot naleving van geldend recht".</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.5">Toegepast op het politieapparaat heeft, ingevolge artikel 2 van de Politiewet 1993, de politie tot taak om in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels, te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. In praktische zin valt de politietaak uiteen in een preventieve taak, de handhaving van de openbare orde en een repressieve ten dienste van justitie, namelijk de opsporing van strafbare feiten, aanhouding van verdachten en de tenuitvoerlegging van rechterlijke vonnissen. Op deze tweedeling is ook de gezagsstructuur gebaseerd: de politie staat in het eerste geval onder het gezag van de burgemeester, in het tweede ressorteert zij onder het openbaar ministerie in casu de officier van justitie. De bewindslieden van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indieners van dit wetsvoorstel, bevestigen zo opnieuw dat deze duale gezagsstructuur de hoeksteen van het politiebestel vormt. Het zou ook moeilijk anders kunnen, aangezien aard en karakter van de beide taakonderdelen zeer verschillen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.6">Het is anders gesteld met het beheer van de politie. De organisatorische samenhang en de mogelijkheid tot onderlinge samenwerking tussen de verschillende korpsen zijn ontegenzeglijk aanzienlijk verbeterd sinds met de Politiewet van 1993 het onderscheid tussen gemeentepolitie en rijkspolitie werd opgeheven en de instelling plaatsvond van 25 regionale politiekorpsen. Dat er met betrekking tot die reorganisatie nog een aantal restproblemen is, zoals bijvoorbeeld de zogenaamde democratische inbedding, laat ik nu maar even buiten beschouwing.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.7">Het is in dit verband belangrijk dat de wet van 1993 voor het eerst invloed geeft aan het openbaar ministerie op het beheer van de politie. De hoofdofficier is lid van het regionaal college, heeft overleg met korpsbeheerder en korpschef over het beheer van het regionale politiekorps en is via overeenstemming betrokken bij het ontwerp van de organisatie, de formatie, het beleidsplan, de begroting, de jaarrekening en dergelijke. Hij kan zelfs tegen de vaststelling van deze stukken bij de commissaris van de koningin in beroep gaan. Aldus is voor de regionale korpsen voorzien in nauwe samenwerking en wederzijdse betrokkenheid inzake het beheer van hen die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde en van hen die verantwoordelijk zijn voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.8">Gezien het feit dat het onderscheid tussen gezag en beheer in de praktijk lang niet zo duidelijk is als in theorie en beide begrippen zeer nauw samenhangen, is dat ook niet meer dan logisch. Hoe zou het bevoegd gezag slagvaardig en daadkrachtig kunnen optreden als niet tevens de inzet van middelen en personeel aan zijn invloed zou zijn onderworpen? Wij zijn het er allemaal roerend over eens dat het beheer het gezag volgt. Misschien kan ik met een anekdotisch voorbeeld uit de praktijk nog eens illustreren wat er gebeurt wanneer gezag en beheer te ver uit elkaar groeien. De eierstruif van de staking en demonstratie van de scholieren koekt na drie weken nog steeds op de vensterbanken en ramen van dit gebouw en op het Binnenhof. Letterlijk noch figuurlijk is het een exempel van de transparantie die door een dergelijk onderscheid wordt nagestreefd. Dit is misschien een doordenker.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.9">Ik ga nu in op de kwestie van vandaag: de overdracht van het beheer van het KLPD – als 26e politiekorps het enige met een landelijke functie – van de minister van Justitie naar de minister van BZK. De CDA-fractie vreest dat de hiervoor gesignaleerde eensgezindheid eindigt bij dit wetsvoorstel. Het KLPD is met zijn specifieke taken, zoals neergelegd in artikel 38 van de Politiewet, zeer verschillend in aard en karakter van de regionale korpsen. Het KLPD is belast met de landelijke en gespecialiseerde uitvoering van politietaken in samenwerking met de regionale korpsen, de koninklijke marechaussee en de bijzonder opsporingsambtenaren. Daarnaast verricht het een aantal coördinerende en facilitaire taken ten behoeve van politie en justitie. Voorts heeft het KLPD een specialistische rol bij de justitiële taakuitvoering door de politie, speelt het een centrale rol in de informatievoorziening en is het belast met de persoonsbeveiliging van onder andere leden van het Koninklijk Huis.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.10">In de memorie van toelichting is te lezen dat deze specifieke positie moet doorwerken in zowel het beheer als de specifieke waarborgen die nodig zijn voor het effectueren van de verantwoordelijkheden van de minister van Justitie. De verantwoordelijkheden van deze minister zijn hier manifest, want de taken van de landelijke diensten staan immers vrijwel geheel onder zijn gezag. Voor de rechtshandhaving, de veiligheid en de bestrijding van zware criminaliteit betreft het hier voor een groot deel – ik denk daarbij aan de landelijke recherche en de CRI – zeer essentiële justitietaken die niet voor niets in landelijke diensten zijn ondergebracht.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.11">Het laat zich horen dat centrale regie, ook in het beheer, daarbij past en de coördinatie vergemakkelijkt, ook omdat voor een effectief opererend politieapparaat in brede zin afstemming tussen KLPD en de regionale korpsen een vereiste is. Daarbij speelt ook de samenstelling van de Raad voor het KLPD een rol. De coördinatievoordelen worden vooral op het terrein van het beheer gezocht en in de visie van het kabinet ook gevonden, maar het valt niet in te zien waarom dat op dat terrein gebeurt en niet op het zoveel wezenlijker niveau van de uitoefening van het gezag. Het kan zijn dat het probleem van de beheerscoördinatie tussen het KPLD en de regionale korpsen, aannemende dat dit er is, met de voorgestelde overdracht wordt vervangen door een veel ernstiger probleem met de inhoudelijke coördinatie in de justitiële keten.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.12">De CDA-fractie is er niet van overtuigd dat het effectief optreden van justitie, met de minister van dat departement als eindverantwoordelijke, hierdoor wordt bevorderd. Het gevolg laat zich voorspellen: de minister van BZK zal in de verleiding komen zich bezig te houden met het beleid inzake rechtshandhaving. Het gekrakeel rond de vraag bij wie in de vier voetbalsteden bij het EK2000 het primaat ligt, bij de burgemeester of bij de minister van BZK, is hiervan al een voorbode. Dit proces lijkt begonnen te zijn met de introductie van veiligheidsplannen. Het gezagsdualisme van justitie en burgemeester wordt zo vervangen door een nieuwe driehoek van justitie, burgemeester en BZK. Dit leidt niet echt tot een vermindering van de complexiteit van het politiebestel. Naar wij hebben begrepen, was dit toch de opzet van het kabinet.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.13">De vraag kan worden gesteld welk organisatieprincipe door het kabinet wordt gehanteerd. Om een voorbeeld te noemen, zou de minister van Verkeer en Waterstaat nog plezier aan haar portefeuille beleven, wanneer werd voorgesteld dat zij nog wel over de tracés van wegen en waterwegen zou gaan, maar dat het beheer over de natte en de droge waterstaat voortaan aan haar collega van BZK zou worden opgedragen, omdat deze nu eenmaal indirecte zeggenschap heeft over de decentrale taken op dit terrein in de vorm van het provinciaal en gemeentelijk weg- en waterbeheer?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.14">Met dit voorbeeld zal duidelijk zijn dat mijn fractie grote moeite heeft met dit wetsvoorstel. Het CDA heeft zich in opeenvolgende verkiezingsprogramma's uitgesproken voor het belang van een bundeling bij de minister van Justitie van de zorg op landelijk niveau voor alle schakels van de justitiële keten, waaronder het daarop betrekking hebbend politiebeleid en de relevante wetgeving, zonder afbreuk te willen doen aan de bevoegdheden van de regionale colleges en in nauwe samenwerking daarmee.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.15">Bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de concentratie van beheersbevoegdheden op rijksniveau over de regionale korpsen bij de minister van BZK wordt de bevoegdheid van de minister van Justitie ook op een essentieel punt gewijzigd. Ik heb hierbij op het oog de aanwijzingsbevoegdheid die de minister van Justitie heeft krachtens artikel 53 van de Politiewet bij de inzet van personeel en middelen bij incidentele, buitengewoon ernstige inbreuken op de rechtsorde die een onmiddellijke voorziening vereisen. Er wordt voorgesteld om die bevoegdheid te schrappen. Hoewel dit nu niet aan de orde is, hecht ik eraan op het verband met dit wetsvoorstel te wijzen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.16">Beheer volgt gezag. Het gezag ligt naar onze opvatting eenduidig bij de minister van Justitie, als het gaat om de belangrijkste taken van de landelijke politiediensten. Het wettelijk verankeren van de positie van hoofdofficier van het landelijk parket, zoals voorgesteld, kan daarvoor niet in de plaats komen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.17">Het is duidelijk dat er verwachtingen zijn gewekt bij onder andere het personeel van het KLPD over de datum van inwerkingtreding van deze wet. Dat de resultaten van de evaluatie door de KLPD-raad daardoor niet bij dit wetsvoorstel kunnen worden betrokken, is naar ons oordeel een gemiste kans.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.1.18">Samenvattend overwegen wij onze steun aan dit wetsvoorstel te onthouden, maar wij wachten vooralsnog met belangstelling het antwoord van de regering af.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.2.1">Ik wens mevrouw Lodders van harte geluk met het houden van haar maidenspeech. Wij kennen mevrouw Lodders al veel langer uit de politiek. Zij was niet alleen gedurende vele jaren, van 1991 tot 1999, vice-voorzitter van het CDA, maar in die periode was zij op een cruciaal moment, in de jaren 1994 en 1995, ook waarnemend voorzitter.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.2.2">Daarnaast vervult mevrouw Lodders vele maatschappelijke functies. Dat heeft ertoe geleid dat een mij overigens niet bekend blad, genaamd Avanta Top, haar heeft uitgeroepen tot een van de honderd machtigste vrouwen in het bedrijfsleven. Daar staat zij op nummer 4. Het punt is dat hiermee wordt gesproken over macht. In de Nederlandse politiek wordt hier voorzichtig mee omgegaan. Ik herinner in dit verband aan een interessant interview afgelopen zondag met drie christen-democratische oud-minister-presidenten. Toen de heer Biesheuvel over macht werd gevraagd, zei hij: daar moet je niet over spreken, misschien hadden wij invloed. Wat zie ik nu? Wanneer mevrouw Lodders wordt ondervraagd door het blad CDA Magazine, dat mij wél bekend is, naar de positie van machtige vrouw, zegt zij: maar daadwerkelijke invloed? Dat geeft aan dat zij echt uit de school van Biesheuvel is.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.2.3">Mijn gelukwensen, mevrouw Lodders.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.2.4.1">Ik geef het woord aan mevrouw Tan. Ook zij houdt haar maidenspeech.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Meindertsma" MPid="02270" party="PvdA" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2000-02-08" topic="Landbouw, Natuurbeheer en Visserij" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-605-629.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-605-629.1.6" which-speech-in-topic="5" number-of-paragraphs="12" number-of-words="1671" number-of-unique-words="724" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van der Linden" MPid="01899"/>
                <speaker name="Varekamp" MPid="02939"/>
                <speaker name="Pitstra" MPid="02868"/>
                <speaker name="Rabbinge" MPid="02284"/>
                <speaker name="Meindertsma" MPid="02270"/>
                <speaker name="Van Bruchem" MPid="02285"/>
                <speaker name="Hessing" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef nu het woord aan mevrouw Meindertsma. Ik wijs de collegae erop dat dit ook voor haar vandaag een maidenspeech is.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-605-629.1.6" speaker="Meindertsma" party="PvdA" function="Mevrouw" title="Mevrouw Meindertsma  (PvdA)" MPid="02270">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.1" speaker="Meindertsma" function="Mevrouw" MPid="02270">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Meindertsma (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Meindertsma</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.1.2">Mijnheer de voorzitter! Zo-even ging het in deze Kamer over keuzevrijheid en over het beperken van keuzemogelijkheden. Als Kamerlid heb je geen echte keuze waar het gaat om het moment waarop je over welk onderwerp je je eerste speech gaat houden. Mijn eerste speech gaat over het beleidsveld natuur.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.1.3">Dat beleidsveld leent zich bij uitstek voor ideologieën en ideologievorming rond het thema "cultuur versus natuur". Dat moet tenminste tot nadenken stemmen bij het maken van beleidsconcepten, want er zijn weinig ideologieën die de houdbaarheid van de levensduur van een mens als onderwerp hebben. Ik geef een citaat ter adstructie: "Het Oldambt was in de loop der eeuwen polder voor polder op het Wad gewonnen, maar de laatste jaren begon het tij te keren. Dezelfde staatscommissies die zich sinds mensenheugenis hadden ingespannen voor aanslibbing en bedijking van de Dollard, propageerden sinds kort het inunderen van het drooggelegde land. 'Water als bondgenoot in de strijd tegen sociaal-economische achteruitgang', heette het in hun rapporten. Want ondanks de subsidies en zachte leningen van het Rijk bleef Oost-Groningen achter in de welvaartsstatistieken. Wie jong was trok weg. En daarom, om het vraagstuk van leegloop en verpaupering voor eens en voor altijd op te lossen, waren de planologen op het idee gekomen om de streek dan maar te laten verdwijnen. Op hun tekentafels verschenen de contouren van een kunstmatige binnenzee die de bewoners uit hun lijden moest verlossen."</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.1.4">Voorzitter! Dit citaat uit "De graanrepubliek" van Frank Westerman haal ik aan om de wispelturigheid in beleidsopvattingen te illustreren en, uiteraard, om dit boek en dit gebied onder de aandacht te brengen: het Oldambt, waar plannen voor natuurontwikkeling gemaakt worden. Land dat in cultuur gebracht is, wordt veranderd in een gebied waar natuurontwikkeling tot stand gebracht gaat worden. Overigens, in beide gevallen wordt dit gelegitimeerd door een economische behoefte. Het moge duidelijk zijn dat ik het hier heb over het Oldambt als pars pro toto voor Nederland.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.1.5">Natuurbeleidsplannen, voorzitter, we kennen ze en er zijn weer nieuwe in voorbereiding waarin behoud en versterking van de biodiversiteit als kwalitatieve doelstelling centraal staan, evenals het realiseren van een ecologische hoofdstructuur, met een kwantitatieve doelstelling oplopend van 450.000 ha in 1990 tot 700.000 ha in 2018.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.1.6">En dan, naast deze beleidsplannen over natuurontwikkeling, bijna als een paradox, een overigens prachtig uitgegeven beleidsnota over de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting, de nota Belvedere, uitgebracht door maar liefst vier ministeries. Dit stuk is een voorbeeld van interdepartementale samenwerking en een geslaagde poging om de verkokering te boven te komen. Wat nu is de relatie tussen beleidsplannen op het terrein van natuur en die ten aanzien van cultuurhistorie? Is het niet zo dat iedere uitspraak over natuur altijd een culturele uitspraak is en daardoor gerelativeerd wordt door de tijdelijkheid van trends?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.1.7">Het zou een discussie waard geweest zijn of het teruggeven aan het water van in cultuur gebrachte landbouwgronden in het Oldambt past binnen de visie van de nota Belvedere en binnen de gedachte: "Als er geen bewust cultuurhistorisch geïnspireerd beleid wordt gevoerd, wordt de unieke in vele eeuwen opgebouwde kwaliteit overschaduwd door de herinrichting van de ruimte." Het gaat om een visie op de wijze waarop, in een tijd van toenemende globalisering, schaalvergroting en de daarbij behorende onvermijdelijke nivellering, herkenbaarheid geformuleerd moet worden als verscheidenheid.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.1.8">Mijnheer de voorzitter! Waar het naar het oordeel van de fractie van de Partij van de Arbeid in het komende jaar op aankomt – in dat jaar zullen vele belangwekkende toekomstgerichte beleidsnota's verschijnen, zoals de Vijfde nota ruimtelijke ordening, de nota Wonen in de 21ste eeuw, het beleidsplan Natuur, Bos en Landschap in de 21ste eeuw en nog tientallen andere stukken – is het verbinden van de verschillende beleidsconcepten op de terreinen van ruimtelijke inrichting, cultuurhistorie, natuurontwikkeling en landbouwontwikkelingen tot een integraal concept met een goed instrumentarium. De ambitie moet verder reiken dan het uitspreken van mooie en waardevolle gedachten, die elkaar in de verschillende nota's soms tegenspreken. Samenhang in plaats van verkokering en het centraal stellen van de implementatie van het beleid. In de memorie van toelichting bij de begroting voor het jaar 2000 worden vele nieuwe beleidsnota's aangekondigd. Wat niet geheel te ontdekken valt, is wat de kaders zijn voor de afweging van de verschillende beleidsconcepten en de verschillende belangen. De heer Varekamp heeft hier ook uitdrukkelijk om gevraagd. Daarnaast is een belangwekkende vraag, hoe de bestuurlijke verantwoordelijkheden geregeld worden. Gaat het om de ontwikkeling van gebiedsgericht beleid met een eerste verantwoordelijkheid voor planning en uitvoering bij de provinciale overheden of gaat het veeleer om beleid op een schaalniveau hoger, het niveau van landsdelen? En zo ja, wat zijn dan de juiste instrumenten daarbij? Ik hoop dat de bewindslieden op deze opmerkingen en vragen willen reageren.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.1.9">Mijnheer de voorzitter! Uit de begroting en ook uit de analyses, onder andere in Natuurbalans '99, blijkt dat er met het natuurbeleidsplan veel in gang gezet is en dat de resultaten zichtbaar worden, maar ook dat er nog veel te wensen overblijft en dat niet alles even voorspoedig verloopt. Zo valt te lezen dat de realisering van de ecologische hoofdstructuur langzamer verloopt dan gepland. Op basis van het huidige tempo zal deze niet in 2018 voltooid zijn, maar pas in 2030. Het is de vraag of de autonome ontwikkelingen in het landelijk gebied, de oprukkende verstedelijking, gevoed door, naar ieder hoopt, een meerjarig economisch gunstig getij, de natuurontwikkeling tegen die tijd de pas niet afgesneden zullen hebben! Een boswandeling op Internet in plaats van een boswandeling op de Veluwe, het wonen in een bomentuin op tien hoog, het behoort nu reeds tot de mogelijkheden, maar is het gewenst als enige mogelijkheid? Als dit niet het wenkend perspectief is en als het nog steeds de bedoeling is dat het geformuleerde en vastgestelde landschaps- en natuurbeleid voortgezet en uitgevoerd wordt, dan zal er snel gehandeld moeten worden. Maar het vinden van concrete oplossingen en het zoeken van de goede instrumenten bij afgesproken en breed gedragen beleid is een van de moeilijkste opgaven in de bestuurspraktijk. Steeds blijkt immers weer dat het instrumentarium, vaak bedacht van achter het bureau, in de praktijk een andere uitwerking heeft. En zelden zijn wij in staat tot een snelle bijstelling van het instrumentarium, terwijl dat wel zou moeten. Ik zou de bewindslieden willen uitnodigen om aan te geven, hoe zij de uitvoeringsproblemen rondom de ecologische hoofdstructuur gaan aanpakken.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.1.10">Gebrek aan geld om gronden te verwerven wordt als een van de motieven genoemd voor de vertraging, onder andere in het KPMG-rapport "grond voor de natuur". Het is mogelijk dat het Rijk geen geld meer kan toevoegen omdat er al te veel wensen liggen om de overvloed op te souperen. Er is echter veel geld in de markt, onder andere bij institutionele beleggers, zoals pensioenfondsen en verzekeraars, ja zelfs bij niet- winstbeogende instellingen en organisaties. Slimme, in de zin van intelligente constructies zouden uitgedacht kunnen worden. Overigens biedt het eerder genoemde rapport meer interessante aanbevelingen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.1.11">Eigenlijk acht iedereen het op dit moment van belang acht dat de oprukkende verstedelijking niet alle open ruimten in beslag neemt, maar dat er een goed evenwicht wordt gevonden tussen rood en groen. Stedelingen roepen het, want ze willen echt buiten kunnen zijn. Plattelanders roepen het, want ze verliezen iedere sociale cohesie en fysieke samenhang. Marktpartijen roepen het; zie het interessante gezamenlijke advies van Bouwfonds en Groenfonds. Het Agrarisch Jongeren Kontact roept het en samen met milieuorganisaties bepleit men een heffing op woningbouw in het landelijk gebied om de steeds hoger wordende grondprijzen tegen te gaan.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.1.12">Wat is de reactie van de bewindslieden op deze interessante voorstellen uit de samenleving? Zou het ijzer niet gesmeed moeten worden nu het heet is en zou het niet mogelijk zijn om enerzijds op rijksniveau te werken aan een ander grondprijsbeleid – maar dat gaat in ons land niet zo snel – en anderzijds te komen tot samenwerkingsverbanden op nationaal en regionaal niveau tussen marktpartijen, maatschappelijke organisaties en overheden? Zo valt in dat verband bijvoorbeeld te denken aan de oprichting van landelijke en/of regionale grondbanken waarin marktpartijen, met name institutionele beleggers, en de rijksoverheid samen participeren.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.1.13">Ik eindig met een citaat uit hetzelfde boek als waar ik mee begonnen ben "Land dat je onder water zet, dat komt nooit meer terug", zo sprak oud-wethouder Koert Stek uit Beerta.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.2.1">Mevrouw Meindertsma, u bent geboren in het hoge noorden van Groningen. U hebt uw opleiding in de stad Groningen genoten: opbouwwerk aan de Academie voor de sociale en culturele arbeid. Die opleiding hebt u vervolgens zeer wel kunnen toepassen in uw carrière daarna. U hebt aanvullend kunstgeschiedenis gestudeerd. De vraag rees bij mij wat u daarmee gedaan hebt. Ik zag dat u twintig jaar gewerkt hebt als lid van de gemeenteraad in het oostelijke landsdeel, te weten in Zwolle. Van die twintig jaar bent u vijftien jaar wethouder geweest. In die vijftien jaar als wethouder hebt u zich vooral beziggehouden met stedelijke ontwikkeling, volkshuisvesting en stadsvernieuwing. De kunstgeschiedenis zie ik dan toch terugkomen in uw zorg voor de monumenten in de stad. Op basis van uw twintigjarige ervaring in Zwolle hebt u de erepenning van Zwolle gekregen. Ik zag dat u onder andere belast bent geweest met de organisatie van het landelijk debat over de toekomst van opgaven waar steden voor staan. Ik kan mij dus uw verzuchting aan het begin van uw maidenspeech wel voorstellen. Je hebt het niet altijd voor het kiezen, waar het gaat om het onderwerp van de maidenspeech, want als ik u ergens voor gepusht zou hebben bij de keuze voor een onderwerp, zou het niet voor een deel van de begroting van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zijn geweest, maar veeleer voor de begroting van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. U hebt u tijdens de behandeling van deze begroting, waarbij u meerdere malen verwees naar de culturele poot van uw opleiding en uw activiteiten, een "woman of all seasons" betoond. Wat dat betreft denk ik dat u een goede toekomst in dit huis zult hebben. Ik feliciteer u met uw maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-605-629.1.6.3.1">De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Meindertsma, u bent geboren in het hoge noorden van Groningen. U hebt uw opleiding in de stad Groningen genoten: opbouwwerk aan de Academie voor de sociale en culturele arbeid. Die opleiding hebt u vervolgens zeer wel kunnen toepassen in uw carrière daarna. U hebt aanvullend kunstgeschiedenis gestudeerd. De vraag rees bij mij wat u daarmee gedaan hebt. Ik zag dat u twintig jaar gewerkt hebt als lid van de gemeenteraad in het oostelijke landsdeel, te weten in Zwolle. Van die twintig jaar bent u vijftien jaar wethouder geweest. In die vijftien jaar als wethouder hebt u zich vooral beziggehouden met stedelijke ontwikkeling, volkshuisvesting en stadsvernieuwing. De kunstgeschiedenis zie ik dan toch terugkomen in uw zorg voor de monumenten in de stad. Op basis van uw twintigjarige ervaring in Zwolle hebt u de erepenning van Zwolle gekregen. Ik zag dat u onder andere belast bent geweest met de organisatie van het landelijk debat over de toekomst van opgaven waar steden voor staan. Ik kan mij dus uw verzuchting aan het begin van uw maidenspeech wel voorstellen. Je hebt het niet altijd voor het kiezen, waar het gaat om het onderwerp van de maidenspeech, want als ik u ergens voor gepusht zou hebben bij de keuze voor een onderwerp, zou het niet voor een deel van de begroting van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zijn geweest, maar veeleer voor de begroting van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. U hebt u tijdens de behandeling van deze begroting, waarbij u meerdere malen verwees naar de culturele poot van uw opleiding en uw activiteiten, een "woman of all seasons" betoond. Wat dat betreft denk ik dat u een goede toekomst in dit huis zult hebben. Ik feliciteer u met uw maidenspeech.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Meulenbelt" MPid="03019" party="SP" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2003-10-07" topic="Wet werk en bijstand" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-13-42.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-13-42.1.9" which-speech-in-topic="8" number-of-paragraphs="20" number-of-words="5121" number-of-unique-words="1540" number-of-interruptions="1">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Werk <pm:entity> Werkgelegenheid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Werk <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Sociale zekerheid <pm:entity> Ziekte en arbeidsongeschiktheid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Sociale zekerheid <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Gemeenten</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van Driel" MPid="03005"/>
                <speaker name="Van Leeuwen" MPid="00795"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Schouw" MPid="03025"/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="De Rijk" MPid=""/>
                <speaker name="Kalsbeek-Schimmelpenninck van der Oije" MPid="03011"/>
                <speaker name="Meulenbelt" MPid="03019"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan mevrouw Meulenbelt voor haar maidenspeech.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-13-42.1.9" speaker="Meulenbelt" party="SP" function="Mevrouw" title="Mevrouw Meulenbelt  (SP)" MPid="03019">
                    <speech party="SP" docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1" speaker="Meulenbelt" function="Mevrouw" MPid="03019">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Meulenbelt (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Meulenbelt</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.2">Voorzitter. Om te beginnen, wil ik degenen die voor mij hun maidenspeech hebben gehouden, van harte feliciteren.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.3">Lang geleden, nog voor de invoering van de bijstandswet in 1965, was ik zelf een alleen opvoedende moeder. Dat was nog de tijd van eigen schuld, dikke bult. Ik stond in de wereld zonder diploma, zonder werk en met een kind. Ik kwam praktisch nergens voor in aanmerking, geen WW, geen alimentatie en geen ongehuwdemoederzorg want ik was getrouwd geweest. Ik kon een studiebeursje krijgen, toen ik met een opleiding begon. Daar kon je echter geen kind van onderhouden. Ik deed dus wat wel meer mensen deden: ik kluste er illegaal bij, altijd bang om betrapt te worden en mijn beurs ook nog kwijt te raken. Mijn meubilair kwam van de straat; kleren waren tweedehands of zelfgemaakt; haren werden zelf geknipt. Wat hielp, was dat een rafelig uiterlijk in de hippietijd erg in de mode was en dat je met een matras op de vloer tegelijk je linkse opvattingen kon demonstreren. Uit het feit dat ik hier sta, kan men opmaken dat het nog min of meer goed is gekomen met mij. Men kan zich echter voorstellen dat deze periode van mijn leven weer bij mij is opgekomen, nu wij dit wetsvoorstel behandelen dat onder andere gevolgen heeft voor een nieuwe generatie alleen opvoedende moeders.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.4">Aangezien dit mijn maidenspeech is, veroorloof ik mij vandaag enige autobiografische opmerkingen. Ik beloof hierbij plechtig dat ik dat niet elke keer zal doen. Wie echter eens aan de andere kant van de maatschappij heeft gezeten, aan de kant van de mensen die hun hand moeten ophouden, vergeet dat niet licht. De omwenteling in 1965 toen de Algemene bijstandswet werd ingevoerd, kwam voor mij net te laat. Ik herinner mij echter nog hoe belangrijk dat was. Voortaan was steun geen gunst meer, maar was bijstand een recht. Mevrouw Van Leeuwen heeft hier ook even aan gerefereerd. Ik vind het niet geheel onpassend om mevrouw Klompé die deze omwenteling heeft bewerkstelligd, nog even te bedanken. Bij de behandeling in de Tweede Kamer durfde mevrouw Klompé het nog te hebben over solidariteit, een inmiddels verguist woord met een geitenwollensokkengeur dat, geloof ik, alleen nog in mijn partij en enige andere tegendraadse groeperingen in volle oprechtheid wordt gebruikt. Ik mag hopen dat ik hier ongelijk in heb, maar dat hoor ik dan wel. Mevrouw Klompé zei: als de overheid met gebruikmaking van de belastingmiddelen waarover zij beschikt, middelen die zij dus ook van de leden der staatsgemeenschap heeft, rechtsgenoten die zichzelf niet van het nodige kunnen voorzien, de helpende hand toesteekt, dan is daarin toch mede een stuk solidariteit te zien. Later zei zij: ik wilde een wet maken waarop iedere burger met opgeheven hoofd een beroep kon doen en waardoor hij niet in een atmosfeer zou worden geplaatst die in strijd zou zijn met zijn vrijheid en de waardigheid van zijn menselijke persoon.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.5">In de jaren tachtig kwam de bijstandswetgeving al onder druk te staan. Onder de paarse kabinetten keerde het getij verder. De uitkeringsfabrieken moesten worden omgebouwd tot reïntegratiebedrijven. Dat klonk mooi en was door sommigen wellicht ook goed bedoeld, maar zoals zo vaak pakte de werkelijkheid een stuk beroerder uit. Om te voorkomen dat te veel mensen van een uitkering afhankelijk zouden worden, werden strengere eisen gesteld aan de uitkeringsgerechtigden, eisen waaraan velen helaas in de praktijk moeilijk of niet konden voldoen. Daar stond wel tegenover dat er meer geld uitgetrokken werd voor reïntegratie, dat er meer banen geschapen werden voor de kansarmen door loonkostensubsidies om werkgevers aan te moedigen om langdurig werklozen en arbeidsgehandicapten aan te nemen, en dat er gesubsidieerde banen kwamen. Het was een wankel compromis dat ons niet werkelijk beviel, maar het kon nog erger, zo weten wij sinds het aantreden van het tweede kabinet-Balkenende. Het nieuwe kabinet maakt immers korte metten met dit op zichzelf al wankelmoedige compromis. Een deel van de ID-banen wordt geschrapt; de rest staat op de tocht. In de budgetten voor reïntegratie wordt gesneden. De loonkostensubsidies zijn gesneuveld. Tegelijk met het wegnemen van mogelijke oplossingen wordt de uitkeringsgerechtigde een strenger regime opgelegd. Alleen degenen die totaal arbeidsongeschikt zijn, mogen nog in de WAO. De rest moet de arbeidsmarkt op. Ook de al bestaande WAO'ers moeten opnieuw worden gekeurd. De WW wordt beperkt. Er zal dus een doorstroming komen vanuit de WAO en de WW naar de bijstand, althans van degenen zonder een verdienende partner en zonder spaargeld of een huis. Dat nieuwe maatregelen gepaard gaan met forse bezuinigingen is geen geheim. Volgens ons is een min of meer verborgen doel van het beleid dan ook om zo min mogelijk kwijt te zijn aan de mensen die niet werken. Dit zal het resultaat zijn: niet meer mensen actief, maar meer mensen goedkoper inactief.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.6">Laat ik twee punten noemen waar mijn partij geen moeite mee heeft. Wij hebben geen moeite met enige mate van decentralisatie en eigen verantwoordelijkheid voor de gemeenten, vooropgesteld dat die verantwoordelijkheid gepaard gaat met voldoende middelen en de decentralisatie niet leidt tot al te onrechtvaardige verschillen tussen wat een uitkeringsgerechtigde in de ene of de andere gemeente mag verwachten. Ik weet dat mevrouw Van Leeuwen zich daar geen zorgen over maakt, maar wij doen dat wel. Wij hebben ook geen moeite met de gedachte dat werk voor inkomen zou moeten gaan en dat mensen vooral gewezen moeten worden op hun eigen verantwoordelijkheid. Integendeel, wij gaan ervan uit dat het zowel goed is voor de samenle ving als voor de individuele burger om een zinnige en passende taak te vervullen. Wij zouden willen dat ook mensen met een lichamelijke beperking of ouderen die niet meer 100% fit zijn passend werk kunnen vinden. Wij maken er wel de kanttekening bij dat er ook zinnige, passende en nuttige taken zijn die geen of weinig geld opleveren. Ik ben ook blij dat mevrouw Van Leeuwen en de heer De Rijk het daarover hebben gehad.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.7">Het wetsvoorstel ademt de sfeer uit dat massa's mensen genieten van een uitkering, omdat ze te lui of te bedonderd zijn om naar werk te zoeken of zich te chic of te goed vinden voor werk dat wordt aangeboden. In deze wantrouwige en hardvochtige filosofie moet het vooral een economische prikkel zijn die de mensen uit hun passiviteit doet ontwaken. Niet de economische prikkel van een betere beloning als uitkeringsgerechtigden zelf werk vinden, maar een bestraffende variant: wie geen werk vindt, gaat er straks op achteruit. Impliciet wordt gesteld dat het aan de uitkeringsgerechtigden zelf ligt als zij niet aan het werk zijn. Niet onmacht, maar onwil zou het grootste probleem zijn in de sociale zekerheid. Alleen als de uitkeringsgerechtigden het voelen in hun portemonnee zouden zij bereid zijn om hun best te doen. Dat lijkt ons een misvatting. Een groot deel van de uitkeringsgerechtigden voelt het immers al heel lang in de portemonnee.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.8">Een recent rapport van het SCP "De uitkering van de baan" heeft vastgesteld dat het verschil tussen uitkering en baan amper een rol speelt bij de uitstroom naar werk. Voor verreweg de meeste mensen blijkt er weinig mis met het arbeidsethos. Op onze vraag aan de staatssecretaris hoe groot hij de categorie mensen schat die met enige dwang weer aan het werk zouden kunnen gaan, hebben wij geen antwoord gekregen. Dat kregen wij wel van de Sociale Alliantie en van het SCP, die ervan uitgaan dat 70% van de huidige uitkeringsgerechtigden onbemiddelbaar zijn, met een minimale kans om alsnog in het arbeidsproces opgenomen te worden. Dat betekent niet dat wij deze mensen moeten opgeven, maar wel dat een arbeidsplicht niet erg zal helpen. De gemeenten die al erg hun best hebben gedaan voor reïntegratie weten dat. Zo stelt de gemeente Ede dat van het zittende bestand aan uitkeringsgerechtigden 25% heel weinig kans maakt om nog aan het werk te komen. Dan denken wij dat een hardere opstelling niet veel zal helpen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.9">Ik zal niet herhalen wat de vorige sprekers hebben gezegd. Wij weten dat de gemeenten te weinig greep krijgen op de instroom en de uitstroom door de verplichte aan- en uitbesteding. Het lijkt mij ook niet consequent om van bovenaf een verbod op categoriale bijzondere bijstand uit te vaardigen. Het is duidelijk dat er nog wel wat schort aan het verdeelmodel. Ook de veel te lage bijdragen voor de implementatiekosten zijn al enige keren genoemd en dat zal ik niet nog een keer doen. Dan heb ik nog een ander punt. Bij de verplichte uitbesteding van de reïntegratie moeten wij ook bedenken dat private ondernemingen veel meer op winst en rendement zijn gericht dan op sociaal beleid, waar veel gemeenten wel voor willen staan. Wij hebben ook al gezegd dat wij willen dat de verschillende doelstellingen gelijk worden behandeld en dat niet alleen wordt gekeken naar de relatief succesrijken die gemakkelijk zijn te reïntegreren.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.10">Ik vestig nog wel de aandacht op drie categorieën mensen, die vooral te maken zullen krijgen met de gevolgen van deze nieuwe wet. Ik ben ook blij dat mevrouw Van Leeuwen deze drie categorieën al heeft genoemd: de ouderen, de alleenstaande moeders en de chronisch zieken en gehandicapten. Wij kunnen ons voorstellen dat het zin heeft in de toekomst mensen aan te moedigen om langer door te werken en van mensen ouder dan 57,5 jaar te verwachten dat zij bereid zijn om te blijven werken. Wel moet daarbij rekening worden gehouden met beroepen met een hoog lichamelijke slijtage. In dergelijke beroepen zou al vroeg begonnen moeten worden met bij- en omscholing om het aanvaardbaar te maken dat deze mensen in principe arbeidsplicht opgelegd krijgen. Wij vinden het onrechtvaardig en ondoelmatig om op dit moment van de mensen ouder dan 57,5 jaar te verwachten dat zij opnieuw gaan solliciteren. De kans dat een flink percentage van hen weer aan het werk komt, is minimaal, niet in de laatste plaats omdat er geen sprake is van maatregelen om werkgevers te bewegen oudere mensen opnieuw in dienst te nemen. De groep waar het om gaat, is overvallen. De mededeling dat zij zelf hadden moeten sparen voor vervroegd uittreden komt voor hen te laat. Ik ben het ermee eens dat de mantelzorg en het vrijwilligerswerk, vooral gedaan door ouderen, te belangrijk is om opzij te schuiven.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.11">Ook wij vinden dat het extra ongerechtvaardigd is dat de chronisch gehandicapten en zieken voor elke nood een aparte individuele aanvraag moeten doen en dat voor hen de categoriale bijzondere bijstand is vervallen. De heer Van Driel zei het al: het gaat om een relatief klein bedrag voor een relatief kleine groep mensen. Wij zijn ervoor dat deze mensen worden vrijgesteld.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.12">Van alleenstaande ouders, meestal moeders, weten wij al dat een groot gedeelte van hen bereid is om weer te gaan werken wanneer dat mogelijk is. Wij mogen niet vergeten dat het verzorgen van kinderen ook een bijdrage is aan komende generaties, zeker nu wij ons zorgen maken over de komende vergrijzing. De combinatie van zorg en werk is voor veel mensen nog steeds problematisch en zeker voor alleenstaande ouders. Daar komt nog bij dat veel moeders op latere leeftijd kinderen krijgen en tegelijkertijd met de kinderen ook de verantwoordelijkheid krijgen voor de zorg voor ouderen. Wij zijn er dus gelukkig mee dat de sollicitatieplicht voor bijstandsmoeders en -vaders door het aannemen van de amendementen van de leden Noorman-den Uyl, Bakker en Bruls aan voorwaarden is verbonden, zoals de aanwezigheid van kinderopvang en het rekening houden met de individuele invulling van de zorgplicht.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.13">De beoordeling of een bijstandsmoeder sollicitatieplichtig is, komt nu te liggen bij de gemeenten. Die worden nu geconfronteerd met twee haaks op elkaar staande normen, die beide zijn geformuleerd in het wetsvoorstel. Aan de ene kant is er de vrijheid van ouders om zelf invulling te geven aan de zorgplicht. Aan de andere kant is er het primaat van de economische zelfstandigheid, ook voor alleenstaande moeders. Met een formulering waarmee geit en kool gespaard worden, wordt ruim baan gegeven aan de willekeur van de betreffende ambtenaar bij de keuze welk van deze principes zwaarder moet wegen. Verschillende fracties hebben erop gewezen dat de sollicitatieplicht, dan wel de ontheffing komt af te hangen van de politieke kleur van de gemeente. Ook al vinden wij dat een bepaalde mate van ongelijkheid tussen de gemeenten past bij de gedachte van decentralisatie, op dit punt willen wij graag weten wat de staatssecretaris daaraan denkt te doen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.14">Voor alle drie de categorieën zouden wij liever willen dat de arbeidsplicht vervangen wordt door stimulerende maatregelen voor bijscholing en aangepast werk. Aangezien wij hebben gemerkt dat er meer mensen zijn die zich zorgen maken over deze drie categorieën, overwegen wij om voor deze drie groepen in tweede termijn een motie in te dienen. Dat is uiteraard wel afhankelijk van het antwoord van de staatssecretaris op deze vragen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.15">Ik ga nog even in op het emancipatiebeleid, waar wij weinig over hebben gehoord. De ontwerpwet lijkt sekseneutraal te zijn. Het woord vrouwen of emancipatie komt er niet in voor, maar wij hoeven maar even na te denken om vast te stellen dat de wet andere consequenties zal kunnen hebben voor vrouwen dan voor mannen. In het buitenland heeft Nederland nog steeds een goede naam als een geëmancipeerd land. Dat geëmancipeerd zijn valt helaas nog weleens tegen. In 2000 was 38% van de vrouwen tussen de 15 en de 65 economisch zelfstandig, dat wil zeggen dat zij een inkomen hadden boven de ondergrens van 70% van het netto minimumloon. Dat is dus geen hoog percentage. Het gemiddelde inkomen van vrouwen is 47% van het gemiddelde inkomen van mannen. Kijken wij naar financiële onafhankelijkheid, wat weer wat anders is dan economische zelfstandigheid en wil zeggen dat uitkeringen gebaseerd op voorafgaande arbeid mee worden gerekend, dan constateren wij dat 42% van de vrouwen financieel onafhankelijk is. Mannen scoren als groep twee keer zo hoog. Bij de vrouwen is een lichte, maar gestadige verbetering te zien. De nieuwe maatregelen gaan er geen verbetering in brengen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.16">In de beleidsmaatregelen waaronder dit wetsvoorstel valt, wordt met geen woord gerept over emancipatie. Toch zullen wij met elkaar op de hoogte zijn van het feit dat de WAO nu een hoog percentage vrouwen kent. Velen van hen zullen via herkeuring opnieuw arbeidsplichtig worden of bij de strengere toelating niet worden opgenomen. De deelname aan de WW wordt aangescherpt. Velen van de vrouwen voor wie op het ogenblik geen werk te vinden is, zouden dan voor bijstand in aanmerking komen, ware het niet dat zij vaker een verdienende partner hebben dan mannen. Die vrouwen komen dan ondanks hun arbeidsverleden en de door hen betaalde premies nergens voor in aanmerking. Zij krijgen niets en worden opnieuw afhankelijk van de partner. Van het anderhalf- of tweeverdienersmodel zullen dus veel gezinnen worden teruggeschoven in het traditionele eenverdienersmodel. Dat zal voor nieuwe problemen zorgen in de huidige tijd waarin veel gezinnen het met één salaris nauwelijks redden, en het emancipatiebeleid wordt weer een slag teruggedraaid. Wij vragen ons dan ook af waarom de staatssecretaris het emancipatiebeleid niet heeft meegenomen in de nieuwe beleidsmaatregelen en de formulering van dit wetsvoorstel.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.17">Wij maken ons verder zorgen over de effecten van de wet in combinatie met de bezuiniging voor de minima die het met de huidige bijstand nog net redden om het hoofd boven water te houden zonder diep in de schulden te komen. Ik heb op prinsjesdag met mijn fractiegenoten de hele middag aan de telefoon gezeten om de reacties van mensen op de troonrede te horen. Ik heb veel verhalen gehoord van mensen die in onze ogen terecht bang zijn voor verder afglijden naar armoede. Er waren weinig beroepsklagers bij en ook weinig mensen die al door het vangnet waren gevallen. Het waren vooral mensen, veel vrouwen, die zich afvroegen waar zij, zeker als zij ook geen huursubsidie meer zouden krijgen, het geld vandaan moesten halen voor de tandarts nu die uit het ziekenfonds gaat. Er bestaat grote onzekerheid of de zaken waarop nu gekort gaat worden terug te halen zijn in een individuele vraag om bijzondere bijstand.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.18">De lijst van mogelijke kleine rampen die samen een grote ramp veroorzaken, is nog lang niet compleet: verhoogde contributies voor de sportclubs en jeugdverenigingen nu subsidies wegvallen, de kringloopwinkel in de buurt die moet sluiten omdat die draait op gesubsidieerde banen. Op dit moment heeft in Amsterdam een op de tien mensen een forse huurachterstand. Daar kan nog wat aan worden gedaan met schuldhulpverlening, maar ook daarop wordt bezuinigd. Het is dus te voorspellen dat er een toename gaat komen van daklozen, maar ook de daklozenzorg krijgt minder geld. En dat juist nu wij ons ernstige zorgen maken over de achterstandswijken in grote steden en het daarmee samenhangende integratieprobleem. Ik heb van het kabinet geen geluid gehoord waaruit blijkt dat er oog is voor de zich opstapelende problemen. Ik heb ook geen antwoord gehoord op de vraag of verwachte bezuinigingen op de korte termijn niet veel grotere problemen met hogere kosten gaan veroorzaken op de langere termijn, met name voor de gemeenten waarop nu alles wordt afgewenteld.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.19">Het kabinet erkent dat de huidige economische conjuncturele situatie een extra groei van het bijstandvolume en een geringere vraag naar arbeid met zich brengt. De slogan blijft desalniettemin dat zoveel mogelijk dient te worden vermeden dat mensen langdurig van de bijstand afhankelijk blijven. Daarmee zijn wij het van harte eens; wij zien alleen niet dat de voorliggende ontwerpwet onder de huidige omstandigheden daaraan veel zal bijdragen. Wat wij wel zien, is een significant percentage burgers, mensen die het nu al moeilijk hebben, die het nog moeilijker gaan krijgen. Wij zien ook dat de gemeenten tegenover de burgers komen te staan die niet begrijpen waarom de bezuinigingen en de nieuwe maatregelen met name hen moeten treffen. Niet alleen om de te lage implementatiebijdrage, waarover wij het vandaag nog zullen hebben, maar ook om de onmogelijke opdracht om de in principe uitkeringsgerechtigde burgers nog fatsoenlijk te behandelen met een te laag budget, zijn de gemeenten in de komende tijd niet te benijden wanneer dit wetsontwerp zou worden aangenomen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.20">Het kabinet gaat ervan uit dat de Wwb een wet zal zijn die langer van kracht zal zijn dan de periode van de huidige economische neergang. Wij zijn het er uiteraard mee eens dat het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen langer mee moet en als wet ook uitvoerbaar moet zijn in tijden van hoogconjunctuur. Dat is het probleem niet. Met de wet zou volgens ons te werken zijn als er voldoende middelen tegenover zouden staan voor een solider reïntegratiebeleid dat alleen te voeren is wanneer er ook voldoende werk is, maar de vraag is waar wij al dat werk vandaan halen. De heer Schouw vroeg dat ook. Er wordt gekort op het reïntegratiebeleid én er is te weinig werk. Om dan te denken dat met de nieuwe wet het aantal bijstandsgerechtigden substantieel zal kunnen worden verminderd, lijkt ons wishful thinking.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.1.21">De economische filosofie achter dit wetsvoorstel lijkt ons het meest op het principe van een econoom, wiens naam mij helaas is ontschoten: als wij spek hadden, zouden wij eieren met spek kunnen bakken als wij eieren hadden. De Wet water en brood, zoals die inmiddels binnen de SP heet, vinden wij dus onder de huidige economische omstandigheden niet doelmatig, niet rechtvaardig en niet uitvoerbaar. Wij zijn er dan ook niet voor om de wet, zoals die nu in ontwerp voorligt, aan te nemen en dan nog eens te gaan kijken waar de knelpunten liggen, aangezien ik zelf ook onder de indruk ben van het grote aantal knelpunten die vandaag al door verschillende fracties zijn genoemd. Ik stel dus voor, dit onvoldragen wetsvoorstel niet aan te nemen. Er moet meer tijd zijn om nog naar een aantal punten te kijken. Wij zijn ook buitengewoon nieuwsgierig naar de antwoorden van de staatssecretaris op een aantal essentiële vragen die niet alleen door mij, maar door verschillende fracties zijn gesteld. Wij pleiten voor uitstel van de stemming over het voorliggende wetsvoorstel tot er een ontwerp van wet aan ons wordt voorgelegd waarin de principes van doelmatigheid, rechtvaardigheid en uitvoerbaarheid beter zijn uitgewerkt.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.2.1">Mevrouw Meulenbelt, u bent ongeveer 17 jaar, tot 1992, werkzaam geweest als stafdocente hulpverlening bij de Voortgezette opleiding agogische beroepen, later de Hogeschool van Amsterdam genaamd. In die tijd bent u bekend geworden als feministisch schrijfster. Uw boek "De schaamte voorbij" van 1976 (in zeker tien talen vertaald) heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan uw bekendheid. Uw publicaties getuigen ook van uw inzet voor de Palestijnen. Uw boek "Het beroofde land", ongeveer drie jaar geleden verschenen, illustreert dat. Dat geldt eveneens voor uw voorzitterschap van de door u opgerichte stichting Kifaia voor hulp aan gehandicapten in de Gazastrook.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.2.2">U hebt niet gewacht op uw maidenspeech om vanuit de SP van uw politieke opvattingen te getuigen. Ongeveer een maand na uw benoeming als Eerste-Kamerlid hebt u al over de WAO gepubliceerd met een geestverwante collega uit de Tweede Kamer. U hebt tevens reeds te kennen gegeven dat u zich als senator ook buiten de Eerste Kamer met veel dingen gaat bemoeien. U hebt gezegd: "Ik blijf niet op dat groene bankje zitten." En wat is mooier dan dit citaat te laten volgen door nog een citaat van u toen het ernaar uitzag dat u als senator zou worden geïnstalleerd: "En dat, nadat ik mijn hele leven lang heb geprobeerd om geen carrière te maken."</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.2.3">Ik wens u van harte geluk met uw maidenspeech en heel veel succes hier in de Kamer. Van harte gefeliciteerd.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.3">
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.3.1">De beraadslaging wordt geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.4.1">Ik heb nog drie korte mededelingen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.4.2">Het overleg van het College van senioren zal, zoals eerder aangekondigd, de laatste drie kwartier van de lunchpauze in beslag nemen en vangt dus aan om half drie.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.4.3">De vergadering van de vaste commissie voor VWS zal, zoals ook eerder is aangeduid, niet om kwart over drie, maar om kwart voor vier een aanvang nemen vanwege de herdenking van Johan Stekelenburg.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.4.4">De laatste mededeling, ook niet onbelangrijk, is dat de storingsdienst is gebeld vanwege de verwarming, die niet functioneert zoals het zou moeten.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.4.5">Ik verzoek de dames De Rijk, Kalsbeek en Meulenbelt en de heren Van Driel en Ten Hoeve voor de voorzitterstafel bij elkaar te gaan staan, opdat alle andere Kamerleden hen persoonlijk kunnen feliciteren met hun maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.5">
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.5.1">De vergadering wordt van 13.45 uur tot 15.15 uur geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.6" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.6.1">Ik verzoek iedereen te gaan staan.</p>
                        <stage-direction type="witreg">
                            <witreg/>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.6.3">Op 22 september jongstleden overleed onze collega Johan Stekelenburg. Hij was zijn tweede termijn in de Eerste Kamer nog maar net begonnen. In juni 1999 nam hij voor het eerst als Kamerlid plaats in de groene bankjes. Vier jaar later werd hij met overweldigende meerderheid gekozen tot lijsttrekker voor de Eerste-Kamerverkiezingen. In zijn eigen woorden: "met Albanese cijfers". In juni 2003 werd hij dan ook voorzitter van de fractie van de Partij van de Arbeid in deze Kamer. Met zijn komst kwam hier iemand met een geweldige kennis en ervaring, waarvan hij ook gebruik maakte bij de wetsontwerpen die hij in de Senaat heeft behandeld.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.6.4">Het grootste deel van zijn leven speelde zich af bij de vakbond. Al op 25-jarige leeftijd was hij werkzaam als bedrijvenmedewerker bij de Metaalbedrijfsbond Nederlands Verbond van Vakverenigingen. Zijn carrière bij de FNV sloot hij af met de hoogste functie aldaar, het voorzitterschap. Dat bekleedde hij bijna tien jaar, waarbij hij de FNV omvormde tot – zoals dat ook bij de FNV zelf wordt ervaren – een niet minder strijdlustige maar wel meer eigentijdse organisatie en een meer adequate gesprekspartner. Hoezeer zijn daarna volgende burgemeesterschap van Tilburg de mensen in die stad heeft aangesproken, is gebleken uit de overweldigende reacties van verslagenheid en medeleven na zijn dood. Naast de FNV en Tilburg zijn er vele gremia waar Johan van betekenis is geweest en waar zijn overlijden tot droefheid heeft geleid. Van de SER waar hij negen jaar vice-voorzitter van is geweest en diverse raden van commissarissen, tot de raad van toezicht van de Anne Frank Stichting en het KNCV Tuberculosefonds, bij welke twee organisaties hij het voorzitterschap bekleedde.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.6.5">Johan heeft verbeten gevochten tegen zijn ziekte, maar moest uiteindelijk zijn machteloosheid erkennen. Die uiteindelijke onmacht staat in schril contrast met de kracht van het gezag dat hij ook in de Senaat genoot. Gezag niet zozeer door zijn leidende positie in een grote fractie in de Eerste Kamer, maar door de wijze waarop hij vanaf zijn komst hier opereerde met zijn kennis, zijn ervaring en zijn persoonlijkheid. Hij bleek ogenschijnlijk tegenstrijdige karaktertrekken in zich te verenigen. Hij was vasthoudend maar ook gemoedelijk. HijVoorzitter toonde zelfbewustheid maar onderkende tevens de kracht van de redelijkheid. Hij was een betrokken, gedreven man, die evenwel niet polariseerde maar zocht naar binding. Hij koppelde vechtlust aan innemendheid. Het ging hem om de zaak, niet om de persoon.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.6.6">Johan Stekelenburg was een authentiek mens, omdat er bij hem sprake was van eenheid van de politicus met de mens. Daardoor kon hij zichzelf blijven, en dat "zichzelf" mocht er zijn. Hij maakte gebruik van zijn vermogen om zowel degenen voor wie hij opkwam in debatten als politieke tegenstanders tot hun recht te laten komen als mens. Dat maakte hem tot een waarachtig persoon.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.6.7">De Kamer verliest met het heengaan van Johan een gewaardeerde senator. Bij de vorige algemene beschouwingen verving hij als vice-fractievoorzitter de toen zieke voorzitter van de PvdA-fractie. Zo graag als hij zelf nog op 21 oktober aanstaande bij de algemene beschouwingen in deze Kamer als fractievoorzitter het woord had willen voeren, zo graag hadden wij als zijn collega's hem dat gegund.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.6.8">"Als burgemeester", aldus Johan, "kun je echt iets doen voor mensen. Al blijf je een passant, je maakt de dingen af die je voorganger in beweging heeft gezet en je bereidt projecten voor die je opvolger pas zal voltooien." Zo beschouwd, was hij ook in de Eerste Kamer een passant, maar dat is slechts gezien in het perspectief van de tijd. Zijn fractiegenoten zullen hem missen, en niet alleen zij. Wij leven mee met degenen die hem het meest nabij waren: zijn vrouw, zijn kinderen alsook zijn andere familieleden. Wij wensen hen alle benodigde kracht toe om dit zware verlies te dragen.</p>
                        <stage-direction type="witreg">
                            <witreg/>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.6.10">Ik geef het woord aan vice-minister-president De Graaf.</p>
                    </speech>
                    <speech party="" docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.7" speaker="De Graaf" function="Minister" MPid="02517">
                        <stage-direction type="spreker">Minister De Graaf</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Minister</aanspr>
                                <naam>De Graaf</naam>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.7.2">Mevrouw de voorzitter. Johan Stekelenburg was pas 61 jaar. Dat is jong voor een bestuurder, voor een senator, voor een burgemeester, voor een mens. Voor ieder mens, maar zeker voor iemand met de kracht, de energie en de levenslust van Johan Stekelenburg. Een bestuurder in hart en nieren die vooral bekend werd als voorzitter van de FNV. In 1988 werd hij de eerste onder de gelijken na 22 jaar actieve dienst bij de Industriebond en haar voorgangers. Hij kwam daar niet in een gespreid bedje terecht.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.7.3">De vakcentrale had in de jaren tachtig te kampen met veel interne discussies, een teruglopend ledenaantal en een groeiende afstand tot de van oudsher politieke bondgenoten. Daardoor dreigde de vakbeweging de aansluiting met nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen te missen. Met nieuw elan ging Johan Stekelenburg aan de slag onder de leuze "het kan anders en het kan beter". Dat betekende ook minder radicaal: de term "verworven rechten" verdween langzaam maar zeker uit het vakbondsjargon. Er kwam ruimte voor vernieuwing en ook wist hij de toen zeventien lidbonden tot één geheel te smeden, niet alleen door zijn charme, maar vooral door zijn coöperatieve opstelling. Als iets niet lukte, schroomde hij niet om andere, nieuwe wegen te bewandelen. Die moesten dan wel weer tot een harmonieuze situatie leiden. Treffend voorbeeld van deze opstelling was de voor die tijd ongebruikelijke samenwerking met de werkgeversorganisatie VNO. Johan Stekelenburg en toenmalig VNO-voorzitter Rinnooy Kan konden heel goed samen door één deur en geloofden beiden in het overlegmodel en loonmatiging in ruil voor werkgelegenheid. Door deze constructieve opstelling kwam de vakbeweging uit de politieke marge en stroomden nieuwe leden binnen. De FNV werd onder leiding van Johan Stekelenburg een grote en moderne vakbeweging.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.7.4">Na negen jaar FNV opteerde Johan Stekelenburg niet voor een volgende termijn, maar gaf hij te kennen dat hij na 31 jaar vakbond één keer iets anders wilde doen. Dat werd, tegen de politieke stroom in, het burgemeesterschap van Tilburg. In zes jaar tijd slaagde hij erin om Tilburg nationaal en soms ook internationaal op de kaart te zetten als een moderne industriestad. Door zijn oprechte belangstelling en niet aflatende bereidheid om te luisteren, wist hij de inwoners bij de stad te betrekken. Hij was een burgervader die problemen bij hun naam noemde en niet bang was voor soms harde, maar zeker ook effectieve oplossingen. Hij werd vaak genoemd voor andere functies, maar had in Tilburg duidelijk zijn plek gevonden. In de week na zijn overlijden werd pas duidelijk hoezeer de Tilburgers Johan Stekelenburg in hun harten hadden gesloten. "Onze Johan", zeiden zij. Net zoals de vakbeweging afscheid nam van "onze Johan". Dat gold ook voor zijn politieke partij, de Partij van de Arbeid. "Onze Johan" was een beetje van iedereen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.7.5">Johan Stekelenburg leek onverwoestbaar in alles wat hij deed en in zijn vele nevenfuncties als commissaris van een aantal bedrijven en als bestuurder van maatschappelijke organisaties als de Anne Frank Stichting, het Tuberculosefonds en de KNVB. Zijn belangrijkste nevenplek was zonder enige twijfel deze Kamer, waarvan hij sinds 1999 lid was. De plek bij uitstek voor zijn grote belangstelling voor wat hij zelf de Haagse kaasstolp noemde. Sinds de laatste verkiezingen was hij voorzitter van de PvdA-fractie, al heeft hij daar nauwelijks inhoud aan kunnen geven. Over twee weken zou hij namens zijn fractie het woord hebben gevoerd tijdens de algemene beschouwingen. Dat zou hij zonder twijfel groots en ook meeslepend hebben gedaan, want hij was een goed en enthousiasmerend spreker die zowel in deze zaal als in de wandelgangen collega's en bewindslieden tot nadenken wist te brengen. Niet door polarisatie, maar door het gesprek aan te gaan, desnoods steeds weer opnieuw.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.7.6">De Eerste Kamer was voor Johan Stekelenburg een forum om zijn ideeën en zijn persoonlijkheid te laten gelden. Hij zocht altijd een publiek forum, was het niet hier dan in andere zalen of op televisie. Zijn open, eerlijke houding en zijn grote, aanstekelijke charme hielpen hem overtuigend te zijn voor iedereen, altijd. Het was moedig en ontroerend dat hij ook zo met zijn slopende ziekte omging: openhartig, ontwapenend, eerlijk. U hebt een bijzondere collega verloren. Het kabinet heeft groot respect voor Johan Stekelenburg als bestuurder, als senator en als mens. Ik wens namens het kabinet zijn familie en vrienden veel moed en sterkte met hun verlies en hun verdriet. Het moet bijzonder zwaar zijn voor de familie Stekelenburg dat luttele dagen na het afscheid van Johan ook een van de andere familieleden is overleden. In Johan Stekelenburg verloren wij in de woorden van Greshof Voorzittereen man die de trom sloeg en de dromers wakker schudde.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.8" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-13-42.1.9.8.1">Ik verzoek u enkele momenten stilte in acht te nemen.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Meulenbelt, u bent ongeveer 17 jaar, tot 1992, werkzaam geweest als stafdocente hulpverlening bij de Voortgezette opleiding agogische beroepen, later de Hogeschool van Amsterdam genaamd. In die tijd bent u bekend geworden als feministisch schrijfster. Uw boek "De schaamte voorbij" van 1976 (in zeker tien talen vertaald) heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan uw bekendheid. Uw publicaties getuigen ook van uw inzet voor de Palestijnen. Uw boek "Het beroofde land", ongeveer drie jaar geleden verschenen, illustreert dat. Dat geldt eveneens voor uw voorzitterschap van de door u opgerichte stichting Kifaia voor hulp aan gehandicapten in de Gazastrook.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Meurs" MPid="03158" party="PvdA" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2008-02-12" topic="Voorwaardelijke machtiging en dwangbehandeling" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-840-850.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-840-850.1.5" which-speech-in-topic="4" number-of-paragraphs="19" number-of-words="2666" number-of-unique-words="912" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Zorg en gezondheid <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Dupuis" MPid="02263"/>
                <speaker name="Thissen" MPid=""/>
                <speaker name="Slagter-Roukema" MPid="03036"/>
                <speaker name="Meurs" MPid="03158"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Van de Beeten" MPid="02290"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan mevrouw Meurs, die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-840-850.1.5" speaker="Meurs" party="PvdA" function="Mevrouw" title="Mevrouw Meurs  (PvdA)" MPid="03158">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1" speaker="Meurs" function="Mevrouw" MPid="03158">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Meurs (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Meurs</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.2">Mevrouw de voorzitter. Dit wijzigingsvoorstel stelt onze fractie voor een lastig dilemma. Het voorstel biedt belangrijke mogelijkheden voor een betere behandeling van patiënten met een psychische stoornis. Mijn fractie wil dit graag steunen. Maar ... instemmen met de voorgestelde wijzigingen betekent tegelijkertijd dat wij meewerken aan de verdere onoverzichtelijkheid en ontoegankelijkheid van de BOPZ. Vanuit het oogpunt van kwaliteit van wetgeving is dit een slechte zaak. De Wet BOPZ lijkt steeds meer op een lappendeken waarin alleen doorgewinterde juristen de weg nog kennen. Mijn inbreng van vanmiddag zal daarom niet alleen betrekking hebben op het wijzigingsvoorstel dat voorligt, maar ook op het belang en de noodzaak van een nieuwe wettelijke regeling.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.3">De Wet BOPZ is sinds 1994 meerdere keren gewijzigd, zoals eerder is gezegd, maar voor mij is het de eerste keer dat ik de wijziging meemaak. Het feit dat de wet primair een opnamewet is, komt steeds meer ter discussie te staan. De nu voorgestelde wijzigingen rekken dit beginsel verder op. De behandelingsmogelijkheden, met name als sprake is van een voorwaardelijke machtiging, worden verder uitgebreid. Hoe belangrijk deze wijziging voor de praktijk ook is, het is de zoveelste reparatie binnen een wettelijk kader dat eigenlijk niet meer past bij de inzichten in de behandeling van mensen met een psychiatrische stoornis en bij de maatschappelijke opvattingen daarover.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.4">Wij hebben alle reden om ons zorgen te maken. De noodzaak om snel tot een fundamentele herbezinning van de BOPZ te komen, wil ik graag toelichten aan de hand van het laatste overzicht van de Inspectie voor de gezondheidszorg over de werking van de BOPZ. De laatste vijf jaar is sprake van een forse groei van het aantal dwangopnames, ook al is de laatste jaren een zekere vertraging in die groei waar te nemen. De cijfers confronteren ons met het feit dat er jaarlijks meer dan 15.000 gedwongen opnames zijn en dat het aantal rechterlijke machtigingen van 2002 tot 2006 een groei van 40% laat zien. De Rotterdamse psychiater Niels Mulder sprak bij zijn aantreden zelfs van een "een epidemie van dwangopnamen" en constateerde een verminderde maatschappelijke tolerantie voor mensen die op drift zijn geraakt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.5">Een verontrustend gegeven daarbij is dat de verschillen tussen de provincies en tussen de instellingen groot zijn. De inspectie geeft aan dat het niet duidelijk is waar deze verschillen vandaan komen. Mogelijke verklaringen zijn de demografische en sociaal-culturele verschillen en de manier waarop de zorg voor patiënten met een psychiatrische aandoening is georganiseerd.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.6">Net als bij dwangopnames is ook het aantal dwangtoepassingen gestegen, hoewel beduidend minder dan het aantal opnames. De stijging komt geheel voor rekening van het aantal middelen en maatregelen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.7">In het kader van mijn werk aan de Erasmus Universiteit heb ik het genoegen om veel gasten uit het buitenland te mogen uitleggen hoe de Nederlandse gezondheidszorg in elkaar zit. Dat is geen eenvoudige opgave en onze gasten verwonderen zich over ons hybride stelsel van publiek-private partijen. Zij zijn ook vaak jaloers op de manier waarop wij een en ander hebben geregeld. Als het echter over de geestelijke gezondheidszorg gaat, zijn zij zonder uitzondering verbijsterd. Nederland is koploper in West-Europa als het gaat om het aantal dwangopnamen. Onze ziekenhuizen kennen zonder uitzondering separatieruimten, en separeren wordt veelvuldig ingezet. Ook uit het inspectieoverzicht blijkt dat separatie het vaakst wordt ingezet bij dwangtoepassing. Voor onze gasten is dat onbegrijpelijk, en het kost ons altijd grote moeite om uit te leggen waarom dat zo is en hoe de Wet BOPZ werkt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.8">Ik zal de eerste zijn om aan te geven dat het gevaarlijk is om zonder nadere uitleg internationale vergelijkingen te maken, maar toch vragen deze observaties om nader onderzoek en vooral om het fundamenteel doordenken van de wijze waarop wij met de behandeling en bescherming van mensen met een psychische stoornis omgaan. Die koploperspositie moeten wij natuurlijk zo snel mogelijk kwijtraken. En dat gaat echt niet lukken met een reparatiewetje.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.9">Het is naar het oordeel van mijn fractie van het allergrootste belang om meer inzicht te krijgen in de oorzaken van de verschillen tussen de regio's en tussen de instellingen. Het zijn de ervaringen en de lessen uit de praktijk van alledag die moeten bijdragen aan een regeling die enerzijds ruimte laat voor verschillen, maar anderzijds voldoende eenduidig is en de bescherming garandeert van patiënten die al in een kwetsbare positie verkeren. Ik zou graag van de ministers vernemen hoe zij aankijken tegen deze verschillen en of zij met mijn fractie en die van de SP van mening zijn dat meer inzicht in de achtergrond van deze verschillen dringend gewenst is. Ook wil mijn fractie van de ministers vernemen of zij verwachten dat de wijzigingsvoorstellen die vandaag voorliggen, een positieve invloed zullen hebben op deze toch dramatische cijfers.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.10">Met de voorliggende wetswijzigingen worden de mogelijkheden voor intramurale dwangbehandeling verruimd. Het wordt mogelijk dwangbehandeling toe te passen als voldoende vaststaat dat de patiënt anders te lang opgenomen moet blijven omdat het gevaar veroorzaakt door zijn ziekte, niet wordt weggenomen. Nu verblijven deze patiënten te lang in het psychiatrisch ziekenhuis zonder dat er een duidelijk vooruitzicht is dat zij kunnen terugkeren in de samenleving. Met de wetswijziging kan voor deze patiënten een intramurale behandeling worden gestart die terugkeer met medicatie wél mogelijk maakt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.11">Deze verruiming is in feite het meest principiële punt. Het betekent dat de autonomie van de patiënten wordt ingeperkt met het argument dat zij door die inperking later meer mogelijkheden zullen hebben om autonomer te functioneren. De argumenten zijn dat door deze wijziging wat gedaan kan worden aan de verschrikkelijke situatie van patiënten die in de instelling verblijven, die geen uitzicht op verbetering hebben en die te ziek zijn om ambulant begeleid te worden zonder medicatie. Mijn fractie erkent volledig de schrijnende situatie van patiënten die op de afdeling verblijven en daar een uitzichtloos bestaan leiden ver van familie en verwanten, zonder dat er actief iets aan die omstandigheid wordt gedaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.12">Iemand tegen zijn wil behandelen is en blijft echter een verstrekkende maatregel. Naar aanleiding van de schriftelijke vragen van mijn fractie heeft de minister aangegeven het met ons eens te zijn dat gedwongen behandeling uitsluitend als een ultimum remedium gaat werken en dat eerst alles in het werk wordt gesteld om de patiënt te motiveren om vrijwillig mee te werken aan zijn behandeling. Wij weten dat aandacht, bejegening, een goede dagstructuur en een activiteiten- en begeleidingsprogramma belangrijk zijn voor het welbevinden van patiënten. Wij vroegen de minister of er niet toch een groot risico bestaat dat met deze wetswijziging te snel naar het middel "dwang" gegrepen zal worden ten koste van de hiervoor genoemde, wellicht meer arbeidsintensieve werkwijze. In zijn antwoord verwijst de minister naar de projecten dwang en drang in de psychiatrie en naar de aandacht die er in het veld is voor dit precaire evenwicht tussen zelfbeschikking en plicht tot behandelen. Het antwoord van de minister bevredigt mijn fractie nog niet helemaal. Tekorten op de arbeidsmarkt, die naar verwachting alleen nog maar zullen toenemen, kunnen een arbeidsintensieve benadering onder druk zetten. Kan de minister aangeven welke mogelijkheden hij ziet om het gebruik van dwang en drang te monitoren, zodat het daadwerkelijk als ultimum remedium wordt ingezet?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.13">Graag zou ik ten aanzien van een tweede wijzigingsvoorstel de minister een toelichtende vraag stellen. Deze wijziging beoogt een vereenvoudiging van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke machtiging. Vereenvoudiging is natuurlijk altijd een goede zaak. In de huidige regeling kan de geneesheer-directeur een patiënt pas opnemen als de patiënt is gehoord en onderzocht door een niet bij de behandeling betrokken arts. Met het voorstel vervalt de eis van een onderzoek en kan de geneesheer-directeur, gehoord de behandelaar, de patiënt opnemen. In antwoord op de vraag van mijn fractie hoe met deze vereenvoudiging van de procedure voorkomen kan worden dat patiënten te snel worden opgenomen, verwijzen de ministers naar het gegeven dat de criteria in de wet staan en naar de extra waarborg die met deze wijziging wordt beoogd: het is niet de behandelaar die de patiënt kan doen opnemen maar de geneesheer-directeur. Maar is de geneesheer-directeur als derde partij wel voldoende onafhankelijk? Kan de minister bij zijn beantwoording aangeven hoe hij aankijkt tegen de positie en rol van de geneesheer-directeur en hoe zijn onafhankelijk optreden kan worden geborgd?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.14">Ik begon mijn bijdrage met de constatering dat mijn fractie zich voor een ingewikkeld dilemma geplaatst ziet: meegaan met dit voorstel betekent meewerken aan de lappendeken die de Wet BOPZ geworden is, tegenstemmen betekent dat mensen die dat hard nodig hebben, verstoken blijven van zorg, bescherming en begeleiding. Mijn fractie wil voor deze wetswijzigingen stemmen, maar die steun willen wij conditioneren. Ten eerste vertrouwen wij op een bevredigend antwoord op de zorgen die ik zojuist heb verwoord. Ten tweede pleiten wij voor het met spoed werken aan een geheel nieuwe wettelijke regeling.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.15">De ministers geven in hun antwoord op onze vragen aan dat zij vooruitlopend op het kabinetsstandpunt over de evaluatie van de Wet BOPZ streven naar een nieuwe regeling ter vervanging van de wet. Overigens zitten wij met smart te wachten op dit kabinetsstandpunt. Mijn fractie ondersteunt dit streven van harte en wil een stap verder gaan: kunnen de ministers toezeggen dat zij in deze kabinetsperiode met een wetsvoorstel ter vervanging van de huidige Wet BOPZ zullen komen? Als het antwoord bevestigend is, wil mijn fractie graag een duidelijke indicatie van het tijdpad dat de ministers voor ogen hebben, zodat wij hen daar ook aan kunnen houden.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.16">De evaluatiecommissie heeft naar het oordeel van mijn fractie een uitstekend inhoudelijk kader ontwikkeld voor een nieuwe wettelijke regeling. Dit kader laat zien dat het niet gaat om het oppoetsen van de huidige wet, maar dat er ten principale gekeken moet worden naar de uitgangspunten van de wet. Een van de centrale uitgangspunten moet zijn een wet die is toegesneden op de noden van de persoon en niet, zoals nu het geval is, gebonden is aan een locatie. In hun beantwoording geven de ministers aan dat zij een nieuwe wet niet willen aanduiden als een behandelwet. Niet zozeer de behandeling moet centraal staan, als wel de zorgbehoefte van de patiënt en de veiligheid van de samenleving. Mijn fractie is het daarmee eens. Het gaat immers niet alleen en niet altijd om behandeling. Begeleiding en/of verzorging kunnen evenzeer aan de orde zijn evenals bemoeizorg.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.17">Met deze opmerkingen gaan de ministers reeds in op enkele uitgangspunten die zij van belang vinden voor de nieuwe wet. Kunnen de ministers in hun beantwoording vandaag nog wat specifieker ingaan op de voor hen leidende uitgangspunten? Graag verwijs ik hierbij naar het werk van de ethicus Jeanette Pols. Zij houdt een pleidooi – ik wil haar daarin graag volgen – voor het ontstijgen van de dichotomie autonomie en dwang, en wil veeleer uitgaan van de relaties die mensen onderhouden en de afhankelijkheden die daar bij horen en van de mogelijkheden die zij hebben om in filosofische zin een goed leven te leiden. Zo'n benadering kan betekenen dat het voor sommige patiënten belangrijk is dat hulpverleners zich met hen blijven bemoeien, niet als vorm van controle of inperking van autonomie maar als noodzakelijke steun. In de woorden van Jeanette Pols: "Het betekent iemand niet in zijn eentje laten zitten met de brokstukken van zijn of haar mislukte autonomie. Het betekent op de deur blijven kloppen en zo veel mogelijk doen om de patiënt overeind te houden."</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.18">De evaluatiecommissie pleit ook voor het instellen van commissies psychiatrische zorg. Onze vraag is hoe de ministers aankijken tegen de taak en positie van deze commissies.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.19">Mijn fractie wenst in deze kabinetsperiode niet alleen een wetsvoorstel dat toegesneden is op de wensen van de persoon met inachtneming van zowel zijn veiligheid als de veiligheid van de samenleving. Wij hebben ook nog wat noten op onze zang bij de totstandkoming van de nieuwe wet. Het is nog niet zo lang geleden dat deze Kamer uitgebreid gediscussieerd heeft over de relatie tussen beleid en uitvoering en over het belang van de betrokkenheid van veldpartijen bij het wetgevingsproces. Juist die betrokkenheid kan de uitvoerbaarheid van wetgeving vergroten. Dit principe geldt bij uitstek voor de te maken nieuwe wet. Er worden op lokaal niveau veel experimenten en projecten uitgevoerd, die leiden tot nieuwe inzichten en werkvormen. Het wetenschappelijk onderzoek staat evenmin stil. Het is van belang de inzichten over de werkbaarheid van bepaalde interventies in het geheel te betrekken. Juist omdat bij de nieuwe wet een goede balans gevonden moet worden tussen verschillende beginselen, is het van groot belang om gedurende het proces zelf te zoeken naar vormen van raadpleging van en consensusvorming met veldpartijen. Het ministerie van Justitie heeft reeds ervaring opgedaan met een wetgevingsproces waar veldpartijen aan bijdragen. Ik doel daarbij op de herziening van de Vreemdelingenwet. Ik heb het genoegen gehad deel te nemen aan de evaluatie ervan. Een van de centrale conclusies was dat bij de totstandkoming van die wet een externe projectleider en intensieve raadpleging en betrokkenheid van alle partijen in het veld in belangrijke mate hebben bijgedragen aan een wet die uitvoerbaar is en gedragen wordt door degenen die ermee moeten werken of ermee te maken hebben. Delen de ministers de mening van mijn fractie en willen zij toezeggen dat bij de totstandkoming van de onderhavige nieuwe regeling de veldpartijen actief worden betrokken?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.1.20">Mijn fractie is van mening dat de voorgestelde wijzigingen bijdragen aan een betere behandeling en begeleiding van patiënten. Wij willen het voorstel dan ook graag steunen. Wij blijven evenwel bezorgd over de grote aantallen dwangopnamen en -toepassingen. Daarom heb ik gevraagd naar waarborgen, alsmede verzocht om meer inzicht in de verschillen die er in de praktijk blijken te zijn. In mijn bijdrage heb ik de nadruk gelegd op de noodzaak en de urgentie van de nieuwe regeling. Ik wacht met belangstelling het antwoord van de ministers af.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.2.1">Mevrouw Meurs, ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech over een wetsvoorstel waarvan het onderwerp u niet vreemd is, gelet op uw kennis over en ervaring in de zorgsector.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.2.2">U studeerde sociologie aan de Nederlandse Economische Hogeschool, thans de Erasmus Universiteit, en aan de Rijksuniversiteit Leiden. Aan die laatste universiteit was u vervolgens gedurende een aantal jaren verbonden als wetenschappelijk medewerker, totdat u in 1982 onderzoeker en adviseur werd van de Nederlandse Spoorwegen. Weinigen zullen van dat laatste feit op de hoogte zijn. Vanaf 1984 was u gedurende vier jaar onderzoeker en afdelingshoofd bij het Nederlands Centrum Geestelijke Volksgezondheid, thans bekend als het Trimbos-instituut. Voordat u in 1996 terugkeerde in de universitaire wereld bent u gedurende tien jaar werkzaam geweest als organisatieadviseur en als partner bij Adviseurs voor Organisatiewerk bv. In 1996 werd u benoemd tot bijzonder hoogleraar management en organisatie in de gezondheidszorg aan het Instituut Beleid en Management Gezondheidszorg van de Erasmus Universiteit te Rotterdam; dat is een hele mond vol. U combineerde dat met uw lidmaatschap van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, waarvan u begin dit jaar, na tien jaar, afscheid heeft genomen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.2.3">U bent een zeer actieve vrouw, vooral in de zorgsector. Zo bent u onder andere voorzitter van het welbekende ZonMw, lid van de raad van toezicht van het Academisch Ziekenhuis Maastricht en lid van de raad van toezicht van de Alysis Zorggroep. Dat u bepaald geen onbekende in de zorgsector bent, heeft u mede te danken aan uw publicatie "Health care governance" uit 1999, die handelt over bestuur, toezicht en verantwoording in de gezondheidszorg. Deze publicatie staat onder uw vakgenoten ook wel bekend als "het blauwe boekje". De invloed ervan op bestuurlijke verhoudingen binnen vele zorginstellingen wordt minstens zo groot geschat als die van de code-Tabaksblat in de meer commerciële ondernemingswereld.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.2.4">In partijpolitiek verband maakt u zich verdienstelijk als lid van het curatorium van de Wiardi Beckman Stichting. Als lid van de PvdA-fractie hebt u vandaag voor het eerst het woord gevoerd in een plenaire vergadering van deze Kamer. Ik ben ervan overtuigd dat uw kennis en ervaring niet alleen voor uw fractie maar voor de gehele Kamer een ware verrijking is. Ik wens u heel veel succes met uw werkzaamheden.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-840-850.1.5.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Meurs, ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech over een wetsvoorstel waarvan het onderwerp u niet vreemd is, gelet op uw kennis over en ervaring in de zorgsector.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Nap-Borger" MPid="03016" party="CDA" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2004-06-22" topic="Zorg en sport" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-1845-1887.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-1845-1887.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="33" number-of-words="3216" number-of-unique-words="1115" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Zorg en gezondheid <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Cultuur en recreatie <pm:entity> Sport</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Hamel" MPid="03010"/>
                <speaker name="Nap-Borger" MPid="03016"/>
                <speaker name="Van Leeuwen" MPid="00795"/>
                <speaker name="Dupuis" MPid="02263"/>
                <speaker name="Slagter-Roukema" MPid="03036"/>
                <speaker name="Kohnstamm" MPid="02667"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Hoogervorst" MPid="02521"/>
                <speaker name="Ross-van Dorp" MPid="02238"/>
                <speaker name="Hamel" MPid="03010"/>
                <speaker name="Nap-Borger" MPid="03016"/>
                <speaker name="Van Leeuwen" MPid="00795"/>
                <speaker name="Dupuis" MPid="02263"/>
                <speaker name="Slagter-Roukema" MPid="03036"/>
                <speaker name="Kohnstamm" MPid="02667"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Hoogervorst" MPid="02521"/>
                <speaker name="Ross-van Dorp" MPid="02238"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan mevrouw Nap-Borger die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3" speaker="Nap-Borger" party="CDA" function="Mevrouw" title="Mevrouw Nap-Borger  (CDA)" MPid="03016">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1" speaker="Nap-Borger" function="Mevrouw" MPid="03016">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Nap-Borger (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Nap-Borger</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.2">Mevrouw de voorzitter. Het verzoek van de CDA-fractie om bij de behandeling van de VWS-begroting expliciet aandacht te schenken aan het beleidsonderdeel Sport, geeft al aan dat deze fractie grote waarde toekent aan sport. Sport vormt een belangrijk onderdeel van de sociale infrastructuur van onze samenleving. Naast de intrinsieke waarde van de sport, die centraal staat in de individuele beleving van sport en het plezier dat sport uit zichzelf kan geven, wordt alom inmiddels onderkend dat sport geen geïsoleerd maatschappelijk verschijnsel is.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.3">De waarde van sport geldt zeker niet alleen voor professionele en topsporters, maar vooral ook voor de vele mensen die wekelijks zeer enthousiast bezig zijn op recreatief niveau, dan wel die als vrijwilliger bij sport- en spelactiviteiten actief zijn als bestuurder, organisator, trainer, begeleider of hulp in de kantine. Sport ontspant en activeert mensen in een tijd waarin we een steeds passiever leven leiden door veel zittende beroepen, het autorijden en het werken en/of ontspannen achter de computer en de tv. Sport verbindt. We zien dat al bij jonge kinderen; samen knokken zij voor een punt voor hun team. En hoe kunnen we niet als "één man/vrouw" staan achter één van onze nationale sportteams? Dát hebben we deze weken laten zien?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.4">Sport vervult ook een zeer waardevolle functie bij participatie en integratie van minderheden, van mensen in een kwetsbare positie, zoals mensen met een handicap, chronisch zieken, eenzame ouderen. Sport biedt jongeren een gemeenschappelijke oriëntatie, sfeer en gezelligheid, maar ook sociale controle en wederzijdse zorg. Kortom, sport levert een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid van stad en platteland en aan de kwaliteit van ons leven.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.5">Maar naast het genoemde heeft sport óók een andere, niet onbelangrijke functie, namelijk het bevorderen van de volksgezondheid en het terugdringen van het beroep op de gezondheidszorg. Recente onderzoeken en rapporten waaronder het rapport van de Algemene Rekenkamer van november 2003, een onderzoek van TNO en een recentelijk onderzoek van het RIVM, bevestigen dit.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.6">Graag ga ik vandaag in op het algemene preventiebeleid. Daarnaast wil ik inzoomen op de bijdrage die sport kan leveren om negatieve gevolgen van ons leefpatroon te verminderen en op de vraag hoe de overheid vanuit haar verantwoordelijkheid dit beleid "meer handen en voeten" kan geven.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.7">Wanneer aan Nederlanders gevraagd wordt wat zij echt belangrijk vinden, komt een goede gezondheid steevast op de eerste plaats. Des te schrijnender is het gegeven dat de gezondheid van de Nederlanders de laatste decennia is verslechterd en achterblijft bij de rest van Europa. Mag de burger daarom van de overheid verwachten dat zij alles op alles zet om het tij te keren ten faveure van de gezondheid van de Nederlandse bevolking?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.8">Voorkomen is beter dan genezen. Uit de zorgelijke berichten die ons bereiken over de gezondheid van de Nederlandse burger blijkt dat het tijd wordt dat wij ons serieus verdiepen in de huidige en de te verwachten situatie op de lange termijn. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat vooral op het gebied van voorlichting en preventie een niet onbelangrijke taak voor de overheid is weggelegd. De afgelopen jaren heeft de CDA-fractie het belang van preventie bij de behandeling van verschillende wetsvoorstellen onderstreept. Zowel bij de wijziging van de Drank- en horecawet op 11&#160;april 2000 als bij de wijziging van de Tabakswet op 26&#160;maart 2002 is er door achtereenvolgens de heer Pastoor en de heer Werner nadrukkelijk gepleit voor intensivering van de preventieve inspanningen van de overheid. De motie, ingediend door de heer Werner bij de behandeling van de Tabakswet waarin 15 mln euro extra gevraagd werd, met name voor voorlichting aan jongeren, is met algemene stemmen aangenomen en door de toenmalige minister van VWS, mevrouw Borst, overgenomen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.9">In de fors aangescherpte Drank- en horecawet is een grote mate van verantwoordelijkheid voor de gevolgen van overmatig alcoholgebruik en het verstrekken ervan aan jongeren onder zestien jaar bij de sportverenigingen neergelegd. De heer Pastoor heeft bij de behandeling van deze wetswijziging zijn zorgen uitgesproken over de handhaafbaarheid van de leeftijdsgrenzen. Uit de uitkomst van een recent onderzoek blijkt dat wij helaas moeten constateren dat zijn zorgen terecht waren. Een kwart van de sportverenigingen houdt onvoldoende toezicht op het schenken van alcohol aan minderjarigen. Het aantal automobilisten dat rechtstreeks uit de sportkantine kwam met meer dan het toegestane promillage was fors.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.10">Deze berichten vinden wij verontrustend. Aan het plezier van samen sporten of het genieten van kijken naar sport wordt steeds vaker afbreuk gedaan door de agressiviteit, relletjes en vernielingen na afloop. Dat het groeiende vandalisme bij sportevenementen nauw samenhangt met overdadig alcoholgebruik is genoegzaam bekend. Is de minister bereid, hier met meer dan gemiddelde aandacht naar te kijken en met de sportorganisaties hiertegen maatregelen te nemen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.11">De leden van de fractie van het CDA zijn in dit kader benieuwd naar het standpunt van het kabinet over een open brief van enkele prominenten uit de sportwereld, verzonden aan onder andere deze staatssecretaris waarin zeven maatregelen worden voorgesteld om nog voor het nieuwe seizoen met de KNVB, sportclubs en overheid met een adequate aanpak van het vandalisme te komen. Ik zal één opmerkelijke maatregel noemen die geen toelichting behoeft: de overheid zorgt voor een strafmaat die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Kan de staatssecretaris ons meedelen wat zij met deze voorstellen doet?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.12">De nota Sport, bewegen en gezondheid geeft aan dat veel gezondheidsproblemen zowel een relatie hebben met gedrag, zoals roken, alcoholgebruik en voeding, maar ook veroorzaakt worden door lichamelijke inactiviteit. Naast de negatieve gevolgen voor de kwaliteit en de kwantiteit van het leven brengt het hoge kosten in de gezondheidszorg mee en tevens economische schade door ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Per jaar kost ziekteverzuim als gevolg van inactiviteit het Nederlandse bedrijfsleven 1 mld euro. Investeren in preventie loont. Het verbaast mijn fractie dan ook dat hiervoor naar verhouding weinig middelen worden vrijgemaakt. Wij zien dat de financiële groeiruimte in de zorg voor 2004 2,8 mld euro bedraagt en dat daarvan 1,7 mld euro besteed wordt aan de curatieve zorg en maar enkele miljoenen aan preventie.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.13">De toezegging van deze minister naar aanleiding van een aangekondigde motie van de heer Buijs bij het debat over de preventienota in de Tweede Kamer om op zo kort mogelijke termijn te onderzoeken waar door middel van substitutie extra middelen voor preventie kunnen worden vrijgemaakt, is een stap in de goede richting ten gunste van een volwaardig preventief gezondheidsbeleid waarin sport een niet onbelangrijke rol kan vervullen. Regering is vooruitzien. Kan de minister ons vandaag al meer over de uitkomst van het onderzoek vertellen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.14">Natuurlijk is de burger zelf verantwoordelijk voor zijn gezondheid. De overheid kan en mag dan ook nadrukkelijk appelleren aan de betrokkenheid en de verantwoordelijkheid van de burger hiervoor. Het kabinet draagt naar onze mening wel degelijk verantwoordelijkheid, zowel bij het bevorderen van de volksgezondheid, zoals staat in artikel 22 van de Grondwet, als bij het actief opzetten van een preventief gezondheidsbeleid, mede vanwege de directe relatie die bestaat met de kosten in de gezondheidszorg. Het wordt in ons land algemeen aanvaard dat de overheid een taak heeft op het terrein van gezondheidsbescherming als het gaat om schone lucht en bodem, veilig drinkwater, de openbare gezondheidszorg, het toezien op voedselveiligheid en veilige openbare ruimten. De ondersteuning van sport past in deze rij.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.15">De minister verkondigde bij de behandeling van het rapport "Preventieve Gezondheidszorg" vol trots dat niet eerder zo expliciet aan de hand van een nota over preventiebeleid is gesproken en daar had deze minister gelijk in. Als het om preventieve gezondheidszorg gaat, geldt vanzelfsprekend: "hoe eerder hoe beter", maar ook: "beter laat dan nooit".</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.16">De CDA-fractie juicht de aandacht van dit kabinet voor dit specifieke onderwerp dan ook van harte toe, maar zij heeft over de uitwerking ervan en de implementatie, ook binnen het beleid van andere departementen, de nodige vragen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.17">In de voorliggende begrotingsstukken "volksgezondheid, welzijn en sport" wordt de relatie van sport met andere beleidsterreinen benadrukt en wordt de noodzaak aangegeven van goede samenwerking met actoren op andere beleidsterreinen, zoals jeugdbeleid, preventie, sociaal en ouderenbeleid, en met andere ministeries, zoals BZK, Justitie, OCW, BuZa en VROM.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.18">Al in 1996 was het toenmalige kabinet van mening dat vanwege de brede maatschappelijke betekenis van sport, de verantwoordelijkheid niet alleen bij de rijksoverheid ligt maar tevens bij de medeoverheden, de sportorganisaties, het bedrijfsleven, de zorgverzekeraars en de media.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.19">De CDA-fractie onderstreept, vooral vanwege de preventieve waarde die van sport uitgaat, het grote belang van goede samenwerking en afstemming en onderkent de noodzaak dat alle betrokkenen zich vanuit de eigen verantwoordelijkheid moeten inzetten voor het realiseren van de beleidsdoelen, zoals die door dit kabinet zijn gesteld.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.20">Maar, voorzitter, de staatssecretaris zal vanuit een heldere visie op de toekomst van de sport als coördinerend bewindspersoon de lijnen moeten uitzetten, de verschillende plannen die van invloed zijn op en raakvlakken hebben met sport- en preventiebeleid moeten zwaluwstaarten en de geldstromen moeten stroomlijnen, zodat subsidies op het gebied van wijkaanpak, sport, jeugd en preventie samengebracht worden. Zo kunnen de inspanningen van velen optimaal benut en geconcretiseerd worden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.21">De staatssecretaris gaf tijdens het notaoverleg op 27&#160;november zelf ruiterlijk toe dat het op rijksniveau lastig is om beleid te "verknopen". Wij vernemen graag van de staatssecretaris hoe het beleid op dit moment in de praktijk handen en voeten krijgt en hoe de diverse plannen met betrekking tot sport- en preventiebeleid geïmplementeerd worden in het beleid van andere betrokken ministeries.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.22">Het kabinet kiest op basis van het Hoofdlijnenakkoord met betrekking tot het sportbeleid voor speerpunten op vier beleidsterreinen: sportgezondheid, breedtesport, kader- en topsport en het benadrukt in de begrotingsstukken de rol die de sport kan vervullen bij het bevorderen van de volksgezondheid en het terugdringen van het beroep op de zorg.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.23">Voorzitter, "goed voorbeeld doet volgen"! Onze fractie is benieuwd of de overheid, als één van onze grootste werkgevers en met een niet te onderschatten voorbeeldfunctie, hier voor haar eigen medewerkers beleid voor heeft ontwikkeld.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.24">Voorzitter. Het doet de leden van deze fractie deugd dat het overheidsbeleid zich vooral richt op het bieden van ondersteuning aan het fijn vertakte netwerk van sportverenigingen en vrijwilligerswerk. Het CDA hecht groot belang aan verenigingen, waaronder de sportverenigingen, als bindmiddel in onze samenleving. Zij zijn van grote waarde zowel voor de top- als voor de breedtesport. Ons land scoort internationaal op veel sporten indrukwekkend, vooral dankzij de sportverenigingen. Zij zijn voor de CDA-fractie de pijlers die het sportbeleid dragen. Door goed gebruik te maken van deze bestaande netwerken kan er vooral voor bepaalde doelgroepen een actief, stimulerend beleid ontwikkeld worden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.25">Uit het onderzoek van de commissie-Albeda blijkt opnieuw dat er grote gezondheidsverschillen bestaan tussen bevolkingsgroepen. Het onderstreept nogmaals de zorgelijke situatie ten aanzien van de gezondheid van mensen met een lagere sociaal-economische status. Zij hebben veelal minder mogelijkheden om actief deel te nemen aan activiteiten die een positief effect hebben op hun gezondheid. Voor deze doelgroep moeten laagdrempelige, vraaggerichte voorzieningen gecreëerd worden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.26">Voorzitter. Gemeenten zijn de belangrijkste motoren als het gaat om het faciliteren en structureren van een lokaal preventief gezondheidsbeleid. Hier zit de kennis met betrekking tot de lokale situatie; hier kan een aanpak ontwikkeld worden, gericht op de vraag, zodat via een integrale aanpak knelpunten worden opgelost. Het is vanwege de toegankelijkheid voor jongeren, voor mensen met een beperking, voor ouderen en allochtonen van essentiële waarde om dicht bij huis deel te kunnen nemen aan activiteiten op het gebied van sport en bewegen. Helaas moeten wij constateren dat sportterreinen steeds vaker verdwijnen in de periferie. Door middel van het Breedtesportbeleid tracht dit kabinet nieuwe impulsen te geven aan het sportbuurtwerk, verenigingsondersteuning en op het terrein van school en sport. De CDA-fractie kan, gezien de positieve effecten van het breedtesportbeleid, van harte instemmen met de continuering van dit beleid. Wel heeft mijn fractie moeite met het voornemen van het kabinet om de bestaande breedtesportimpuls om te vormen naar een breedtesportbeleid dat zich vooral richt op de grote steden en vijftig geselecteerde wijken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.27">Hoewel mijn fractie zich er terdege van bewust is dat zich in de grote steden vaak een cumulatie van problemen op allerlei gebied voordoet en dat het aanpakken en oplossen ervan extra middelen en aandacht van alle betrokkenen vraagt, zouden wij het betreuren als hierdoor het nog pril ontwikkelde sportbeleid in kleinere gemeenten teruggedraaid of zelfs beëindigd zou worden. Met name in kleine plaatsen zijn de gezamenlijke inzet en aanpak, waarvoor de breedtesportmiddelen dienen, van wezenlijk belang om voorzieningen te behouden en maatwerk te kunnen leveren. Is de staatssecretaris bereid het beleid in deze richting om te buigen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.28">Het multifunctioneel gebruiken van bestaande voorzieningen wordt door dit kabinet bepleit. Het is jammer dat veel dure sportaccommodaties gedurende lange perioden niet worden gebruikt. Ook hier geldt dat door een gezamenlijke aanpak veel opgelost kan worden. De CDA-fractie ziet goede kansen liggen binnen de mogelijkheden die de Brede School hiervoor biedt, vanwege de combinatie van onderwijs met onder andere het welzijnswerk, de bibliotheek, de sportverenigingen en de voor- en naschoolse opvang. Wij vragen deze bewindslieden de succesvolle initiatieven die er lopen, in zowel de grote steden als in de kleine kernen, te stimuleren en te ondersteunen. Zou het zogenaamde Engelse model, waar onderwijs, sport en kinderopvang samengebracht worden en dat verder gaat dan ons Brede Schoolconcept, omdat het zowel overdag als 's avonds toegankelijk is onder professionele leiding, ook in ons land een optie kunnen zijn?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.29">Praten over sport kan niet zonder ook de vrijwilligers te noemen. Vrijwilligers zijn het cement van de samenleving. Geen van de aanwezigen hier zal naar mijn mening deze constatering in twijfel trekken. Voor de sport zijn zij, evenals voor veel andere sectoren, onmisbaar. De CDA-fractie maakt zich dan ook grote zorgen over de alarmerende berichten die ons bereiken over het groeiende tekort aan vrijwilligers in deze sector. De gevolgen zijn zelfs desastreus te noemen. Veel sportverenigingen zien nauwelijks mogelijkheden om de activiteiten gaande te houden. En dat is toch wel het laatste wat wij willen. Een van de redenen voor het afhaken van vrijwilligers zou wel eens het oerwoud aan regels kunnen zijn, waar bestuurders en andere vrijwilligers meer en meer mee geconfronteerd worden en die veel tijd en middelen kosten. Naar de mening van onze fractie zou de overheid hier faciliteiten voor de sport moeten aanbieden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.30">Voorzitter. Sport is cool voor jongeren. Dit biedt ongekende kansen om deze doelgroep voor het vrijwilligerswerk in de sport te enthousiasmeren. Bovendien vangen wij, door de jongeren te betrekken bij deze tak van sport, twee vliegen in één klap: het draagt bij aan het terugdringen van het grote tekort aan vrijwilligers en het activeert de jongeren zelf te gaan sporten. Voor 15&#160;augustus zal er een geactualiseerde visie op het vrijwilligerswerk liggen waarin ook specifiek aandacht geschonken zal worden aan het sportvrijwilligerswerk. Kan hier vandaag – het is al bijna augustus – al iets over worden meegedeeld?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.31">De positieve bijdrage die sport en jeugdwerk kunnen leveren aan de overdracht van waarden normen, valt naar de mening van onze fractie ook onder preventie. Gezien de prioriteiten die dit kabinet in de regeringsverklaring van de kabinetten-Balkenende I en II met betrekking tot het belang van sport voor de overdracht van waarden en normen heeft opgenomen, wordt dit belang in de kabinetsreactie op het WRR-rapport "Waarden, normen en de last van het gedrag" nogmaals onderstreept. Wij gaan ervan uit dat vooral die projecten die bijdragen tot dit doel met stip gehonoreerd worden bij het verdelen van de projectgelden. Ik wil hier ook expliciet de verdeling van 2,9 mln extra noemen, die "Tweedekamerbreed" voor de ondersteuning van vrijwilligers op lokaal niveau op het terrein van jeugdactiviteiten is geoormerkt en waarbinnen Scouting en NUSO vanwege hun preventieve activiteiten zijn geprioriteerd. De leden van de CDA-fractie sluiten zich hier van harte bij aan. Kunnen de bewindslieden al meer duidelijkheid geven over de bestemming van dit budget?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.32">Er is momenteel nog volop discussie gaande, ook binnen andere departementen, over herverdeling van middelen waarvan de uitkomst van eminent belang is voor de totale hoogte van de bedragen die voor sport- en jeugdwerk ingezet kunnen worden. Het zou veel perspectief bieden als alle lotto- en totogelden naar de sport gingen. Onze fractie verbindt hier wel nadrukkelijk de voorwaarde aan dat de andere goede doelen elders worden ondergebracht. Is hierover al meer bekend?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.33">Voorzitter. Ik kom tot een afronding. 2004 is een buitengewoon jaar voor de sport. In augustus vinden de Paralympics en de Olympische Spelen plaats. Tevens heeft de Europese Commissie 2004 uitgeroepen tot "het Jaar van opvoeding door sport". Dit kabinet ziet grote kansen om in haar functie als EU-voorzitter – ik citeer uit de beleidsbegroting: – "de samenwerking tussen onderwijs en sport en de maatschappelijke betekenis van sport, nationaal en internationaal op de agenda te zetten, niet alleen in 2004 maar ook in de periode daarna". Een loffelijk streven dat wij van harte ondersteunen. Wij horen graag hoe dit concreet ingevuld gaat worden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.1.34">Het thema voor 2004 van het Europese actieplan dat de gezondheid van de Europeanen moet verbeteren, luidt: "Move your body, stretch your mind." Voorzitter, er is nog een wereld te winnen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.2.1">Mevrouw Nap, van harte proficiat met uw maidenspeech. U bent van de leden die vorig jaar nieuw zitting namen in deze Kamer, de laatste die de maidenspeech mag uitspreken. U hebt er dus even op moeten wachten. Ik weet dat dit zeker niet aan u heeft gelegen, maar eenvoudigweg aan het feit dat u lid bent van een grote fractie met heel veel nieuwe leden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.2.2">Uw beroepservaring en uw politieke belangstelling liggen in het verlengde van elkaar. U begon in het onderwijs van 1966 tot 1971 en daarna was u maar liefst 27 jaar verbonden aan een apotheekhoudende huisartsenpraktijk. Onderwijs en gezondheidszorg zijn u daarmee zeer bekend. Vanaf 1987 had u zitting in de provinciale staten van Overijssel, onder meer als fractievoorzitter. In de laatste periode tot 2003 was u gedeputeerde, met als portefeuilles volksgezondheid, milieu, zorg, onderwijs, sport en emancipatie. Zo bent u met de politieke en bestuurlijke kant van uw werkterrein bekend geraakt. Ook uw nevenfuncties getuigen van die belangstelling. Ik noem het bestuurslidmaatschap van het Nationaal revalidatiefonds en het lidmaatschap van de Raad van advies voor cliënteninformatie en cliëntenondersteuning in de eerstelijnszorg in Twente. Daarnaast was u ook nog een keer provinciaal en landelijk heel actief in diverse functies in het CDA.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.2.3">Vandaag echter is uw bijdrage aan dit debat gericht op de sport. Vanuit dat perspectief beschouwd, is het moment van uw maidenspeech wel het wachten waard geweest. Sport staat deze week middenin de belangstelling. Een groot deel van het volk is onder invloed van de voetbalwedstrijden van kleur verschoten. Ik laat overigens graag in het midden of ik nu doel op de oranje kledingkleur of de rode gezichtskleur vanwege de penibele positie van ons nationale elftal. Het moet een bijzondere ervaring zijn om in de Europese sportweek bij uitstek te kunnen spreken over een beleidsterrein dat zoveel zielen beroert. Sport en politiek hebben ook iets gemeenschappelijks: een doordachte voorbereiding en een goede timing zijn van groot belang, maar uiteindelijk tellen toch altijd de resultaten. Ik wens u graag toe dat u bij uw werkzaamheden in onze senaat tot het gewenste resultaat zult komen en dat u daaraan bovendien heel veel plezier beleeft. Succes toegewenst!</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.2.4">Uiteraard geef ik alle collega's graag even de gelegenheid om Mevrouw Nap te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-20032004-1845-1887.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Nap, van harte proficiat met uw maidenspeech. U bent van de leden die vorig jaar nieuw zitting namen in deze Kamer, de laatste die de maidenspeech mag uitspreken. U hebt er dus even op moeten wachten. Ik weet dat dit zeker niet aan u heeft gelegen, maar eenvoudigweg aan het feit dat u lid bent van een grote fractie met heel veel nieuwe leden.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Slagter-Roukema" MPid="03036" party="SP" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2004-04-05" topic="Jeugdzorg" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-1089-1113.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-1089-1113.1.4" which-speech-in-topic="3" number-of-paragraphs="33" number-of-words="4099" number-of-unique-words="1313" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Zorg en gezondheid <pm:entity> Jongeren</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Hamel" MPid="03010"/>
                <speaker name="Soutendijk-van Appeldoorn" MPid="02808"/>
                <speaker name="Slagter-Roukema" MPid="03036"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Kalsbeek-Schimmelpenninck van der Oye" MPid=""/>
                <speaker name="Van der Lans" MPid="02267"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef nu het woord aan nummer drie in de rij, mevrouw Slagter-Roukema, die eveneens haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4" speaker="Slagter-Roukema" party="SP" function="Mevrouw" title="Mevrouw Slagter-Roukema  (SP)" MPid="03036">
                    <speech party="SP" docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1" speaker="Slagter-Roukema" function="Mevrouw" MPid="03036">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Slagter-Roukema (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Slagter-Roukema</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.2">Voorzitter. Ik wil allereerst mijn collegae Soutendijk en Hamel complimenteren met hun verhaal. Hun ei is al gelegd. Ik leg het mijne er graag bij. Ik kan nu al constateren dat wij het over vele dingen eens zijn. Wij delen zeer veel zorgen ten aanzien van dit wetsvoorstel.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.3">Voorzitter. Sinds ik van 1987 tot 1991 coördinator van het Bureau vertrouwensarts van Groningen en Drenthe was, is er veel veranderd binnen de jeugdzorg. Er werd in die tijd onder leiding van het Bureau vertrouwensarts veel met hulpverleners over gezinnen gepraat, maar er werd weinig met meldingen naar het gezin zelf gedaan. Ik kreeg vaak de indruk dat eerder de angst hoe ouders zouden reageren op de veelal anonieme melding dan de ambitie om een kind te beschermen, de overhand had. Gefrustreerd door de onmachtigheid en overigens ook de ondoorzichtigheid van het bureau voor melders en publiek – je meldde maar wat daarna gebeurde was volstrekt onduidelijk – hield ik het na vier jaar voor gezien. Ik verwachtte dat ik in mijn dagelijkse werk als huisarts veel directer iets aan signalering en preventie van kindermishandeling zou kunnen doen. Nait souzen maar doun, was in die tijd mijn uitgangspunt.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.4">Dat ik vandaag na dertien jaar op deze plaats toch weer praat over jeugdzorg, had ik toen niet kunnen vermoeden. Jeugdzorg moet je doen. Ik denk daar nog steeds zo over.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.5">We behandelen vandaag in deze Kamer de Wet op de jeugdzorg. Deze wet werd op 24&#160;juni 2003 in de Tweede Kamer aangenomen en wordt pas negen maanden later in deze Kamer besproken. In de voorbereiding voor de plenaire behandeling bleken twee inbrengrondes amper voldoende om alle onduidelijkheden weg te nemen. Dat we vandaag, nog weer vier weken vertraagd, wel aan de plenaire behandeling toe zijn, betekent geenszins dat deze wet een voldragen kind is geworden. Mijn fractie heeft nog steeds grote zorgen over de levensvatbaarheid van deze wet.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.6">Volgens de kernindicatoren wachtlijsten jeugdzorg werden in het eerste halfjaar van 2003 26.318 jongeren van 0 tot 18 jaar aangemeld bij een bureau jeugdzorg. Dat is 0,74% van het totale aantal van 3.573.319 jongeren van die leeftijd. Met heel veel jonge mensen gaat het dus wel goed. Zij zijn van voor hun geboorte gewenst, hebben een jeugd vol liefde en krijgen kansen in overvloed. Onze samenleving mag daar trots op zijn! Maar wat als een kind niet is gewenst, ongewenst gedrag vertoont of niet voldoet aan de verwachtingen van de ouders? Dan heeft het kind recht op jeugdzorg, want de Wet op de jeugdzorg regelt het recht op jeugdzorg voor de jeugdige en zijn stiefouders, pleegouders, eigen ouders of verzorgers en legt de verantwoordelijkheid, de zorgplicht, bij de provincies.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.7">De toegang tot de jeugdzorg wordt geregeld via één loket, het bureau jeugdzorg. Dit bureau dient doelmatig, doeltreffend en cliëntgericht te werken. De geïndiceerde zorg moet zo dichtbij mogelijk, zo kort en zo snel mogelijk in de minst ingrijpende vorm worden geformuleerd en geleverd. Het aanbod dient de vraag te volgen. De financiering zou eenduidig moeten zijn en op basis van het indicatiebesluit en het benodigde zorgaanbod, de zogenaamde "p maal q"-formule, tot stand moeten komen. De verantwoordelijkheid, het toezicht en de aansturing dienen helder te zijn. De wachtlijsten en de wachttijden dienen vastgelegd en bestreden te worden. Er zal een samenhangend pakket voor jeugdzorg komen op lokaal, provinciaal en landelijk niveau.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.8">Het recht op jeugdzorg staat echter op gespannen voet met budgettering en kostenbeheersing. Wie moet het zeggen als een aanspraak niet verwezenlijkt kan worden, dat er geen geld is en dat het recht een loos recht is? Hoe kan vraagsturing echt van de grond komen als het budget vaststaat? Met het bureau jeugdzorg lijkt een knooppunt van wachttijden en wachtlijsten te ontstaan. Er is één voordeel: het is nu in ieder geval inzichtelijk. De wet die nu voorligt, is een compromis en geeft de indruk dat Haagse beleidsmakers zonder veel kennis van de dagelijkse praktijk getracht hebben een kilo aardappelen in een pondzak te stoppen. De wet wordt door het veld dan ook als een knellend korset ervaren. Zij gaat, zoals mijn collega Soutendijk al verwoordde, langs de kern van het probleem.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.9">De hele wet wekt de indruk dat de praktische uitvoerbaarheid ervan ver af staat van de dagelijkse realiteit. Wat hebben kinderen en jongeren in problemen nu aan deze wet? Wordt de hulp hier beter van? Komt er meer hulp? Is het makkelijker om hulp te krijgen? Het staat vast dat er veel problemen zijn. Elke dag is er wel iets over te lezen in de krant of te zien op tv. Alles duidt op toenemende problemen, op een grotere vraag, naar ook nogal eens zwaardere hulp, op meer complexe problemen en een groot tekort aan capaciteit. De wachtlijsten dijen maar uit. In een week heb ik een heel mapje met krantenknipsels vergaard. Er wordt veel over geschreven en er wordt veel over nagedacht. Zal deze wet dat allemaal beter maken? Mijn fractie denkt van niet.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.10">Voor ik verderga, wil ik benoemen wat mijn fractie wel goed vindt aan deze wet. Ik zal ook meteen wat bezwaren noemen, waar ik dan later weer op terugkom.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.11">De wet introduceert het recht op jeugdzorg voor jeugdigen en hun ouders. Dat vinden wij een goede zaak, hoewel wij ook vinden dat dit sinds de ratificatie van het VN-verdrag inzake de rechten van het kind door de Nederlandse regering in 1995 ook niet meer dan logisch is. Ernstige bezwaren hebben wij tegen het feit dat voor kinderen en hun ouders die illegaal in Nederland verblijven en voor de AMA's, de minderjarige asielzoekers, het recht op jeugdzorg wordt ingeperkt. Wij vinden het een goede zaak dat de provincie de zorgplicht krijgt. De jeugdige weet dan in ieder geval hij zijn recht kan halen. Dat de diagnostiek aan de poort zorgvuldig een eenduidig gebeurt, vinden wij prima. Dat het gevaar levensgroot is dat dit een enorme toename van papierwerk met zich zal brengen, vinden wij echter slecht. Wij vrezen dat de beoogde organisatie een toename van de wachttijden voor de poort en na de poort met zich zal brengen als na de indicatie op het geïndiceerde hulpaanbod gewacht moet worden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.12">Ook het streven naar een samenhangend hulpaanbod juichen wij toe waarbij de verschillend gefinancierde jeugdhulpverleningsinstanties nauw met elkaar dienen samen te werken. Dat de financieringsstromen niet geïntegreerd zijn, vinden wij een gemiste kans. Dat nu al duidelijk is dat het totale budget ontoereikend zal zijn, vinden wij ronduit slecht.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.13">Wij vinden het een goede zaak dat gemeenten meer werk moeten maken van de voorliggende voorzieningen. Zowel op het gebied van welzijn als op het preventieve vlak valt nog veel winst te behalen. Het is prima dat de Vereniging van Nederlandse gemeenten, het Interprovinciaal overleg, de Maatschappelijke ondernemersgroep en het Rijk al praten over functies, taakverdeling en taakpakketten. Het is wel zorgelijk dat veel gemeenten nog niet zo ver zijn en bovendien de kennis en financiën missen om een en ander goed op poten te zetten.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.14">Met de integratie van de opvolger van het Bureau vertrouwensarts en het Algemeen meldpunt kindermishandeling binnen het bureau jeugdzorg wordt de mogelijkheid geschapen om met alle beschikbare kennis een kind te beschermen en ouders en kind hulp te bieden. Ouders kunnen verplicht worden hulp te accepteren, maar ook bij het AMK nemen de wachtlijsten toe. Wie maakt dan de keus welke wachtlijst eerst aangepakt moet worden?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.15">Met deze wet wordt gekozen voor een structuur die weinig flexibiliteit in zich heeft. Ik denk dat hiermee voorbij wordt gegaan aan een van de belangrijkste kenmerken van jongeren in ontwikkeling, namelijk dat zij in ontwikkeling zijn en dat er daarom een dynamische diagnostiek en een dynamisch, outreachend hulpaanbod moet zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.16">Dat betekent dat er voortdurend bij de poort aandacht moet zijn voor de ernst, langdurigheid en consequenties van problemen, dat er een snelle triage moet zijn en dat het mogelijk moet zijn om alvast de vinger aan de pols te houden, als iemand op de wachtlijst staat. Of je dat nu licht ambulant noemt of anders, in de jeugdzorg heeft men meer aan ruimte om met ervaring en compassie aan het werk te gaan dan aan nog meer regels en voorschriften.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.17">Uit de speeches voor mij is gebleken dat meerdere partijen in deze Kamer vinden dat de inhoud en de randvoorwaarden van de inrichting van het stelsel van jeugdzorg onderwerp van gesprek moeten blijven, waarbij er ruimte moet zijn voor experimenten. In die zin beschouwen wij deze wet als een overgangswet. Ook dringen wij erop aan dat er voortvarend werk wordt gemaakt van de ontschotting van de financieringsstromen. De jeugdzorg lijkt ons gebaat bij één stelsel, één financieringsstroom en eenduidige aansturing. Tot zover mijn algemene opmerkingen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.18">Ik zal nu een aantal onderwerpen wat specifieker behandelen en wat vragen stellen aan de minister en de staatssecretaris; allereerst over het VN-verdrag inzake de rechten van het kind. Hoewel dit verdrag volstrekt duidelijk is, als het gaat om het recht op jeugdzorg voor alle kinderen die in Nederland verblijven, die "zich binnen de rechtsbevoegdheid van de verdragssluitende staat bevinden", is dit recht in de Wet op de jeugdzorg onder verwijzing naar de Vreemdelingenwet ingeperkt voor bepaalde groepen kinderen en hun ouders, namelijk kinderen van illegalen en minderjarige asielzoekers.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.19">Zijn de minister en de staatssecretaris op de hoogte van het rapport van januari van de VN-commissie, die in ons land onderzoek deed naar de implementatie van het verdrag, en van de constatering dat Nederland het verdrag niet goed naleeft? De commissie heeft vooral kritiek op het Nederlandse jeugdbeleid, meer specifiek op de aanpak van kindermishandeling en de schending van de rechten van het kind, als het gaat om ons asielbeleid. Willen de minister en de staatssecretaris commentaar geven op de kritiek van de VN-commissie?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.20">De SP deelt de kritiek. Zeker jonge kinderen kunnen zelf niet kiezen voor de situatie waarin zij met hun ouders leven. Bij algemene maatregel van bestuur is de zorg voor de genoemde groepen nog enigszins omschreven, maar naar onze mening moeten wezenlijke rechten niet in een AMvB, maar in de wet worden geregeld. De keuze voor een AMvB betekent dat deze kinderen en hun eventuele ouders minder rechtsbescherming genieten dan andere kinderen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.21">Ook maken wij bezwaar tegen de inhoud van de AMvB, als het gaat om de beperking van de duur van het indicatiebesluit, een herbeoordeling na een halfjaar in plaats van een jaar, behandeling zo mogelijk op het terrein van het opvangcentrum en hulp alleen voor kinderen en niet voor de ouders, en alleen bij uitzondering plaatsing in een pleeggezin. Bij dit laatste punt concludeer ik dat het belang van een enkel kind moet wijken voor het belang van de natie. Zijn er werkelijk situaties geweest waarbij een illegaal in Nederland verblijvend, ouderloos kind niet in een pleeggezin is geplaatst, omdat bij langdurige plaatsing uitzetting onmogelijk is? Eerlijk gezegd ging deze logica mij boven de pet. Ik verzoek de minister dan ook om een reactie.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.22">De VN-commissie heeft naast deze kritiek op het jeugdbeleid ook kritiek op ons net geaccordeerde uitzetbeleid, voor zover het jongeren betreft. Jonge asielzoekers op straat zetten mag niet. Ook zet de commissie grote vraagtekens bij het opsluiten van kinderen van uitgeprocedeerde asielzoekers in de vreemdelingenbewaring. Is de minister bereid het beleid in dezen te herzien in het licht van de kritiek van de Verenigde Naties?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.23">Een laatste punt in dit verband betreft het voorkomen van genitale verminking van in ons land geboren dochters van uitgeprocedeerde Somalische asielzoekers. Zij dreigen toch uitgezet te worden tenzij hun ouders kunnen aantonen dat zij een reëel risico lopen in Somalië alsnog besneden te moeten worden. In Somalië ondergaat ook nu nog naar schatting 98% van de meisjes de ingreep in een of andere vorm. Mijns inziens is niet te bewijzen dat het risico reëel is. Aan de andere kant lijkt uitproberen ook geen optie. Genitale verminking is niet te herstellen. Als huisarts heb ik de verwoesting gezien die deze ingreep aanricht, zowel in een leven als aan een lijf. Ik verzoek de minister om een reactie, hoewel ik besef dat deze vraag ook deels op het terrein van de minister voor Vreemdelingenzaken ligt.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.24">Ook de Nederlandse kinderrechters hebben kritiek op het huidige beleid. In een manifest geven zij aan dat zij zich ernstig zorgen maken over de langdurige en ernstige verwaarlozing van overheidsplichten als het gaat om voldoende behandelplaatsen voor gedragsgestoorde jeugdigen. Terwijl het aantal jeugdcellen wordt uitgebreid, wordt er bezuinigd op het aantal behandelplaatsen en worden kinderen in crisissituaties en zonder strafrechtelijke veroordeling samen met criminele jongeren in justitiële jeugdinrichtingen geplaatst. In een notaoverleg met de Tweede Kamer op 9&#160;februari heeft de minister van Justitie aangegeven dat hij zo snel mogelijk, maar in ieder geval voor de zomer, met conclusies zal komen ten aanzien van de wijze waarop dit structurele probleem zou kunnen worden opgelost. Graag verneem ik van de minister hoe ver hij is met het oplossen van dit probleem. Ook wil ik graag een toezegging van de minister dat er voor het eind van het jaar een scheiding heeft plaatsgevonden tussen de civielrechtelijke plaatsingen in het kader van een crisis en plaatsingen van jeugdigen met een strafblad, met voldoende behandelplaatsen en een toereikende financiering. Als wij niet bereid zijn te investeren, kennen wij Nederland over 10 jaar niet terug, aldus de kinderrechters. De SP deelt hun zorg. Ik overweeg dan ook in tweede termijn over deze kwestie een motie in te dienen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.25">Dan kom ik op de spraakverwarring rond het begrip "gezinscoaches". Collega Soutendijk heeft hier ook al over gesproken. De discussie hierover blijft onhelder. Vallen zij nu wel onder het bureau jeugdzorg? Kan het ook de gezinsvoogd zijn die in een opgelegd kader is toegevoegd en die dan ook in een vrijwillig kader wat doet? Of moeten zij via de gemeenten komen en drukken zij op het gemeentelijke budget? Kan dat dan in dat laatste geval ook in het indicatiebesluit bindend worden opgelegd? Als de deskundige op het gebied van de intake en de diagnostiek – en dat moet het bureau jeugdzorg toch zijn – een gezinscoach nodig vindt en dat vastlegt in het indicatiebesluit, dan moet deze er gewoon komen. Dat mag dan niet afhankelijk mag zijn van de vraag, uit welk gremium hij afkomstig is en op welke loonlijst hij staat. Juist bij complexe gezinsproblematiek is het van eminent belang dat er een duidelijke coördinator is die én het gezin bij de les houdt én ook het hulpverlenersveld bestuurt. Ik herinner mij goed uit mijn vertrouwensartstijd dat niet zelden een gezin met een complexe problematiek ook een kring van elkaar in de weg zittende hulpverleners om zich heen had verzameld, waarbij het volstrekt onduidelijk was wie nu het aanspreekpunt was. Daar zou de gezinscoach toch het antwoord op moeten zijn! Wil de staatssecretaris deze kennelijk ingewikkelde materie nog eens toelichten?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.26">Volgens de staatssecretaris zal de voorliggende wet geen toename van het papierwerk veroorzaken. Ondanks haar geruststellende woorden betwijfelt mijn fractie dat. Met de voorgeschreven verplichting tot een helder, door vaak meerdere deskundigen gemotiveerd indicatiebesluit, dat ook nog het stempel van een gekwalificeerde gedragswetenschapper behoeft, de verplichting tot een uitgeschreven hulpverleningsplan en de verplichting tot registreren – wat dan allemaal? – zal de bureaucratie toenemen. Dat is de papieren tijger die een eigen leven gaat leiden, aldus collega Soutendijk. Het doet mij als huisarts sterk denken aan de zondvloed van vragen die op ons afkwam bij de instelling van de regionale indicatieorganen. Voorheen voldeed één telefoontje of één A4'tje en nadien moesten acht of meer blaadjes worden ingevuld met soms volstrekt onzinnige vragen. Het is niet verwonderlijk dat onlangs nog J.F. Hoek in een artikel in Medisch Contact, nummer 3 van dit jaar, voorstelde om de RIO's maar weer op te heffen. Zijns inziens zal dit alle betrokkenen ten goede komen, want uit zijn onderzoek en uit onderzoek van de Consumentenbond blijkt dat de RIO onnodige bureaucratie en ontevreden patiënten heeft opgeleverd. De hele procedure staat een snelle plaatsing of hulpverlening in de weg. In het overleg met de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris aangegeven externe deskundigen te willen vragen nog eens naar de administratieve lastendruk te kijken. Kennelijk twijfelt zij toch aan de conclusies van de Adviescommissie terugdringing administratieve lasten. Kan zij een en ander nog eens toelichten en vertellen wanneer de rapportage klaar is?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.27">Als huisarts en rechtstreeks verwijzer naar de jeugdgeestelijke gezondheidszorg ben ik natuurlijk benieuwd wanneer ik rechtstreeks zal kunnen verwijzen. Tot nu toe is het mij niet gelukt de tekst van de betreffende AMvB te achterhalen. Kan de staatssecretaris vertellen wanneer deze beschikbaar is en hoe zij mijn beroepsgroep gaat informeren? Huisartsen achten zich bevoegd en bekwaam om indicaties voor kinder- en jeugdpsychiatrie te stellen. Zij schrijven vaak in overleg met de kinderpsychiater medicatie voor en vormen voor ouders van kinderen met een psychiatrische aandoening veelal het aanspreekpunt. Welk voordeel staat de staatssecretaris voor ogen als zij stelt dat rechtstreeks verwijzen in de toekomst alleen bij ernstige psychische – welke? – stoornissen is toegestaan en dat de verwijzer, in casu de huisarts, dit moet melden bij het bureau jeugdzorg? Ik vrees dat deze verplichting bij veel van mijn collegae op onbegrip en verzet zal stuiten. Graag krijg ik dus een toelichting en een uitleg.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.28">De staatssecretaris heeft aangegeven dat alle jeugdigen die ten tijde van de inwerkingtreding van de wet op de wachtlijst staan binnen een halfjaar over een indicatiebesluit moeten beschikken dat hen het recht op jeugdzorg verschaft. Kan de staatssecretaris aangeven om hoeveel besluiten het zal gaan en is zij het met ons eens dat dit een extra druk op de wachtlijsten voor de poort zal geven? Is zij van plan deze operatie extra te faciliteren?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.29">Ik maak nog enige opmerkingen over de jeugdreclassering. Omdat mijn zoon in Groningen werkzaam is als jeugdreclasseerder hoor ik nog weleens wat over de dagelijkse gang van zaken en de frustraties waar je op dit gebied tegen bestand moet zijn. Allereerst is het eigenlijk verbazingwekkend dat een onderwerp als veiligheid en criminaliteit en dan in het bijzonder jeugdcriminaliteit, dat tijdens de verkiezingen door vrijwel alle politieke partijen als belangrijk item benoemd werd, toch weer belast gaat worden met bezuinigingen. Er is momenteel sprake van een groeibudget. Dat wil zeggen dat iedere cliënt die erbij komt ook gefinancierd wordt. De bedoeling is echter dat deze financiering verandert in een budget dat werkt met een peildatum. Eens per jaar zal gekeken worden hoeveel cliënten er zijn en hierop wordt het budget berekend voor het aankomende jaar. In Groningen was in 2003 sprake van een groei van 31% van het aantal cliënten van de jeugdreclassering. Dat is dus veel meer dan de 10% die ik eerder hoorde noemen. Uitbreiding van de formatie kan altijd pas na een jaar plaatsvinden en dat betekent een toename van de caseload. Hetzelfde geldt overigens voor de gezinsvoogdij. Veelal wordt een caseload gehanteerd van 22 cliënten met een meervoudige problematiek.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.30">Veel hulpverleningsinstellingen zien allerlei contra-indicaties voor opname van deze jongeren: ze gebruiken drugs, ze zijn te oud, de gedragsproblematiek is te heftig en er zijn wachtlijsten. Het gevolg is dat jongeren te lang thuiszitten en niet kunnen doorstromen naar de hulpverlening die zij eigenlijk nodig hebben, maar wel allerlei ongepaste activiteiten kunnen ondernemen. Eigenlijk hebben deze jongeren intensieve begeleiding of uithuisplaatsing nodig. Als dat niet gerealiseerd kan worden, moet de jeugdreclasseringswerker deze taak op zich nemen. Wie anders? Bij een caseload, die met de voorgenomen verandering van financiering eerder zal toenemen dan afnemen, is dit erg lastig. Als je ergens veel tijd voor neemt, betekent dit dat je die tijd bij een andere cliënt vandaan moet halen. Ik vraag de minister bij dezen, de ratio van de bezuinigingen op de Jeugdreclassering nog eens toe te lichten. Wat zijn de voordelen van de nieuwe financiering? Wil hij investeren in meer mogelijkheden van begeleiding door de Jeugdreclassering, zodat die zich kan richten op intensieve begeleiding van de jongeren die delicten plegen? Hierbij zullen een verlaging van de caseload en een verhoging van de contactfrequentie moeten kunnen plaatsvinden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.31">Voorzitter. De staatssecretaris heeft meerdere malen uitgesproken dat zij verwachtte, dat in de Jeugdzorg nog veel winst zou zijn te halen uit doelmatigheid. Kan zij deze uitspraak onderbouwen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.32">De SP-fractie vraagt zich af, evenals trouwens de PvdA-fractie voor mij heeft gedaan, hoe de staatssecretaris er bij komt dat marktwerking van de grond zal komen op een terrein waar zoveel schaarste heerst aan zorgaanbieders, aan behandelplaatsen, aan deskundigheid, gewoon aan menskracht en geld, en waar zoveel problemen zijn. Wij denken – en bevinden ons daarbij in goed gezelschap, want ook de minister van Economische Zaken heeft dat onlangs gezegd – dat de regering zich moet bezinnen op marktwerking. De heer Brinkhorst heeft gezegd: Wij zijn in een herijkingsfase, jarenlang ging het om een terugtredende overheid, wat ons betreft is die tijd voorbij. Deelt de staatssecretaris, en overigens ook de minister van Justitie, de mening van de heer Brinkhorst? Wij vinden het wrang dat juist op het gebied van de Jeugdzorg de mantra van marktwerking een onderwerp is. Juist op dit terrein, in dit dossier dient de overheid haar verantwoordelijkheid te erkennen en daarnaar te handelen. De Jeugdzorg verdient dat, de werkers verdienen dat en de jeugdigen hebben er recht op.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.33">Ik rond af. Nogmaals – ik zei het al aan het begin van mijn betoog – het gaat gelukkig goed met heel veel van onze jongeren, met onze kinderen en met onze kleinkinderen. Daarmee mogen wij onszelf complimenteren, en natuurlijk alle ouders en alle werkers in de jeugdzorg. En wij mogen ook de overheid complimenteren met de zorg die wordt geboden. Maar precies daarom zijn wij het verplicht om aan díe jongeren die het een stuk minder gaat, óók recht te doen. Met deze nieuwe Wet op de jeugdzorg geven wij de samenleving die garantie helaas zeker nog niet voldoende, terwijl dat wél had gemoeten en volgens ons ook had gekúnd. Het zou mij een lief ding waard zijn als in de loop van het debat van vandaag en morgen die garanties alsnog te voorschijn komen. Volgens mij wil een meerderheid van deze Kamer eigenlijk meer dan de regering tot nu toe heeft geboden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.1.34">Meneer de minister, mevrouw de staatssecretaris, natuurlijk heb ik begrip voor uw budgettaire problemen, maar te weinig zorg en bescherming bieden aan jonge mensen is toch ook voor u verkeerde zuinigheid? Ik ben erg benieuwd naar uw reactie morgenochtend. U mag er nog een nachtje over slapen. Slaap lekker!</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.2.1">Mevrouw Slagter, het oud-Hollandse gezegde "driemaal is scheepsrecht" is wel bijzonder van toepassing op uw maidenspeech. U zou immers al op 8&#160;maart jongstleden bij de behandeling van dit wetsvoorstel hier voor het eerst het woord voeren. Toen dat debat niet door kon gaan, zou de behandeling van de VROM-begroting op 16&#160;maart de gelegenheid zijn waarbij u uw eerste rede zou uitspreken. Dat ik u uiteindelijk vandaag toch bij de behandeling van de ontwerp-Wet op de jeugdzorg mag feliciteren met uw maidenspeech wijst niet alleen op een zekere dynamiek en onvoorspelbaarheid van onze Kameragenda, maar zeker ook op uw brede kennis van en belangstelling voor de onderwerpen die hier aan de orde zijn.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.2.2">Toen u vorig jaar voor de keuze stond om voor de SP lid te worden van de Tweede Kamer dan wel om later in het jaar voor de SP toe te treden tot deze Kamer hebt u weloverwogen gekozen voor de Senaat, want u wilde, zoals u zelf in een interview opmerkte, ook huisarts blijven. Met gedrevenheid, zo heb ik begrepen, oefent u dat prachtige beroep sinds 1981 uit. Het is in dit verband vermeldenswaard dat u met uw toetreden deze Kamer voor het eerst sinds 1960 weer een praktiserend huisarts in haar gelederen hebt bezorgd.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.2.3">U hebt voor de Kamer buitengewoon relevante praktijkervaring als huisarts, verpleeghuisarts en vertrouwensarts. Daarnaast hebt u in de afgelopen jaren een niet geringe hoeveelheid bestuurlijke knowhow en ervaring in de sector volksgezondheid opgebouwd die waardevol zal zijn voor uw functioneren hier. Zonder uitputtend te willen zijn, noem ik hier uw voorzitterschap van het afdelingsbestuur van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunde, het voorzitterschap van de Districts Huisartsenvereniging Groningen en het voorzitterschap van de Landelijke Huisartsenvereniging.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.2.4">Mevrouw Slagter, u hebt – dat is zojuist gebleken – het vermogen om vanuit uw deskundigheid en zelfs de deskundigheid aanwezig in uw familie, met name bij uw zoon, in heldere bewoordingen wetsvoorstellen kritisch te doordenken. Daarmee mogen wij ons als Kamer verrijkt weten.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.2.5">Van harte gefeliciteerd en veel succes!</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.2.6">Ik geef de Kamer de gelegenheid om niet alleen mevrouw Slagter-Roukema te feliciteren, maar ook de heer Hamel en mevrouw Soutendijk-van Appeldoorn die ik beiden vraag zich bij mevrouw Slagter te voegen.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.3">
                        <p docno="h-ek-20032004-1089-1113.1.4.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Slagter, het oud-Hollandse gezegde "driemaal is scheepsrecht" is wel bijzonder van toepassing op uw maidenspeech. U zou immers al op 8&#160;maart jongstleden bij de behandeling van dit wetsvoorstel hier voor het eerst het woord voeren. Toen dat debat niet door kon gaan, zou de behandeling van de VROM-begroting op 16&#160;maart de gelegenheid zijn waarbij u uw eerste rede zou uitspreken. Dat ik u uiteindelijk vandaag toch bij de behandeling van de ontwerp-Wet op de jeugdzorg mag feliciteren met uw maidenspeech wijst niet alleen op een zekere dynamiek en onvoorspelbaarheid van onze Kameragenda, maar zeker ook op uw brede kennis van en belangstelling voor de onderwerpen die hier aan de orde zijn.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Strik" MPid="02338" party="GroenLinks" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2007-06-19" topic="Regeringsinzet Europese Raad" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20062007-1007-1048.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20062007-1007-1048.1.5" which-speech-in-topic="4" number-of-paragraphs="17" number-of-words="2357" number-of-unique-words="898" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Internationaal <pm:entity> Europese zaken</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Broekers-Knol" MPid="02296"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Kuiper" MPid=""/>
                <speaker name="Strik" MPid="02338"/>
                <speaker name="Van der Linden" MPid="01899"/>
                <speaker name="Eigeman" MPid="03006"/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
                <speaker name="Verhagen" MPid="02920"/>
                <speaker name="Timmermans" MPid="02244"/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
                <speaker name="Van der Linden" MPid="01899"/>
                <speaker name="Broekers-Knol" MPid="02296"/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Kuiper" MPid=""/>
                <speaker name="Strik" MPid="02338"/>
                <speaker name="Eigeman" MPid="03006"/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Koffeman" MPid=""/>
                <speaker name="Verhagen" MPid="02920"/>
                <speaker name="Timmermans" MPid="02244"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan mevrouw Strik, die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5" speaker="Strik" party="GroenLinks" function="Mevrouw" title="Mevrouw Strik  (GroenLinks)" MPid="02338">
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1" speaker="Strik" function="Mevrouw" MPid="02338">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Strik (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Strik</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.2">Mevrouw de voorzitter. Welk onderwerp is dankbaarder voor een maidenspeech dan de Europese grondwet? Misschien het onderwerp Europees wijzigingsverdrag? Ik hou het nog even in het midden. Voor mij gaat het gewoon om de toekomst van Europa.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.3">Europa, dat door de jaren heen vrede heeft bevorderd, democratieën versterkt en de welvaart vergroot, heeft altijd periodiek een institutionele revisie gekend. Steeds moest het weer toegerust worden voor de verdieping en verbreding waar lidstaten aan toe waren. Zo ook nu. Was het tot nu toe echter louter een regeringszaak, de conventie kenmerkte zich door betrokkenheid van diverse partijen en een relatief open en positieve sfeer. De conventie deed recht aan een Europa dat allang niet meer alleen marktgericht is, maar aan een Europa van burgers en van samenwerking op tal van vlakken waar lidstaten elkaar nodig hebben. Deze sfeer ontbrak helaas totaal tijdens de Nederlandse referendumcampagne. Tegenstanders bespeelden schaamteloos angstgevoelens met doemscenario's. Voorstanders reageerde defensief, vervielen in dezelfde fout en wisten nauwelijks nog een wenkend perspectief te bieden. Een gemiste kans van met name de regering om de meerwaarde en de kansen van Europa over het voetlicht te brengen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.4">Het overweldigende "nee" sloeg in als een bom. De regering was onthutst, maar trok bijvoorbeeld niet honderd dagen het land in om de drijfveren te onderzoeken of het gesprek aan te gaan. In de hele bezinningsperiode hielden kabinet en parlement zich akelig rustig. Aan peilingen geen gebrek, maar ook het grootste onderzoek leverde naar mijn idee geen eenduidig beeld op. In elk geval geen richtsnoer waarlangs een regering zich een weg uit de impasse zou kunnen manoeuvreren. En toch heeft de regering er vrij solistisch lessen uit getrokken en deze vertaald in de inzet bij de onderhandelingen over een wijzigingsverdrag. Parlement en regering hadden de bezinningsperiode beter kunnen benutten om gezamenlijk de inzet te bepalen. Nu, vlak voor een beslissende top, zweven er nog allerlei vragen boven markt. Ik hoop niet dat de huidige voorbereidingen voldoen aan het ideaalbeeld van de regering op het gebied van transparantie en democratie. Ik stem wel van harte in met het voornemen van het kabinet om het nationale parlement in een vroeger stadium te betrekken bij Europese wetgeving en ik roep mijn collega's op om daarvan volop gebruik te maken. Ik ga er in elk geval van uit dat de Europese wind op het Binnenhof zal aanwakkeren.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.5">In de stukken over de inzet mis ik een enthousiaste toon over de kansen die Europa voor ons biedt. De positieve energie die de Klimaattop uitstraalde bijvoorbeeld, lijkt al weer verdampt. Waarom niet dat momentum aangegrepen om bij deze verdragsonderhandelingen te pleiten voor een handhavingsmechanisme in de vorm van een klimaatpact dat ervoor zorgt dat de afspraken over de reductie van CO2-uitstoot ook echt gehaald worden? Juist op het klimaatbeleid hebben wij elkaar nodig, maar niet alleen voor mooie beloften, maar voor harde resultaten. Het zou een mooi concreet voorbeeld zijn om burgers te laten zien dat Europa ertoe doet. Ook lijkt de regering niet actief uit te durven stralen dat juist een klein land enorm gebaat is bij communautaire samenwerking, veel meer dan bij een intergouvernementele samenwerking.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.6">Daar kiest de regering allemaal niet voor. Zij duikt weg en speelt nu ook zelf de nationale kaart. Ik begrijp dat zij rekening moet houden met de uitslag, maar met deze houding zal zij de harten van het publiek juist niet winnen voor een beter Europa. De regering heeft een andere keuze gemaakt en zich voorgenomen elke indruk van staatsvorming weg te nemen. Wat betreft de vlag, het volkslied en de naam grondwet lijkt zij haar zin al gekregen te hebben. GroenLinks kan daar niet mee zitten. Het schrappen van de gemeenschappelijke minister van Buitenlandse Zaken is echter meer dan symboliek. Extern optreden wordt doelmatiger als de Unie met één mond spreekt in de Veiligheidsraad en in alle landen buiten de Unie. Is de positie van coördinator daar wel gezaghebbend genoeg voor? Uit het onderzoek maak ik overigens op dat veel neestemmers wel graag een slagvaardiger buitenlands beleid willen, dus voor hen hoeft de regering dat niet te bepleiten.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.7">Dan de poging om het handvest voor de grondrechten uit het verdrag te halen en te volstaan met een verwijzingsartikel, met alle onzekerheden en interpretatieverschillen over de bindendheid van dien. Dit kan ik nog minder rijmen met de referendumuitslag. Meent de regering nou werkelijk dat mensen nee hebben gestemd omdat zij niet beschermd willen worden tegen een nalatige of discriminerende overheid? De Europese instellingen en lidstaten die het Europees beleid uitvoeren, mogen niet boven de wet staan en dienen zich te houden aan Europese waarden en normen. Als er sprake is van angst voor een ongebreidelde macht, dan kan die met deze waarborgen worden weggenomen. Bovendien gaat er een krachtige houding naar alle lidstaten en naar de rest van de wereld vanuit: let op, dit zijn onze waarden. Het eruit halen van de grondrechten zendt ook een signaal uit, maar wat ons betreft een verkeerd.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.8">Nederland moet een steviger profiel aannemen op het gebied van mensenrechten, aldus minister Verhagen tijdens de Mensenrechtenraad. Graag hoor ik van hem hoe het Nederlands pleidooi om de grondrechten uit het verdrag te houden past in deze missie. Wij zijn wel heel blij met de duidelijke uitspraak van de minister over de meerwaarde van het handvest ten opzichte van het EVRM. Voor ons staat dit als een paal boven water, evenals het belang van toetreding van de EU tot het EVRM.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.9">GroenLinks steunt het streven naar een kritische toets van de subsidiariteit en een heldere bevoegdheidsafbakening. Een compleet rigide stelsel zou echter meteen een verdragswijziging vergen bij nieuwe ontwikkelingen of behoeften. Mijn vraag is of hierin een balans is gevonden. Op welke terreinen zou men een passarellebepaling willen handhaven of juist schrappen?</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.10">Het kabinet is tot nu toe vrij schimmig over op welke terreinen het meerderheidsbesluitvorming wil. Allereerst een vraag ter opheldering. Wordt met meerderheidsbesluitvorming altijd gedoeld op de codecisieprocedure, waarbij het Europees Parlement de rol van medewetgever vervult en waarbij het Hof steeds de ruimste jurisdictie toebedeeld krijgt? Daar ga ik vanuit, maar dat hoor ik graag uit uw mond. Daarnaast wil ik graag meer duidelijkheid over op welke terreinen men dit wil. Wat betekent dit voor het externe beleid van de EU dat volgens het kabinet krachtiger zou moeten zijn, zij het zonder minister? Op welke wijze kan dit slagvaardiger worden? GroenLinks zou op dit terrein graag meerderheidsbesluitvorming en een actieve rol voor het Europees Parlement zien. Alleen zo krijgen wij een stevige positie in de wereld en een effectieve mensenrechtenpolitiek.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.11">Verder is de fractie van GroenLinks erg benieuwd naar de positie van het kabinet op het gebied van strafrecht. Bij een aantal aspecten is een grensoverschrijdende aanpak noodzakelijk, maar bij andere onderwerpen is het strafrecht bij uitstek een nationale aangelegenheid. Maatschappelijke opvattingen worden gereflecteerd in strafrechtelijke normen van een staat. Deze willen wij behouden, en dan niet alleen de materiële normen, zoals abortus, euthanasie of ons softdrugsbeleid, maar bijvoorbeeld ook het opportuniteitsbeginsel en het ontbreken van minimumstraffen.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.12">Wordt de kabinetsnotitie van 9&#160;mei 2003, Een Europese strafrechtelijke ruimte, onderschreven? Voor GroenLinks was deze een feest van herkenning, want wij vinden het al langer het beste om de terreinen precies te benoemen die zich voor een communautaire aanpak lenen, daarvoor meteen alle checks and balances op Europees niveau te regelen en het overige op nationaal niveau te houden. Die checks and balances betekenen niet alleen een Europees openbaar ministerie, maar ook rechterlijke en democratische controle. Heel belangrijk zijn Europese minimumnormen voor strafprocesrecht. Met de toenemende overheidssamenwerking, waardoor de macht van de staat per definitie wordt versterkt, schiet de bescherming van de burgers er wel eens bij in. Hoe staat het huidige kabinet daar tegenover? In de brief van vanmorgen lees ik dat de bewindslieden een bepaalde scheidslijn willen aanbrengen tussen wat communautair en nationaal is, maar de criteria daarvoor vind ik niet helemaal duidelijk. Ik zou ook graag een antwoord willen op die rechtswaarborgen en checks and balances.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.13">GroenLinks is verheugd dat het kabinet steeds het belang van democratische controle en transparantie benadrukt. Voor ons waren de verbeteringen op dat terrein een belangrijke reden om de grondwet te willen. Pas bij een medewetgevende rol van het Europees Parlement is er democratische legitimatie. In dit kader noemt het kabinet vaker een grotere rol van nationale parlementen dan toenemende macht voor het Europees Parlement. Dat is heel vleiend, maar wij kunnen die rol van het Europees Parlement niet vervangen. Niettemin juichen wij deze inzet van het Nederlandse kabinet toe, omdat interparlementaire samenwerking Europa weer dichter bij de nationale samenlevingen kan halen. Deze regeling vervangt evenmin de democratische controle op de standpunten van de eigen regering in de raad. Als die controle goed is, zal het niet zo vaak gebeuren dat een meerderheid in de raad een voorstel wel ziet zitten, terwijl een meerderheid van de nationale parlementen dat niet ziet zitten.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.14">Hoe kijken de bewindslieden aan tegen andere manieren om de burger directer invloed te geven op de Europese wetgeving? Ik denk dan aan Europabrede correctieve referenda. De verkiezing van het Europees Parlement zou met Europese kandidaten kunnen, om zo ook Europese politieke partijvorming te stimuleren. Als wij onze nationale perceptie loslaten, zijn er tal van verbindingen mogelijk tussen Europa en haar burgers.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.15">Ik kom tot een conclusie. De fractie van GroenLinks betreurt het dat Nederland kiest voor een minimale variant, omdat hierdoor alle verbeteringen opnieuw bevochten moeten worden. Alles ligt weer open, zoals het voorbeeld van Polen laat zien. Wij dragen de regering daarom op om er in elk geval voor te knokken dat de verbeteringen in de rechtswaarborgen behouden blijven. Ik denk dan aan het handvest, een grotere rol voor het Europees Parlement en voor de nationale parlementen en de uitbreiding van het Hof van Justitie. De bewindslieden kunnen ervan op aan dat zij de neestemmers daarmee omarmen en niet bruuskeren.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.16">Het is nodig dat de Nederlandse regering rekening houdt met de uitslag van het referendum, maar wij hebben bezwaar tegen de uitleg die zij eraan geeft. De houding is te bangig, te nationaal en te defensief. Dat is heel jammer, want daardoor kan het kind met het badwater worden weggegooid. De grondwet biedt ook heel veel om trots op te zijn, maar om die trots over te dragen moet je die eerst zelf uitstralen. Laten wij wel wezen, de bewindslieden kunnen niet ontkennen dat Europa een statelijk karakter heeft. Speel geen verstoppertje, maar verander dit liever in een rechtsstatelijk karakter.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.17">De regering wil de ja- en neestemmers tegelijkertijd tevreden stellen door enerzijds te betogen dat deze voorstellen niet tot inhoudelijke wijzigingen leiden en anderzijds te beweren dat de inzet tot zo'n wezenlijk ander resultaat zal leiden dat recht wordt gedaan aan de neestemmers. Ik neem niet aan dat dit een tactiek is om een referendum te voorkomen. Dat zou wel heel cynisch zijn, gelet op de lofzang op meer betrokkenheid van de burgers. Als het alleen oude wijn in nieuwe zakken is, vraag ik mij af of de Nederlandse bevolking, die de moeite heeft genomen om naar de stembus te gaan, zich niet bekocht voelt. Als het wel nieuw is, dient men zich ervan te vergewissen of de referendumuitslag wel juist wordt geïnterpreteerd. Welk resultaat er ook wordt geboekt, de kiezers verwachten terecht dat zij hierover zelf een oordeel kunnen geven. Zo niet, dan ben ik heel bang dat de kiezers zich echt afwenden van Europa. Het is aan ons om de Europese geest op een positieve manier over te dragen in Nederland.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.1.18">Rest mij nog om de bewindslieden, maar ook de Duitse voorzitter, heel veel succes te wensen met de onderhandelingen in de komende dagen. Politiek is de kunst van het mogelijke, zei Bismarck ooit, wie weet niet voor niets een voorganger van mevrouw Merkel.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.2.1">Mevrouw Strik, u hebt er duidelijk zin in. Vorige week dinsdag, nog voor uw installatie als lid van deze Kamer, hebben wij al een artikel van uw hand mogen lezen in het dagblad Trouw, waarin u stevige stellingen inneemt over de Eerste Kamer in het algemeen en de parlementaire dimensie van Europa in het bijzonder. Dat laatste onderwerp is hier vandaag aan de orde. Ik feliciteer u van harte met uw bijdrage.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.2.2">U hebt een sociale en juridische achtergrond. U studeerde sociaal-cultureel werk aan de Sociale Academie in Eindhoven en Nederlands recht en internationaal publiekrecht aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. U vervulde diverse functies in de sociaal-culturele sector, waarvan een aantal als vrijwilliger. Op juridisch vlak bent u actief geweest voor het Jongerenadviescentrum in Amsterdam, VluchtelingenWerk Nederland, de arrondissementsrechtbank in Zwolle en het ministerie van Justitie.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.2.3">U combineerde uw juridische kennis en ervaring met de politiek in uw functie als beleidsmedewerker van de fractie van GroenLinks in de Tweede Kamer. Van 2002 tot 2006 was u wethouder van Wageningen, met een veelomvattende sociale portefeuille. Op dit moment bent u onderzoeker bij het Centrum voor migratierecht in het kader van uw promotie. Binnen uw partij was u de afgelopen jaren lid van de programmacommissie voor het verkiezingsprogramma 2006 en de kandidatencommissie van GroenLinks voor de Europese verkiezingen. Van 2003 tot 2006 was u voorzitter van de adviesgroep raad- en statenwerk GroenLinks en lid van het strategisch beraad van uw partij. Dat is allemaal niet niets.</p>
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.2.4">Als kandidaat voor het lidmaatschap van deze Kamer presenteerde u zichzelf dit voorjaar op de internetsite van GroenLinks als specialist in onder andere Europees recht en beleid. Het is niet iedereen hier gegeven om een maidenspeech te kunnen houden over het onderwerp waarin men gespecialiseerd is. U staat bekend als iemand met sterke opvattingen die zich niet zo gauw van haar mening laat afbrengen. Ik kijk maar even naar beide bewindspersonen, dan weten zij dat ook alvast. U gaat zeer nauwkeurig te werk. Ik heb mij laten vertellen dat u als beleidsmedewerker van de fractie van GroenLinks in de Tweede Kamer elk wetsvoorstel werkelijk tot in de puntjes uitspitte. Dat zijn eigenschappen die ook kenmerkend zijn voor een lid van de Eerste Kamer en die maken dat u meer dan welkom bent in dit huis. Van harte gefeliciteerd. Ik schors de vergadering wederom, om mevrouw Strik te kunnen feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.3">
                        <p docno="h-ek-20062007-1007-1048.1.5.3.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Strik, u hebt er duidelijk zin in. Vorige week dinsdag, nog voor uw installatie als lid van deze Kamer, hebben wij al een artikel van uw hand mogen lezen in het dagblad Trouw, waarin u stevige stellingen inneemt over de Eerste Kamer in het algemeen en de parlementaire dimensie van Europa in het bijzonder. Dat laatste onderwerp is hier vandaag aan de orde. Ik feliciteer u van harte met uw bijdrage.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Swenker" MPid="02276" party="VVD" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="1999-07-06" topic="Experimenten WW" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19981999-1594-1607.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19981999-1594-1607.1.5" which-speech-in-topic="4" number-of-paragraphs="11" number-of-words="1483" number-of-unique-words="566" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Sociale zekerheid <pm:entity> Werkloosheid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Werk <pm:entity> Werkgelegenheid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Hofstede" MPid=""/>
                <speaker name="Jaarsma" MPid="02848"/>
                <speaker name="De Wolff" MPid="02281"/>
                <speaker name="Swenker" MPid="02276"/>
                <speaker name="Hoogervorst" MPid="02521"/>
                <speaker name="Hofstede" MPid=""/>
                <speaker name="De Wolff" MPid="02281"/>
                <speaker name="Hoogervorst" MPid="02521"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan mevrouw Swenker, die eveneens haar maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5" speaker="Swenker" party="VVD" function="Mevrouw" title="Mevrouw Swenker  (VVD)" MPid="02276">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.1" speaker="Swenker" function="Mevrouw" MPid="02276">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Swenker (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Swenker</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.1.2">Mijnheer de voorzitter! Dit wetsvoorstel kan een goede bijdrage leveren aan het verder terugdringen van de werkloosheid van met name groepen werklozen voor wie het kennelijk moeilijk is om weer werk te vinden of om aan het werk te blijven. Eigenlijk is er sprake van een paradox. Enerzijds treffen wij regelmatig in de krant berichten aan over een tekort aan vaklieden. Het is een feit dat het in de sector gezondheidszorg moeilijk is om aan personeel te komen. Laatst las ik weer dat de rederijen onvoldoende mensen kunnen vinden. Zo zijn er ongetwijfeld veel meer sectoren. Anderzijds blijkt er toch een grote groep te zijn voor wie het moeilijk is om een plek op de arbeidsmarkt te vinden of te behouden. Dit betekent dus ook dat maatregelen zich specifiek op mensen moeten richten om succes te krijgen en om ervoor te zorgen dat het aangewende geld ook goed wordt besteed.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.1.3">De ervaring leert tevens, zo blijkt steeds weer, dat door de uitgebreide regelgeving bepaalde instrumenten die wel soelaas zouden kunnen bieden om het aantal werklozen te beperken contra legem blijken te zijn, zodat in feite de regelgeving op bepaalde aspecten haar doel is voorbijgeschoten. Dat wordt nu wettelijk rechtgetrokken door experimenten mogelijk te maken en door mensen extra incentives te geven zodat zij in het arbeidsproces kunnen blijven of weer een plek kunnen vinden.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.1.4">Uit de nota naar aanleiding van het verslag van deze Kamer blijkt dat er één experiment per wetsartikel zal komen en drie experimenten op basis van artikel 130 van de WW. In feite is dat één experiment voor ieder instrument. Kenmerk van een experiment is dat er onvoldoende duidelijkheid bestaat over het effect ervan. Experimenten lopen wel eens fout, maar daar is niet altijd mee gezegd dat het instrument waarmee geëxperimenteerd wordt, niet goed is. Achteraf kan blijken dat de opzet van het project niet goed was, of dat de selectie van de daarvoor in aanmerking komende personen niet goed was, of dat er andere situaties waren die men tevoren niet had voorzien. Nu er kennelijk maar één experiment wordt uitgezet per instrument is de basis in feite tamelijk smal. Want als het fout gaat om welke reden dan ook, wordt het instrument niet in de wet verankerd. Wellicht is dat voor de staatssecretaris een reden om bij de evaluatie tot een heroverweging te komen en misschien wel tot een herkansing over te gaan.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.1.5">Er zijn ook een aantal vragen. Het is bijvoorbeeld niet helemaal duidelijk hoe de deelname van de in aanmerking komende mensen per experiment zich verhoudt tot de totale doelgroep en het geld dat daarvoor is uitgetrokken. Om een sluitende aanpak te bereiken, moeten 135.000 trajecten worden uitgezet. Hoeveel mensen worden bereikt met deze experimenten?</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.1.6">Daarbij komt dat de experimenten volgens de nota naar aanleiding van het verslag van vorige maand, zich zullen beperken tot slechts één of meer sectoren in slechts één of meer regio's. Als deze analyse juist is, dan lijkt het erop, dat het voor een individuele werkloze bijna een lot uit de loterij is als hij kan deelnemen aan een experiment. Hoe komt een werkloze, of iemand die dreigt werkloos te worden en gemotiveerd is om weer aan de slag te gaan, nu te weten dat er nieuwe, andere mogelijkheden worden geboden die hem helpen weer de arbeidsmarkt op te komen? Ofwel: hoe kom ik als werkloze erachter dat er experimenten komen, en nog belangrijker, hoe kom ik als werkloze erbij?</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.1.7">In de nota naar aanleiding van het verslag van deze Kamer staat dat een werkloze geen individueel recht heeft op deelname, ook al behoort hij tot de doelgroep. Het lijkt erop dat de UVI's weten wat goed is voor de betrokkenen. Ik heb gelezen dat de UVI's werken met kansmeters. Wat zijn dat voor nieuwe graadmeters? De VVD-fractie wil de staatssecretaris vragen er bij de vaststelling van de kaders in ieder geval voor te zorgen dat de uitvoeringsverantwoordelijken zo breed mogelijk informatie verspreiden onder de werklozen die voor de experimenten in aanmerking komen. Sterker nog, de insteek zou moeten zijn dat iemand die zich voor een experiment aanmeldt, in beginsel moet kunnen deelnemen aan zo'n experiment, tenzij er zwaarwegender argumenten zijn om dit te weigeren. Werkzoekenden die gemotiveerd zijn, kunnen wel eens een zeer goede garantie zijn om de experimenten te laten slagen. In dit opzicht zeg ik: geen beter mens dan een gemotiveerd mens.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.1.8">In dit verband is ook niet helemaal duidelijk welke financiële middelen beschikbaar en nodig zijn, los van de inverdieneffecten. Er komt een toevoeging van 40 mln. aan het AFW voor de reïntegratie. Heen en weer bladerend in de stukken over dit wetsontwerp, concludeerde ik dat het niet makkelijk is duidelijkheid te krijgen over de kosten en de baten van deze experimenten. Gelukkig weet de afdeling voorlichting van het ministerie het wel. In de voorlich- tingsbrochure "De sluitende aanpak in een notendop" van mei jongstleden staat dat een sluitende aanpak het Rijk in 1999 totaal 165 mln. kost. In de komende jaren is dat structureel 250 mln. En dan staat er ook nog dat dit in een structurele situatie – naar ik aanneem, wordt hiermee gedoeld op de periode 2002-2003 – uitgaande van 135.000 extra trajecten, 800 mln. bruto op jaarbasis kost. Het is een brutobedrag omdat nog een beroep wordt gedaan op het Europees Sociaal Fonds en de sociale partners. Kan de staatssecretaris, bijvoorbeeld in een notendop, hier nu meer informatie over geven? Zijn deze cijfers correct en wat zijn de geschatte nettobedragen op jaarbasis?</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.1.9">Na vaststelling van de kaders zullen de uitvoeringsorganen met voorstellen moeten komen. Is inmiddels bekend wat er gaat gebeuren? Zijn er voldoende plannen en zijn er voldoende werkzoekenden gevonden voor de experimenten? Dan wordt het geld dat beschikbaar is in ieder geval het eerste jaar daadwerkelijk aangewend, zodat er aan het eind van het jaar geen jammerklacht van menigeen ontstaat dat het geld weer niet is benut. Kan de staatssecretaris daar meer informatie over verschaffen? In de notendopbrochure staat dat er 30.000 extra trajecten moeten worden gerealiseerd in 1999. Lukt dat?</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.1.10">Voorts wijd ik nog een enkel woord aan de bureaucratie. Op zichzelf is het goed dat uitwerking en initiatieven van onderop komen, met andere woorden uit het veld, mits er niet te veel schakels naar boven worden gecreëerd, want die brengen altijd enige mate van bureaucratie mee. Ik stip nog een ander probleem aan dat enigszins vergelijkbaar is met het probleem van de bureaucratie. Deze wetsaanpassing is nodig omdat instrumenten die worden voorgesteld in beginsel contra legem zijn. Dat houdt ook in dat deze experimenten als het ware op gespannen voet staan met de regels van deze wet. En het zou mij niets verbazen als de uitvoering tegen dit probleem oploopt. Uitvoerders die nu tot taak hebben de wet uit te voeren, moeten plannen maken die voorheen eigenlijk verboden waren. En hoe dan te handelen? De oplossing is dan vaak om heel precies te omschrijven waar de grenzen liggen, om heel precies te zeggen wat wel en niet is toegestaan. En dat is begrijpelijk. Maar dit kan de flexibiliteit soms zodanig aantasten dat het doel dat men wil bereiken belemmerd wordt door de te stellen uitvoeringsregels met alle problemen van dien.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.1.11">Het klinkt misschien abstract, maar de ervaring leert dat experimenten die als het ware moeten bewijzen dat de regelgeving in bepaalde opzichten te strak was, in de praktijk soms een moeilijke tijd tegemoet gaan omdat de praktijk vaak weerbarstig is in haar verscheidenheid en casuïstiek. Ik vraag de staatssecretaris, hiervoor bijzondere aandacht te hebben in de uitwerking van de experimenten.</p>
                        <p docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.1.12">Tot slot stond in de genoemde notendopbrochure van het ministerie in hoofdstuk 4 dat deze wet naar verwachting op 1 juli 1999 in werking treedt. Het LISV-magazine van juni jongstleden weet het heel zeker: "op 1 juli treedt de wet in werking". Nu overkomt het mij ook wel eens dat ik niet precies weet wat voor dag het is, maar ik heb nu toch de stellige indruk dat het vandaag 6 juli is. Wellicht kan de staatssecretaris uitleggen de hoeveelste het vandaag is en dan vooral in relatie tot de inwerkingtreding van deze wet.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.2.1">Ik wens mevrouw Swenker graag van harte geluk met het houden van haar eerste toespraak als lid van deze Kamer. Zij is ook advocaat geweest, maar dat maar heel kort en intussen lang geleden. Daarna heeft zij een heel andere weg gevolgd. Zij was eerst werkzaam ten behoeve van medische beroepen en vervolgens in de zorg zelf en in de medische zorg in het bijzonder. Dat kwalificeert haar om in deze Kamer onder andere over volksgezondheid te spreken, maar zoals nu bleek ook over een onderwerp van sociale zaken, de langdurig werklozen. Ik wens haar van harte geluk met haar maidenspeech en wens haar veel succes in haar loopbaan als lid van deze Kamer.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.3">
                        <p docno="h-ek-19981999-1594-1607.1.5.3.1">De vergadering wordt van 15.25 uur tot 15.40 uur geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Swenker" MPid="02276" party="VVD" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2004-04-19" topic="SZW/SpaarfondsAOW/motie-De Rijk c.s." url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-1175-1200.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-1175-1200.1.4" which-speech-in-topic="3" number-of-paragraphs="25" number-of-words="3052" number-of-unique-words="935" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Werk <pm:entity> Werkgelegenheid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Werk <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Sociale zekerheid <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Gemeenten</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Leijnse" MPid="02785"/>
                <speaker name="Vedder-Wubben" MPid="03030"/>
                <speaker name="Swenker" MPid="02276"/>
                <speaker name="Meulenbelt" MPid="03019"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="De Rijk" MPid=""/>
                <speaker name="Van Leeuwen" MPid="00795"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Mevrouw Vedder, van harte proficiat met uw maidenspeech. Het is evenals bij uw collega Leijnse niet toevallig dat ú vandaag bij de behandeling van de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het woord voert namens de CDA-fractie en uw maidenspeech daarbij houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4" speaker="Swenker" party="VVD" function="Mevrouw" title="Mevrouw Swenker  (VVD)" MPid="02276">
                    <speech party="VVD" docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1" speaker="Swenker" function="Mevrouw" MPid="02276">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Swenker (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Swenker</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.2">Mevrouw de voorzitter. In de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid staat als een van de belangrijkste speerpunten genoemd dat het kabinet streeft naar een sterke economie en dat iedereen moet meedoen. Iedereen moet zijn beste beentje, zijn werkbeentje, voorzetten in het kader van de bevordering van de arbeidsparticipatie. Het gaat hier om meer werk, vooral om zelf verdiend en betaald werk, maar ook om meer deelname aan het arbeidsproces door degenen die tot nu toe niet gewerkt hebben. Een van de belangrijkste redenen betreft de komende vergrijzing. Het aantal ouderen zal in de komende decennia oplopen van 14% naar 24% en de vergrijzing en de gevolgen daarvan voor de jongere generaties zullen zich op tal van terreinen manifesteren. In dit verband is al genoemd de arbeidsmarkt. Echter, zij zullen zich ook doen gevoelen bij de stijging van de kosten voor de gezondheidszorg en bij de inkomensverhoudingen. Zij zullen ook gevolgen hebben voor de solidariteit binnen en tussen generaties. Kortom, we hebben hier te maken met een complex aan factoren.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.3">De VVD-fractie is het er helemaal mee eens dat het goed is om zelfstandig je eigen inkomen te verdienen. Werk draagt bij aan zelfrespect en geeft de mogelijkheid om jezelf te ontplooien en om sociale contacten te onderhouden. De VVD-fractie is echter ook van mening dat de samenleving voor degenen die hiertoe echt niet in staat zijn een vangnet in stand moet houden. Belangrijk speerpunt voor de bewindslieden is dus de arbeidsparticipatie in de nabije toekomst verder bevorderen. Hoe houd je werknemers aan het werk? En: hoe krijg je mensen die nog niet werken aan het werk?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.4">Om die arbeidsparticipatie te bevorderen zijn door verschillende kabinetten op tal van terreinen heel veel maatregelen genomen. Wij kennen allemaal de sluitende aanpak van de WW, de onlangs gerealiseerde herziening van de Bijstandswet, maar ook de maatregelen op het gebied van ziekteverzuimbestrijding, zoals de Poortwachterswet, de twee jaar loondoorbetaling en de sancties voor werkgevers bij instroom in de WAO. Ook de sluiting van arboconvenanten blijkt een goede impuls op te leveren in preventieve zin en soms zijn de gevolgen al zichtbaar in de vorm van een lager ziekteverzuim.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.5">Een van de problemen is dat de arbeidsparticipatie van de 55-plussers verhoudingsgewijs nog steeds laag is. Dit wordt ongetwijfeld mede veroorzaakt door, ook door de overheid, gestimuleerde invoering van vut-regelingen. Die werden destijds met name ingevoerd om jongeren meer kansen op de arbeidsmarkt te geven. Nu is het voornemen om deze regelingen te laten verdwijnen door ze niet meer fiscaal te faciliteren, omdat wij de deelname van ouderen nodig hebben.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.6">De VVD-fractie betreurt in dit verband de plannen van minister Remkes om in het kader van de afslanking van het aantal ambtenaren degenen die 57 jaar of ouder zijn naar huis te laten gaan met 70% van hun salaris, terwijl ook nog gedurende 4 jaar een deel van de pensioenopbouw wordt doorbetaald. Dit staat haaks op het kabinetsbeleid. Drie maanden geleden hebben wij in deze Kamer de vervolguitkering WW afgeschaft en de sollicitatieplicht voor 57-plussers weer ingevoerd. Kortom, het sociaal plan van het kabinet als werkgever staat haaks op het beleid van het kabinet als wetgever voor de particuliere werkgevers. Dat doet erg denken aan: gelijke monniken, ongelijke kappen. Geldt voor deze ambtenaren ook een sollicitatieplicht en hoe verhoudt zich dit met de voorgenomen maatregelen van het kabinet met betrekking tot de VUT-afschaffing en andere maatregelen om ouderen langer aan het werk te houden? Wat geldt eigenlijk voor de rijksoverheid dat niet geldt voor particuliere bedrijven die zich genoodzaakt zien om af te slanken wegens slechte economische omstandigheden, vraagt de VVD-fractie aan de minister. Is door het kabinet wel eens overwogen om te komen tot de instelling van een civil service commission, zoals andere landen die ook kennen, om ten minste de vermenging van de functie van wetgever en die van werkgever zoveel mogelijk tegen te gaan?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.7">Overigens wordt algemeen erkend dat de lasten met het stijgen der jaren komen en dat ouderen een groter risico op arbeidsongeschiktheid hebben. We worden statistisch gezien wel ouder, maar het is de vraag of dit inhoudt dat we langer aan het werk kunnen blijven. Vooralsnog neemt het aantal arbeidsgehandicapten op oudere leeftijd verhoudingsgewijs meer toe dan bij andere leeftijdsgroepen, zo blijkt uit het jaarrapport Arbeidsgehandicapten 2002 van het ministerie. Daarbij komt dat door het RIVM voorspeld wordt dat het aantal chronisch zieken sterk zal stijgen. Een oudere die bijvoorbeeld last heeft van artrose of een andere chronische aandoening, kan hier zeker nog lange tijd mee leven, maar als hij nog volop deel moet uitmaken van het arbeidsproces, zal het aantal arbeidsongeschikten zeker stijgen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.8">De VVD-fractie wil dit met een voorbeeld toelichten. In het verleden zijn door de overheid met name voor zwaardere beroepen, zoals brandweerlieden, reinigingspersoneel en ambulancepersoneel aparte regelingen in het leven geroepen, bijvoorbeeld in de vorm van functioneel leeftijdsontslag. Kennelijk heeft het kabinet zich gerealiseerd dat door het verdwijnen van deze regelingen het aantal arbeidsongeschikten in de toekomst verhoudingsgewijs wel eens fors zou kunnen toenemen. De minister heeft aangekondigd dat er voor mensen met een zwaar, een "slijtend" beroep mogelijkheden moeten komen om eerder te stoppen. Op welke wijze gaat de minister dat regelen? Door weer nieuwe leeftijdsgrenzen vast te stellen en daarmee mogelijk in strijd te komen met het verbod op leeftijdsdiscriminatie? Of gaat hij dat doen op grond van individuele beoordelingen van betrokken personen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.9">Een ander probleem is dat het voor ouderen zeer moeilijk is om weer aan het werk te komen. De minister was aanvankelijk van mening dat de sollicitatieplicht voor ouderen weer moest worden ingevoerd, maar hij vraagt zich nu af of dit wel zin heeft voor bepaalde groepen van ouderen, bijvoorbeeld als zij vrijwilligerswerk verrichten. Wat is precies de visie van de minister met betrekking tot de arbeidsparticipatie van ouderen? Wat zullen de gevolgen zijn van het kabinetsvoornemen om deze VUT-achtige regelingen te laten verdwijnen? Hoe taxeert de minister de mogelijkheden op de arbeidsmarkt voor deze ouderen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.10">Een interessante vraag is ook of ernaar gestreefd zou moeten worden om degenen die na hun 65-ste jaar willen doorwerken, beter te faciliteren. Sommigen willen dit, maar dat is niet eenvoudig. Werkgevers die 65-plussers in dienst hebben, zijn verantwoordelijk voor het doorbetalen van loon bij ziekte. Zij stellen vast dat dit risico niet meer verzekerbaar is en vinden het risico dan te groot om het zelf te dragen. Einde dienstbetrekking dus. Zou het geen overweging verdienen om op een passende plaats een wetsartikel te formuleren dat een dienstbetrekking met een 65-plusser bij langdurige ziekte beëindigd kan worden?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.11">Een andere oplossing is om 65-plussers via een uitzendbureau te contracteren. Er zijn inmiddels speciale uitzendbureaus die zich hierop richten, maar de opdrachtgever en de uitzendkracht lopen hier tegen de Wet flexibiliteit en zekerheid op. Na anderhalf jaar vervalt het flexibele uitzendcontract via het uitzendbureau en moet er een vast contract komen. Een 65-plusser zit daar niet op te wachten. De werkgever en het uitzendbureau willen het risico niet dragen. Bij de evaluatie van de Flexwet in het voorjaar van 2002 is hierover tot spijt van de VVD-fractie niets gezegd. Zou de minister bereid zijn om voor 65-plussers die willen blijven werken het arbeidsrecht meer op maat aan te passen, al was het alleen maar door een aantal belemmeringen weg te nemen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.12">Er zal bij verdere doorgroei van de arbeidsparticipatie dus ook een beroep gedaan moeten worden op degenen die tot nu toe minder dan gemiddeld hebben deelgenomen aan de arbeidsmarkt, zoals ouderen en vrouwen, maar ook laaggeschoolden. Het toenmalige Lisv heeft al in 1999 berekend dat laaggeschoolden zeven maal zoveel kans hebben om in de WAO terecht te komen als mensen met een hbo- of universitaire opleiding. Kortom, verhoging van de arbeidsparticipatie van deze groepen zal tot gevolg hebben dat het aantal arbeidsongeschikten proportioneel sterker zal toenemen, omdat onder de nieuwe arbeidsparticipanten mensen zitten die meer het risico lopen om arbeidsongeschikt te worden. Is het niet zinvol om ten aanzien van deze groepen van de beroepsbevolking meer specifiek gerichte maatregelen te nemen om dit grotere risico in te dammen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.13">De WRR stelt in zijn rapport Doorgroei van de arbeidsparticipatie, dat de echte toename moet komen van vrouwen. De deelname van vrouwen groeit de laatste jaren aanzienlijk, maar wel vooral in deeltijdfuncties. Zij blijven achter in fulltimebanen en hogere functies. Wel blijkt dat zij tweemaal zoveel risico lopen om in de WAO terecht te komen als mannen, en dan met name vanwege psychische klachten. Argumenten die aangevoerd worden, zijn dat hun arbeidssatisfactie lager zou zijn vanwege de functies die zij hebben, dat zij hogere eisen zouden stellen aan de werksfeer of zwaarder belast zouden worden door de zorg voor de kinderen en het huishouden. Het is echter wel een zeer belangrijke groep voor de groei van de arbeidsparticipatie in de toekomst. De VVD-fractie is van mening dat het de moeite waard is om veel preciezer naar deze groep te kijken: waar komen de problemen vandaan en welke maatregelen, graag op maat, kunnen worden genomen?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.14">Wij moeten ons overigens ook realiseren dat een aanzienlijk deel van de vrouwen die niet werken of gedeeltelijk werken, een zeer groot deel van het vrijwilligerswerk voor zijn rekening neemt, vooral in de welzijnssector en in de gezondheidszorg. Het vervangen van vrijwilligerswerk door betaald werk zal ongetwijfeld een aanzienlijke kostenverhoging op tal van terreinen in het maatschappelijk leven, maar vooral in de gezondheidszorg met zich brengen. En dat is toch al een sector die wordt geplaagd door sterke kostenstijgingen, nu en zeker in de toekomst. Enerzijds stelt minister Hoogervorst dat de burger in de gezondheidszorg meer eigen verantwoordelijkheid moet nemen en een beroep moet doen op de sociale omgeving, ofwel de mantelzorg, maar anderzijds wil de minister van Sociale Zaken dat iedereen aan het werk gaat. Hoe gaat het kabinet die spagaat oplossen? De schatting is dat er 1,4 miljoen informele zorgverleners zijn. Dat is een gigantisch veelvoud van het aantal formele zorgverleners. We zouden failliet gaan als al deze vrijwilligers betaalde arbeid zouden gaan verrichten.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.15">Zou het een goed idee zijn om de 65-plussers, of misschien wel de eerder gepensioneerden, meer faciliteiten te bieden, bijvoorbeeld op fiscaal gebied, zodat juist zij een groter deel van dit vrijwilligerswerk op zich kunnen nemen? Zij doen nu al veel.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.16">Op het ogenblik heeft een gezin van gemiddeld 40 jaar 1,75 kind en 3,07 ouder. Er zijn ongeveer 200.000 gezinnen van gemiddeld vijftig jaar; zij hebben al aanzienlijk minder zorgtaken voor kinderen of ouders. De vraag naar zorg doet zich vooral voor tijdens de spitsperiode van het leven, tussen de 30 en de 50 jaar. Als het kabinet van de burger vraagt dat hij aan het werk blijft of gaat, zal het kabinet ook de taken die iedere burger daarnaast heeft, zoals zorg voor kinderen, ouderen, partners of anderen, moeten faciliteren. Daarmee komen wij vanzelf bij de vraag hoe wij het levensloopbeleid gaan vormgeven.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.17">Het is het gemakkelijkst om bij levensloopregelingen globaal drie categorieën te onderscheiden: het inkomen op korte termijn dat bijvoorbeeld nodig is voor ouderschapsverlof of studieverlof, het inkomen op middellange termijn dat bijvoorbeeld nodig is voor het verlenen van zorg aan ouders of kinderen en het inkomen op lange termijn om bijvoorbeeld eerder te kunnen stoppen met werken om te zorgen voor je partner. De interesse van de VVD-fractie gaat hierbij vooral uit naar het verlof op middellange en lange termijn, ofwel naar de mogelijkheid om eerder dan op het 65ste jaar met pensioen te gaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.18">De VVD-fractie is van mening dat het door de vergrijzing en de druk op de collectieve lasten, zoals de AOW en de gezondheidszorg, duidelijk de voorkeur verdient om nieuwe regelingen niet op een omslagsysteem te baseren, maar op kapitaaldekking, ofwel: gewoonweg sparen. Dat voorkomt dat er een te groot financieel beroep wordt gedaan op de volgende generaties. Ook de volgende generaties zullen de problemen hebben waarover wij nu praten. Ook zij zullen spitsperioden kennen. De VVD-fractie is van mening dat het niet goed is om hen extra financieel te belasten. De kosten van de AOW, de gezondheidszorg en de resterende staatsschuld zullen waarschijnlijk al een groot beroep doen op hun solidariteit.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.19">Sommigen zijn van mening dat de betrokkenen hun reeds opgebouwde pensioenrechten halverwege hun levensloop zouden moeten kunnen inzetten om een tijdje niet te werken, want – zo luidt de stelling – als zij daarna weer aan het werk gaan, kunnen zij verder of opnieuw aan hun pensioenopbouw werken. De VVD-fractie vindt dit geen goede oplossing. Wat gebeurt er nu als de betrokkene, om welke reden dan ook, niet meer aan het werk gaat of bijvoorbeeld gezondheidsklachten krijgt? Wij worden met z'n allen wel ouder, maar dat wil nog niet zeggen dat die extra jaren ook gezonde jaren zijn. Zoals ik al zei: voorspeld is dat het aantal chronische ziekten zeker bij ouderen behoorlijk zal toenemen. Het risico is dat het tussentijds opsouperen van een stukje opgebouwd pensioen kan leiden tot weer geheel of gedeeltelijk afhankelijk worden van de AOW, en dat terwijl wij nu net stimuleren dat iedereen zijn eigen pensioen opbouwt. Bovendien zijn er steeds minder mensen die een veertigjarige opbouw hebben en gaan steeds meer pensioenfondsen over op het middelloonsysteem. Dat brengt met zich dat 70% van het laatstgenoten loon geen maatstaf meer is voor de pensioenuitkering. Deelt de staatssecretaris dit standpunt?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.20">Dit betekent dat werknemers eerst extra zullen moeten sparen of een verzekering zullen moeten sluiten om over die periode dat zij andere taken te vervullen hebben, zoals het zorgen voor ouders of kinderen, inkomen hebben en dat van de overheid mag worden verwacht dat zij hieraan een steentje bijdraagt. Daarbij ligt het voor de hand om dit te doen door een fiscale facilitering, waarbij deze wellicht meer zou moeten omvatten dan de bekende omkeerregeling, aangezien de burger anders in veel gevallen net zo goed "gewoon" netto kan sparen. Deelt de minister dit uitgangspunt?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.21">Anderen hebben al gezegd dat het zeker voor lagere inkomensgroepen moeilijk is om te sparen. Er zijn al suggesties gedaan. De VVD-fractie wil hier nog een suggestie aan toevoegen. Wij Nederlanders hebben wel een hoge arbeidsproductiviteit, maar wij maken verhoudingsgewijs weinig uren op jaarbasis. Dat is zeker het geval als men dit vergelijkt met de Verenigde Staten, om nog maar te zwijgen over de arbeidsduur in andere landen buiten Europa die onze concurrent zijn of zullen worden. Ter bevordering van onze economie en gelet op de vergrijzing is het niet alleen nodig om de komende jaren de lonen te matigen, maar zou het zelfs gewenst zijn om weer meer uren te gaan werken, tegen extra loon. Daar kun je dus ook heel goed van sparen. Dit spaargeld kan dan worden aangewend om voor ouders, kinderen of partner te zorgen of eerder uit te treden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.22">De VVD-fractie is van mening dat de flexibilisering en individualisering van pensioenregelingen dit mogelijk moeten maken. Bij een aantal pensioenfondsen is het nu al mogelijk om veel eerder, soms al vijf tot tien jaar eerder, met pensioen te gaan, zij het met een dienovereenkomstige actuarieel berekende lagere pensioenuitkering. Vaak is dat zelfs de beste reden om nog maar eventjes door te werken. Maar het sparen zou ook mogelijk moeten zijn door extra pensioen op te bouwen, zodat het realistischer wordt om eerder op te houden met werken voor degenen die dat willen, die een partner te verzorgen hebben of die met name dat slijtende beroep hebben. Zij hebben, gelet op de aard van hun beroep, een verhoogde kans op arbeidsongeschiktheid.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.23">Steeds meer pensioenfondsen gaan over op het middelloonsysteem. Pensioenuitkeringen zullen niet meer 70% van het eindloon bedragen, maar zij zullen lager zijn. Dan rijst ook de vraag of het om die reden niet mogelijk zou moeten zijn om in de tweede pijler een hoger pensioen op te bouwen. Er wordt altijd aangenomen dat ouderen minder uitgaven hebben. De kinderen zijn immers de deur uit, de eventuele hypotheek is afgelost enz. Maar zoals ik al zei: met de ouderdom komen ook de gebreken. Zeker als ons ziektekostenpakket en met name de ouderenzorg in de toekomst soberder worden en mensen meer kosten voor eigen rekening moeten nemen of geconfronteerd worden met hogere eigen betalingen – al waren het maar de kosten van een rollator – is het wijs om een goed pensioen te hebben opgebouwd. En dat scheelt de dan aanwezige staatssecretaris weer in de kosten van de bijzondere bijstand. Dit klemt te meer omdat het fiscaal sparen op basis van lijfrenten in de derde pijler voor iets extra's in feite niet meer mogelijk is. Ik hoor hierop graag een antwoord van de staatssecretaris.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.24">In dit verband is zeer interessant het initiatief van de FNV met de politieke partijen ter linkerzijde. De VVD-fractie heeft zeker begrip voor een aantal voorstellen, zoals de inzet van het spaartegoed om eerder met pensioen te gaan, zeker als men een slijtend beroep heeft. Er is ook geen bezwaar om bij CAO regelingen te treffen, maar de VVD-fractie is het met de minister eens dat de individuele verantwoordelijkheid voorop moet staan. De levensomstandigheden van mensen zijn niet gelijk. Eenieder moet daarom zijn eigen afweging kunnen maken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.25">Tot slot nog een enkele vraag over onze pensioenen. Gelukkig kennen wij een goed pensioensysteem met onze drie pijlers. Wij mogen ons daarmee gelukkig prijzen in Europa. Gelukkig is ook, dat vrijwel iedereen die werkt een op kapitaalbasis gedekte pensioenopbouw heeft. Echter, er zijn nog steeds witte vlekken, dat wil zeggen: mensen die geen pensioen opbouwen. Om deze reden blijft het van belang dat ook in de toekomst de AOW-uitkering is gewaarborgd. Dat wil overigens niet zeggen dat er geen problemen zijn in de tweede pijler. Met name is een probleem de toekomstige financierbaarheid van de premie. In tegenstelling tot werkgevers en werknemers hebben gepensioneerden nu geen beslissingsbevoegdheid. Zij hebben hooguit adviesrecht via de adviesraden die nu langzamerhand worden ingesteld. Naarmate de vergrijzing toeneemt en er steeds meer gepensioneerden komen, wordt de groep groter en zullen de gepensioneerden meer invloed willen uitoefenen op de indexering van hun pensioenen, hetgeen mogelijkerwijs weer van invloed kan zijn op de premie van de dan werkenden. Op welke wijze denkt de staatssecretaris het evenwicht tussen al deze verschillende partijen op langere termijn te bewaren?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1175-1200.1.4.1.26">Graag ziet de VVD-fractie de antwoorden van de bewindslieden op onze vragen tegemoet.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Tan" MPid="02277" party="PvdA" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="1999-12-21" topic="Korps landelijke politiediensten" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-465-477.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-465-477.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="12" number-of-words="1606" number-of-unique-words="660" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Politie, brandweer en hulpdiensten</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Rijksoverheid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Lodders-Elfferich" MPid="02269"/>
                <speaker name="Tan" MPid="02277"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Korthals" MPid="02738"/>
                <speaker name="Peper" MPid="02901"/>
                <speaker name="Lodders-Elfferich" MPid="02269"/>
                <speaker name="Tan" MPid="02277"/>
                <speaker name="Holdijk" MPid="02789"/>
                <speaker name="Korthals" MPid="02738"/>
                <speaker name="Peper" MPid="02901"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan mevrouw Tan. Ook zij houdt haar maidenspeech.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-465-477.1.3" speaker="Tan" party="PvdA" function="Mevrouw" title="Mevrouw Tan  (PvdA)" MPid="02277">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.1" speaker="Tan" function="Mevrouw" MPid="02277">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Tan (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Tan</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.1.2">Mijnheer de voorzitter! De fractie van de PvdA heeft reeds eerder aangegeven, zoals in de memorie van antwoord is vermeld, op zichzelf in te stemmen met het voorstel om het beheer van het KLPD over te dragen van de minister van Justitie aan de minister van BZK. De memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag kondigen echter verderstrekkende voorstellen aan over de bestuurlijke organisatie van de regionale politiekorpsen in het verlengde van de hoofdlijnennotitie Bestel in balans. De reactie van de bewindslieden op de inbreng uit deze Kamer heeft de fractie van de PvdA dan ook aanleiding gegeven tot nadere vragen die gaan over het publieke karakter van de politieorganisatie, over de relatie tussen Rijk en regio zoals die haar beslag krijgt in de beleids- en beheercyclus, en over de vraag hoe het verder moet met de organisatieontwikkeling, niet alleen wat betreft de structuur, maar ook wat betreft de cultuur van de politieorganisatie.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.1.3">In de algemene beschouwingen is ook door de fractievoorzitter van de PvdA aandacht gevraagd voor de afbakening tussen het publieke en het private domein. Nu is voor de politie – een enkele uitzondering inzake bewakingsdiensten daargelaten – nauwelijks sprake van discussie over privatisering of verzelfstandiging. De overgang van het KLPD naar de agentschapconstructie zien wij eerder als een voornamelijk begrotingstechnische operatie. Dat neemt de indruk niet weg dat ook inzake een zo publieke organisatie als de politie een overaccentuering van bedrijfsmatige aspecten op de loer dreigt te liggen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.1.4">Als reden waarom voor de politie bijzonder essentiële doelstellingen als rechtmatigheid en zorgvuldigheid nauwelijks in het onderhavige wetvoorstel aan de orde komen, wordt in de memorie van antwoord aangevoerd dat in dit opzicht geen met de beheersoverdracht samenhangende veranderingen gemoeid zijn. Die doelstellingen gelden voor de taakuitvoering onder verantwoordelijkheid van gezagsdragers; hun rollen blijven hetzelfde en staan los van het beheer van het KLPD, aldus de memorie van antwoord.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.1.5">Mijnheer de voorzitter! In de toelichting op het wetsvoorstel wordt het perspectief geschetst van veel verstrekkender ontwikkelingen in de politieorganisatie dan het beheer van het KLPD. Verder wekt dit antwoord de indruk dat de scheiding tussen gezag en beheer wel heel ver wordt doorgevoerd. Deze zijn immers wel te onderscheiden, maar niet strikt te scheiden, zoals in de beleids- en beheerscyclus duidelijk tot uitdrukking komt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.1.6">Laten wij de praktijk aan het woord. In het Tijdschrift voor de politie van november 1999 staan behartigenswaardige artikelen over organisatiebeelden en leidinggeven bij de politie. In een van die artikelen wordt gesteld dat politiewerk geen productiewerk is. Ik citeer. "Dit werk moet dus ook niet als zodanig worden gecontroleerd. Het is onzinnig om iemand de opdracht te geven, tussen 9.00 en 10.00 uur een bepaald aantal bekeuringen uit te schrijven." Einde citaat. De politieagenten geven aan dat zij vinden dat het management hun werk te veel weegt op grond van kwantificeerbare indicatoren en doelstellingen, zoals het aantal aangiften en het aantal processen-verbaal. In dit artikel komen verschillende agenten aan het woord die vinden dat het goede werk dat zij leveren, onopgemerkt en onbeloond blijft. Zij vinden verder dat de beeldvorming te veel wordt overheerst door zichtbare resultaten.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.1.7">Zonder ons te willen mengen in deze discussie, tonen deze voorbeelden aan hoezeer naast bedrijfsmatige ook ideële en principiële doelstellingen hun vertaling zullen moeten vinden in het beleids- en het beheerssysteem. Er dient immers voldoende ruimte te zijn voor basispolitiezorg, waarbij een louter kwantitatieve registratie van de output wezenlijke elementen van de dienstverlening ten onrechte buiten beschouwing laat. De PvdA-fractie hoort graag een standpunt hierover van de ministers.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.1.8">In het wetsvoorstel wordt gerefereerd aan een afspraak in het regeerakkoord om in deze regeerperiode een grootscheepse herziening van de Politiewet uit 1993 achterwege te laten, maar wel meer duidelijkheid te scheppen over verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Ook voor de strategische ontwikkeling van de politieorganisatie achten wij de mix van principiële en ideële doelstellingen enerzijds en bedrijfsmatige doelstellingen anderzijds leidend.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.1.9">Mijnheer de voorzitter! Gezien de datum van dit debat zien wij des temeer aanleiding om terug te blikken naar en te reflecteren over de toekomstperspectieven van de politieorganisatie. In Binnenlands Bestuur van 3 december 1999 staat in de serie "In de eeuw besloten" een interview met de oud-hoofdcommissaris van Groningen, de heer Karel Heijink. Daarin komt de verkokering destijds in de twaalf politiebureaus binnen Amsterdam aan de orde. Hij vergelijkt ze met koninkrijken. Verder komt het gebrek aan gezag van burgemeesters en afgevaardigden van justitie over de politie in de jaren zestig aan de orde. Tegen die achtergrond bezien biedt het onderhavige wetsvoorstel verdergaande mogelijkheden tot verbetering van de sturing, de afstemming en de samenwerking. Wij zijn daar ook een voorstander van.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.1.10">Het interview bevat echter tegelijkertijd een waarschuwing tegen te ver doorschieten. Destijds was in het rapport Politie in verandering de aanbeveling opgenomen om een einde te maken aan de verkokering, meer generalisten en minder specialisten aan te stellen, "wijksgewijs" te werken en af te rekenen met de strakke hiërarchie. Dat heeft in de jaren zeventig geleid tot het overhaast vervangen van specialisten door generalisten. Hierbij had men te weinig oog voor het management. Zo wordt in het interview gesteld. In dit interview wordt geen pleidooi gehouden voor een nieuwe reorganisatie, maar wel voor een heroriëntatie op de werkwijze, bijvoorbeeld in verband met de mogelijkheden van nieuwe technieken. Dat wil zeggen dat in de organisatieontwikkeling niet alleen aandacht moet worden geschonken aan de structuur, maar ook aan de cultuur. Bij die cultuur moet ook aandacht worden geschonken aan de verstrengeling van principieel-ideële en bedrijfsmatige doelstellingen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.1.11">In het eerder genoemde artikel in het Tijdschrift voor de politie wordt grote nadruk gelegd op het belang van goede communicatie over doelen en werkwijze van top naar basis en vice versa. Overigens staat de minister van BZK op de voorpagina van dit tijdschrift. Hij doet in dit tijdschrift namelijk uitspraken over de integriteit bij de politie; over cultuur gesproken. Welke bijdrage moet het beheer straks, volgens deze minister, leveren aan de heroriëntatie op de cultuur en de werkwijze van de politieorganisatie? Denkt hij daarbij aan investeringen in de communicatie-infrastructuur? En hoe zijn daarbij de rollen en de bevoegdheden tussen Rijk en regio verdeeld? Met grote instemming heeft de fractie van de PvdA kennis genomen van in de memorie van antwoord nog eens bevestigde uitgangspunten als beheer volgt gezag, de grondstructuur van de politie is en blijft decentraal, het beheer berust primair op regionaal niveau, BZK is beheerder op afstand. Vervolgens wordt aangegeven dat het beeld van de Nederlandse politie als één concern met 26 werkmaatschappijen niet is bedoeld als bestuurlijk-juridisch arrangement in de relatie Rijk-korpsen, maar om de eenheid uit te drukken. De bewindspersonen achten het wenselijk dat er geen grote verschillen bestaan in de wijze van bedrijfsvoering en organisatie, evenmin in het takenpakket en het serviceniveau van de korpsen. Structurering en uniformering van de beleids- en beheerscyclus zullen volgens de memorie van antwoord plaatsvinden door regelstelling ten aanzien van de inrichting van beleids- en beheersdocumenten. Op zich ogenschijnlijk een voor de hand liggende zaak, maar tegelijkertijd een groot risico van bureaucratisering en overregulering. De bevindingen bij de Bijlmerenquête geven aan hoe moeilijk vooraf te bepalen is tot op welk aggregatieniveau informatie moet worden vastgelegd, ook met het oog op de ministeriële verantwoordelijkheid. Hoe denken de bewindspersonen verlammende detaillering te voorkomen? Welke uitgangspunten zullen terzake gelden?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.1.12">Vervolgens worden op onze vragen over de verhouding Rijk-regio in de beleids- en beheerscyclus uiteenlopende antwoorden gegeven. De regeling behelst volgens de memorie van antwoord controle en verantwoording van de uitvoering door korpsen aan de landelijke beleidsthema's. De landelijke thema's zijn een aanvulling op decentrale prioriteiten. Korpsen kunnen op basis van veiligheidsanalyses zelf accenten leggen, maar dienen helder te maken op basis waarvan men tot de afwegingen komt.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.1.13">Het is de fractie van de PvdA nog steeds niet duidelijk van welke besturingsarrangement hier nu wordt uitgegaan. Het concern- werkmaatschappijen-concept zou aanleiding zijn te veronderstellen dat hier het uitgangspunt "decentraal, tenzij..." zou gelden, ware het niet dat de memorie van antwoord het concept nadrukkelijk als bestuurlijk-juridisch arrangement van de hand wijst. Bij wie berust dus de "bewijslast" als het gaat om een afweging in de middelenbesteding aan landelijk of regionaal bepaalde prioriteiten? Is de korpsbeheerder bevoegd over zijn deelbudget, mits binnen landelijk overeengekomen beleidskaders (al dan niet via marginale toetsing) of moet de korpsbeheerder integraal onderbouwen waarom is gekozen voor landelijke en regionale prioriteiten? Met deze vraag kiest de fractie van de PvdA niet expliciet voor het ene of het andere alternatief, maar bepleit zij wel een duidelijke keuze. De ervaringen in de overheidsorganisatie met sectorenmodellen, bestuursraadmodellen en wat dies meer zij, leren dat voor een werkbare en evenwichtige verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen centraal en decentraal een optimaal functionerend controlsysteem conditio sine qua non is. Optimaal onder andere in de toedeling van aggregaties in te registreren informatie op de verschillende echelons. Daarbij is die goede mix nodig van het primair operationele en het ondersteunend beheersmatige. Daarmee zijn wij terug bij het begin van dit betoog. Wij zien de antwoorden van de minister met belangstelling tegemoet.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.2.1">Ik wens mevrouw Tan van harte geluk met haar maidenspeech. Haar maatschappelijke carrière heeft zich voor een belangrijk deel beziggehouden met bestuurlijke organisatie, personeelsorganisatie en dergelijke, plaatsvervangend hoofd overheidspersoneelszaken bij de VNG en nu al vele jaren senior adviseur bij Berenschot op non-profitgebied. Dat, gecombineerd met een aantal functies in de partij, geeft duidelijk de achtergrond aan van dit gestructureerde betoog over hoe het verder moet met het Korps landelijke politiediensten, wanneer dat wordt ingebed in de nieuwe omgeving van Binnenlandse Zaken.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.2.2">Ik wens mevrouw Tan graag van harte geluk met haar maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-465-477.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Van Bijsterveld" MPid="03140" party="CDA" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2008-01-15" topic="Verdrag van Prüm" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20072008-667-677.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20072008-667-677.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="15" number-of-words="2180" number-of-unique-words="838" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Criminaliteit</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Internationaal <pm:entity> Europese zaken</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Strafrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Migratie en integratie <pm:entity> Immigratie</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Duthler" MPid="03141"/>
                <speaker name="Van Bijsterveld" MPid="03140"/>
                <speaker name="Engels" MPid=""/>
                <speaker name="Kox" MPid="03001"/>
                <speaker name="Lagerwerf-Vergunst" MPid="03170"/>
                <speaker name="De Vries" MPid="01724"/>
                <speaker name="Strik" MPid="02338"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan mevrouw Van Bijsterveld, die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20072008-667-677.1.3" speaker="Van Bijsterveld" party="CDA" function="Mevrouw" title="Mevrouw Van Bijsterveld  (CDA)" MPid="03140">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1" speaker="Van Bijsterveld" function="Mevrouw" MPid="03140">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Van Bijsterveld (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Van Bijsterveld</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.2">Voorzitter. Het is een genoegen om vandaag namens de CDA-fractie in deze Kamer het woord te voeren over het voorstel van wet ter goedkeuring van het Verdrag van Prüm, dit mede vanwege de aanwezigheid van de ministers van BZK en van Justitie. Met beiden kruisten mijn beroepsmatige paden op uiteenlopende manieren al eerder. Met de minister van Justitie gaan de professionele contacten al zo'n twintig jaar terug.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.3">Het Verdrag van Prüm, dat nu ter bespreking voorligt, is niet het eerste verdrag met deze naam. De voorganger van dit Verdrag van Prüm dateert van meer dan 1150 jaar geleden. Het bracht een verdeling tot stand in het Middenrijk onder de drie zonen van Lotharius I, die zelf een zoon was van Karel de Grote. Daarmee werd het Frankische Rijk, dat al in drieën was gedeeld na Karel de Grote, weer verder gedeeld. In de kaart van Europa heeft deze dubbele deling tot vandaag de dag zichtbare sporen nagelaten. Het eerste verdrag van Prüm staat daarmee symbool voor de versnippering van Europa.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.4">Het Verdrag van Prüm dat wij vandaag bespreken, belichaamt juist het tegendeel. Het staat voor een vrijwillige en door de betrokken partijen bewust uitgedrukte keuze voor Europese samenwerking. Bovendien bewerkstelligt het juist samenwerking op die terreinen die traditioneel geacht worden heel dicht bij de nationale soevereiniteit te liggen, waardoor samenwerking vaak juist een heel moeilijke stap blijkt. De aarzelende start van de samenwerking op de door dit verdrag bestreken gebieden, door slechts een vijftal lidstaten, laat dit zien. Er was eerst resultaat nodig om andere staten tot actie aan te sporen. Inmiddels is implementatie van belangrijke delen ervan in het JBZ-kader dichtbij, zelfs nog voordat het verdrag door alle verdragsluitende partijen is geratificeerd.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.5">De CDA-fractie verwelkomt dit verdrag dat, zoals al eerder gezegd is in de schriftelijke behandeling, erg laat ter goedkeuring is voorgelegd. Het CDA staat achter zowel het doel als de inhoud van het verdrag. Ook de gekozen aanpak kan het CDA billijken, gegeven het bestaande verdragstelsel. Onder die aanpak verstaat het CDA de gekozen intergouvernementele benadering als katalysator voor de totstandkoming van EU-regelgeving. De fractie kan zich ook goed vinden in de aanpak waarbij voor de geregelde gebieden, met name op het punt van de gegevensuitwisseling – denk aan DNA-profielen, vingerafdrukken, gegevens uit kentekenregisters – niet over de hele breedte één overkoepelende regeling is getroffen, maar voor een decentrale aanpak is gekozen. Uitgaande van een aantal minimumnormen blijft daarbij het recht van de desbetreffende lidstaten zelf het uitgangspunt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.6">Het CDA wil nog een viertal zaken aan de orde stellen. Dit zijn achtereenvolgens: de vooruitzichten voor verdere integratie op het terrein van justitie en politie, de gekozen methode, de complexiteit van het geheel en tot slot een enkel technisch punt.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.7">Ik kom aan mijn eerste punt: de vooruitzichten voor de verdere integratie op het terrein van justitie en politie. In de eerdere fase van behandeling van dit wetsontwerp heeft de minister van Justitie laten weten dat Nederland als een van de initiatiefnemers een voortrekkersrol op dit terrein wil spelen. Volgens een recent bericht in de Staatscourant heeft de minister zelfs aangegeven dat het terrein van het Europees strafrecht te zien is "als een manifestatie van een gemeenschappelijke Europese identiteit". De CDA-fractie acht het mét de minister van belang dat het JBZ-terrein verder ontwikkeld wordt. Met het steeds reëler worden van een vrij verkeer van personen is het belangrijk dat daadwerkelijk ook door wetgevingsinspanning vorm wordt gegeven aan een echte ruimte van "vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid". Kan de minister ook aangeven hoe hij op de iets langere termijn de prioriteitstelling en de Nederlandse regeringsinzet in dit verband ziet? Welk zicht bestaat er op de politieke wil bij de medelidstaten op deze punten? Daar wringt immers vooral de schoen. De gekozen intergouvernementele aanpak en vervolgens de slechts partiële omzetting van het verdrag in het JBZ-kader laten de politieke gevoeligheden op dit terrein wel zien.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.8">In het verlengde daarvan: bij het aanpakken van maatschappelijk ongewenste ontwikkelingen wordt heel makkelijk naar regelgeving gegrepen, en wordt snel gekeken naar het creëren van een aantal rechtsinstru­menten. Louter op nationaal niveau is dit al een bekend verschijnsel. De CDA-fractie zal ook niet ontkennen dat die rechtsinstrumenten van belang zijn. Doorgaans zijn ze zelfs een noodzakelijke voorwaarde voor overheidsoptreden. Uiteindelijk gaat het echter vooral om het daadwerkelijke gebruik ervan, de praktische uitvoering en de samenwerking. Ook op nationaal niveau is het over­bekend dat er soms veel meer mogelijk is binnen de bestaande kaders en dat de problemen vaak niet bij de regelgeving liggen maar bij de bestuurlijke prioriteitstelling en de wil tot daadwerkelijke toepassing van regels. Dat is al het geval bij eenvoudige gevallen van overlast, maar het strekt zich ook uit tot opsporing en vervolging van ernstige strafbare feiten.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.9">Ter illustratie van het verschijnsel dat het stellen van regels soms makkelijker is dan het toepassen ervan, wijst de CDA-fractie naar de zogenaamde gemeenschappelijke opsporingsdiensten, de Joint Investigation Teams, waarvoor via een kaderbesluit een wettelijke basis is gecreëerd. Bij navraag door de fractie op een moment waarop die regeling al geruime tijd in werking was, bleek dat deze slechts één keer was toegepast. De vraag voor ons, in de marge van dit wetsvoorstel, is of hierin al enige verbetering is gekomen.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.10">In elk geval: voor het vertrouwen van de burger in de overheid, ook de Europese, en daarmee voor een echte ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, is juist de uitvoering cruciaal. Alle tekenen in de samenleving wijzen erop dat de burger resultaat verwacht op deze terreinen en die graag in de eigen leefwereld wil ervaren. Zien de bewindslieden dit eveneens zo? Hoe wordt erop ingezet en hoe wordt gevolgd dat op zichzelf heel goede regels ook effect zullen sorteren? Welke inzet is de regering bereid te leveren om te laten zien dat de inspanning niet ophoudt bij het tot stand brengen van regels, maar ook nodig blijft voor het bereiken van resultaat?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.11">In een eerder stadium heeft de regering vermeld specifieke publiciteit voor de resultaten niet opportuun te achten, maar die mee te nemen in de algemene overheidsvoorlichting. Wel heeft de regering gezegd, de in het verdrag voorziene evaluatie aan beide Kamers van de Staten-Generaal te zullen voorleggen. Gelet op de betekenis van het verdrag, juist ook voor de burgers, wil de CDA-fractie het belang benadrukken van het geven van gepaste bekendheid aan de bijdrage die deze regeling biedt aan de feitelijke bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, terrorisme en illegale migratie.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.12">Ik kom bij het tweede punt: de methode van regelgeving. De CDA-fractie heeft al eerder gezegd, in dit geval op zichzelf niet negatief te staan tegenover de gevolgde methode van aanpak, namelijk het sluiten van een verdrag buiten EU-kader en vervolgens zo veel mogelijk integratie van die regeling binnen EU-verband. Als deze methode de dynamiek in de integratie op het JBZ-terrein kan brengen, moet deze niet bij voorbaat worden geblokkeerd. De olievlekwerking van dit verdrag is op zichzelf al heel veelzeggend. Een feit is wel dat daardoor in de fase van de eigenlijke totstandkoming van die regeling elke parlementaire betrokkenheid ontbreekt. Dat is ook duidelijk, nu het Europees Parlement een aantal tekstwijzigingen heeft voorgesteld die evenwel niet zijn overgenomen in het ontwerpkaderbesluit. Als ze waren overgenomen, had dat weer geleid tot uiteenlopen van formuleringen in het verdrag enerzijds en de richtlijn anderzijds. Dat is niet wenselijk.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.13">In de memorie van antwoord heeft de regering op vragen van de CDA-fractie heel voorzichtig geantwoord dat het niet waarschijnlijk lijkt dat in de toekomst een dergelijke procedure weer gevolgd wordt. De regering heeft daarbij gewezen op de introductie van de gekwalificeerde-meerderheidsbesluitvorming op belangrijke JBZ-onderwerpen in het nieuwe EU-verdrag en op de versoepeling van de procedure van nauwere samenwerking. Het CDA kan zich hierbij inderdaad iets voorstellen. Toch gelden in beide gevallen nog bepaalde drempels en daarmee is het volgen van zo'n procedure voor de toekomst niet uitgesloten. Achten de bewindslieden de toekomstige vormgeving van die nauwere samenwerking in het nieuwe EU-verdrag adequaat? Is de regering bereid in de toekomst voor JBZ-besluiten waarvoor geen gekwalificeerde-meerderheidsbesluitvorming geldt, een voorbehoud voor parlementaire goedkeuring te maken, zoals dat ook voorzien is in de goedkeuringswetten van de Verdragen van Amsterdam en Maastricht? De vraag is of dit ook geldt voor besluiten om tot gekwalificeerde meerder­heidsbesluitvorming over te gaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.14">Mevrouw de voorzitter. Het derde punt is de complexiteit van de regels. Wanneer het verdrag deels in EU-regelgeving wordt omgezet, bestaat de lappendeken van regels op het eigenlijke terrein van de regeling uit ten minste een drietal verdragen en een kaderrichtlijn. De lappendeken betreft zowel de inhoud van de regels als de territoriale werkingssfeer. Er is inderdaad netjes voorzien in een stelsel van conflictregels, maar de inhoud is toch moeilijk te overzien. Dat wordt nog sterker als wij daar ook nog de ingewikkelde privacyregels op nationaal en internationaal niveau aan toevoegen. De regering vreest niet zo voor complexiteit en heeft ook aangegeven dat voor de uitvoering in een e-learning-module en een helpdesk wordt voorzien, maar het is voor de CDA-fractie de vraag of dat wel voldoende is. Krijgen we zo langzamerhand geen situatie waarin wij op zich heel goede regels hebben op deelterreinen, maar die nauwelijks nog te overzien zijn?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.15">Ten slotte nog een enkel technisch punt. Eind vorig jaar bracht de Europese toezichthouder voor de gegevensbescherming een advies uit over de omzetting van het Verdrag van Prüm. Daarin kwam volgens berichtgeving in de Staatscourant naar voren dat er in het geval van de beoordeling van DNA-materiaal in de verschillende lidstaten uiteenlopende criteria gelden voor het bepalen of er al dan niet sprake is van een zogenaamde match bij de gegevensvergelijking. Is dit juist? Is het voortbestaan van mogelijke verschillen niet inherent aan de decentrale aanpak, waarbij iedere lidstaat zelf op grond van eigen nationaal recht bepaalt of het gegevens ter beschikking stelt en of het de resultaten van een hit wel relevant en ook nauwkeurig genoeg vindt om er zelf wat mee te doen? Blijft de nauwkeurigheid van het centrale Europese systeem binnen een bandbreedte waarbij het bestaan van foutmeldingen ook aanvaardbaar is? Welke praktische betekenis heeft een foutmelding voor de betrokken persoon van wie dat materiaal afkomstig is?</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.1.16">Mevrouw de voorzitter. Graag zien wij de reactie van de bewindslieden tegemoet.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.2.1">Mevrouw Van Bijsterveld, ik wil u graag van harte feliciteren met uw maidenspeech over de goedkeuring van het Verdrag van Prüm, een onderwerp dat u, gelet op uw achtergrond en bezigheden buiten deze Kamer, zeker zal hebben aangesproken.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.2.2">U volgde een studie staats-, bestuurs- en privaatrecht aan de Rijksuniversiteit Utrecht. In 1988 promoveerde u op het thema "De verhouding tussen Kerk en Staat in het licht van de grondrechten". Die promotie vond plaats aan de Katholieke Universiteit Brabant – zo heette dat toen nog – in Tilburg. Aan die universiteit bent u al sinds 1983 verbonden, eerst als universitair docent, later als hoofddocent staats- en bestuursrecht. In 1999 maakte u de overstap naar uw huidige functie, het hoofddocent­schap Europees en internationaal publiekrecht aan diezelfde universiteit.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.2.3">Naast uw werk en het lidmaatschap van deze Kamer vervult u ook een aantal nevenfuncties waarbij de thematiek kerk en Staat of kerk en recht veelvuldig centraal staat. Ook bent u – enkele voorbeelden – adviseur van het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken, lid van de redactieraad van het Nederlands Tijdschrift voor Kerk en Recht en lid van de Advisory Council of Freedom of Religion or Believe van het Office of Democratic Institutions and Human Rights van de OVSE, hier welbekend.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.2.4">Zoals het een goed wetenschapper betaamt, hebt u natuurlijk ook veel publicaties op uw naam. Uw expertise is niet onopgemerkt gebleven bij bijvoorbeeld regeringsadviesorganen. Zo leverde u desgevraagd een bijdrage aan het WRR-rapport Geloof in het publieke domein; verkenningen van een dubbele transformatie, dat in het najaar van 2006 is verschenen. Van de Raad voor het Openbaar Bestuur hebt u afscheid genomen vanwege het lidmaatschap van deze Kamer. Wel nog hebt u in 2006 desgevraagd het adviseurschap van de Nationale Conventie op u genomen. Vanaf dit jaar bent u lid van het bestuur van de denktank van uw partij, het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.2.5">Mevrouw Van Bijsterveld, uw dissertatie over de verhouding tussen kerk en Staat in het licht van de grondrechten heeft in deze tijd actualiteitswaarde, maar u mengt zich ook aangaande andere thema's in de publieke discussie, bijvoorbeeld over de vraag of constitutionele waarden beter in de Grondwet geëxpliciteerd moeten worden. U schreef daarover begin 2006 bijvoorbeeld in NRC Handelsblad: "Constitutionele bewustwording komt niet vanzelf, die moet tot leven gewekt worden."</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.2.6">U hebt in dit huis volop de gelegenheid om van alles naar uw wens tot leven te wekken, u hebt de gelegenheid om uw expertise aan te wenden ten behoeve van onze wetgevende en controlerende taak van de regering. Wij zullen zeker nog van u horen. Namens iedereen wens ik u graag van harte succes bij alle werkzaamheden hier.</p>
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.2.7">Om de collegae de gelegenheid te geven om u te feliciteren met uw maidenspeech, schors ik de vergadering.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.3">
                        <p docno="h-ek-20072008-667-677.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Van Bijsterveld, ik wil u graag van harte feliciteren met uw maidenspeech over de goedkeuring van het Verdrag van Prüm, een onderwerp dat u, gelet op uw achtergrond en bezigheden buiten deze Kamer, zeker zal hebben aangesproken.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Van Dalen-Schiphorst" MPid="03002" party="CDA" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2003-11-18" topic="Rijksprojectenprocedure" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-339-347.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-339-347.1.7" which-speech-in-topic="6" number-of-paragraphs="7" number-of-words="1111" number-of-unique-words="493" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Ondernemen</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Ruimte en infrastructuur <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Meindertsma" MPid="02270"/>
                <speaker name="Van der Lans" MPid="02267"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid=""/>
                <speaker name="Van Raak" MPid="03035"/>
                <speaker name="Ten Hoeve" MPid="03037"/>
                <speaker name="Van Dalen-Schiphorst" MPid="03002"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan mevrouw Van Dalen-Schiphorst, die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-339-347.1.7" speaker="Van Dalen-Schiphorst" party="CDA" function="Mevrouw" title="Mevrouw Van Dalen-Schiphorst  (CDA)" MPid="03002">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.1" speaker="Van Dalen-Schiphorst" function="Mevrouw" MPid="03002">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Van Dalen-Schiphorst (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Van Dalen-Schiphorst</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.1.2">Voorzitter. Als zesde en laatste spreker in de rij wil ook ik niet nalaten om de minister van harte welkom te heten, hoewel ik mij zou kunnen voorstellen dat zij onderhand het gevoel krijgt dat het allemaal wat erg veel is en zich afvraagt of er misschien een addertje onder het gras zit. Welnu, dat laatste is volgens mij niet het geval.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.1.3">Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat voorligt, heeft een lange weg afgelegd. De vraag zou dan ook gesteld kunnen worden of het niet zinvol zou zijn nog maar even te wachten en dit onderdeel meteen in de fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening mee te nemen. Voor deze wetswijziging is drie jaar nodig geweest en ik vrees dat de fundamentele herziening geen kortere weg zal afleggen. Wij kunnen dan toch maar beter de rijksprojectenprocedure afhandelen. Een vraag in die geest hoeft u dan ook niet van de CDA-fractie te verwachten.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.1.4">Belangrijk doel van de wetswijziging is het verminderen dan wel opheffen van stroperigheid in bepaalde procedures. Dat is een uitspraak die de CDA-fractie zeer aanspreekt. Een cruciaal punt in alle nota's en verslagen is het begrip projecten van nationaal belang. Een heldere definitie daarvan is tot op dit moment niet gegeven. Tot op zekere hoogte kunnen wij daar begrip voor opbrengen. Uit de Memorie van Antwoord, maar ook uit het advies van de Raad van State blijkt dat van een nadere omschrijving is afgezien met het oog op de juist zo gewenste flexibiliteit. Toch doet zich de vraag voor hoe voorkomen kan worden dat het instrument oneigenlijk wordt ingezet. Flexibiliteit en snelheid mogen er naar onze mening niet toe leiden dat het begrip en de toepassing ervan uitdijen. In de Tweede Kamer is ter voorkoming daarvan een aantal amendementen ingediend. Eén van de aangenomen amendementen was het amendement-Spies. Hierin werd een nadere afbakening gegeven van het begrip nationaal belang: "Onder projecten van nationaal belang worden verstaan projecten met een bovenlokale ruimtelijke dimensie of met bovenlokale ruimtelijke effecten." Bedoeld werd te voorkomen dat de procedure kan worden "misbruikt voor het realiseren van projecten met bescheiden omvang, waarvoor bij de betreffende gemeente en lokale bevolking geen draagvlak bestaat". De antwoorden die hierop in de verschillende stadia werden gegeven, hebben niet tot meer duidelijkheid geleid. Ik zou haast zeggen: integendeel; het was nogal verwarrend. De ene keer werd een voorbeeld gegeven met inderdaad de genoemde criteria, de volgende keer een voorbeeld waarbij de bovenlokale ruimtelijke dimensie of ruimtelijke effecten geen rol speelden. Er bestaat nog steeds behoefte aan een duidelijke en eenduidige bepaling van het begrip projecten van nationaal belang. De vraag aan de minister is dan ook helderheid op dit punt te verschaffen, zodat in de uitvoering van de wet geen willekeurige ongelijkheden gaan ontstaan.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.1.5">Een tweede, maar niet minder belangrijk punt is het ontbreken van betrokkenheid van de Eerste Kamer bij de rijksprojectenprocedure. In het verleden, naar ik heb begrepen al in 1985, heeft de toenmalige Eerste Kamer zich met succes ervoor sterk gemaakt om betrokken te worden bij planologische kernbeslissingen. De redenen hiervoor laten zich eenvoudig raden. Het ging weliswaar niet om wetgeving in de strikte zin, maar wel om beslissingen van een ingrijpend en verstrekkend karakter. In de discussies die geleid hebben tot de besluitvorming over de PKB's heeft dit punt een zwaarwegende rol gespeeld en wel zo zwaar dat de rol van de Eerste Kamer expliciet is opgenomen in de procedure, met uitdrukkelijk een behandelingstermijn van vier weken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.1.6">Naar onze mening behandelen wij op dit moment een niet minder belangrijke procedure. De argumenten die golden bij de PKB hebben naar ons inzicht niet aan kracht ingeboet. Toch komt de Eerste Kamer in dit voorstel niet in beeld. Het mogelijke argument dat dit een onnodig langere weg betekent voordat het project ter hand kan worden genomen, delen wij niet. Immers, net als bij de PKB kan het voorgenomen besluit tegelijkertijd aan de Tweede en Eerste Kamer worden toegezonden, waarna een termijn van vier weken wordt gesteld waarbinnen beide Kamers kunnen reageren.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.1.7">Wij hebben de volgende vragen. Is de regering bereid om rijksprojectenbesluiten ook toe te zenden aan de Eerste Kamer zodat deze daar desgewenst met haar over kan debatteren? Uiteraard geldt in dit geval ook de termijn van vier weken. Is de regering bereid om de rijkscoördinatieregeling in de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening zo te wijzigen dat een besluit tot aanpassing van deze regeling niet alleen de instemming van de Tweede Kamer, maar ook die van de Eerste Kamer behoeft?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.1.8">Wij hopen dat wij de regering, in dit geval mevrouw Dekker, niet met deze vragen hebben overvallen. Wij beseffen dat deze in een eerdere ronde niet aan de orde zijn geweest. Wij vonden de vragen echter toch van een zodanige importantie dat wij het niet konden nalaten om deze te stellen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.2.1">Mevrouw Van Dalen, ik wil u van harte gelukwensen met het uitspreken van uw maidenspeech in deze vergadering. U hebt uw bijdrage aan dit debat pas vanmorgen aangekondigd. U hebt ons dus weinig kans gegeven om uw doopceel uitgebreid te lichten. Ik wil er toch enkele woorden aan wijden.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.2.2">Uw lidmaatschap van de Eerste Kamer sluit aan bij een lange periode in een andere politieke functie, namelijk het lidmaatschap van Provinciale Staten van Overijssel, van 1987 tot 2003. U was daar onder andere vice-voorzitter van de CDA-fractie en lid van de onderhandelingsdelegatie voor de samenstelling van het collegeprogramma en voor de samenstelling van het college. Daarmee hebt u veel praktijkervaring opgedaan in het politieke metier. Ook in theoretische zin bent u goed voorbereid op het werk van deze Kamer als medewetgever. U volgde gedurende een reeks van jaren aan de Open Universiteit de studie bestuurskunde, met als hoofdrichting overheid en recht. U rondde deze af in 1998. Het volgen van deze studie naast de eerder genoemde activiteiten, met name de politieke, heeft voor u ongetwijfeld tropenjaren opgeleverd. Uit uw dagelijks werk als directeur van het Regionaal Indicatieorgaan Overijssel en uit diverse eerder vervulde nevenfuncties blijkt uw affiniteit met de zorg voor ouderen en gehandicapten.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.2.3">In onze Kamer houdt u zich specifiek bezig met de beleidsterreinen volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu en sociale zaken en werkgelegenheid. Vanuit deze brede oriëntatie en met uw lange politieke ervaring kunt u een waardevolle bijdrage leveren aan het werk van de Senaat. Ik wens u dat graag toe en ik hoop dat u er veel plezier aan zult beleven in de komende periode.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.3">
                        <p docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.3.1">De beraadslaging wordt geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.4.1">De beraadslaging zal worden hervat na de behandeling van het wetsvoorstel inzake de verhoging van de strafmaat voor structurele discriminatie.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.5">
                        <p docno="h-ek-20032004-339-347.1.7.5.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Van den Hul-Omta" MPid="02264" party="CDA" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="1999-11-30" topic="Groepsgrootte basisonderwijs" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-19992000-215-225.xml?view=nl/proceedings#h-ek-19992000-215-225.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="11" number-of-words="1451" number-of-unique-words="568" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Onderwijs en wetenschap <pm:entity> Basisonderwijs</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van den Hul-Omta" MPid="02264"/>
                <speaker name="Veling" MPid="02875"/>
                <speaker name="Schuyer" MPid="02870"/>
                <speaker name="Dupuis" MPid="02263"/>
                <speaker name="Van Vugt" MPid="02287"/>
                <speaker name="Witteveen" MPid=""/>
                <speaker name="Schoondergang-Horikx" MPid="02937"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan mevrouw Van den Hul-Omta. Ik wijs erop dat zij – zij is de vierde vandaag – haar maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-19992000-215-225.1.2" speaker="Van den Hul-Omta" party="CDA" function="Mevrouw" title="Mevrouw Van den Hul-Omta  (CDA)" MPid="02264">
                    <speech party="CDA" docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.1" speaker="Van den Hul-Omta" function="Mevrouw" MPid="02264">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Van den Hul-Omta (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Van den Hul-Omta</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.1.2">Mijnheer de voorzitter! Op dezelfde dag waarop de antwoorden werden ontvangen van staatssecretaris Adelmund op de vanuit deze Kamer gestelde vragen betreffende het wetsvoorstel beogende te komen tot klassenverkleining, kwam ons onder ogen de publicatie van het Sociaal en cultureel planbureau, getiteld "Scholen onder druk". In dit rapport wordt geconstateerd dat scholen voor basis- en voortgezet onderwijs de laatste jaren onder druk staan onder meer als gevolg van toenemende en vaak tegenstrijdige eisen enerzijds en beperkte mogelijkheden en moeilijker condities anderzijds. Zo wordt in de uitkomst van het onderzoek gesteld dat scholen de afgelopen vijftien jaar geconfronteerd zijn met een opeenstapeling van eisen, wensen en verwachtingen niet alleen van de rijksoverheid (ook van maatschappelijke organisaties en ouders), maar ook van de gemeenten. Het gaat daarbij dan eens om eisen en wensen ten aanzien van de inhoud van het onderwijs, de pedagogisch-didactische aanpak of de onderwijsresultaten van zowel de leerlingen als de school, een volgende keer om de samenwerking met de voorschoolse en buitenschoolse voorzieningen en de keer daarop om de positie van ouders. Steeds gaat het om claims voortkomend uit uiteenlopende overwegingen van soms maatschappelijke aard zoals achterstanden, werkende ouders, soms van economische aard, bijvoorbeeld kostenbeheersing en doelmatigheid, soms van ideologische aard, denk aan gelijke kansen en aan een gemeenschappelijk onderwijsaanbod, alsook van bestuurlijke aard, zoals autonomie, verantwoording en meer invloed van ouders. Zij staan om die reden nogal eens op gespannen voet met elkaar, terwijl ook de eisen en wensen van de overheid lang niet altijd parallel lopen aan de wensen van de ouders. Waarom vind ik die wensen van de ouders belangrijk? In de ogen van het CDA zijn onderwijs en opvoeding in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van ouders en van de door hen gevormde besturen, reden waarom zoals men weet het CDA voorstander is – ook als er geen nadruk ligt op levensbeschouwing – van zelfregulering in het onderwijs.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.1.3">Mijnheer de voorzitter! Met het Sociaal en cultureel planbureau is mijn fractie bezorgd over de positie van scholen en met name over hoe zij hun hoofden in voldoende mate koel kunnen houden en voldoende toegerust zijn om op de juiste momenten de goede besluiten te nemen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.1.4">Bezorgdheid voor scholen omtrent de positie van scholen is ons evenzeer bekend van onze regering en onze staatssecretaris, ook gegeven de beleidsbrief aangeboden in het kader van de begroting 2000, de brief over het onderwijsbeleid op de middellange en langere termijn met de titel "Sterke instellingen, verantwoordelijke overheid". Deze beleidsbrief geeft als het ware al een eerste reactie op het verontrustende en zeer serieus te nemen SCP-rapport. In deze beleidsbrief stellen de onderwijsbewindslieden dat nadrukkelijker dan voorheen het zelfsturend vermogen van de instellingen moet worden aangesproken.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.1.5">Mijnheer de voorzitter! Ook al ziet mijn fractie de titel van deze beleidsbrief liever uitgesproken als "Verantwoordelijke instellingen en een sterke overheid" – de heer Braks heeft dit toegelicht in de algemene beschouwingen die hier op 16 en 17 november aan de orde waren – van scholen wordt dus verwacht dat ze sterk zijn en verantwoordelijk: dus mag er veel verwacht worden van scholen, en ook dat ze de verantwoordelijkheid voor hun werk dragen en daarop aanspreekbaar zijn. Het is dan ook in dat kader dat de CDA-fractie het wetsvoorstel betreffende de klassenverkleining heeft bekeken alsook de beantwoording van de schriftelijke vragen.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.1.6">Allereerst moet dan geconstateerd worden dat doelstelling van het wetsvoorstel is de kwaliteitsverbetering van basisscholen, met welke doelstelling de CDA-fractie het van harte eens is. Dat zijn wij ook waar van accentlegging sprake is bij de eerste vier leerjaren van de basisschool, want immers, bekend is dat effecten opgedaan in de eerste leerjaren productief zijn ook in latere jaren.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.1.7">Maar, mijnheer de voorzitter, onze vraag waarom hiervoor de gehele onderbouwformatie geoormerkt moet worden en om die reden onderscheid nodig is in de basisformatie in die voor de bovenbouw (de groepen 5, 6, 7 en 8) en die voor de onderbouw (de groepen 1, 2, 3 en 4), wordt ons inziens tot nu toe bepaald onbevredigend beantwoord en dat temeer tegen de achtergrond van de publicatie "Scholen onder druk" en de beleidsbrief Sterke scholen en een verantwoordelijke overheid.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.1.8">Met name het onderdeel in de beantwoording van de staatssecretaris waarin zij oormerking van de onderbouwformatie verdedigt, door te stellen dat deze oormerking moet voorkomen dat er in de scholen een moeizame discussie ontstaat over de verdeling van de totale formatie over de onder- en de bovenbouw, verontrust ons zeer. Moeizaam of niet, dat doet niets terzake. Uit deze opvatting spreekt paternalisme, dat niet bij de huidige tijd hoort. Is dit een opvatting, zo is onze vraag, die zich verdraagt met de sterke positie die van scholen wordt verondersteld bijvoorbeeld in de beleidsbrief?</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.1.9">Deze beleidsbrief veronderstelt immers sterke scholen, toegerust om de hun gegeven opdrachten waar te maken en veronderstelt – ik citeer uit de beleidsbrief – een overheid met ruggengraat die zich moet onthouden van detailbemoeienis. Staat deze verdediging van de oormerking bovendien niet haaks op de in eerdergenoemde beleidsbrief veronderstelde "ondernemingslust en publieke spirit"? Daarenboven is inmiddels een operatie Deregulering en Autonomievergroting in gang gezet. Hoe verhoudt zich de oormerking zoals in dit wetsontwerp geprobeerd wordt overeind te houden met de beoogde deregulering en autonomievergroting? De staatssecretaris geeft toe in de schriftelijke beantwoording, dat de oormerking van de middelen in dit wetsontwerp op gespannen voet staat met het uitgangspunt van autonomievergroting. Ik meen, zonder hiervan een dogma te maken, dat temeer waar het de ouders zijn die kwaliteit eisen en onze scholen publiekelijk gehouden zijn verantwoording af te leggen over hoe hun beleid, inclusief het kwaliteitsbeleid, vorm en gestalte krijgt, een dergelijke oormerking toch in dit wetsontwerp als overbodig moet worden bestempeld. In de praktijk zal het aanleiding geven tot meer administratieve rompslomp en niet inspelen op de veronderstelde sterkte van de scholen, maar hen meer onder druk stellen. Daarmee wordt hun het zo broodnodige vertrouwen onthouden, dat ze nodig hebben om de grote uitdagingen waarvoor de scholen de komende jaren staan in een effectief samenspel tussen alle betrokkenen, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid waar te maken.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.1.10">Als de overheid verantwoordelijk is voor het scheppen van de condities waaronder alle betrokkenen hun verantwoordelijkheid waar moeten maken en de hier vandaag aan de orde zijnde wetgeving zo'n conditie is, dan past daarin ons inziens niet een zo vergaande oormerking als in dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.1.11">Voorzitter! Voor de CDA-fractie is deze oormerking een zwaar punt van kritiek op dit wetsvoorstel. De regering beoogt met het wetsvoorstel een kwaliteitsimpuls die moet leiden tot "meer handen in de klas". Aangezien resultaten, opgedaan in de laagste leerjaren, het effectiefst doorwerken in latere jaren, is het goed en dus voor eenieder helder dat deze impuls optimaal inzetten in de laagste leerjaren behoeft; ook zonder de voorgestelde oormerking zal dat het geval zijn. Ik ga graag zonder voorbehoud van dat vertrouwen in de scholen uit. Ze hebben met de invulling van de eerste tranche klassenverkleining die aan deze voorafging, al bewezen dat ze het waard zijn. Slagen van deze impuls is overigens mede afhankelijk van het succes van enkele andere in het onderwijs in gang gezette en evenzeer majeure operaties. Ik doel dan op de operatie waarmee wordt beoogd, meer goed opgeleide leraren te verkrijgen en de operatie op het gebied van de huisvesting. Ook inzake die twee operaties is veel in gang gezet waarop wij wat betreft de resultaten moeten vertrouwen. Ze zijn onontbeerlijk voor de resultaten van de klassenverkleining en de daarmee beoogde kwaliteitsimpuls. Er mag niet verondersteld worden dat succes afhankelijk zou zijn van de mate van oormerking.</p>
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.1.12">Al met al, voorzitter, vraag ik van de staatssecretaris namens de CDA-fractie dat zij in lijn met de ook door haar veronderstelde sterkte van de onderwijsinstellingen, die sterkte ook via dit wetsontwerp ten toon spreidt. En hoewel de CDA-fractie er sterk de voorkeur aan zou geven, de in dit wetsvoorstel beoogde oormerking te schrappen, vragen wij de staatssecretaris in combinatie met de ontheffingsmogelijkheden die in het wetsvoorstel geboden worden, een hoge mate van soepelheid bij de toepassing te betrachten, waardoor er van het onthouden van financiële middelen, die als kwaliteitsimpuls zo dringend nodig zijn, nauwelijks sprake zal behoeven te zijn.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.2.1">Mevrouw Van den Hul-Omta, uit uw levensloop blijkt dat u gemeenteraadslid bent geweest in Geldermalsen en daarna in een grotere gemeente, Den Haag. Als ik kijk naar uw functie – voorzitter van de Besturenraad voor het protestants-christelijk onderwijs – en naar de baaierd van functies en nevenfuncties die u hebt bekleed, dan denk ik dat u een zeer waardig CDA-vertegenwoordigster van het middenveld kunt zijn. En ik reken er ook op dat wij de stem van het middenveld vaak via u zullen horen. Ik wens u geluk met uw maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-19992000-215-225.1.2.3.1">De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Witteman" MPid="" party="PvdA" function="MP( Mevrouw)" house="Eerste Kamer" date="2004-03-16" topic="Onderwijs, Cultuur en Wetenschap" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-ek-20032004-1038-1055.xml?view=nl/proceedings#h-ek-20032004-1038-1055.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="20" number-of-words="3477" number-of-unique-words="1286" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Witteman" MPid=""/>
                <speaker name="Woldring" MPid="02280"/>
                <speaker name="Van der Lans" MPid="02267"/>
                <speaker name="Van den Broek-Laman Trip" MPid="02601"/>
                <speaker name="Van Raak" MPid="03035"/>
                <speaker name="Schouw" MPid="03025"/>
                <speaker name="Van Middelkoop" MPid="02973"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik heet staatssecretaris Van der Laan van harte welkom in dit huis en geef allereerst het woord aan mevrouw Witteman, die haar maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2" speaker="Witteman" party="PvdA" function="Mevrouw" title="Mevrouw Witteman  (PvdA)" MPid="">
                    <speech party="PvdA" docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1" speaker="Witteman" function="Mevrouw" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Witteman (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Witteman</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.2">Oote oote oote BoeOote ooteOote oote oote boe</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.3">Mevrouw de voorzitter. Het is 22&#160;april 1952 en in de Eerste Kamer der Staten-Generaal ontstaat er een rel rond Oote oote boe, een gedicht van Jan Hanlo. "Het zou geen zin hebben dergelijke uitingen van decadentie hier te bespreken", betoogt de geachte afgevaardigde Wendelaar, "ware het niet dat dit gedicht oorspronkelijk gepubliceerd is in 'Roeping', een door de Staat gesubsidieerd tijdschrift. Mijnheer de Voorzitter! Juist in een zo moeilijken tijd als den tegenwoordigen behoorden de kunstenaars algemeen hun verantwoordelijkheid te gevoelen, dat ook zij het zijn die ons boven de narigheid uit moeten heffen." Vervolgens citeert hij Romain Rolland: "C'est le rôle de l'artiste de créer le soleil lorsqu'il n'y en a pas." "Dat er artisten zijn, die hun taak vergeten en daarentegen door hun infantiel gebazel ons aller rampzaligheid nog dieper doen gevoelen, tant pis, maar laat de Staat zich er zorgvuldig van onthouden hieraan enigen steun te geven."</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.4">Oote oote boe, geen woorden en geen muziek, geen zang en geen dictie, alleen maar articulatie, een spel van klanken met als doel toen de vrijmaking van het vers en daardoor van de geest.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.5">Mevrouw de voorzitter. Omdat kunstenaars bewust of onbewust codes doorbreken, is het niet verwonderlijk dat de ijkpunten van de geschiedenis van de kunsten een keten vormen van schandalen. Behalve Hanlo's gedicht is zo'n ijkpunt Le Sacre du Printemps van Igor Strawinsky. "Une pièce de merde, c'est une debâcle", oordeelt een criticus na de première in Parijs in 1913. Al bij de eerste hoge tonen van de fagot raakt het deftige publiek totaal van streek. Nog zo'n ijkpunt is het monumentale lichaam in brons van Zadkine, beeld van het gehavende hart van Rotterdam. "Te macaber om nog mooi te kunnen zijn", oordeelt de directeur Gemeentewerken in 1950. Of het "zap"-toneel van Gerard Jan Rijnders uit de tachtiger jaren van de vorige eeuw, waarin beeld de taal vervangt en de taal niet meer gerangschikt wordt volgens de wetten van Aristoteles. Wanneer "waarde" niet gezien wordt, komt afbraak heel dichtbij. Dat was bijna het lot van "Vragende kinderen", een wandschildering van Karel Appel in de kantine van het stadhuis van Amsterdam. De ambtenaren stoorden zich zo aan "die gekleurde vlakken met stippen als ogen" dat ze weigerden er nog langer hun boterham bij op te eten. De gemeente bracht uitkomst: het kunstwerk verdween voor tien jaar achter het behang!</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.6">Mevrouw de voorzitter. Waarom kunst? Voor de ontspanning? Mag! Om schoonheid, ontroering? Natuurlijk! Maar ook om te leren kijken en luisteren, om anders te leren kijken en luisteren, door de codering heen. De kunst moet geroofd worden, als het vuur van Prometheus, om er ons van te bedienen tegen de gevestigde orde. Dat zei Picasso, wiens Guernica uit 1937 voor het Spaanse volk gisteren geschilderd lijkt te zijn voor het bloedbad van vandaag! Oe oeOe oe oote oote ooteA</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.7">De functie van cultuur is een belangwekkende. Dat vindt de regering ook. Niet alleen het Hoofdlijnenakkoord, maar ook de staatssecretaris put zich in haar beleidsbrief uit in het vinden van argumenten om de ondersteuning van kunst en cultuur te rechtvaardigen. Ik citeer: "De kracht van cultuur schuilt in zijn innovatief en creatief vermogen, in het vormgeven van het 'aanzien' van ons land, in zijn samenbindend vermogen, in de verworvenheden van ons verleden, in het ter discussie stellen van waarin we ons zeker waanden en in het steeds opnieuw ijken van waarden."</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.8">Dat is nogal wat! Als cultuur zoveel vermag, dan vragen wij ons af waarom de cultuurbegroting zo weinig omvat dat cultuur schouderophalend kan worden afgedaan. Waarom de Nederlandse overheid denkt zich er met 674 mln euro van af te kunnen maken; evenveel als alleen al de stad München aan cultuur uitgeeft. Dan vragen wij ons af waarom er in 2004 en de komende jaren nog extra wordt bezuinigd, eerst 1,2 mln euro en vanaf 2005 19 mln structureel, terwijl toch duidelijk is dat door de kostenstijging van pensioenen, de gevolgen van Arbo-wetgeving en door sociale-lasten- en autonome kostenstijgingen er nog eens 15% extra van ons cultuurbudget af gaat. En dan noemen we nog niet eens de negatieve effecten voor kunst en cultuur ten gevolge van de bezuinigingen op de omroepen, de inkomstenderving van 30 mln door het op korte termijn wegvallen van de filmstimuleringsmaatregel, de bezuinigingen op gemeentelijk en provinciaal niveau en het verdwijnen van de Melkertbanen. Weet u wat dit betekent? Meer werkloze kunstenaars, minder kunst die ertoe doet en meer vrijblijvend vermaak. Gelukkig zijn er ook positieve cijfers: extra geld voor cultuur en school, de openbare bibliotheken en het cultureel erfgoed.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.9">Voorzitter. Mag ik u iets bekennen? Ik heb er een grote hekel aan om over de centen te praten. Toch moet het, alleen al om mijn verontwaardiging te uiten over het feit dat cultuur te vaak als luxegoed voor de vrije tijd wordt afgedaan, dat kunstenaars te vaak als uitvreters worden gezien die wel erg gemakkelijk van de subsidie leven. Al te gemakkelijk vergeten wij dat de samenleving in ruil veel van hen terugkrijgt: hun creativiteit. We zouden hen moeten eren, in plaats van achter het behang stoppen. Dit brengt ons tot de vraag waarom de staatssecretaris zich niet uit alle macht tegen de bezuinigingen heeft verzet. Met antwoorden als "dat hadden we nu eenmaal afgesproken", "stabiliteitspact" enz. neemt mijn fractie geen genoegen. Juist in tijden van schaarste wil de fractie van de Partij van de Arbeid aandacht voor de niet-materiële kant van het bestaan. Kunst kan een inspirerende tegenkracht zijn. Let wel, mijn fractie bedoelt níét de kunst te gebruiken als instrument van de politiek; wij vinden net als de staatssecretaris dat de kunstenaar autonoom moet zijn, opdat de kunst in vrijheid kan gedijen, en dat de overheid zich terughoudend moet opstellen. Wij geven de kunst geen opdracht, wij leggen niets op. Dat is ook niet nodig, de kunst doet dat zelf; dat is ook een teken van het talent van de kunstenaar. Kunst is een kracht, kan dus een inspirerende tegenkracht zijn. Tegen een samenleving die "vrijheid" en "vrijblijvendheid" synoniem acht, tegen een samenleving gericht op consumptie en concurrentie, tegen de vervlakking, tegen een samenleving die als instrument louter de "afrekening" inzet, in plaats van ook de "sociale cohesie".</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.10">Dit brengt ons tot de vraag waarom de kunsten niet worden ingezet in het normen-en-waardendebat. Mijn fractie is van mening dat juist in tijden van grote onrust de kunsten een belangrijke bijdrage kunnen leveren. De kunsten zijn altijd bezig met het onderzoeken van vaste waarden, deze eventueel ter discussie te stellen en te herijken, of in ieder geval de discussie erover op gang te brengen. Daarom moet juist nu de productie en verspreiding van de kunsten gestimuleerd en gewaarborgd worden. Deze functie van de kunst is niet nieuw. Al in de Griekse Oudheid fungeerden de tragedievoorstellingen als discussiemateriaal voor de jonge democratie door in de voorstellingen de oude mythen telkens opnieuw op impliciete normen en waarden te bevragen en te onderzoeken. AA a aOote a a aOote oe oe oeOe oe oeOe oe oe oe oe</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.11">Zolang er kunstenaars bestaan, zijn er mecenassen en opdrachtgevers nodig geweest om de kunstenaars aan het werk te houden. Moet er dan altijd geld bij? Niet altijd, er zijn kunsten die zichzelf kunnen bedruipen. De producten van de entertainmentindustrie bijvoorbeeld vinden gretig aftrek omdat zij goed zijn afgestemd op wat het publiek of de afnemer wil. De wet van de markt luidt immers: "Wil je je product verkopen en er nog wat aan verdienen? Stem het dan af op de vraag en produceer het zo goedkoop mogelijk." Wie afstemt op de commerciële omroepen weet precies wat ik bedoel. Uiteraard is er ook goed, vakkundig gemaakt entertainment waarvan de economische en sociale betekenis zeker niet zijn uit te vlakken. Cultuurbeleid gaat echter niet over ontspanning en vermaak, maar is gericht op dat deel van de hedendaagse kunsten dat zonder subsidie niet zou overleven, hoewel het vernieuwend en origineel is, of misschien omdat het vernieuwend en origineel is. Het verrassende is dat deze kunst uiteindelijk, soms vele jaren later, meer oplevert dan er via subsidie aan is uitgegeven. Soms is de impact zelfs wereldwijd. Wij zeggen dan dat het culturele kapitaal niet meer in geld is uit te drukken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.12">Dit klinkt bemoedigend, maar toch is mijn fractie niet gerust. In de beleidspapieren van de staatssecretaris wordt het woord "cultuur" steeds vaker vergezeld van epitheta zoals "economische groeifactor van formaat" en "motor van de economie". Dit brengt mijn fractie tot de vraag hoe lang de kunst nog zal gelden als een "merit good" op grond waarvan de kwetsbare vitale onderdelen tegen het vrije spel van de markt worden beschermd. De vraag wordt dringend gesteld, omdat het huidige klimaat niet gunstig is. Niet alleen wat de subsidies betreft, nu de groei stagneert, wordt kunst weer kostenpost, maar vooral omdat er een conservatieve wind door ons land waait. De geschiedenis leert ons dat de kunstenaar dan het kind van de rekening wordt. Een vaak gestelde vraag is of die kunstenaar zijn aanbod niet meer op de vraag kan afstemmen. Ja, dat kan, "vraaggestuurde kunst, maar dan is de kunst, en zijn wij als beschouwer, publiek en afnemer, het kind van de rekening. Mevrouw de staatssecretaris, u bent Roodkapje niet en u hebt de keuze tussen de rechte weg en de weg door een spannend bos. Welke weg kiest u? D d d d daD dda d dda daD da d da d da d da d da dada</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.13">Mevrouw de voorzitter. Ik neem u nu mee van deze eerbiedwaardige chambre naar de kamer met de kunsten die door bezuinigingen en de lokroep van de markt het meeste gevaar lopen. Wij gaan door de schatkamer van het verleden, ons cultureel erfgoed waarvoor tot vreugde van mijn fractie nu goed wordt gezorgd, lopen door de ontspanningsruimte van de entertainmentindustrie, die zichzelf kan onderhouden omdat wordt gedraaid wat wordt gevraagd, in de richting van de kraamkamer, waarbinnen de kunst van nu ontstaat. Die kunst is vitaal maar kwetsbaar en behoeft dus zorgvuldige koestering. Hoeveel is er niet verloren gegaan? Wij kunnen bijna niet meer lezen en zijn onze eigen taal vergeten.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.14">Het is nog niet te laat, mits de staatssecretaris zich bewust wordt van haar zorgtaak in de kraamkamer en haar rol van inspirerende muze in de samenleving. Concreet betekent dit voor onze fractie ten eerste dat de staatssecretaris beleid ontwikkelt waardoor de samenleving ervan wordt doordrongen dat cultuur geen franje is, dat cultuur er is voor "de beleving van je menszijn". Iedereen neemt deel aan cultuur, dus bevordert cultuur de sociale cohesie. Ook private partijen raken zo geïnteresseerd om in cultuur te investeren. Fiscale steun kan vervolgens een handje helpen. Ten tweede betekent dit voor onze fractie dat de staatssecretaris de kwetsbare kunst als "merit good" beschermt tegen het vrije spel van de markt, met andere woorden dat zij blijft vechten voor een cultuurbudget van 1% van de rijksbegroting. Zoals de staatssecretaris weet, staat zij niet alleen: het merendeel van de partijen in de Tweede Kamer staat hierachter. Ten derde dient de staatssecretaris er in verband hiermee op toe te zien dat zorgvuldig wordt omgegaan met subsidieaanvragen. Ten vierde dient zij een visionair beleid te ontwikkelen voor de snel veranderende samenleving. Op punt 3 en 4 ga ik nu nader in. Omdat dit een plechtig moment is, begin ik met een lezing uit artikel 2 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid uit 1993: "Onze minister is belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen; hij laat zich daarbij leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid."</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.15">In de wet wordt gevraagd om kwaliteit en om verscheidenheid. De Raad voor cultuur adviseert hierover. In de wet wordt gevraagd om geografisch spreiden. De staatssecretaris spreekt over regionale spreiding en voegt hieraan "functie in het landelijk bestel" toe. Voorop zij gesteld dat onze fractie hecht aan regionale spreiding. Alle burgers hebben overal recht op alle kunst en cultuur. Loopt de staatssecretaris evenwel niet het gevaar dat dit criterium, gevoegd bij "functie in het bestel", zal werken als politiek sturingsinstrument? Het is immers niet denkbeeldig dat minder kwalitatieve instellingen worden gesubsidieerd, omdat ze zijn gestationeerd op plekken waarop gebrek is aan zo'n instelling. En denkt de staatssecretaris echt dat kunstenaars te verspreiden zijn – dat mensen sowieso te verspreiden zijn – met regionale fondsen als lokkertje? Kunstenaars zoeken elkaar op. Zij laten zich niet plaatsen. De Arnhemse modeontwerpers Victor en Rolf zouden met hun theatrale ontwerpen bijvoorbeeld nooit internationaal zijn doorgebroken wanneer zij niet dagelijks in contact waren gekomen met het theater en het museum ter plaatse. En de staatssecretaris wil Arnhem beperken tot mode? Hoe moeilijk is het niet om in Eindhoven een toneelgezelschap te handhaven? Als meer steden de kans krijgen zich te ontwikkelen tot creatieve steden, zoals Amsterdam, Groningen en Maastricht waar alle genietingen zijn en vaak meer van hetzelfde is, is er hoop voor de regio. Hoe staat het in dit verband met de gezamenlijke plannen van VROM en OCW om cultuur in te zetten bij stedelijke vernieuwing?</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.16">In de wet wordt gevraagd om sociale spreiding. De staatssecretaris spreekt over "maatschappelijk bereik". Het is voor mijn fractie van het allergrootste belang dat de kwetsbare nieuwe kunst in een samenleving terechtkomt waarin zij welkom is, met liefde wordt ontvangen en wordt gewaardeerd, waarin zij wordt herkend, gehoord, beleefd en ondergaan door de hele samenleving, nu en in de toekomst. In haar plannen reikt de staatssecretaris daarvoor een aantal waardevolle instrumenten aan: het actieplan Cultuurbereik, cultuureducatie en cultureel zelfbewustzijn. Onze fractie is er zeer verheugd over dat het actieplan Cultuurbereik, een gezamenlijk beleidsprogramma van gemeenten, provincies en het Rijk, wordt voortgezet. Ook de plannen om cultuureducatie structureel in het onderwijsprogramma te verankeren verheugen ons. De extra middelen die ter beschikking komen, zullen ruimschoots worden terugverdiend, omdat investeren in cultuureducatie immers investeren in de toekomst is. Het verontrust onze fractie al geruime tijd dat onze kinderen heel goed leren rekenen, maar slecht scoren inzake cultuur, literatuur, muziek en geschiedenis. Hoe is dat toch mogelijk in een cultureel zo rijk land als het onze? Kennis van moderne talen, waaronder onze eigen taal, is verwaarloosd, alsof Nederland niet meer in Europa ligt. Het roer moet definitief om, anders bereiken wij Lissabon nooit.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.17">Heeft de staatssecretaris ooit samen met de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onderzocht hóé kunst en cultuur worden onderricht? Toont zij wel eens belangstelling voor de culturele activiteiten van scholen? Wordt het niet eens tijd om de curricula van de pabo en de docentenopleidingen door te lichten op vakken die kunst in specifieke zin, en cultuur in algemene zin behandelen? Wij weten allemaal dat een begenadigd cultuurdocent meer overdraagt dan tien computerprogramma's. Ons inziens verdient het aanbeveling om meer kunstenaars, uiteraard betaald, bij het cultuuronderwijs te betrekken, zodat kunst tastbaar wordt.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.18">Het begrip "cultureel bewustzijn" heeft onze fractie aan het denken gezet. Wij begrijpen niet helemaal wat de staatssecretaris ermee bedoelt. Moeten ook de nieuwe Nederlanders een cultureel zelfbewustzijn verkrijgen? En doelt de staatssecretaris dan op bewustzijn van de eigen cultuur, op bewustzijn van de Nederlandse cultuur of op beide, zoiets als een dubbel paspoort? Indien het laatste het geval is, dan loopt de staatssecretaris niet aan de leiband van de regering. Daar prijzen wij haar om. Daarom durven wij haar ook te vragen of het niet mogelijk is dat zij vanuit het departement van OCW, dat naar de toekomst gerichte gebouw waar muren ramen zijn, een cultuurbeleid inzet dat even weids is als het uitzicht. Ik doel op een visionair beleid, de nieuwe culturen betreffende, dat het onbegrip, de angst en de onmacht die nu het debat beheersen, wegneemt, een beleid gericht op versterking van onze eigen zwakke culturele identiteit – dat is uiteraard een dynamisch begrip – en een beleid gericht op stopzetting van de negatieve beeldvorming van de nieuwe Nederlander.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.19">Wij, een zwakke identiteit? Ja, wereldburger waanden wij ons tot 1992. Door de Tweede Wereldoorlog zat de angst voor nationalisme "van vreemde smetten vrij" er zo stevig in dat alleen op sportieve hoogtepunten de verbondenheid bezongen werd met het nationaal verleden. Dan voer de Zilvervloot weer binnen. Na 1992, het jaar van de eerste Europese economische integratie, stijgt de behoefte aan de tegenkracht van een eigen culturele identiteit. In het theater betekent dat bijvoorbeeld een ware hausse aan Nederlandstalig toneel. Het Nederlandse lied wordt herontdekt en zelfs regionale dialecten worden opgepoetst. Naarstig schrapen wij onze identiteit bij elkaar. Dat dat niet mogelijk is na zo veel jaren zonder, wordt duidelijk uit de crisis waar wij nu in zitten. Wat blijkt? Wij zijn nog niet geïntegreerd in onze eigen cultuur. Het beste is dat wij allemaal op cursus of weer terug naar school gaan. Wij zijn het dan ook hartgrondig eens met de minister van OCW die ons een leven lang laat leren, over onszelf en onze cultuur. Cultuur geeft je een kamer om in te wonen, een kamer waarin je ook ontvangen kunt. Dus verdiepen wij ons, de boeken liggen toch opengeslagen en de bibliotheek krijgt extra subsidie, ook in andere culturen.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.20">Ik kom tot een afronding. Mijn fractie maakt zich zorgen. Hoe moet het straks met de zich uitbreidende EU? Hoe gaan wij met al die culturen om? Met de angst van de onwetende of met de wijsheid van de beschaafde mens? Het integratiedebat is een cultuurdebat en het normen-en-waardendebat loopt daar dwars doorheen. Het is de taak van de staatssecretaris om het integratiedebat te brengen van een voor sommige groepen schofferend debat naar een door kennis gestut, intelligent debat. Nota bene: wij bedoelen niet dat de staatssecretaris het debat inhoudelijk moet sturen, maar dat zij het debat mede moet stimuleren en mogelijk moet maken. In haar beleidsplan wijdt zij er woorden aan, maar die woorden klinken naar wensen en strevingen. Onze vraag is dan ook wanneer onze fractie een notitie tegemoet mag zien waarin de staatssecretaris die wensen en strevingen omzet in concrete plannen. Wij willen graag met haar en het liefst met vertegenwoordigers van alle fracties in deze Kamer om de tafel gaan zitten om tot beleid te komen dat het tij kan keren. Het parlement waartoe ook deze Kamer behoort, is het geweten van de democratie. Laten wij ons dat aantrekken.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.1.21">De fractie van de PvdA vraagt de staatssecretaris om beleid dat de samenleving ervan doordringt dat cultuur geen franje is, maar noodzaak voor sociale cohesie, om beleid dat de kwetsbare kunst blijft beschermen en om beleid dat het integratiedebat en het normen-en-waardendebat op een waardevol plan brengt. Mijn fractie ziet in de staatssecretaris een potentiële drager van het vuur van Prometheus. Neemt zij dit vuur aan of blijft zij wachten op het behaaglijke zonnetje waar in 1952 in dit huis zo naar gesmacht werd? Kneu ote ote ote ote oteOte ote ooteOte oteBoeMevrouw de voorzitter, dank u wel.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.2.1">Mevrouw Witteman, ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech, waarin u sprak over het doorbreken van codes. Dat hebt u met de vorm waarin u uw bijdrage hebt gegoten in ieder geval gedaan. Feitelijk is ook met uw lidmaatschap van deze Kamer een ongeschreven code doorbroken, althans gelet op uw loopbaan. Voor u geen uitgebreide politieke of bestuurlijke carrière. Uw werkervaring deed u op als artistiek leider van toneelgezelschappen, als bijzonder hoogleraar kunst en cultuur aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, de Anton van Duinkerken-wisselleerstoel, en als regisseuse, publiciste en gastdocente op het gebied van het theater van de Griekse oudheid. Ook was u gedurende zes jaar lid van de Raad voor de kunst.</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.2.2">Het is verleidelijk om het politieke optreden dat zich wekelijks in deze Senaat afspeelt te vergelijken met het Griekse theater. Ongetwijfeld zijn er parallellen tussen onze debatten en de opbouw, de climax en de wending, zoals die voorkomen in het theater van de Griekse oudheid. Alleen is er in dit huis niet vaak een deus ex machina om een oplossing voor de problemen aan te kondigen. Toch ligt uw motivatie voor het werk in deze Kamer niet besloten in de mogelijke parallellen met het theater. Op de website van uw partij legt u uit waarom de Eerste Kamer u past: "Omdat deze chambre de réflexion meer dan de Tweede Kamer ruimte biedt om op zoek te gaan naar de diepere oorzaken van maatschappelijke problemen."</p>
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.2.3">Door uw passie voor de grote en de kleine lettertjes van welk onderwerp dan ook, wilt u een bijdrage leveren aan de politieke discussie in deze Kamer. Met uw gepassioneerde bijdrage vandaag aan het debat over de begroting voor Cultuur hebt u aangetoond dat u uitstekend in staat bent de grote en de kleine lettertjes van het cultuurbeleid te doorgronden. Ik wens u bij het politieke werk hier alle succes toe. Ik geef de Kamer de gelegenheid om onze nieuwe collega te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.3">
                        <p docno="h-ek-20032004-1038-1055.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mevrouw Witteman, ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech, waarin u sprak over het doorbreken van codes. Dat hebt u met de vorm waarin u uw bijdrage hebt gegoten in ieder geval gedaan. Feitelijk is ook met uw lidmaatschap van deze Kamer een ongeschreven code doorbroken, althans gelet op uw loopbaan. Voor u geen uitgebreide politieke of bestuurlijke carrière. Uw werkervaring deed u op als artistiek leider van toneelgezelschappen, als bijzonder hoogleraar kunst en cultuur aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, de Anton van Duinkerken-wisselleerstoel, en als regisseuse, publiciste en gastdocente op het gebied van het theater van de Griekse oudheid. Ook was u gedurende zes jaar lid van de Raad voor de kunst.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Algra" MPid="02308" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2003-10-08" topic="BZK/Gemeentefonds/Provinciefonds" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20032004-527-552.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20032004-527-552.1.4" which-speech-in-topic="3" number-of-paragraphs="12" number-of-words="1188" number-of-unique-words="504" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Dijsselbloem" MPid="02200"/>
                <speaker name="Dubbelboer" MPid="02407"/>
                <speaker name="Algra" MPid="02308"/>
                <speaker name="Spies" MPid="02371"/>
                <speaker name="Van Beek" MPid="02209"/>
                <speaker name="Luchtenveld" MPid="02627"/>
                <speaker name="Eerdmans" MPid="02365"/>
                <speaker name="Van der Ham" MPid="02317"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is nu aan de heer Algra, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20032004-527-552.1.4" speaker="Algra" party="CDA" function="De heer" title="De heer Algra  (CDA)" MPid="02308">
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.1" speaker="Algra" function="De heer" MPid="02308">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Algra (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Algra</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.1.2">Foarsitter. Ik wie fansels fan doel om myn maidenspeech alhiel yn it Frysk te hâlden. Maar met een Grunninger als minister kan ik dat natuurlijk neit maken. Boppedat binne de ûnderwerpen dy't ik oansnije wol, feiligens en bestjoerlike boetes, net spesjaal Fryske ûnderwerpen. Dus ter geruststelling: ik zal mijn maidenspeech vandaag in het Nederlands doen. De onderwerpen waar ik vooral aandacht voor wil vragen, veiligheid en bestuurlijke boetes, zijn onderwerpen die aansluiten bij mijn persoonlijke verleden. Veiligheid is een onderwerp waar ik mij als oud-politieagent actief mee heb beziggehouden. Als diender in Amsterdam werd ik helaas regelmatig geconfronteerd met te weinig tijd om voldoende aandacht te kunnen besteden aan diverse kleine, maar ergerlijke overtredingen: een belangrijk ervaringsargument om het instrument bestuurlijke boete voortvarend op de agenda te zetten. Het maakt het voor mij, nu als Tweede-Kamerlid, dan ook extra bijzonder om juist voor deze onderwerpen de aandacht te mogen vragen.</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.1.3">Veiligheid is in de ogen van de CDA-fractie kerntaak van de overheid. Op de rol van de politie, een onmisbare schakel in die veiligheidsketen, kom ik uitgebreid terug in het wetgevingsoverleg op 3 november a.s. Ik besteed nu wel aandacht aan de brandweer, een andere belangrijke schakel in de veiligheidsketen. Met name op het terrein van de rampenbestrijding ligt een belangrijke taak voor de brandweer. Het integrale veiligheidsbeleid met daarin rampenbeheersing en brandweerzorg, is in de ogen van het CDA allereerst een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Rampen houden zich echter niet aan gemeentegrenzen. Belangrijk bij het bestrijden van rampen is dan ook de samenwerking. Wat is in dat verband het standpunt van de minister over de bestuurlijke vorm?</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.1.4">Het CDA is van mening dat er bij regio-overschrijdende rampen duidelijkheid moet zijn over de verantwoordelijkheden. Uiteindelijk moeten wij de minister kunnen aanspreken. Dat betekent dat de minister in voorkomende gevallen zijn verantwoordelijkheid moet hebben georganiseerd. Tot slot moeten de mensen die de uitvoering ter hand nemen goed zijn opgeleid. De minister stelt momenteel diverse nieuwe regels ten aanzien van functie- en opleidingseisen. Kunnen de gemeenten hieraan tegemoetkomen en is er sprake van uniformiteit? Wat zijn de vooruitzichten met betrekking tot de afstemming op het reguliere onderwijs?</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.1.5">Bij de partners in veiligheid worden terecht ook de bedrijven genoemd. Het CDA is van mening dat zij op het terrein van veiligheid ook een eigen verantwoordelijkheid hebben. Wat voor afspraken worden er bijvoorbeeld gemaakt met particuliere beveiligers? Immers zij kunnen de keten aanzienlijk versterken, bijvoorbeeld op het terrein van bewaking. Dan moet wel zichtbaar zijn waar en hoe dat het geval is. De politie kan zich dan, zoals afgesproken, meer gaan bezighouden met haar kerntaken. Van bedrijven mag worden verwacht dat zij zich inspannen om hun bedrijf en goederen te beschermen. Bedrijven moeten echter ook kunnen rekenen op de medewerking van de overheid.</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.1.6">In onze samenleving worden regelmatig grootschalige commerciële activiteiten ontplooid die risico's met zich brengen voor verstoring van openbare orde en veiligheid. De verbetering van de informatiepositie levert wel een beter inzicht in de te verwachten risico's bij dergelijke evenementen, maar worden er ook afspraken gemaakt over de financiële gevolgen? De CDA-fractie is van mening dat overheidsdiensten als brandweer, marechaussee en politie niet te koop mogen zijn. Er mogen echter wel grenzen gesteld worden aan de verwachtingen ten aanzien van deze diensten. Als de risico's bij commerciële activiteiten grenzen overschrij den, moeten er naast aanvullende afspraken en voorwaarden ook afspraken over een financiële verrekening gemaakt kunnen worden! Het ligt in de ogen van het CDA het meest voor de hand dat in voorkomende gevallen de invulling een verantwoordelijkheid wordt van gemeenten. De minister zal echter met een voorstel moeten komen waarin overkoepelende richtlijnen worden gesteld. Voor het CDA is een belangrijke randvoorwaarde het commerciële karakter van die activiteiten. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om alle bestaande maatschappelijke activiteiten extra af te gaan rekenen. Mogen wij van de minister op dit terrein binnenkort een voorstel verwachten?</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.1.7">Als wij trachten het totale veiligheidsveld te overzien, zien wij dat extra gelden beschikbaar worden gesteld. Tegelijkertijd zien wij dat er extra kosten gemaakt worden op het terrein van de communicatie, C2000. Bovendien verwachten wij nog een behoorlijke kostenpost voor de ICT-ontwikkeling. Blijft er per saldo nog wel extra geld over voor een intensievere aanpak?</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.1.8">Voorzitter. Een belangrijk onderdeel op het terrein van de veiligheid wordt gevormd door de ICT-voorzieningen. De CDA-fractie maakt zich daarbij zorgen over zowel de uitvoering als het kostenplaatje. Kan de minister onze zorg wegnemen met bijvoorbeeld de verzekering dat de uitvoering voor diverse onderdelen op schema ligt? Minstens zo belangrijk is dat ook het financiële plaatje binnen de budgetten blijft en dat er over de kostenverdeling sluitende afspraken zijn gemaakt? De minister stelt voor, zich vooral te richten op het ontwikkelen van beleidskaders en het strategisch beheer. Is het met zo'n vitaal onderdeel als ICT-voorzieningen juist niet wijzer om een zwaardere beheersverantwoordelijkheid bij het ministerie te leggen?</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.1.9">Voorzitter. Als laatste onderwerp willen wij hier nogmaals aandacht vragen voor de CDA-plannen met betrekking tot bestuurlijke boetes. Ondanks alle goede plannen en convenanten zal in de praktijk steeds weer blijken dat er zaken blijven liggen, zaken die bij de opsporingsdiensten niet de hoogste prioriteit hebben, maar bij de burgers wel een hoop ergernis teweeg brengen. Dan gaat het om zaken variërend van hondenpoep en zwerfvuil tot overlast veroorzakende hanggroepen. Voor dergelijke eenvoudige, ergernis veroorzakende zaken moet de bestuurlijke boete nu snel worden ingevoerd. Het CDA wil dat deze materie nu voortvarend wordt opgepakt!</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.1.10">Voorzitter. Het moet toch mogelijk zijn om voor 1 januari 2004 de bestuurlijke boete in te voeren, te beginnen voor de onderwerpen die in de plaatselijke verordeningen zijn geregeld. Het CDA is er echter ook voorstander van om de bestuurlijke boetes uit te breiden naar de eenvoudige overtredingen die in andere wetgeving is geregeld. Wij denken daarbij onder andere aan de Wegenverkeerswet. Ik geef als voorbeeld het gevaarlijke en ergerlijke weggedrag van veel fietsers. Fietsen door rood licht, over stoepen en zonder goede verlichting zijn onderwerpen die zich prima lenen voor het opleggen van de bestuurlijke boete. Ook onderdelen uit andere wetten kunnen hierin een rol spelen.</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.1.11">Met de bestuurlijke boete kan een gemeente zelf prioriteiten stellen en vervolgens adequaat optreden. Ook de werkgelegenheid heeft baat bij de invoering van de bestuurlijke boete. De CDA-fractie heeft zich al eerder uitgesproken om gesubsidieerde banen om te zetten in echte banen. Er kan echter, vergelijkbaar met parkeercontrole in diverse gemeenten, een particulier bedrijf worden ingehuurd. Invoering van de bestuurlijke boete geeft gemeenten dus de mogelijkheid extra banen te creëren. De inkomsten uit bestuurlijke boetes kunnen immers worden ingezet voor uitbreiding van de handhavingscapaciteit.</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.1.12">Voor het CDA heeft veiligheid de hoogste prioriteit. Handhaving kost geld, maar de kosten mogen voor een groter deel verhaald worden op de veroorzakers. Dat kan door kosten in rekening te brengen bij commerciële activiteiten en door het invoeren van de bestuurlijke boete.</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.1.13">Foarsitter, it mei dúdlik wêze, net eamelje mar oanpakke! Hoe je dat in het Grunnings zegt, weet ik nait, maar de minister ongetwijfeld wel.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.2.1">Ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.3">
                        <p docno="h-tk-20032004-527-552.1.4.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Anker" MPid="03114" party="ChristenUnie" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2007-03-08" topic="Schietincident Enschede" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20062007-2782-2806.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20062007-2782-2806.1.7" which-speech-in-topic="6" number-of-paragraphs="1" number-of-words="418" number-of-unique-words="228" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Teeven" MPid="02336"/>
                <speaker name="Joldersma" MPid="02322"/>
                <speaker name="Van Velzen" MPid="02342"/>
                <speaker name="De Roon" MPid="03126"/>
                <speaker name="Wolfsen" MPid="02349"/>
                <speaker name="Anker" MPid="03114"/>
                <speaker name="Azough" MPid="02302"/>
                <speaker name="Van der Vlies" MPid="02682"/>
                <speaker name="Pechtold" MPid="02993"/>
                <speaker name="Thieme" MPid="03100"/>
                <speaker name="Albayrak" MPid="02202"/>
                <speaker name="Teeven" MPid="02336"/>
                <speaker name="Joldersma" MPid="02322"/>
                <speaker name="Van Velzen" MPid="02342"/>
                <speaker name="De Roon" MPid="03126"/>
                <speaker name="Wolfsen" MPid="02349"/>
                <speaker name="Azough" MPid="02302"/>
                <speaker name="Pechtold" MPid="02993"/>
                <speaker name="Albayrak" MPid="02202"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Anker, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7" speaker="Anker" party="ChristenUnie" function="De heer" title="De heer Anker  (ChristenUnie)" MPid="03114">
                    <speech party="ChristenUnie" docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.1" speaker="Anker" function="De heer" MPid="03114">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Anker (ChristenUnie)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Anker</naam>
                                <partij>ChristenUnie</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.1.2">Voorzitter. Het feit dat dit mijn maidenspeech is en ik dus niet geïnterrumpeerd mag worden, maakt het betrekkelijk veilig voor mij om mijn verhaal te houden.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.2.1">Ik moet u wel waarschuwen dat het slechts bij deze ene keer blijft.</p>
                    </speech>
                    <speech party="ChristenUnie" docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.3" speaker="Anker" function="De heer" MPid="03114">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Anker (ChristenUnie)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Anker</naam>
                                <partij>ChristenUnie</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.3.2">De fractie van de ChristenUnie zit een beetje met dit onderwerp in haar maag. Toen dit spoeddebat vanmiddag werd aangevraagd, vroegen wij ons af wat wij zouden moeten doen, anders dan het stellen van een paar feitelijke vragen. Ik zal dan ook straks niet veel meer doen dan het stellen van een aantal van zulke vragen. Wij waren echter behoorlijk verbaasd toen de heer Teeven zijn eerste termijn behoorlijk hard inzette, voorstelde alle verloven in te trekken, spoedoperaties op te starten en het hele tbs-systeem op de helling zette. Het lijkt heel gemakkelijk om te zeggen dat dit incidentenpolitiek is, maar toch lijkt het daar wel veel op.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.3.3">Ik heb een aantal feitelijke vragen. Wij zijn minstens net zo benieuwd als de heer Wolfsen naar het naadje van de kous. Het gaat ons daarbij vooral om de manier waarop het verlof is gegeven en om het stadium. Op welke manier is verder het risico getaxeerd dat er eventueel genomen werd?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.3.4">Welke concrete maatregelen zijn getroffen sinds het incident heeft plaatsgevonden? Wat is er in de kliniek gebeurd? Is daar direct actie ondernomen? Zijn alle verloven nog eens nagetrokken?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.3.5">Iedereen heeft al gesproken over de toezeggingen en maatregelen naar aanleiding van het rapport van de commissie-Visser. Ik heb mij vandaag behoorlijk rap moeten inlezen. Ik heb begrepen dat ongeveer een halfjaar is uitgetrokken voor de invoering van de maatregelen. De target is ongeveer juni 2007. De hele Kamer zal het met mij eens zijn dat hoe eerder alle maatregelen zijn uitgevoerd hoe beter dat is. Wat is er nog mogelijk?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.3.6">Voor het toetsen van verlofvergunningen zou een extra veiligheid worden ingebouwd, in de vorm van een commissie. Er moet dan ook informatie worden gegeven aan de gemeente. Het CDA heeft daarvoor zojuist een oproep gedaan. Er wordt gezegd dat het heel lastig is om dit structureel aan te pakken. Maatwerk lijkt de oplossing. Wat is het maatwerk in Enschede en bij de tbs-kliniek geweest? Wat wordt het maatwerk in de toekomst?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.3.7">Hoe is er gecommuniceerd met de gemeente over wat er is gebeurd? Hoe is de stand van zaken daarmee?</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.4.1">Ik kan namens iedereen constateren dat u zich vandaag goed hebt ingelezen. Ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.5">
                        <p docno="h-tk-20062007-2782-2806.1.7.5.1">De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Ik moet u wel waarschuwen dat het slechts bij deze ene keer blijft.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Atsma" MPid="02204" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="1998-11-17" topic="Riooloverstorten" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-19981999-1601-1606.xml?view=nl/proceedings#h-tk-19981999-1601-1606.1.2" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="4" number-of-words="464" number-of-unique-words="248" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Ruimte en infrastructuur <pm:entity> Netwerken</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Bodem</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van Middelkoop" MPid="02973"/>
                <speaker name="Atsma" MPid="02204"/>
                <speaker name="Klein Molekamp" MPid="02560"/>
                <speaker name="Poppe" MPid="02536"/>
                <speaker name="Ter Veer" MPid="02680"/>
                <speaker name="J.M. de Vries" MPid=""/>
                <speaker name="Faber" MPid="02905"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Atsma, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-19981999-1601-1606.1.2" speaker="Atsma" party="CDA" function="De heer" title="De heer Atsma  (CDA)" MPid="02204">
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-19981999-1601-1606.1.2.1" speaker="Atsma" function="De heer" MPid="02204">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Atsma (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Atsma</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-1601-1606.1.2.1.2">Dank u, voorzitter. Het is soms een voorrecht om in ieder geval een poging te doen om in een kort tijdsbestek veel te zeggen. Ik sluit mij in grote lijnen aan bij datgene wat door de heer Van Middelkoop al naar voren is gebracht, temeer omdat dit alles vorige week uitvoerig aan de orde is geweest. Wat toen gezegd is, zal ik nu niet herhalen. Evenals voor de andere fracties is het voor de CDA-fractie volstrekt helder dat het probleem van de riooloverstorten in Nederland een buitengewoon groot probleem is. De CDA-fractie is dan ook van mening dat we moeten proberen op korte termijn een gedetailleerde en exacte informatiestroom te krijgen over de plaats en het aantal schadelijke riooloverstorten, want het gaat hier om een groot probleem en we weten niet exact waarover we het hebben. Alleen die goede en volledige inventarisatie maakt een effectieve aanpak mogelijk.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1601-1606.1.2.1.3">Riooloverstorten kunnen leiden tot grote risico's voor de diergezondheid. Vorige week is door verschillende woordvoerders benadrukt dat het tot veel meer risico's kan leiden. Denk maar aan de landbouwgewassen en aan het leefmilieu in het algemeen. In dat kader wil ik erop wijzen dat het in feite ook gaat om een volksgezondheidsprobleem. De CDA-fractie vindt daarom dat sanering van de risicovolle overstorten zo snel als mogelijk plaats dient te vinden. In dat licht willen wij ervoor pleiten dat het Rijk aanvullende financiële mogelijkheden en middelen creëert om een en ander te realiseren. Dat staat los van de vraag wie de uitvoering van de sanering gaat coördineren. Vorige week hebben wij al met nadruk gesteld dat men zeker op regionaal niveau coördinatie in handen van de provincie zou kunnen geven.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1601-1606.1.2.1.4">Daarnaast bieden de Europese structuurfondsen wellicht mogelijkheden om te komen tot een vorm van versnelling en tot aanvullende financiering als het gaat om de sanering van risicovolle overstorten. De Europese structuurfondsen kunnen worden benut voor bepaalde regio's, maar met de nieuwe criteria die binnenkort van toepassing zullen zijn, kunnen zij wellicht voor heel Nederland gebruikt worden, althans voor die gebieden waar het probleem speelt. Wij willen daarom een beroep doen op het kabinet en het vragen om na te gaan welke mogelijkheden er in Brussel zijn. De mogelijkheden daar moeten zeker benut worden.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1601-1606.1.2.1.5">Ten slotte, mevrouw de voorzitter, wijst de CDA-fractie erop dat de Kamer jaarlijks geïnformeerd dient te worden over de voortgang inzake de sanering van de riooloverstorten. Op dit punt wil ik mij aansluiten bij de laatste woorden van de heer Van Middelkoop. Afrondend wil ik een motie indienen.</p>
                        <stage-direction docno="h-tk-19981999-1601-1606.1.2.1.6" type="motie">
                            <hyperlink xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl" pm:dossiernr="25890" pm:ondernr=""/>
                            <motie>
                                <mtekst>
                                    <al>De Kamer,</al>
                                    <al>gehoord de beraadslaging,</al>
                                    <al>overwegende, dat snelle en adequate sanering van alle risicovolle legale
en illegale riooloverstorten dringend gewenst is voor alle betrokkenen;</al>
                                    <al>overwegende, Atsmadat aan dit proces een flinke impuls gegeven dient te worden omdat anders de streefdatum van 2005 zeer zeker niet gehaald
gaat worden;</al>
                                    <al>voorts van mening, dat een kordate aanpak van de problematiek een positieve
impuls geeft aan onder andere het milieu, de diergezondheid en de leefbaarheid
op het platteland;</al>
                                    <al>verzoekt de regering een maximale inspanning te verrichten om op korte
termijn te bewerkstelligen dat kosten voortvloeiende uit de saneringsoperatie
mede gefinancierd kunnen worden uit de Europese structuurgelden,</al>
                                    <al>en gaat over tot de orde van de dag.</al>
                                </mtekst>
                                <voorz nw="nee">
                                    <al>Deze motie is voorgesteld door de leden Atsma, Poppe, Van der Vlies, Ter
Veer en Van Middelkoop.</al>
                                    <al>Zij krijgt nr. <stuknr>7</stuknr> (<vetnr>25890</vetnr>).</al>
                                    <witreg/>
                                    <al>Ik feliciteer de heer Atsma met het houden van zijn maidenspeech.</al>
                                </voorz>
                            </motie>
                        </stage-direction>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19981999-1601-1606.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19981999-1601-1606.1.2.2.1">Deze motie is voorgesteld door de leden Atsma, Poppe, Van der Vlies, Ter Veer en Van Middelkoop.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1601-1606.1.2.2.2">Zij krijgt nr. 7 (25890).</p>
                        <stage-direction type="witreg">
                            <witreg/>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-1601-1606.1.2.2.4">Ik feliciteer de heer Atsma met het houden van zijn maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-19981999-1601-1606.1.2.3">
                        <p docno="h-tk-19981999-1601-1606.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Deze motie is voorgesteld door de leden Atsma, Poppe, Van der Vlies, Ter Veer en Van Middelkoop.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Balemans" MPid="02206" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="1999-04-20" topic="Gemeentelijke herindeling Twente" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-19981999-4163-4202.xml?view=nl/proceedings#h-tk-19981999-4163-4202.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="21" number-of-words="2498" number-of-unique-words="846" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Gemeenten</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Balemans" MPid="02206"/>
                <speaker name="Barth" MPid="02208"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid="02792"/>
                <speaker name="Hoekema" MPid="02520"/>
                <speaker name="Van Middelkoop" MPid="02973"/>
                <speaker name="Van der Hoeven" MPid="02880"/>
                <speaker name="Kant" MPid="02226"/>
                <speaker name="Halsema" MPid="02220"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Balemans, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2" speaker="Balemans" party="VVD" function="De heer" title="De heer Balemans  (VVD)" MPid="02206">
                    <speech party="VVD" docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1" speaker="Balemans" function="De heer" MPid="02206">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Balemans (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Balemans</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.2">Mevrouw de voorzitter! Twijfel is het begin van iedere beslissing en als je twijfelt is het extra zaak om ervoor te zorgen dat je niet alleen alle argumenten hoort, maar dat je deze ook zorgvuldig en stuk voor stuk afweegt. Pas dan kun je tot een weloverwogen besluit komen. Dat is voor de VVD zeker van toepassing ten aanzien van het wetsvoorstel dat thans aan de orde is. De gemeentelijke herindeling van Twente is een proces dat qua omvang uniek is in Nederland en voor wat betreft de inhoud geleid heeft tot vele debatten en discussies. Twente werd menselijke emotie en bestuurdersleed.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.3">Mevrouw de voorzitter! De VVD-fractie heeft steeds opengestaan voor de argumenten van de voor- en tegenstanders van dit wetsvoorstel. Vele malen heb ik Twente bezocht en vele bestuurders en actiecomités hebben de weg naar Den Haag afgelegd om te pleiten voor hun standpunt. De VVD-fractie heeft groot respect voor de wijze waarop bestuurders en bewoners van de gemeenten in Twente hun strijd hebben gevoerd, terecht hard vechtend voor hun zaak op argumenten. Wie nu nog durft te zeggen dat de afstand tussen burgers en bestuur of tussen Twente en Den Haag te groot is, weet niet meer waar hij het over heeft. Twente en Den Haag hebben elkaar wederzijds goed weten te vinden. De afstanden in Nederland zijn minder groot dan wel eens gesuggereerd wordt. Vandaag begint de laatste fase van een proces dat voor een groot aantal jaren zal bepalen hoe Twente eruit gaat zien. Na de provincie, de gemeenten, de inwoners en het kabinet is nu de Tweede Kamer aan de beurt om de vraag te beantwoorden of dit de weg is die zij wenst te kiezen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.4">Ik heb al eerder gezegd dat processen van gemeentelijke herindeling menselijke emotie en bestuurdersleed zijn. Reden genoeg voor de VVD om niet alleen zorgvuldig met dergelijke gevoelens om te gaan, maar tevens om ervoor te zorgen dat het bestuurlijk instrument van de gemeentelijke herindeling daadwerkelijk oplossingen biedt voor een groot aantal jaren indien het wordt toegepast. Bij de discussies over de vernieuwing van de binnenlands bestuurlijke organisatie is voor de VVD steeds het uitgangspunt geweest dat niet getornd diende te worden aan de drie huidige volwaardige bestuurslagen: Rijk, provincie en gemeenten. Het huis van Thorbecke moet wat verbouwd worden, maar de fundamenten zijn nog steeds van goede kwaliteit. Naar de mening van de VVD dient het openbaar bestuur een structuur te bezitten die een tweetal doelstellingen kan realiseren. In de eerste plaats is dat bestuurskracht. De uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten dient doeltreffend en doelmatig te zijn. In de tweede plaats is dat democratische kwaliteit. De besluitvorming dient niet alleen plaats te vinden door bevoegde en controleerbare organen, maar dient daarnaast herkenbaar te zijn en rechtstreeks aan te sluiten bij de directe woon- en leefomgeving van de mensen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.5">De VVD is het met de regering eens dat om deze door mij genoemde doelstellingen te realiseren en de betrokkenheid van de burgers bij het openbaar bestuur zo groot mogelijk te maken, de gemeentelijke bestuurslaag zo sterk en autonoom mogelijk dient te zijn. Dit betekent dat gemeenten daadwerkelijk in staat moeten zijn om de hun toevertrouwde taken en bevoegdheden ten behoeve van hun inwoners effectief en efficiënt uit te voeren. Dat het element van de schaalgrootte daarbij een rol speelt, behoeft geen verwondering te wekken. Het is voor de VVD echter de vraag hoe groot wenselijk is. "Groot, groter, grootst" als synoniem voor "goed, beter, best" is voor mijn fractie een onacceptabele gedachtegang. Herindeling dient gericht te zijn op maatwerk en is een middel om te komen tot een sterkere bestuurlijke structuur indien andere middelen, als intergemeentelijke samenwerking of grenscorrecties, tot geen of onvoldoende resultaat zullen leiden.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.6">Mevrouw de voorzitter! In de zomer van 1998 heeft de VVD-fractie haar handtekening gezet onder een regeerakkoord dat de weg vrijmaakte voor de vorming van een kabinet van PvdA, VVD en D66. In het regeerakkoord is met betrekking tot gemeentelijke herindeling de volgende passage opgenomen: "Herindelingsvoorstellen waaronder die voor Den Haag en de regio Eindhoven-Helmond waarmee een aanvang is gemaakt, worden verder in procedure gebracht en in principe uitgevoerd conform de provinciale voorstellen". De woorden "in principe" zijn in een later stadium aan deze tekst toegevoegd omdat de Tweede Kamer geen stempelmachine is. Dit geeft de Kamer beperkte ruimte om op onderdelen af te wijken van het wetsvoorstel.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.7">Mevrouw de voorzitter! De provinciale staten van Overijssel hebben in de vorige periode met 52 van de 63 stemmen een voorstel over de herindeling van Twente aanvaard. Ook de leden van de CDA-statenfractie hebben hun steun verleend aan het voorstel, dat door minister Peper ongewijzigd is overgenomen en naar de Tweede Kamer gestuurd. Op 3 maart jl. zijn er verkiezingen geweest voor de provinciale staten. Bij de vorming van het college van GS van Overijssel heeft het CDA de meerderheid verworven en is CDA-gedeputeerde Kampermans belast met de portefeuille bestuurlijke vernieuwing, waaronder ook de herindeling valt.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.8">In een brief van 14 april 1999, slechts enkele dagen geleden, schrijft het nieuwe college van GS, waarin het CDA de grootste partij is, het volgende: "Ons college hecht er bijzonder aan het belang van de vorming van Twentestad bij u te benadrukken. Ook in de provinciale staten van Overijssel heeft dit voorstel brede steun: 52 van de 63 stemmen. Hierbij zijn zowel de belangen van de huidige steden Enschede en Hengelo gemoeid, als die van de gehele regio". Na de statenverkiezingen zijn het nieuwe college van Overijssel en de portefeuillehouder CDA-gedepu- teerde Kampermans nog steeds volledig achter hun oorspronkelijke ontwerpregeling blijven staan. Ook dit gegeven is voor de VVD-fractie van belang bij de beoordeling van dit wetsvoorstel.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.9">Voorzitter! Voor de uiteindelijke standpuntbepaling van de VVD-fractie is met name het antwoord van de minister van groot belang. De geschiedenis van de bestuurlijke problematiek in Twente kenmerkt zich door lange en moeizame discussies over grootschaligheid en wenselijkheid. In 1987 zijn Enschede en Hengelo door het kabinet aangewezen als stedelijk knooppunt met het oog op hun te benutten mogelijkheden op (eu)regionale, nationale en internationale schaal. Uit de rapporten van de commissies-Wagner en -Montijn bleek vervolgens dat verregaande samenwerking dan wel samenvoeging een logische ontwikkeling zou zijn. Indertijd is door de gemeenten Enschede en Hengelo vrijwillig het initiatief genomen om te komen tot een dubbelstad. Dit voorstel is uiteindelijk alleen om financiële redenen ingetrokken.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.10">Via de aanwijzing van dit gebied als BON-gebied, waarbij de nadruk sterk werd gelegd op intensivering van gemeentelijke samenwerking in de Kaderwet bestuur in verandering ging de discussie in de richting van de vorming van een stadsprovincie. Voor de VVD-fractie is een stadsprovincie Twente nooit de oplossing geweest. In 1995 heeft het kabinet vervolgens het standpunt ingenomen dat, mocht de vorming van een stadsprovincie niet wenselijk worden geacht, het middel van gemeentelijke herindeling de bestuurskracht van de regio zou moeten versterken. In oktober 1996 heeft de provincie Overijssel zich eveneens uitgesproken tegen de vorming van een dergelijke stadsprovincie. Voor de toekomst van Twente in bestuurlijk, ruimtelijk en economisch opzicht is een daadkrachtig bestuur noodzakelijk. Op 16 april 1996 heeft de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken per brief aan de Kamer laten weten dat intergemeentelijke samenwerking en het afsluiten van convenanten tot onvoldoende resultaat hadden geleid en dat dus tot herindeling diende te worden overgegaan. Kan de minister aangeven wat de voortgang van de intergemeentelijke samenwerking is geweest, met name tussen Enschede en Hengelo sinds 1996 en op welke terreinen deze zich heeft voltrokken? Acht de minister vervolgens het concept van intergemeentelijke samenwerking gekoppeld aan een arbitragerol van de provincie in het licht van het afgenomen draagvlak in Hengelo thans een realistische alternatief? Zo ja, onder welke voorwaarden zou dit dan gestalte kunnen krijgen?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.11">Mevrouw de voorzitter! Sinds het aantreden van dit kabinet is minister Peper verantwoordelijk voor de vormgeving van bestuurlijk Nederland. In de negen maanden dat hij nu het ambt van minister bekleedt, staat hij op het punt te bevallen van zijn kindje: Twentestad. Als jonge vader voel ik met hem mee. Oorspronkelijk zag de gemeente Hengelo veel in een samengaan met Enschede. Sinds enige tijd geloven het gemeentebestuur en de inwoners van Hengelo blijkbaar niet meer in Twentestad. Kan de minister een verklaring geven voor deze omslag?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.12">Als de VVD-fractie de belangrijkste argumenten voor en tegen de vorming van Twentestad op een rij zet, ontstaat het volgende beeld. Voor Twentestad pleiten de volgende aspecten. Ik noem in de eerste plaats de vorming van een sterk gemeentelijk bestuur voor het grootste deel van het stedelijk centrum van Twente, waardoor de knooppuntfunctie goed tot haar recht komt. Ten tweede, Twentestad voorkomt ongezonde vormen van onderlinge concurrentie tussen de gemeenten in het stedelijk knooppunt. Voorzieningen worden dubbel uitgevoerd zonder dat daar een aanwijsbare markt voor is, hetgeen onnodige kosten met zich brengt. Kan de minister aangeven om welke dubbele voorzieningen het hierbij gaat en welke onnodige kosten dit met zich brengt? Ten derde, Twentestad leidt tot een versterking van het lokale bestuur. Er zijn meer mogelijkheden voor een specifieke overdracht van rijks- en provinciale taken en een sterkere aanpak van de grotestedenproblematiek. Kan de minister aan de VVD-fractie duidelijk maken welke rijks- en provinciale taken overgedragen zouden kunnen worden aan Twentestad? Ik noem ten vierde de versterking van de nationale en internationale concurrentiepositie en de versterking van de regio ten opzichte van landelijke en Europese overheden. In het verlengde hiervan kan dit leiden tot een krachtige positie binnen de reeds bestaande samenwerking met steden als Münster en Osnabrück. Ten vijfde, er bestaat een groot draagvlak voor Twentestad bij het bedrijfsleven, het onderwijs en twee van de drie betrokken gemeenten.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.13">Als laatste pleit in de ogen van de VVD-fractie voor Twentestad, dat er sprake is van behoud en creatie van werkgelegenheid door meer mogelijkheden voor vestiging van bedrijven. Er is geen versnippering van landschap door een evenwichtige verdeling tussen natuur, bedrijfsterreinen, woningbouw en landbouw. Te denken valt hierbij aan het ruimtelijk dichtslibben van het gebied tussen de stedelijke kernen van Hengelo en Enschede. Bij het verdwijnen van de tussenliggende gemeentegrens kunnen woningbouw, industrie en de Universiteit van Twente zich beter ontwikkelen zonder dat dit ten koste gaat van de daar aanwezige natuurgebieden, zoals het Lonnekerveld en Drienerloo?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.14">Er pleiten ook een aantal argumenten tegen de vorming van Twentestad. Op de eerste plaats wordt gewezen op een mogelijke verstoring van de bestuurlijke verhoudingen in de regio en de provincie. Met name zou daarbij de positie Almelo en Wierden een rol spelen. Ik kom daar later in mijn verhaal nog op terug. Ten tweede, de in het regeerakkoord benadrukte versterking van de arbitragerol van de provincie zal onder druk komen te staan. Ten derde, de bestuurlijke afstand tussen de gemeente en haar diensten enerzijds en de burgers anderzijds zou te groot worden. Ten vierde, binnen Twentestad zou Enschede een te dominante rol gaan spelen, met mogelijke gevolgen voor de spreiding van het voorzieningenniveau in de andere steden. Kan de minister aangeven of hij de argumenten die tegen pleiten, deelt?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.15">Voorzitter! Ik kom bij de positie van Almelo. De VVD-fractie deelt de zorg van de minister over de ruimtenood van deze gemeente. Voor de economische mogelijkheden en de behoefte aan woningbouwlocaties kan een oplossing gevonden worden door het door mij met mijn coalitiegenoten ingediende amendement dat beoogt het gedeelte van de gemeente Borne dat oorspronkelijk werd toegevoegd aan de gemeente Wierden, nu toe te voegen aan de gemeente Almelo. Hiermee wordt in voldoende mate tegemoetgekomen aan de behoefte van Almelo. Voor de gemeente Wierden heeft dit voor haar verdere ontwikkeling geen negatieve gevolgen. De VVD-fractie wijst in ieder geval een samenvoeging van Wierden en Almelo af.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.16">Terecht maakt de minister enige kanttekeningen bij de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Oldenzaal. Gezien de geografische positie van Oldenzaal, de te verwachte toename van logistieke bedrijvigheid en tegelijkertijd de belangrijkste functie inzake het beheer van het specifieke karakter van het landschap in dat deel van de regio, mag de vraag gesteld worden in hoeverre de voorgestelde grenscorrecties afdoende zullen zijn.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.17">Voor de gemeenten Hof van Twente, Denekamp, Hellendoorn en Vriezenveen kan de VVD zich in grote lijnen vinden in het wetsvoorstel. Ten aanzien van deze gemeenten bestaat wel enige zorg over de financiële positie die ontstaat als gevolg van de betreffende samenvoegingen. Hoe denkt de minister deze problematiek te volgen? Is hij bereid om in de toelichting op het Gemeentefonds hieraan aandacht te besteden, zodat de Kamer hierover nader met de regering kan spreken?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.18">Ook ten aanzien van de samenvoeging van Holten en Rijssen is de VVD-fractie positief. Terecht laat de minister, gezien de voorgeschiedenis, Bathmen buiten dit wetsvoorstel. Ook de VVD-fractie zal, wanneer de positie van Bathmen aan de orde komt, alle mogelijkheden binnen Overijssel andermaal afwegen. Vooralsnog is dat echter nu niet aan de orde.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.19">Op 1 januari 2000 is de invoering van dit wetsvoorstel voorzien. Nu hebben mijn fractie geluiden bereikt van gemeenten die zeggen dat bij aanvaarding van het wetsvoorstel, na de uitspraak van de Eerste Kamer, de gemeentelijke organisaties niet op tijd de samenvoegingen van hun ambtelijke diensten kunnen realiseren. Kan de minister aangeven of hij praktische problemen voorziet bij de betrokken gemeenten? Wat kan dit eventueel betekenen voor de beoogde datum van invoering, te weten 1 januari 2000?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.20">Mevrouw de voorzitter! Vermeldenswaardig is voorts de commotie die is ontstaan over de consultatieplicht op grond van de Wet op de ondernemingsraden. De WOR spreekt over een consultatievereiste van de OR voor de overheid voorzover er personele consequenties verbonden zijn aan de in te voeren regelingen. Nu constateert de Ondernemingskamer met betrekking tot de herindeling van Twente dat deze consultatie niet heeft plaatsgevonden, maar wel plaats had moeten vinden. Voorts verklaart de Ondernemingskamer zich onbevoegd omdat het wetsvoorstel al bij de Tweede Kamer is ingediend. Kan de minister aangeven wat hij van de uitspraak van de Ondernemingskamer vindt? Is de minister, nu dit probleem op zijn bord ligt, van plan om de OR om advies te vragen? Tot slot de vraag aan de minister op welke wijze hij in toekomstige situaties van plan is om hiermee om te gaan.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.21">Mevrouw de voorzitter! De VVD-fractie heeft alle argumenten van voor- en tegenstanders, van de provinciale staten van Overijssel en van de regering, afgewogen. Dit wetsvoorstel heeft een lange geschiedenis. Die geschiedenis is van invloed op het eindoordeel van de VVD. Op de radio zijn tegenwoordig veel reclamespotjes te horen met de boodschap: het is tijd voor Twente. De regio heeft na vele jaren van discussie behoefte aan duidelijkheid en rust, opdat gebouwd kan worden aan een nieuwe toekomst.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.1.22">Voorzitter! Maatwerk, bestuurskracht en democratische kwaliteit zullen bij mijn fractie van groot belang zijn bij de uiteindelijke beoordeling van dit wetsvoorstel. Daarnaast spelen het regeerakkoord en het oordeel van de provincie Overijssel een belangrijke rol in de eindafweging die wij na dit debat zullen maken. De VVD ziet de antwoorden van de minister met belangstelling tegemoet.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.2.1">Ik feliciteer de heer Balemans met zijn maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.3">
                        <p docno="h-tk-19981999-4163-4202.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Ik feliciteer de heer Balemans met zijn maidenspeech.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Balkenende" MPid="02207" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="1998-09-29" topic="Algemene financiële beschouwingen/Financiën" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-19981999-291-309.xml?view=nl/proceedings#h-tk-19981999-291-309.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="21" number-of-words="4052" number-of-unique-words="1332" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Balkenende" MPid="02207"/>
                <speaker name="Crone" MPid="02507"/>
                <speaker name="Van der Vlies" MPid="02682"/>
                <speaker name="Vendrik" MPid="02245"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Balkenende die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-19981999-291-309.1.2" speaker="Balkenende" party="CDA" function="De heer" title="De heer Balkenende  (CDA)" MPid="02207">
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1" speaker="Balkenende" function="De heer" MPid="02207">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Balkenende (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Balkenende</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.2">Voorzitter! Op grond van uw mededeling op de parlementaire dag zal ik alles in het werk stellen om u niet aan te spreken met mevrouw de voorzitter. Ik houd het dus gewoon op voorzitter.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.3">Alle leden van deze Kamer hebben van een uitgever het verzoek gekregen een topvijf samen te stellen van de meest getalenteerde, invloedrijke politici van deze eeuw. Zeker na de debatten rondom de regeringsverklaring en de Miljoenennota overweeg ik sterk de naam van dr. Willem Drees sr. te noemen. En ik zal u uitleggen waarom. Jelle Zijlstra, minister onder Drees, later premier en vervolgens president van De Nederlandsche Bank, had en heeft een enorme bewondering voor deze premier van PvdA-huize. Zijlstra wijst erop dat Willem Drees het vermogen had klip en klaar te zeggen waar het op stond en herinnert zich de volgende gevleugelde uitspraak van Drees: 'Niet alles kan, en zeker niet tegelijk!'.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.4">Wie vandaag de dag de overheidsfinanciën volgt, krijgt soms de indruk dat wél alles kan. Neem de verkiezingsprogramma's van de Paarse partijen voor de verkiezingen: én lastenverlichting én extra uitgaven én reductie van het financieringstekort. Kan dat allemaal? De rekening werd kloppend gemaakt door genoegen te nemen met hogere financieringstekorten in de jaren tussen 1998 en 2002 en met een aanmerkelijk hogere staatsschuld dan in de plannen van het CDA. Wat zou Drees sr. van een dergelijke financiering hebben gevonden? Ook tijdens de kabinetsformatie ging het creatieve rekenwerk door. De meest bijtende kritiek kwam misschien wel van Flip de Kam – ook PvdA – in zijn NRC-column 'De zestiende minister'. De financiële ruimte die de regering nodig heeft om alle extra uitgaven te kunnen bekostigen, wordt bijeen gesprokkeld met inverdieneffecten en boterzachte bezuinigingen. De slotsom van De Kam: 'Met de zegen van Plandirecteur Don heeft het kabinet zich deze zomer aan de eigen haren uit het moeras van de overheidsfinanciën getrokken.'</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.5">Voorzitter! Sinds deze zomer is er heel veel gebeurd. Terwijl de financieel-economische wolken zich begonnen samen te pakken, kwam er een regeerakkoord tot stand met hoge verwachtingen van de groei, ideeën over meevallers en vooral veel nieuwe uitgaven. Het debat over de regeringsverklaring stond wat betreft de Paarse partijen in het teken van gekrakeel over de vraag wat te doen als er geen financieringstekort meer zal zijn. Wel, die discussie heeft inmiddels elke relevantie verloren. Het is triest te moeten constateren dat momenteel zo ongeveer alle signalen op rood staan: afnemend vertrouwen in de grillige economie, teruglopende winstontwikkeling, een minder uitbundige groei van de werkgelegenheid en oplopende financieringstekorten. Bovendien zijn er veel onzekerheden: de beurskoersen, de olieprijzen (met alle gevolgen voor de aardgasopbrengsten), de introductie van de euro, het vertrouwen in de EMU en de steeds duurder wordende millenniumproblematiek. IMF, UNCTAD, Alan Greenspan, Shell, Philips, ING, Robeco, Hoogovens en – daar is hij weer – Van Wijnbergen, zij allen wijzen op een duidelijke afvlakking van de groei. Er vallen termen als 'recessie' of zelfs 'nulgroei'. Wereldwijd worden initiatieven genomen om crisisverschijnselen tegen te gaan: Clinton stelt een topconferentie voor, Frankrijk wil zo nodig het kapitaalverkeer aan banden leggen en minister Zalm wil dat Nederland nadrukkelijk een rol speelt. Is dat trouwens niet een eerste verantwoordelijkheid van de Europese Centrale Bank en/of de Europese Unie?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.6">We moeten elkaar geen crisis aanpraten, maar wel dient de snelle opstapeling van problemen onder ogen te worden gezien. Het gaat immers om een houdbaar begrotingsbeleid. Het kabinet-Kok had moeite om een motto te verzinnen voor deze periode. Uiteindelijk werd het 'weerbaarheid en stabiliteit'. Deze Kamer moet toetsen of het beleid werkelijk weerbaar en stabiel is. Voor die toetsing is alle aanleiding. In financieel opzicht bestaat er een forse spanning tussen een sterk expansief uitgavenbeleid, zeker volgend jaar, en de in hoog tempo oplopende financieel-economische spanningen. Te midden van alle financiële turbulentie mag één uiterst belangrijk ander aspect niet worden vergeten. En dat is de relatie tussen de overheidsfinanciën en de visie op de toekomst en kwaliteit van de samenleving. Namens de CDA-fractie zal ik eerst stilstaan bij de financiële beleidsvisie van het Paarse kabinet en daarna bij onze eigen financieel-economische oriëntatie.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.7">Als we het hebben over het regeerakkoord en de Miljoenennota 1999 doet zich iets heel typisch voor. In deze vergaderzaal horen we van de regering dat de begroting wel een stootje kan hebben, omdat er zo behoedzaam is geraamd. Maar buiten dit huis klinken geheel andere geluiden. Vanuit de Europese Commissie komt het verwijt dat het kabinet de gunstige conjuncturele ontwikkeling niet gebruikt om het financieringstekort terug te dringen. De Raad van State wijst op de risico's van de forse uitgavenstijging in 1999, 'frontloading', en wil dat er meer gebeurt aan verdere terugdringing van het financieringstekort. Oud-Shell-topman Herkströter verwijt het kabinet dat het bij de opstelling van de begroting onvoldoende rekening houdt met de ontwikkelingen buiten Nederland. Een reeks economen bekritiseert het kabinetsbeleid. De aanduiding van het kabinet als 'het strijkje op de Titanic' was misschien wel de bitterste uitlating. Trouwens zelfs in het hol van de leeuw – ik bedoel natuurlijk het ministerie van Financiën – wees de Groningse econoom Kuipers tijdens een recente studiemiddag op de manco's in het kabinetsbeleid: het onvoldoende inbouwen van buffers tegen een oplopend financieringstekort, te veel lastenverlichting in een tijd van hoogconjunctuur en risicovolle aannames ten aanzien van de contractloonstijging. Nu krijgt elke regering kritiek – het is nu eenmaal niet mogelijk het iedereen naar de zin te maken – maar de weerstand neemt inmiddels toch wel grote vormen aan. En zouden al die critici van het kabinet dan ongelijk hebben? De CDA-fractie betwijfelt dat.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.8">De Miljoenennota 1999 kan niet los worden gezien van het in de afgelopen jaren gevoerde beleid. Er is door verstandige afspraken van Kok I aan het begin van de vorige kabinetsperiode en de zeer gunstige economische ontwikkeling veel bereikt. Chapeau! Dat geldt zeker voor de bewindslieden van Financiën. Maar gelet op de sombere vooruitzichten dringt zich nu wel de volgende politieke hamvraag op. Was het beleid in de afgelopen jaren goed genoeg? Het antwoord van de CDA-fractie op die vraag is: nee. Er zijn, naast alle overschrijdingen, drie fundamentele tekortkomingen. Het financieringstekort is in de economische hoogconjunctuur onvoldoende teruggebracht. Sterker: zelfs nu de economie nog goed draait, stijgt het tekort. Het kabinet heeft de oplossing van de problematiek van de tekorten van de sociale fondsen, ondanks alle waarschuwingen, te lang voor zich uitgeschoven. De Paarse coalitie heeft tijdens de hoogconjunctuur veel meer lastenverlichting gegeven dan strikt genomen nodig was. De middelen zijn te zeer verjubeld. Kritiek van de CDA-fractie, onder anderen door De Hoop Scheffer tijdens de algemene politieke beschouwingen vorig jaar, en de waarschuwingen van mijn voorganger Terpstra zijn in de wind geslagen. We gaan nu de rekening betalen voor een niet optimaal financieel-economisch beleid in de vorige kabinetsperiode, te beginnen met de lastenverzwaring in 1999. Kok I heeft niet genoeg bijgedragen aan een weerbaar en stabiel financieel-economisch beleid.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.9">Genoeg over het verleden. Bieden het regeerakkoord en de Miljoenennota 1999 dan wel een solide basis voor een weerbaar en stabiel beleid? Het merkwaardige is dat zo kort na de vaststelling van het regeerakkoord er kennelijk allerlei reparaties en aanvullingen nodig zijn. Wat hebben we gezien? Het kabinet zag zich genoodzaakt de niet realistische loonraming van 1,5% per jaar bij te stellen; de Miljoenennota noemt andere getallen. Geen misverstand, ook het CDA acht een gematigde loonkostenontwikkeling essentieel. Maar dat is iets anders dan evident fout ramen om zodoende meer financiële ruimte te suggereren. Komen de lonen hoger uit, dan is het risico levensgroot dat geld voor wenselijk geachte intensiveringen wegspoelt. Het kabinet roept nu de sociale partners op de looneisen fors te matigen, gelet op de economische ontwikkeling. Is het niet merkwaardig dat minister Jorritsma vorige week economen nog opriep niet langer te somberen, terwijl het kabinet in de richting van sociale partners nu juist wijst op de ernst van de economische situatie? Is het niet typisch dat wij op die manier geen goede inschatting krijgen van hoe het kabinet nu echt denkt over de economische ontwikkeling? Waarom wordt de verantwoordelijkheid wel bij de sociale partners gelegd, terwijl er wat betreft de begroting 1999 kennelijk niets aan de hand is? Of neemt de minister afstand van de ambtelijke notitie van het departement van Sociale Zaken?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.10">Verder is er de nieuwe formule dat uitgavenmeevallers in eerste instantie zullen worden gereserveerd voor compensatie van ruilvoetverliezen zoals hogere loon- en uitkeringskosten. Ten slotte is er de formule dat inkomstentegenvallers mogen leiden tot een hoger financieringstekort en lastenverzwaring. Al deze aanvullingen versterken niet het beeld van een solide regeerakkoord. Even terzijde: het woord 'solide' horen wij naar mijn taxatie de laatste tijd in VVD-kring aanmerkelijk minder vaak noemen dan destijds door de VVD-onderhandelaar Bolkestein.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.11">Evenmin solide ogen de onderlinge meningsverschillen die de Paarse partijen bij de algemene politieke beschouwingen tentoonspreidden. De PvdA'er Melkert zet de aanval in op de Zalmnorm door een koppeling voor te stellen tussen meevallers aan de inkomsten- en de uitgavenkant. PvdA, D66 en VVD zijn verdeeld over de inkomstentegenvallersformule en over aanwending van meevallers in de uitgavensfeer. De formule in de Miljoenennota over het reserveren van die meevallers was helder – ook het CDA kon zich hierin vinden – totdat premier Kok opmerkte dat het bij die formule niet gaat om 'oppotten', maar om een 'afweegmoment'. Zo wordt een heldere formule wazig. Hoe definieert de minister de formule?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.12">'Weerbaarheid en stabiliteit'. Het klinkt goed, maar dekt deze vlag de lading? Laten wij enkele beleidsvelden nagaan. Ik begin met de hypotheekrenteaftrek. Voortdurend slaagt de PvdA erin op dit punt onrust te zaaien. De fakkel van de heer Van der Ploeg is nu overgenomen door de heer Van Zijl. Ook D66 vraagt nu weer om een onderzoek. Steeds moet premier Kok de zaak rechtbreien, maar met een stabiele en betrouwbare uitstraling van het beleid heeft het weinig te maken. Wat gebeurt er eigenlijk als Kok II er niet meer is?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.13">Dan kom ik bij de lastenverlichting. Voor de verkiezingen riepen de Paarse partijen om het hardst dat lastenverlichting zo essentieel was. En wat zien wij na de verkiezingen? De kiezer wordt getrakteerd op een nettolastenverzwaring van 1,5 mld. Het is verleidelijk de term 'kiezersbedrog' te gebruiken. Maar dat is niet het enige. In 1998, het verkiezingsjaar, geeft het kabinet 5 mld. lastenverlichting, volgend jaar komt dus de lastenverzwaring, in 2000 niets, in 2001 – je zou zeggen: de verkiezingen komen er weer aan – volgt de lastenverlichting van 4,6 mld. en in 2002 weer niets. Wat dit jojobeleid met stabiliteit te maken heeft, is mijn fractie een raadsel.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.14">Dan heeft het kabinet het erover dat 'de solide formules van de vorige kabinetsperiode opnieuw worden gebruikt'. Zeker, ook deze periode is sprake van een vast uitgavenkader, maar de extra uitgaven liggen de komende jaren wel op een veel hoger niveau dan in de vorige periode. Er is een knip gekomen in de Zalmnorm. Het CPB signaleert terecht dat het huidige regeerakkoord duidelijk andere accenten legt dan het vorige. De intensiveringen overtreffen nu de ombuigingen, terwijl dat in de vorige periode omgekeerd lag. De lastenverlichting is nu lager dan in de vorige periode. Er is niet veel voor nodig of Kok II wordt het spiegelbeeld van Kok I: tóén behoedzame ramingen en een gunstige economische ontwikkeling, nú een uitbundig uitgavenbeleid bij een steeds sterker tegenvallende economische groei. Geen wonder dat er kwalificaties van het kabinetsbeleid komen zoals 'een riskante gok'.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.15">Er is veel meer over de financiële kaders voor 1999 te zeggen. Als alles meezit, komt Kok II er mogelijk uit, maar er hoeft weinig te gebeuren of er ontstaan problemen. Hoe zal het perspectief zijn na 1999? Niemand weet dat. Er is grote onzekerheid en de vraag rijst of de MEV onverkort kan worden gehandhaafd. Hopelijk gaat het goed, maar wij mogen daar niet op voorhand van uitgaan en ons zeker niet rijk rekenen. Toch trekken het regeerakkoord en de Miljoenennota een wissel op de toekomst. Dat geldt voor de hardheid van de ombuigingen, of het nu om grote zaken gaat zoals de EU-afdrachten, of kleinere zoals de opbrengsten van de afschaffing van taxfreeshops. De prijs van het onvoldoende op orde brengen van zaken nu, zal later betaald moeten worden. Als wij met het oog op de toekomst van de EMU, maar ook gelet op de vergrijzing iets nodig hebben, is het wel een gezond financieel beleid. Het AOW-spaarfonds werkt immers alleen als de overheidsschuldpositie houdbaar is. Het staat heel helder beschreven op pagina 25 van de Miljoenennota. Het tekort moet omlaag. Maar is het beleid ook voldoende doordrongen van die notie? In feite wordt de verdere reductie van het financieringstekort afhankelijk gesteld van financiële meevallers. Is dat weerbaar en solide?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.16">Voorzitter! Naar aanleiding van de financiële kaders van de Paarse coalitie moest ik denken aan het volgende citaat: 'Het is goed je te prepareren op wat er mis kan gaan en er niet zonder meer op te vertrouwen dat alles vanzelf goed komt. Dat is in ieder geval de les van de jaren zestig en zeventig.' Een prima boodschap, voorzitter; het zijn de slotwoorden van de inaugurele oratie 'Mythen, paradoxen en taboes in de economische politiek' van onze minister van Financiën, toen hij in 1990 bijzonder hoogleraar werd aan de Vrije Universiteit. Maar, zo voeg ik aan het citaat toe, wordt die les ook in het beleid van Kok II ter harte genomen? Is de knip in de Zalmnorm niet een veeg teken? Het zou, maar dat terzijde, overigens wel erg aardig zijn van de minister te vernemen welke mythen, paradoxen en taboes het Paarse financieel-economische beleid beheersen. Wellicht gaat die vraag te ver.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.17">Voorzitter! Tot zover enkele kanttekeningen bij het motorblok van Paars en de financiële beleidskeuzes. Wat stelt het CDA daar tegenover? Wat is onze eigen visie? Namens mijn fractie zal ik die visie belichten aan de hand van drie thema's: de duurzaamheid in het financieel-economische beleid, een socialer inkomensbeleid en de relatie tussen de openbare financiën en een verantwoordelijke samenleving.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.18">Eerst richt ik mij op de duurzaamheid. Met het oog op de toekomst dient duurzaamheid het parool te zijn bij de overheidsfinanciën. Om die reden behoort het debat, ook vandaag, te gaan over de uitgangspunten van het financiële beleid. Naar de mening van mijn fractie is financiële duurzaamheid het meest gebaat bij de volgende uitgangspunten: - meer accent op terugdringing van het financieringstekort, zeker wanneer het economisch nog voor de wind gaat;- een goede balans tussen intensiveringen en ombuigingen, ook wat betreft het tempo van beide;- inverdieneffecten moet men niet op voorhand inboeken als dekkingsmiddel voor voorgenomen beleid; het geld mag pas worden besteed als het ook werkelijk is verdiend;- een meer realistische inschatting van de loonontwikkeling en je niet rijk rekenen met irreële aannames;- een evenwichtiger visie ten aanzien van lastenverlichting en meer gerichte inzet van middelen om de participatie van kwetsbare groepen te bevorderen en mensen in financiële achterstandsposities waar nodig te ondersteunen;- belastinguitgaven meer dan nu betrekken bij het financiële overheidsbeleid. Ik voeg hieraan toe dat het door het kabinet geleverde overzicht in bijlage 5 van de Miljoenennota daartoe een uitstekend vertrekpunt biedt.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.19">Voorzitter! Wanneer langs deze lijnen beleid wordt gevoerd, ontstaat een perspectief van financiële duurzaamheid en meer stabiliteit. Zaken kunnen eerder op orde worden gebracht. Er is nog een ander belangrijk voordeel: hoe gezonder de overheidsfinanciën, hoe ruimer de mogelijkheden om eventuele extra ruimte niet alleen aan te wenden voor tekortreductie en staatsschuldproblematiek of lastenverlichting, maar ook voor noodzakelijk geachte beleidsintensiveringen. De visie op de uitgangspunten van het financiële beleid gaat aan de getallen en de keuzes vooraf.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.20">Vervolgens ga ik in op het tweede punt, het inkomensbeleid. Het is een onderwerp dat iedere Nederlander bezighoudt. Neem de loonstrookjesproblematiek die samenhangt met de PEMBA-maatregelen. Sinds ik lid ben geworden van de CDA-fractie en belast ben met de inkomensproblematiek, word ik – het geldt stellig ook voor de andere fracties – bestookt met brieven van met name ouderen over koopkrachtzaken. Zij zeggen niets te merken van koopkrachtverbetering. Het is goed om ons niet aan die waarnemingen te onttrekken. Aan dergelijke signalen mag niet worden voorbijgegaan.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.21">Voorzitter! Inkomensontwikkeling en inkomensverhoudingen zeggen veel over de kwaliteit van de samenleving. Nu zijn we hier – laten we eerlijk zijn – soms op een merkwaardige manier bezig. Wij hebben het over inkomensplaatjes: minimum, modaal, twee- of driemaal het minimum enz., maar voor mensen is de realiteit vaak anders. De koopkracht van mensen is afhankelijk van veel meer factoren: een- of meerverdienerschap, wel of geen kinderen, wel of geen extra lasten. De politiek heeft de verantwoordelijkheid voor faire inkomensverhoudingen. We kennen de koppeling volgens de WKA-systematiek. Overigens, de knip in de eerste schijf is geen koppeling-plus, maar gewoon een generieke fiscale compensatie voor de lastenverzwaring in het volgende jaar.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.1.22">Verder is er het beleid dat werken meer lonend maakt dan het ontvangen van een uitkering. De Raad van State uit op dit punt kritiek en onderstreept dat het vergroten van de afstand tussen loon en uitkering in de vorm van een verhoging van het arbeidskostenforfait voor velen met een uitkering niet heeft gewerkt. Tegelijkertijd kan hieraan de vraag worden verbonden hoe vergroting via de fiscale weg van de afstand tussen werkenden en niet-werkenden uitpakt voor mensen die niet kunnen werken, met name de AOW'ers. Wat doet het kabinet hieraan? Een belangrijke politieke vraag is of de koppeling genoeg is. Mijn fractie vindt van niet. Een generieke verhoging van alle uitkeringen is echter een duur instrument en waarschijnlijk is het ook niet erg effectief, maar dat mag de zorg voor faire inkomensverhoudingen niet wegnemen. Wij maken ons zorgen over de positie van mensen en huishoudens in kwetsbare posities die oplopen tegen meer dan gemiddelde kosten in de sfeer van gezondheid, kinderen al dan niet studerend, en wonen. Het plan 'De moeite waard' biedt concrete voorstellen voor lastenmaximering. Tijdens de afzonderlijke begrotingsbehandelingen zullen wij nader op dit plan terugkomen. De PvdA heeft te kennen gegeven dat zij de discussie over dit plan wil aangaan en wij hopen dat ook andere fracties in dat spoor zullen treden. In de samenleving neemt trouwens het draagvlak voor onze ideeën toe. Ik verwijs naar de ondersteuning van de FNV. Ik merk al dat er instemming is bij de fractie van D66 om de discussie aan te gaan.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.2.1">U krijgt geen interrupties, maar dan moet u ze ook niet uitlokken.</p>
                    </speech>
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.3" speaker="Balkenende" function="De heer" MPid="02207">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Balkenende (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Balkenende</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.3.2">Voorzitter! U heeft volkomen gelijk.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.3.3">Voorzitter! Ik kom nu bij de positie van de middeninkomens, de groep waar de meeste politieke partijen veel aandacht voor hebben gevraagd bij de laatste verkiezingen. Die middeninkomens dreigen in het kader van de fiscale hervorming duidelijk achter te blijven bij andere inkomensgroepen. Het CDA heeft daarop gewezen. Nu zeiden premier Kok en PvdA-fractievoorzitter Melkert dat ook zij iets aan deze problematiek wilden doen, maar zij stelden eventuele oplossingen afhankelijk van budgettaire meevallers. Nu het met die meevallers waarschijnlijk minder hard zal gaan dan enkele weken geleden werd verondersteld, is er alle aanleiding om opnieuw aandacht te vragen voor deze groepen. Bij de behandeling van het fiscale plan zal het CDA hierop terugkomen. Ik wil nog een enkel woord tot slot zeggen over de lastenverzwaring in 1999. Garandeert het kabinet dat alle groepen voor deze maatregel compensatie ontvangen?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.3.4">Voorzitter! Ik kom bij het derde en laatste punt: de betekenis van de openbare financiën voor een verantwoordelijke samenleving. Als wij spreken over financiën, gaat het vaak over inkomsten, uitgaven, plussen en minnen. Maar achter die plussen en minnen gaan steeds politiek-maatschappelijke keuzes schuil. Als de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid – ik geef een volstrekt willekeurig voorbeeld – over zijn ministerie opmerkt 'dit is geen departement dat Victory Boogie Woogie's koopt; wij concentreren ons niet op de uitbundige kant van de samenleving', dan wekt hij ten minste de indruk een ander accent in het beleid te willen leggen dan de minister van Financiën. Zo is het met zoveel keuzes. Financiën hebben daarom alles te maken met een visie op de verhouding tussen overheid, markt, maatschappelijke organisaties en burgers. Bij herhaling heeft het CDA het staatdenken versus marktdenken van de Paarse coalitie bekritiseerd. De exclusieve oriëntatie op herstel van het primaat van de politiek en versterking van marktwerking en concurrentie is te eenzijdig. Er is reden om werk te maken van een nieuw thema. Ik doel daarbij op het versterken van het probleemoplossend vermogen van de samenleving. De overheid zou, veel meer dan nu het geval is, moeten uitstralen dat zij waarde hecht aan de oplossingen die mensen en hun verbanden zelf kunnen vinden. Begrippen als gemeenschapszin en gemeenschapsdenken doen het tegenwoordig goed in Haagse kringen, maar wordt er ook een concrete beleidsmatige vertaling aan gegeven? Het CDA zou graag een beleidsprogramma zien waarin niet alleen marktwerking en deregulering tot norm worden verheven, maar waarin ook nadrukkelijk ruimte wordt geboden voor maatschappelijke verantwoordelijkheid en zelfregulering. Betrokkenheid op de samenleving moet, waar mogelijk, worden gestimuleerd. Het is een algemeen beleidsperspectief maar het raakt ook direct de overheidsfinanciën. Ik noem enkele voorbeelden.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.3.5">Het kabinet verwacht dat op het gebied van de sociale zekerheid veel kan worden bewerkstelligd door de centra voor werk en inkomen, maar is het niet veel logischer aansluiting te zoeken bij de opvattingen van de Stichting van de arbeid en de SER? Waarom zou het kabinet voorbijgaan aan het draagvlak voor zijn beleid?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.3.6">Wij moeten ons voorbereiden op zwaarder weer, maar dat ontslaat ons niet van de plicht om in financieel opzicht te zoeken naar nieuwe oplossingen voor financiering van de infrastructuur. Er is ook nu alle aanleiding om meer werk te maken van publiek-private samenwerkingsvormen met oog voor de specifieke invalshoek van het bedrijfsleven.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.3.7">Juist nu de overheid minder waarborgen biedt op sociaal terrein, zullen mensen zekerheden voor zichzelf moeten creëren. De overheid behoort dan een betrouwbare partner te zijn. Daarbij past niet het laten voortbestaan van onzekerheid over de fiscale behandeling van bijvoorbeeld lijfrentes. Evenmin voelen wij iets voor het aantasten van de eigen beleidsruimte van collectiviteiten. Hierbij denk ik aan sociale partners en pensioenen. Inzet voor anderen moet worden gefacilieerd. Daarom mag niet getornd worden aan de giftenaftrek en moet er een ruimere vrijstelling voor vrijwilligerswerk komen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.3.8">Convenanten zijn een belangrijk instrument. In de sfeer van verpakkingen en energie is al bewezen dat hiermee veel gerealiseerd kan worden. Dat moet echter ook op andere terreinen kunnen. Als de Nederlandse mededingingsautoriteit de zeggenschap over omroepgegevens aan de omroepverenigingen wil onttrekken, omdat er sprake zou zijn van machtsmisbruik in het vrije economische verkeer, dan roept dat de vraag op of marktoverwegingen al het andere moeten overheersen. Waarom zou marktwerking op cultureel terrein moeten prevaleren boven de vrije organisatie van mensen in medialand?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.3.9">Wat ontwikkelingssamenwerking betreft, is het essentieel dat er veel contacten bestaan tussen niet-gouvernementele organisaties. Door de overheidsfinanciën te koppelen aan deze thema's, wordt het perspectief van een betekenisvolle civil society versterkt. Hier ligt, wat mijn fractie betreft, een geweldige uitdaging. Het is bij uitstek een thema dat de mogelijkheid biedt om gemeenschapszin ook echt beleidsinhoudelijk in te vullen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.3.10">Voorzitter! Ik rond af. Enkele jaren geleden, toen het tij nog aanmerkelijk gunstiger leek dan nu, stelde premier Kok voor om de wave te beginnen. Op 26 augustus jl. volgde nog de grap over het graf van het begrotingsoverschot. De wat jolige sfeer was misschien wel kenmerkend voor het zonnige politieke klimaat. Als de signalen ons niet bedriegen, gaan wij echter andere tijden tegemoet. Het beleid van het kabinet-Kok I heeft veel goede resultaten bereikt, maar het was niet goed genoeg. Het regeerakkoord blijkt steeds kwetsbaarder en er worden nu al reparaties voorgesteld. De coalitiepartijen blijken intern verdeeld over het financiële beleid. De kritiek buiten dit huis op het kabinetsbeleid neemt in hoog tempo toe. De CDA-fractie vindt het motorblok riskant. Duurzaamheid zou nu juist het parool moeten zijn op financieel terrein. Op inkomensgebied zijn vernieuwingen nodig. Ten slotte is het zaak om het financiële beleid veel meer dan nu te koppelen aan de bevordering van het probleemoplossend vermogen van de samenleving zelf. Nu een economische tegenwind opsteekt, is het goed om de les van Drees goed in onze oren te knopen: 'Niet alles kan, en zeker niet tegelijk!'. En zo is het!</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.4.1">Ik feliciteer de heer Balkenende met zijn maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.5">
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.5.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.6" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.2.6.1">Het woord is aan de heer Crone, die weliswaar zijn maidenspeech houdt als financieel woordvoerder, maar deze valt niet onder het strikte regime van maidenspeeches.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>U krijgt geen interrupties, maar dan moet u ze ook niet uitlokken.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Bashir" MPid="03149" party="SP" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2009-05-27" topic="Fiscaal stimuleringspakket" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20082009-6843-6885.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20082009-6843-6885.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="11" number-of-words="1459" number-of-unique-words="578" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Ondernemen</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Belasting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Sociale zekerheid <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Bashir" MPid="03149"/>
                <speaker name="Omtzigt" MPid="02441"/>
                <speaker name="Cramer" MPid="03072"/>
                <speaker name="Tony van Dijck" MPid="03130"/>
                <speaker name="Sap" MPid="03090"/>
                <speaker name="Koşer Kaya" MPid="02453"/>
                <speaker name="Tang" MPid="03085"/>
                <speaker name="Remkes" MPid="02991"/>
                <speaker name="De Jager" MPid="03153"/>
                <speaker name="Bashir" MPid="03149"/>
                <speaker name="Omtzigt" MPid="02441"/>
                <speaker name="Cramer" MPid="03072"/>
                <speaker name="Tony van Dijck" MPid="03130"/>
                <speaker name="Sap" MPid="03090"/>
                <speaker name="Koşer Kaya" MPid="02453"/>
                <speaker name="Tang" MPid="03085"/>
                <speaker name="Remkes" MPid="02991"/>
                <speaker name="De Jager" MPid="03153"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Bashir, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2" speaker="Bashir" party="SP" function="De heer" title="De heer Bashir  (SP)" MPid="03149">
                    <speech party="SP" docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.1" speaker="Bashir" function="De heer" MPid="03149">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Bashir (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Bashir</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.1.2">Voorzitter. Ter bespreking ligt een wetsvoorstel voor dat een vergaarbak is geworden van fiscale wetswijzigingen. Ik begin maar meteen met de verhoging van de boete voor het niet aangeven van inkomsten uit vermogen in box 3. Ik vraag mij af waar ineens de haast vandaan komt. Jarenlang heeft de straf voor het ontlopen van belasting op inkomsten uit vermogen in feite niets voorgesteld. Nu wordt dit punt halsoverkop door middel van een nota van wijziging in een bestaand wetsvoorstel gestopt dat, ik zei het al, een vergaarbak is geworden van fiscale wetswijzigingen.</p>
                        <p docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.1.3">De verhoging van de boete naar 300% is zeker gerechtvaardigd. De huidige boete van 100% staat immers niet in verhouding tot de ernst van het vergrijp. Daarnaast is de pakkans ook nog eens heel erg klein. Nog liever heeft mijn fractie dat de kans dat belastingontduikers gepakt worden, wordt vergroot. Wat dat betreft moet er nog veel gebeuren.</p>
                        <p docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.1.4">Bij het grote publiek leeft nu nog ten onrechte het idee dat het gedaan is met het bankgeheim en met belastingparadijzen. Dat levert zeker spijtoptanten op die hun vermogen nu eerlijk bij de Belastingdienst aangeven. Het is echter de vraag of de doorgewinterde belastingontduiker in overleg met een belastingadviseur tot dezelfde conclusie komt. Neem nu bijvoorbeeld Zwitserland, dat de laatste tijd vooral vanwege Duitsland en de Verenigde Staten onder druk zou hebben gestaan. Houdt dit kabinet zichzelf en ons niet voor de gek als het blijft spreken over een succesvolle eerste stap naar de opheffing van het bankgeheim? Ik wil toch weten wat dan concreet bereikt is en welke vervolgstappen genomen worden.</p>
                        <p docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.1.5">Volgens een eigen persbericht van de Zwitserse overheid blijft het bankgeheim gewoon intact. Het enige dat gaat gebeuren is dat Zwitserland mogelijk bankgegevens zal overleggen van gevallen waarin al moet zijn aangetoond dat sprake is van criminaliteit. Ik wil graag van de staatssecretaris weten wat criminaliteit in dit geval concreet betekent. Het probleem is volgens mij juist dat je niet weet of iemand belasting ontduikt als je de gegevens van de Zwitserse banken niet hebt. Bovendien is het zo dat er geen multilaterale overeenkomst is gesloten met Zwitserland. Ieder land moet hierover afzonderlijk onderhandelen. Als Zwitserland met bijvoorbeeld twaalf landen een overeenkomst heeft gesloten, vind de OESO het wel best. Volgens de OESO-criteria werkt het land dan voldoende mee om niet langer gezien te worden als een belastingparadijs met een bankgeheim. Het mag daarbij gaan om heel slappe overeenkomsten die Zwitserland bijna nergens toe verplichten. Wat vindt het kabinet hiervan? Is het rechtvaardig dat landen met weinig onderhandelingskracht, zoals ontwikkelingslanden, hierdoor misschien niet aan bod kunnen komen? Ze zullen zelfs over criminelen geen informatie los kunnen krijgen. Ik hoor graag wat de staatssecretaris hieraan gaat doen.</p>
                        <p docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.1.6">De staatssecretaris heeft aangegeven dat hij bereid is om op termijn te kijken naar een meer fundamentele wijziging van het fiscale boeterecht om zo de verhouding tussen deze verhoogde boete en andere fiscale vergrijpen niet in het geding te laten komen. Ik zou graag willen weten wanneer wij de brief van de staatssecretaris kunnen verwachten.</p>
                        <p docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.1.7">Voor mensen die tot inkeer komen en alsnog besluiten hun vermogen bij de fiscus aan te geven, bestaat er de inkeerregeling. Ik las vanochtend het voorstel van de heer Tang van de Partij van de Arbeid om ook deze inkeerders vanaf volgend jaar te beboeten met 15%, zodat ze alleen nog dit jaar gratis kunnen inkeren. Dit is een goed voorstel. Ik wil echter van de staatssecretaris horen waarom voor de inkeerregeling niet een einddatum gekozen wordt. Iedereen weet nu dat er een inkeerregeling bestaat waarmee je zeer gunstig weer op het rechte pad kunt komen. Ondertussen heb je als ontduiker die toch wil inkeren genoeg tijd gehad, zou je zeggen, vooral als je kijkt naar het verschil tussen 300% boete en 15% om in te keren. Ik heb dan ook een amendement ingediend om de inkeerregeling vanaf 1&#160;februari 2011 af te schaffen. Dan hebben mensen dit jaar de tijd en de mogelijkheid om gratis tot inkeer te komen. Volgend jaar krijgen zij een magere boete van 15% en als zij daarna nog steeds niet van de gelegenheid gebruikmaken en alsnog betrapt worden, moeten zij de volle 300% betalen.</p>
                        <p docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.1.8">In een recente persconferentie zei de staatssecretaris tegen journalisten dat in belastingverdragen als standaard volledige informatie-uitwisseling wordt opgenomen en in zogenaamde Tax Information Exchange Agreements (TIEA's) alleen op verzoek. Kan de staatssecretaris nog eens precies uitleggen wat hij daarmee bedoelde? Bedoelt hij met volledige informatie-uitwisseling ook volledige automatische informatie-uitwisseling? Is dat een harde eis? Hoe vaak wordt daarvan afgeweken en hoeveel verdragen hebben wij nu met echt volledige automatische informatie-uitwisseling? De staatssecretaris heeft ons meegedeeld dat in de tot nu toe door Nederland gesloten TIEA's geen gevolgen zijn verbonden aan het niet voldoen aan een informatieverzoek. Dat komt op mij bepaald niet slagvaardig over. Graag een reactie.</p>
                        <p docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.1.9">Wanneer de staatssecretaris alleen de aanpak van het bankgeheim presenteert als de manier om belastingontduiking via belastingparadijzen aan te pakken, schiet hij echt tekort. De staatssecretaris heeft blijkbaar een zeer beperkte definitie van belastingparadijzen. Landen waar niet of nauwelijks belasting wordt betaald, horen daar volgens hem niet bij. Ik vroeg hem daar eerder naar en hij deed toen alsof sprake zou zijn van een misverstand. Er is helemaal geen misverstand. Een land waar vrijwel geen belasting wordt betaald, een land dat belastingconstructies ten nadele van andere landen op papier mogelijk maakt, maar ook een land dat het vestigingsklimaat van andere landen verslechtert door middel van vrije belastingzones, is in de ogen van ieder normaal denkend mens een belastingparadijs. Alleen dit kabinet denkt daar blijkbaar anders over. Ook de OESO noemt lage belastingen wel degelijk als een van de vier criteria om belastingparadijzen te identificeren.</p>
                        <p docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.1.10">De VS hebben het over low-tax jurisdictions en noemden in een rijtje landen ook Nederland. Volgens de SP-fractie is dit geen misverstand als het gaat om Nederland als belastingparadijs voor multinationals. Het feit dat het zinnetje is geschrapt, waarin ook Ierland en Bermuda stonden, wil nog niet zeggen dat de VS geen problemen hebben met de manier waarop Nederland bedrijfswinsten doorsluist naar andere landen waar nauwelijks belasting wordt betaald. Als de staatssecretaris werkelijk pleit voor meer transparantie, kan hij daarin dan meer inzicht ingeven? Het zou juist transparant zijn als wij weten of en hoeveel de multinationals in Nederland aan belasting afdragen. Daarom wil ik weten of hij bereid is om daaraan iets te doen, zoals een verplichting voor bedrijven om dat in het jaarverslag op te nemen. Dit kan door bijvoorbeeld internationaal boekhoudkundige standaarden te veranderen. Graag een reactie hierop van de staatssecretaris.</p>
                        <p docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.1.11">Ik kom nu bij het fiscale stimuleringspakket. Deze crisis zorgt er ook voor dat mensen en bedrijven hun facturen steeds later betalen. In de nota naar aanleiding van het verslag is het kabinet ingegaan op een vraag van mijn fractie over de mogelijkheid en de uitvoerbaarheid van het idee om het voor kleine bedrijven mogelijk te maken, de btw op gefactureerde diensten pas af te dragen als de betaling van de facturen binnen is. Zo kan de liquiditeitspositie van bedrijven versterkt worden. Nu moeten bedrijven de btw al afdragen, en dus eigenlijk voorschieten, als de facturen nog niet betaald zijn. De praktijk van vandaag is dus dat velen hun facturen te laat betalen. Ik wil hierop graag een nadere reactie van het kabinet.</p>
                        <p docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.1.12">Nog een laatste opmerking over de procedure van dit wetsvoorstel. De staatssecretaris heeft uiteindelijk alles en nog wat in dit wetsvoorstel geveegd. Dat is op zichzelf niet erg, zolang maar de advisering door de Raad van State ordelijk kan plaatsvinden. Delen van het wetsvoorstel, waaronder het fiscale stimuleringspakket dat door middel van een nota van wijziging eraan is toegevoegd, zijn pas aan de Raad van State voor advisering voorgelegd, nadat de Tweede Kamer daarom had verzocht. Ik vind het op deze manier wel erg onzorgvuldig. Terecht merkte de Raad van State dan ook op dat de raad voor de indiening van een ingrijpende nota van wijziging, zoals voor het fiscale stimuleringspakket, gehoord dient te worden. Ik denk niet dat het met haast heeft te maken, want de raad kan ook op verzoek een spoedadvies geven. Je ziet ook dat het advies het wetsvoorstel wel degelijk beter maakt, al zijn het alleen maar tekstuele suggesties. Daarom verzoek ik de staatssecretaris uit te leggen waarom de Raad van State overgeslagen is.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.2.1">Mijnheer Bashir, ik heb de eer om u als eerste te mogen feliciteren met uw maidenspeech. Dat is altijd heel leuk, zeker als je iemand zelf hebt mogen beëdigen en het zo'n jonge collega is. Ik verzoek u, voor mij plaats te nemen. Dan kan iedereen u feliciteren met het feit dat u zo'n prachtige bijdrage hebt geleverd aan dit debat.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.3">
                        <p docno="h-tk-20082009-6843-6885.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Bashir, ik heb de eer om u als eerste te mogen feliciteren met uw maidenspeech. Dat is altijd heel leuk, zeker als je iemand zelf hebt mogen beëdigen en het zo'n jonge collega is. Ik verzoek u, voor mij plaats te nemen. Dan kan iedereen u feliciteren met het feit dat u zo'n prachtige bijdrage hebt geleverd aan dit debat.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Bilder" MPid="03044" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2007-11-28" topic="Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20072008-2253-2261.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20072008-2253-2261.1.5" which-speech-in-topic="4" number-of-paragraphs="9" number-of-words="1666" number-of-unique-words="685" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Van Raak" MPid="03035"/>
                <speaker name="Gerkens" MPid="02326"/>
                <speaker name="Schinkelshoek" MPid="03061"/>
                <speaker name="Bilder" MPid="03044"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Bilder, die zijn maidenspeech zal houden. Dit betekent dat de heer Bilder, voor de eerste en wellicht ook enige keer in zijn Kamerlidmaatschap, niet wordt geïnterrumpeerd. Mijnheer Bilder, ik wens u veel succes!</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5" speaker="Bilder" party="CDA" function="De heer" title="De heer Bilder  (CDA)" MPid="03044">
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.1" speaker="Bilder" function="De heer" MPid="03044">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Bilder (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Bilder</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.1.2">Voorzitter. Ik dank u dat u mij een klein beetje extra tijd gunt om een persoonlijk woord te spreken, voordat ik overga tot de behandeling van de inbreng van mijn fractie. Het is voor mij een bijzonder moment, niet alleen omdat het de eerste keer is dat ik hier sta, maar ook omdat ik hier mag staan in het kader van de behandeling van de begroting van BZK. In mijn bijdrage ga ik zo meteen iets zeggen over het thema gemeentelijke herindeling. Het bijzondere is daarin gelegen dat ik zelf afkomstig ben uit een gemeente die uit het tegenovergestelde van een herindeling is ontstaan, namelijk uit een splitsing van gemeenten. Voordat ik tot deze Kamer toetrad, ben ik daar ook zeventien jaar lang gemeentebestuurder geweest. Dat brengt mij bij een verhaal uit de Bijbelse geschiedenis, over de wonderbare visvangst. Voor wie het niet kent: de Here Jezus staat daar aan de oever en ziet zijn discipelen vissen. Zij hebben niets gevangen en hij roept hen op om het net uit te gooien aan de andere kant. De discipelen doen dat en halen een wonderbaarlijke hoeveelheid vis binnen. Het net uitgooien aan de andere kant, het eens over een andere boeg gooien, is iets dat mogelijk ook in acht moet worden genomen in het kader van de wijze waarop wij met de gemeenten omgaan, maar ook in bredere zin de wijze waarop wij met schaalvergroting omgaan. Ik bedoel dat in die zin, dat je soms door juist oog te hebben voor de menselijke maat en de kleinschaligheid betere resultaten kunt bereiken dan wanneer je alles zoekt in de grootschaligheid.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.1.3">In de extra tijd die de voorzitter mij heeft gegeven rond ik af met het volgende. Over mijn eigen gemeente kan ik natuurlijk geen objectief oordeel geven, omdat ik daar zeventien jaar lang bestuurder ben geweest. Ik ben daarin echter onlangs geholpen toen ik een aantal weken terug het blad Elsevier las. Daarin stond een stuk van de journalist Gerry van der List over mijn gemeente en dat wil ik u niet onthouden. Hij schrijft: je leven lang zoek je het paradijs en ineens heb je het gevonden: Ermelo. Heerlijk dorp op de Veluwe, midden tussen de bossen, met stranden in de buurt. Bevolkt door nette mensen, die een wellevendheid demonstreren waarvan je in de Randstad alleen maar kunt dromen. U begrijpt dat ik deze woorden nooit uit mijzelf hier had willen uitspreken, maar ik wil ze toch aan u meegeven, zodat u weet waar ik vandaan kom. Wat betreft mijn levensovertuiging, wil ik aangeven dat ik weet waar ik naar toe ga. Het paradijs is niet iets waar de mens alleen uit verdreven is, maar waar de mens ook weer naar teruggaat, althans vanuit de genade geredeneerd. De mens werd uit het paradijs verdreven om in het zweet zijns aanschijns zijn brood te eten, dus om hard te werken. Ik heb Ermelo verlaten en ik heb gemerkt dat ook hier een groot gezelschap zit van zeer hard werkende mensen. Ook hier wordt het brood dus in het zweet van ons aanschijn gegeten.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.1.4">Voorzitter. Dan begin ik nu met dat waarvoor ik ben ingehuurd. Samenwerken in vertrouwen, over de bestuurslagen heen; dat is het uitgangspunt voor de bewindslieden op BZK. Dat is een goed uitgangspunt. Wanneer wij in dit land de bestuurlijke rompslomp willen beteugelen, moeten wij af van het geloof dat wij alles in wetten, regels, protocollen en controlemechanismen kunnen regelen. Wij moeten ons, zeker in de omgang tussen de verschillende overheden en bestuurslagen, meer laten leiden door vertrouwen. Vertrouwen dat ook andere bestuurslagen het beste voorhebben met ons land en volk. Vertrouwen in de kracht van het corrigerend vermogen van het democratisch stelsel, ook op gemeentelijk en provinciaal niveau. De minister en de staatssecretaris slaan daarom wat de CDA-fractie betreft in de gekozen formulering de juiste toon aan. De ervaringen die zij zelf hebben opgedaan als gemeentebestuurders zullen ongetwijfeld hebben meegewogen in de keuze voor het streven naar sterke decentrale overheden. De CDA-fractie ondersteunt dit streven van harte.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.1.5">Als een van de hoofdpunten van beleid noemen de bewindslieden de realisatie van meer beleidsvrijheid voor medeoverheden. Mijn fractie kan zich daar volmondig achter scharen. Met name gemeenten zouden als overheid dicht bij de burger meer ruimte moeten hebben om hun eigen keuzes te maken, waarbij ook de eigen identiteit van de gemeente tot uitdrukking kan worden gebracht. De keuze voor sterkere decentrale overheden vraagt om een kritische blik op de bestuurskracht van die overheden. Op veel plaatsen in ons land vinden momenteel bestuurskrachtmetingen plaats of hebben zij plaatsgevonden.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.1.6">Het antwoord op de roep om sterkere gemeenten lijkt vooral te moeten worden gevonden in het vormen van grotere gemeenten. In de afgelopen tijd hebben veel herindelingsoperaties plaatsgevonden. De CDA-fractie trekt het middel van de schaalvergroting als algemene oplossing voor bestuurskrachtproblemen ernstig in twijfel en vraagt zich af of er niet te vaak en te snel naar dit middel is gegrepen. Nederland telt circa 450 gemeenten die in schaal, cultuur, bevolkingssamenstelling en karakter sterk uiteenlopen. Deze verscheidenheid in gemeenten maakt deel uit van de eigenheid van ons land. Deze pluriformiteit moet niet geëlimineerd worden, maar juist gewaardeerd.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.1.7">Zowel in ons verkiezingsprogramma als in het coalitieakkoord is aangegeven dat gemeentelijke herindeling alleen aan de orde kan zijn als er lokaal draagvlak is. Wij hebben signalen dat er op een aantal gemeenten druk wordt uitgeoefend om mee te gaan in herindelingsoperaties. Een stevige uitwisseling van argumenten is wat ons betreft prima, maar wanneer in een provincie op vrij omvangrijke schaal waarnemende burgemeesters worden benoemd, terwijl er bij die gemeenten nog geen herindelingsvoornemens zijn en geen Arhi-procedure is gestart, worden wat ons betreft de grenzen van het betamelijke overschreden. Wij willen graag van de minister een overzicht ontvangen waaruit de getalsmatige ontwikkeling van het aantal waarnemende burgemeesters blijkt en waaruit ook de duur van de waarneming alsmede de spreiding over de provincies is af te lezen. Bij het thema waarnemend burgemeester stellen wij voor om een pool te maken van waarnemend of interim-burgemeesters. Hieruit kan dan in voorkomende gevallen een keuze worden gemaakt. Dat voorkomt een te grote mate van willekeur ofwel vriendjespolitiek bij het aanstellen van waarnemers.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.1.8">Wanneer er in gebieden waar in de afgelopen decennia een herindelingsoperatie is uitgevoerd, opnieuw over herindeling wordt gesproken, toont dat de betrekkelijkheid aan van het oplossingsinstrument herindeling. Hoe moeten burgers zich bij dit soort snel op elkaar volgende herindelingen nog identificeren met hun eigen gemeente?</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.1.9">Samenwerken in vertrouwen kan wat de CDA-fractie betreft van meerdere kanten worden belicht. Samenwerken is in onze globaliserende samenleving nodig op velerlei terreinen en in velerlei vormen. Geef gemeenten het vertrouwen om zelf te bepalen in welke vorm van samenwerking of samengaan het antwoord moet worden gevonden op de komende taakverzwaring. Samenwerking tussen gemeenten vindt soms ook plaats over de landsgrenzen heen. Een aantal gemeenten wil daarmee in Euregioverband experimenteren. Mijn fractie vraagt het kabinet, deze gemeenten daar ruimte voor te bieden. Ook de provincie als overheid verdient onze aandacht. De provincie kan een belangrijke rol bij de decentralisatie-impuls spelen. Enerzijds moet juist daar worden bezien welke taken aan gemeenten kunnen worden overgelaten, anderzijds moet de rijksoverheid kritisch nagaan welke taken aan provincies kunnen worden gedelegeerd en vooral welke taken of beleidsvelden nu nog door provincie en Rijk worden bestierd. In het streven naar een reductie van het aantal bestuurslagen dat zich met een beleidsterrein bezighoudt tot maximaal twee, valt zodoende veel winst te boeken. Daartoe zullen dan ook keuzen moeten worden gemaakt.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.1.10">In het functioneren van de democratie is een belangrijke taak voor de lokale volksvertegenwoordigers weggelegd. Hun functioneren draagt in hoge mate bij aan het beeld dat de kiezers van de democratie hebben en dus ook aan het vertrouwen van de kiezer in het bestuur. Dat brengt bij een vraag over gemeenteraden. Het heeft er alle schijn van dat het leven van een raadslid er sinds de invoering van het dualisme niet eenvoudiger op is geworden. Ook bereiken ons berichten dat de werkdruk zodanig toeneemt dat het steeds moeilijker wordt om mensen voor het gemeenteraadswerk beschikbaar te krijgen. Mijn fractie is daar bezorgd over en vraagt de bewindslieden of zij dit probleem onderkennen en, zo ja, of er al voornemens zijn om deze problematiek het hoofd te bieden. De toename van het aantal burgemeesters en wethouders die tussentijds of voortijdig moeten aftreden, komt de beeldvorming van het lokale bestuur ook niet ten goede. Beschikken de bewindslieden over cijfers die de omvang van deze trend meetbaar maken? Beschikken zij ook over inzichten waaruit blijkt dat een wethouder van buiten de raad vaker of minder vaak voortijdig moet aftreden? De wethoudersvereniging vraagt om een vertaling van de professionaliseringsoperatie voor burgemeesters in een dergelijke operatie voor wethouders. Wat vinden de bewindslieden daarvan?</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.2.1">U hebt uw tijd echt meer dan overschreden.</p>
                    </speech>
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.3" speaker="Bilder" function="De heer" MPid="03044">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Bilder (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Bilder</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.3.2">Ik heb nog twee afrondende zinnen.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.3.3">Mijn fractie zou een uitbreiding van de tijdelijke vervangingsregeling voor het lidmaatschap van de gemeenteraad wensen, zodat ook militairen die worden uitgezonden voor vredesmissies, daaronder kunnen vallen.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.3.4">Over de bestuurlijke inrichting van ons land kunnen wij uitgebreid discussiëren en ons veel zorgen maken. Wij doen dat echter in het besef dat de democratie, zoals wij die kennen, in al zijn tekortkomingen toch een onovertroffen goed stelsel is.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.4.1">Ik heb de eer, u als eerste te feliciteren met uw maidenspeech. VoorzitterDat doe ik graag, want ik zie dat u veel talent heeft. U onderhandelt namelijk liever met de voorzitter dan met uw eigen fractiesecretaris. Dat doet u met succes, kan ik u zeggen.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.4.2">Het was een heel interessant betoog. Ik vond de manier waarop u uw betoog inleidde, zeer de moeite waard. Ik schors de vergadering voor felicitaties en aansluitend voor de lunchpauze.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.5">
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.5.1">De vergadering wordt van 12.40 uur tot 13.25 uur geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                    <speech docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.6" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20072008-2253-2261.1.5.6.1">Op de tafel van de griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>U hebt uw tijd echt meer dan overschreden.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Biskop" MPid="03045" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2007-04-03" topic="Invoering kwalificatieplicht" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20062007-3167-3188.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20062007-3167-3188.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="13" number-of-words="1458" number-of-unique-words="574" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Zorg en gezondheid <pm:entity> Jongeren</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Onderwijs en wetenschap <pm:entity> Voortgezet onderwijs</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Onderwijs en wetenschap <pm:entity> Beroepsonderwijs</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Biskop" MPid="03045"/>
                <speaker name="Depla" MPid="02292"/>
                <speaker name="Slob" MPid="01639"/>
                <speaker name="De Rooij" MPid="03101"/>
                <speaker name="Van der Ham" MPid="02317"/>
                <speaker name="Bosma" MPid="03127"/>
                <speaker name="Dibi" MPid=""/>
                <speaker name="Van der Vlies" MPid="02682"/>
                <speaker name="Van Bijsterveld-Vliegenthart" MPid=""/>
                <speaker name="Biskop" MPid="03045"/>
                <speaker name="Depla" MPid="02292"/>
                <speaker name="De Rooij" MPid="03101"/>
                <speaker name="Dibi" MPid=""/>
                <speaker name="Van der Vlies" MPid="02682"/>
                <speaker name="Van Bijsterveld-Vliegenthart" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Vandaag is voor het eerst staatssecretaris Bijsterveld in deze Kamer aanwezig. Twee leden zullen hun maidenspeech houden en, zoals bekend, zij worden dan niet geïnterrumpeerd. Ik geef allereerst het woord aan de heer Biskop van het CDA voor zijn maidenspeech.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2" speaker="Biskop" party="CDA" function="De heer" title="De heer Biskop  (CDA)" MPid="03045">
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1" speaker="Biskop" function="De heer" MPid="03045">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Biskop (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Biskop</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1.2">Voorzitter. Vandaag leveren dus de staatssecretaris en ik een eerste bijdrage. Die eerste bijdrage betreft een onderwerp dat mij zeer na aan het hart ligt, namelijk de kwalificatieplicht. Dat komt niet alleen doordat ik met kinderen heb mogen werken die het kan betreffen, maar ook doordat ik hier sta als een zoon van ouders die volgens de definitie van deze wet volstrekt niet gekwalificeerd waren met alleen maar lager onderwijs. Ik ben dus blij met dit onderwerp.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1.3">De CDA-fractie onderschrijft van harte de doelstellingen van dit wetsvoorstel. Het is niet acceptabel dat jongeren onvoldoende worden uitgedaagd en daardoor niet in staat worden gesteld om hun talenten ten volle te ontplooien. In tegenstelling tot de Olympische gedachte geldt hier: meedoen is winnen. Te veel leerlingen verlaten voortijdig hun school zonder een startkwalificatie te behalen. Dat maakt hun kansen op de arbeidsmarkt geringer. Wij verwachten dat ze actief meedoen in onze samenleving en daar ook verantwoordelijkheid dragen. Dat is in het belang van de burger, maar ook in het belang van de gehele samenleving. Jongeren die daarvoor de capaciteiten hebben, moeten daarom zoveel mogelijk een startkwalificatie behalen.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1.4">Deze overwegingen hebben er in het verleden toe geleid dat de CDA-fractie een leer-werkplicht heeft bepleit. Met de motie-Verhagen is die wens verwoord en door een ruime Kamermeerderheid ondersteund. Wij zijn blij dat dit wetsvoorstel aan de orde is. Het is een belangrijk wettelijk kader voor het tegengaan van het voortijdig schoolverlaten. Dat het de regering ernst is met het tegengaan van schooluitval, leiden wij af uit het feit dat een van de projecten van het coalitieakkoord zich daarop specifiek richt. Wij zijn benieuwd naar een concretisering ervan. Meer dan 50.000 jongeren verlaten per jaar zonder startkwalificatie het onderwijs. Dat is toch te gek voor woorden. Zo gaan wij niet om met de talenten van onze jongeren.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1.5">Ik zal achtereenvolgens spreken over de invoering van de kwalificatieplicht, de doelgroep waarop die van toepassing is, de handhaving en de financiële consequenties. De CDA-fractie is blij met deze wijziging van de Leerplichtwet, omdat daarmee de partiële leerplicht komt te vervallen en vervangen wordt door een kwalificatieplicht. Het doel is niet om tot een bepaalde leeftijd naar school te gaan. De bedoeling is dat er ook een bepaalde kwalificatie wordt behaald. De suggestie dat de leerlingen nu op zestienjarige leeftijd vrijblijvend kunnen stoppen, is wat ons betreft onaanvaardbaar. Dit leidt namelijk tot veel schooluitval en zoals gezegd, kan dat niet.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1.6">Het voorstel gaat het komende schooljaar, het schooljaar 2007/2008, gelden voor die leerlingen die dan nog geen zeventien jaar zijn. De leerlingen die op 1&#160;augustus aanstaande 17 jaar zijn, blijven met een overgangsmaatregel buiten het bereik van dit voorstel. Deze groep is naar het oordeel van de regering beperkt en grotendeels niet bereikbaar met de doelstelling van de kwalificatieplicht. Deze argumentatie verbaast ons. De beperkte omvang van de groep doet onzes inziens niets af aan het grote belang voor iedere individuele jongere. Misschien zijn die 17-jarigen een traject begonnen en zou de kwalificatieplicht kunnen bevorderen dat zij dat traject afronden. Namens de CDA-fractie dien ik dan ook het amendement op stuk nr. 7 in met als doel artikel 3 uit het wetsvoorstel te schrappen en om het van toepassing te doen zijn op de gehele doelgroep.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1.7">Wij staan positief tegenover het invoeren van de kwalificatieplicht voor leerlingen tot 18 jaar. Wij verwachten dat dat tot een aanzienlijke daling van het aantal voortijdige schoolverlaters zal leiden. Een kwalificatieplicht voor de jongeren vraagt onzes inziens ook om een inspanningsverplichting of, zo men wil, een aanbodplicht van de onderwijsinstellingen. De vraag is of met de invoering van een kwalificatieplicht er voor alle betrokken jongeren een passend onderwijsaanbod beschikbaar is. In het bijzonder geldt dat voor de leerlingen uit de clusters 1 tot 4 uit de Wet op de expertisecentra die onder deze wet gaan vallen. Wij hechten aan een sluitende aanpak, zeker voor leerlingen met gedragsproblemen of leerlingen die in de justitiële jeugdinrichtingen verblijven. Overigens genieten zij daar gedurende bepaalde tijden van het jaar geen onderwijs omdat het vakantie is. Desondanks verblijven zij daar dan wel. Daarvoor zijn aanvullende maatregelen nodig. Wij vragen aan de staatssecretaris welke visie zij daarop heeft.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1.8">Verder vragen wij ons af of bij een van de uitzonderingen, de leerlingen van het praktijkonderwijs, leerlingen kunnen zijn die de startkwalificatie kunnen behalen. Leidt deze wet er niet toe dat zij daartoe niet meer in de gelegenheid worden gesteld?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1.9">Voorts wordt in de memorie van toelichting ingegaan op zogenaamde sectorstartniveaus. Wat moeten wij ons daar precies bij voorstellen en hoe verhouden die zich tot de startkwalificaties?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1.10">De kwalificatieplicht geldt totdat de jongere de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. De regering is optimistisch over het afmaken van de studie na het bereiken van de achttienjarige leeftijd. De vordering in de studie blijkt niet altijd een stimulans om de opleiding af te maken gelet op het grote aantal schoolverlaters, ook in de laatste fase van de opleiding. Toezicht van de gemeente is niet altijd even effectief gebleken. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat de studie alsnog wordt afgemaakt?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1.11">De kwalificatieplicht is geen doel op zich. Waar het om gaat is meedoen in onze samenleving. Alleen in samenhang met andere maatregelen is dat te bereiken. Alle verantwoordelijken, van school tot leerplichtambtenaar en zo mogelijk officier van justitie, dienen hun verantwoordelijkheid te nemen en gebruik te maken van alle ter beschikking staande instrumenten om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan. De regering gaat een adviesvraag voorleggen aan de toezichthouders in het kader van het programma Integraal Toezicht Jeugdzaken over de effectieve handhaving van die kwalificatieplicht. Daaruit mogen wij afleiden dat de regering er nog niet van overtuigd is dat het toezicht op lokaal niveau dient plaats te vinden. Wij menen dat het toezicht zo dicht mogelijk bij de praktijk van alledag dient plaats te vinden om te voorkomen dat jongeren tussen de regionale wal en het bovenlokale schip terechtkomen. De toegezegde extra middelen voor meer leerplichtambtenaren zullen ongetwijfeld een positieve bijdrage leveren, maar de organisatie van het toezicht zal tevens verbeterd moeten worden. Wat doet de staatssecretaris als gemeenten onvoldoende in staat zijn hun rol hierin scherper neer te zetten? Wij vragen haar met klem voor de zomer met een voorstel hieromtrent te komen.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1.12">Wij praten over het eerste deel van een tweeluik. In de motie-Verhagen wordt om een leerplichtwet tot 23 jaar verzocht. Inmiddels is in het coalitieakkoord een leer-werkplicht tot 27 jaar wenselijk geacht. De Raad van State heeft fundamentele kanttekeningen geplaatst bij het oorspronkelijke voorstel en gevraagd om het op belangrijke punten aan te passen. Ik wil nogmaals gezegd hebben dat het CDA in tegenstelling tot de Raad van State wel overtuigd is van de noodzaak en de effectiviteit van een leer-werkplicht. De persoonlijke en maatschappelijke gevolgen van het voortijdig schoolverlaten vragen om minder vrijblijvende maatregelen en een stok achter de deur. Wij hebben met verbazing geconstateerd dat de Raad van State stelt dat meerderjarige schoolverlaters die zich niet inschrijven bij het CWI en geen uitkering aanvragen, de samenleving in beginsel niet tot last zijn. Naar het oordeel van mijn fractie kun je je niet vrijblijvend onttrekken aan je verantwoordelijkheid in deze samenleving en getuigt deze stelling van kortzichtigheid. Het is de plicht van de wetgever om alles in het werk te stellen om talenten tot volle wasdom te laten komen. De CDA-fractie vindt daarom de oorspronkelijk door de regering voorgestelde maatregelen proportioneel. Wij dringen er bij de regering op aan, een volgend wetsvoorstel, het tweede luik van de leer-werkplicht, binnen afzienbare termijn aan de Kamer voor te leggen.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1.13">Ik kom op de uitvoeringsconsequenties. Als gevolg van het invoeren van de kwalificatieplicht zullen maximaal 23.000 extra leerlingen jaarlijks onderwijs volgen. Wij verwachten wel dat de voor de Voorjaarsnota 2007 toegezegde middelen conform toezeggingen van het vorige kabinet beschikbaar zullen komen. De financiële consequenties van de kwalificatieplicht mogen niet op scholen worden afgewimpeld. Wij verwachten dat de kwalificatieplicht juist ook leerlingen zal aantrekken die extra aandacht behoeven. Kan de staatssecretaris aangeven of daarvoor nog extra middelen noodzakelijk zijn?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.1.14">Wij hebben grote zorgen over stageplaatsen. Hierover ontvangen wij tegengestelde signalen. Enerzijds horen wij van de kenniscentra dat voor alle branches voldoende stageplaatsen beschikbaar zijn, maar anderzijds maken leerlingen en scholen met enige regelmaat kenbaar dat zij geen stageplaatsen kunnen vinden. In het licht van de kwalificatieplicht lijkt ons dit een belangrijk element. Kan de staatssecretaris de Kamer hierover nader informeren? Wij zien graag een reactie tegemoet waarin gedifferentieerd naar vmbo en mbo wordt ingegaan op deze problematiek.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.2.1">Mijnheer Biskop! Aan mij de eer om u als eerste te feliciteren met uw maidenspeech over een onderwerp dat ook mij zeer na aan het hart ligt. Van harte gefeliciteerd!</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.3">
                        <p docno="h-tk-20062007-3167-3188.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Biskop! Aan mij de eer om u als eerste te feliciteren met uw maidenspeech over een onderwerp dat ook mij zeer na aan het hart ligt. Van harte gefeliciteerd!</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Blok" MPid="02205" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="1998-10-06" topic="Arbowet" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-19981999-501-520.xml?view=nl/proceedings#h-tk-19981999-501-520.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="1" number-of-words="1298" number-of-unique-words="527" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Werk <pm:entity> Arbeidsomstandigheden</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Stroeken" MPid="02243"/>
                <speaker name="Blok" MPid="02205"/>
                <speaker name="Schimmel" MPid="02983"/>
                <speaker name="Middel" MPid="02987"/>
                <speaker name="Van der Staaij" MPid="02252"/>
                <speaker name="Van Dijke" MPid="02509"/>
                <speaker name="De Wit" MPid="02940"/>
                <speaker name="Van Gent" MPid="02218"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Blok, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-19981999-501-520.1.3" speaker="Blok" party="VVD" function="De heer" title="De heer Blok  (VVD)" MPid="02205">
                    <speech party="VVD" docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.1" speaker="Blok" function="De heer" MPid="02205">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Blok (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Blok</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.1.2">Mevrouw de voorzitter! Dit is mijn maidenspeech, hetgeen vanmiddag geleid heeft tot een kleine gedachtewisseling met de collega's van het CDA over de vraag of dit nu wel of niet het recht gaf om als eerste het woord te voeren. Ik bleek ongelijk te hebben. Het leidde ook nog tot een boeiende discussie over de vraag of de heer Stroeken maagdelijker was dan ik. Die discussie heb ík op punten gewonnen. Het CDA is daarop in conclaaf gegaan en kwam bij mij terug met de mededeling: je mag als eerste het woord voeren als je ons toezegt dat je niet te veel aardige dingen in de richting van het MKB zegt. Toen besloot ik dat ik liever als tweede het woord zou voeren. Ik zie dat de heer Stroeken mij wil interrumperen, maar als hij mij als eerste het woord had laten voeren...</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.2.1">Laat ik dan maar interrumperen, want ik heb dat recht wél. Ik heb hierover vanmiddag al iets gezegd. Wij kunnen maidenspeeches houden op een manier waarop wij dat altijd gedaan hebben. Als men daar geen prijs op stelt, dan schors ik ook niet meer na maidenspeeches. Het is de tweede keer dat ik dit vandaag zeg. Ik zal het herhalen wanneer het nodig is.</p>
                    </speech>
                    <speech party="VVD" docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.3" speaker="Blok" function="De heer" MPid="02205">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Blok (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Blok</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.3.2">Mevrouw de voorzitter! Ik neem uw terechtwijzing ter harte.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.3.3">Mevrouw de voorzitter! Het belang van goede arbeidsomstandigheden kan nauwelijks genoeg benadrukt worden. Wanneer ik zeg dat velen meer tijd doorbrengen op hun werk dan thuis, is dat niet omdat ik als Kamerlid een vertekend wereldbeeld heb gekregen, maar omdat dit geldt voor veel werkenden, zowel zelfstandigen als werknemers. Het is dan ook logisch dat de overheid in het verleden normen heeft gesteld voor het arbeidsomstandighedenbeleid. Het overgrote deel van werkgevers en werknemers onderkent het belang van goede arbeidsomstandigheden. Plezier op het werk is een doel op zich. Het is van grote invloed op de kwaliteit van het bestaan. Bovendien is ook de productiviteit gediend met een goed arbeidsomstandighedenbeleid. Dit gezegd hebbend, realiseer ik mij overigens dat er ook velen zijn aan werknemers- en werkgeverszijde, die uit gemakzucht of onterechte zuinigheid onvoldoende aandacht besteden aan veiligheid op de werkplek. Er gebeuren nog steeds te veel ongelukken op het werk, te veel mensen roepen beroepsziekten op, en iedere onveilige arbeidsplaats is er één te veel, net als iedere snelle jongen, of ieder snel meisje, zonder helm of veiligheidsschoenen in de bouwput. Voorlichting over arbeidsomstandigheden bereikt vaak niet de doelgroepen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.3.4">Mevrouw de voorzitter! Ondanks dit alles moet ook geconstateerd worden dat de afgelopen jaren veel vooruitgang is geboekt op het gebied van arbeidsomstandigheden. Na een stormachtige start zijn de Arbo-diensten in rustiger vaarwater gekomen. Het recente besluit om een professionele klachtenregeling op te zetten, is een teken dat het stadium van volwassenheid is bereikt. Het belang van een goed Arbo-beleid wordt door het merendeel van werkgevers en werknemers onderkend. De invoering van de WULBZ en de PEMBA hebben bovendien de verantwoordelijkheid voor het ziekteverzuim, en daarmee ook het Arbo-beleid, gelegd waar zij hoort, namelijk op de werkvloer. Het duidelijkste bewijs dat het ingezette beleid werkt, vormen de verzuimcijfers. Het ziekteverzuim lag in 1990 nog boven de 7%, en ligt nu rond de 5%. Dit wil overigens helemaal niet zeggen dat wij er al zijn, want de verzuimcijfers stabiliseren zich, en de instroom in de WAO blijft onrustbarend hoog. Daarnaast bereiken ons klachten dat de huidige Arbowet een aantal administratieve verplichtingen bevat die zwaar op het bedrijfsleven bukken, zonder een aantoonbare bijdrage te leveren aan verbetering van de arbeidsomstandigheden. Tegen deze achtergrond is het dan ook logisch dat het geheel aan regelgeving op Arbo-gebied nog eens tegen het licht is gehouden, resulterend in het wetsvoorstel dat de regering ons nu heeft aangeboden.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.3.5">Mevrouw de voorzitter! De VVD heeft bij beoordeling van het voorliggende wetsvoorstel een aantal criteria gehanteerd. Bevat het geheel aan regelgeving na de voorgestelde wijzigingen voldoende normen die recht doen aan het evidente belang van goede arbeidsomstandigheden? Zijn deze criteria objectief vast te stellen en niet voor meerdere uitleg vatbaar? Leidt de regelgeving niet tot nodeloze administratievelastendruk bij het bedrijfsleven? Is er voldoende ruimte voor maatwerk per bedrijf of bedrijfstak? Loopt de regelgeving niet uit de pas met Europese regelgeving?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.3.6">Mevrouw de voorzitter! Wat het eerste criterium betreft, namelijk of het wetsvoorstel voldoende recht doet aan het belang van goede arbeidsvoorwaarden, is het antwoord van de VVD-fractie 'ja'. De voorgestelde wijzigingen tasten het wezenlijke belang van goede arbeidsomstandigheden niet aan. Wat het tweede criterium betreft, de vraag of de normen objectief zijn vast te stellen, is de VVD blij met het verdwijnen van het begrip 'welzijn' uit de wet, aangezien dit begrip onvoldoende grond biedt voor wetshandhaving. Met betrekking tot de bestuurlijke boetes, waarvan wij op zich de waarde wel in kunnen zien, vragen wij ons wel af of daarvoor voldoende objectieve normen zijn. Deze zorg wordt ook geuit door werkgevers en door de SER. Wij zijn benieuwd naar de mening van de staatssecretaris over de objectieve normen die bij deze boetes horen. Wij vragen ons af of hij bereid is het systeem van de administratieve boetes te evalueren nadat dat een tijd van kracht is geweest. Wat de administratievelastendruk betreft, is de VVD van mening dat de nu voorgestelde vereenvoudigingen een juist onderscheid maken tussen het wezenlijke doel van de wet, goede arbeidsomstandigheden, en een aantal papieren tijgers die daaromheen gecreëerd waren. Met name het verruilen van de verplichting van een Arbo-jaarplan en -jaarverslag voor een plan van aanpak dat alleen dient te worden aangepast indien de omstandigheden daartoe werkelijk aanleiding geven, is een juiste maatregel.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.3.7">Ook de reeds ingevoerde maatregel die bedrijven met één werknemer ontslaat van de verplichting een Arbo-dienst in te schakelen bij het opstellen van de risico-inventarisatie en -evaluatie, heeft nadrukkelijk de steun van de VVD.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.3.8">Verder vraagt de VVD zich af of de staatssecretaris nog meer mogelijkheden ziet om met name bij kleinere bedrijven, de categorie tot 10 werknemers, de administratievelastendruk te verminderen, uitdrukkelijk zonder dat de kwaliteit van de arbeid in gevaar komt. Ik overweeg daartoe in tweede termijn een motie in te dienen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.3.9">Met betrekking tot het maatwerk per bedrijfstak juicht de VVD de mogelijkheid toe die het wetsvoorstel biedt inzake afwijkende afspraken middels CAO of afspraken met OR of personeelsvertegenwoordiging. In dit kader juichen wij het ook toe dat de staatssecretaris heeft aangekondigd op Arbo-gebied het gebruik van convenanten verder te willen stimuleren. Wel is de VVD benieuwd hoe de staatssecretaris deze stimulans concreet vorm wil geven. Hoe wil hij de in het regeerakkoord genoemde 100 mln. daarvoor inzetten? Daarnaast vraagt de VVD zich af of de Europese regelgeving überhaupt wel ruimte biedt voor afspraken op bedrijfs- of bedrijfstakniveau die eventueel af kunnen wijken van het wettelijk kader.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.3.10">Hiermee komt direct ook het laatste criterium aan de orde, het in de pas lopen met Europese regelgeving. De VVD constateert dat op dit moment Nederland op een aantal gebieden verdergaat dan de Europese normen. Met betrekking tot bijvoorbeeld normen voor geluidsoverlast is dit het geval en is bovendien een doeltreffende handhaving nauwelijks mogelijk. Kan de staatssecretaris aangeven hoe zijn houding op dit gebied in de toekomst zal zijn? Is er in de toekomst meer regelgeving te verwachten die verdergaat dan de Europese?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.3.11">Mevrouw de voorzitter! Een goed arbeidsvoorwaardenbeleid heeft de volle steun van de VVD. Regelgeving op dit gebied dient dan ook doeltreffend te zijn. Doeltreffend impliceert maatwerk, niet ruim aan de maat. Het wetsvoorstel in zijn huidige vorm krijgt daarom de steun van de VVD. Het grote aantal amendementen, dat zou betekenen dat de administratievelastendruk uitgebreid zal worden zonder dat het wezenlijke doel, goede arbeidsvoorwaarden, daarmee gediend wordt, zou ertoe kunnen leiden dat de VVD haar positie nog overweegt.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.4" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.4.1">Ik feliciteer de heer Blok met zijn maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.5">
                        <p docno="h-tk-19981999-501-520.1.3.5.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Laat ik dan maar interrumperen, want ik heb dat recht wél. Ik heb hierover vanmiddag al iets gezegd. Wij kunnen maidenspeeches houden op een manier waarop wij dat altijd gedaan hebben. Als men daar geen prijs op stelt, dan schors ik ook niet meer na maidenspeeches. Het is de tweede keer dat ik dit vandaag zeg. Ik zal het herhalen wanneer het nodig is.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Blom" MPid="02408" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2004-04-08" topic="Scheepsbouw" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20032004-4261-4263.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20032004-4261-4263.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="3" number-of-words="554" number-of-unique-words="273" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Economie <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Verkeer <pm:entity> Water</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Blom" MPid="02408"/>
                <speaker name="Kortenhorst" MPid="02325"/>
                <speaker name="Van As" MPid="02327"/>
                <speaker name="Brinkhorst" MPid="01738"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Blom, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2" speaker="Blom" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Blom  (PvdA)" MPid="02408">
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.1" speaker="Blom" function="De heer" MPid="02408">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Blom (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Blom</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.1.2">Voorzitter. Het is een kort debat. Dat doet mij genoegen, want het is de eerste keer dat ik hier sta. Dat betekent dat ik waarschijnlijk de kortste maidenspeech in de parlementaire geschiedenis ga houden. Dat vind ik helemaal niet erg, want dat past prima bij de manier waarop ik mij over het algemeen zowel in het leven als in de politiek beweeg. Kort maar krachtig: dat is de laatste tijd ook het devies van de PvdA-fractie.</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.1.3">Wij hebben in november jongstleden een algemeen overleg over de scheepsbouw gehad. De aanleiding daartoe waren de problemen bij de werf Van der Giessen-De Noord. Wij hebben onze zorgen geuit over het voortbestaan van de scheepsbouw en wij hebben geconstateerd dat de overheden in Europa op verschillende manieren met scheepsbouw omgaan. Er zijn landen in Europa die door subsidieregelingen of anderszins zowel direct als indirect de scheepsbouw ondersteunen. Wij deden dat vorig jaar ook met de Tijdelijke regeling ondersteuning scheepsbouw, de TROS, oftewel de 6%-regeling. Naar aanleiding van dat AO heeft de heer Slob tijdens het debat in de Kamer een motie ingediend, waarin hij de regering verzocht om die tijdelijke regeling te verlengen, maar die motie kreeg geen meerderheid in de Kamer.</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.1.4">Tegelijkertijd waren er onderhandelingen in de Europese Commissie over het weer instellen van dezelfde defensiemaatregelen in Europa. Die maatregel maakte het de EU-lidstaten mogelijk om de scheepsbouw te steunen, maar daar deed de Nederlandse overheid niet aan mee. Sterker nog, onze minister van Economische Zaken heeft een aantal weken geleden nog uitgesproken dat hij niet zoveel zag in steun voor de scheepsbouw en dat hij niet van plan was om de scheepsbouw op welke manier ook steunen. Gelukkig is de minister inmiddels bijgedraaid, getuige een aantal uitspraken hier in de Kamer en daarbuiten. Hij vond eigenlijk dat Nederlandse scheepsbouwers dezelfde concurrentiepositie moesten krijgen als andere Europese scheepsbouwers. De minister heeft aangekondigd dat hij in het voorjaarsoverleg zijn best zal doen om financiële middelen los te krijgen om toch weer tot subsidiëring van de scheepsbouw te komen en dat juichen wij toe. Alleen gaat het volgens de PvdA-fractie niet ver genoeg. Wij willen eigenlijk dat de minister het overleg ingaat met een kamerbreed gesteunde uitspraak. Daarom zal ik een tweetal moties indienen.</p>
                        <stage-direction docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.1.5" type="motie">
                            <hyperlink xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl" pm:dossiernr="29505" pm:ondernr=""/>
                            <motie>
                                <mtekst>
                                    <al>De Kamer,Blom</al>
                                    <al>gehoord de beraadslaging,</al>
                                    <al>constaterende dat de Europese Commissie heeft besloten
het tijdelijk defensiemechanisme ten behoeve van de scheepsbouw te verlengen
tot 1&#160;april 2005 en dat Nederland hier geen gebruik van maakt;</al>
                                    <al>overwegende dat de Nederlandse scheepsbouw hierdoor op achterstand zal
komen;</al>
                                    <al>verzoekt de regering, de tijdelijke regeling ondersteuning scheepsbouw,
oftewel de 6%-regeling, alsnog te verlengen tot 1&#160;april 2005,</al>
                                    <al>en gaat over tot de orde van de dag.</al>
                                </mtekst>
                                <voorz nw="nee">
                                    <al>Deze motie is voorgesteld door de leden Blom, Gerkens, Van As, Vendrik
en Slob.</al>
                                    <al>Zij krijgt nr. <stuknr>2</stuknr>(<vetnr>29505</vetnr>).</al>
                                </voorz>
                            </motie>
                        </stage-direction>
                        <stage-direction docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.1.6" type="motie">
                            <hyperlink xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl" pm:dossiernr="29505" pm:ondernr=""/>
                            <motie>
                                <mtekst>
                                    <al>De Kamer,</al>
                                    <al>gehoord de beraadslaging,</al>
                                    <al>constaterende dat binnen Europa geen sprake is van eerlijke concurrentie
doordat andere Europese landen de scheepsbouwindustrie ondersteunen met onder
meer garantie- en financieringsregelingen;</al>
                                    <al>overwegende dat de concurrentiepositie van de Nederlandse scheepsbouw
door het uitblijven van een dergelijke Nederlandse regeling verder wordt aangetast;</al>
                                    <al>verzoekt de regering, zo spoedig mogelijk tot een garantie- en financieringsregeling
voor de scheepsbouwindustrie te komen,</al>
                                    <al>en gaat over tot de orde van de dag.</al>
                                </mtekst>
                                <voorz nw="nee">
                                    <al>Deze motie is voorgesteld door de leden Blom, Gerkens, Van As, Vendrik
en Slob.</al>
                                    <al>Zij krijgt nr. <stuknr>3</stuknr>(<vetnr>29505</vetnr>).</al>
                                    <witreg/>
                                    <al>Ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech. Met deze maidenspeech heeft
u bewezen dat het in het leven uiteindelijk om kwaliteit gaat en niet om kwantiteit.
Hierbij teken ik wel onmiddellijk aan dat ik geen uitspraak doe over de politieke
inhoud van uw toespraak.</al>
                                    <al>Ondanks het feit dat wij vandaag nogal gehaast zijn, wil ik toch even
de vergadering schorsen om de aanwezigen de gelegenheid te bieden om de heer
Blom te feliciteren met zijn maidenspeech.</al>
                                </voorz>
                            </motie>
                        </stage-direction>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.2.1">Deze motie is voorgesteld door de leden Blom, Gerkens, Van As, Vendrik en Slob.</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.2.2">Zij krijgt nr. 2(29505).</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.3" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.3.1">Deze motie is voorgesteld door de leden Blom, Gerkens, Van As, Vendrik en Slob.</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.3.2">Zij krijgt nr. 3(29505).</p>
                        <stage-direction type="witreg">
                            <witreg/>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.3.4">Ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech. Met deze maidenspeech heeft u bewezen dat het in het leven uiteindelijk om kwaliteit gaat en niet om kwantiteit. Hierbij teken ik wel onmiddellijk aan dat ik geen uitspraak doe over de politieke inhoud van uw toespraak.</p>
                        <p docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.3.5">Ondanks het feit dat wij vandaag nogal gehaast zijn, wil ik toch even de vergadering schorsen om de aanwezigen de gelegenheid te bieden om de heer Blom te feliciteren met zijn maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.4" speaker="Blom" function="De heer" MPid="02408">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Blom (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Blom</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.4.2">Voorzitter. Ik heb mijn fractie uitdrukkelijk gevraagd om niet tot de gebruikelijke feestelijkheden over te gaan. Ik vind namelijk dat het gaat om de Partij van de Arbeid en niet om Luuk Blom.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.5" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.5.1">U maakt het mij nu wel moeilijk. Moet ik nu zeggen dat de Partij van de Arbeid wordt gefeliciteerd? U wordt van harte gefeliciteerd.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.6">
                        <p docno="h-tk-20032004-4261-4263.1.2.6.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Deze motie is voorgesteld door de leden Blom, Gerkens, Van As, Vendrik en Slob.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Boekestijn" MPid="03062" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2007-05-24" topic="Defensiematerieel" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20062007-3871-3874.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20062007-3871-3874.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="3" number-of-words="358" number-of-unique-words="234" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Boekestijn" MPid="03062"/>
                <speaker name="Poppe" MPid="02536"/>
                <speaker name="Van der Knaap" MPid="02227"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Boekestijn, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20062007-3871-3874.1.2" speaker="Boekestijn" party="VVD" function="De heer" title="De heer Boekestijn  (VVD)" MPid="03062">
                    <speech party="VVD" docno="h-tk-20062007-3871-3874.1.2.1" speaker="Boekestijn" function="De heer" MPid="03062">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Boekestijn (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Boekestijn</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20062007-3871-3874.1.2.1.2">Voorzitter. Dat deze regering niet regeert is tot daar aan toe. Dat zij zelfs niet op de winkel past, is triest. Maar dat zij de krijgsmacht uitholt, is ronduit stuitend. Dit kabinet is bereid om gestegen personeelskosten te betalen uit de verkoop van materieel. Dit is een heilloze weg. Indien een pianist zijn pianosnaren gaat verkopen, zal de muziek weldra verstommen. Vervolgens horen wij uit Brussel dat de Tomahawks niet zullen worden aangeschaft. Geen spoor van een visie. Links haalt de buit toch nog binnen, en dat terwijl alle argumenten reeds in 2005 weerlegd zijn. De linkse leugen dat kruisvluchtwapens naar kernwapens rieken, wordt gevoed. De linkse mythe dat kruisvlucht­wapens overbodig zijn voor vredesmissies is weer springlevend. En de linkse valsheid, nooit te beroerd om een modern LC-fregat uit te kleden, regeert.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3871-3874.1.2.1.3">Het is absurdistisch theater voortgestuwd door linkse hypocrisie. Door al dit opportunisme is mijn mailbox vastgelopen met mailtjes van volstrekt gedemoraliseerd defensiepersoneel. Als het kabinet geluisterd zou hebben naar het VVD-pleidooi om het defensiebudget in de komende vier jaar met 1,2 mld. te verhogen, was al deze ellende niet nodig geweest. Wij zouden er ook beter voorstaan indien de CDA-fractie haar eigen wetenschappelijk instituut serieus zou nemen. Zo ver is het helaas nog niet. Daar zitten wij dan. De donkere wolk van de verkoop van materieel werpt een schaduw over de verlengingsdiscussie in Afghanistan.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3871-3874.1.2.1.4">Stelt u zich eens voor dat er volgende week weer een Chinook neerstort. Er zijn er al twee neergestort, evenals een Apache en een F-16. Een Chinookhelikopter kost al het dubbele van het geld dat het kabinet heeft gereserveerd voor dit soort problemen. De VVD gunt de krijgsmacht veel meer geld, maar in een uiterste poging om de positie van de krijgsmacht te versterken ten opzichte van de minister van Financiën, dien ik de volgende motie in.</p>
                        <stage-direction docno="h-tk-20062007-3871-3874.1.2.1.5" type="motie">
                            <hyperlink xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl" pm:dossiernr="30800 X" pm:ondernr=""/>
                            <motie>
                                <mtekst>
                                    <al>De Kamer,</al>
                                    <al>gehoord de beraadslaging,Boekestijn</al>
                                    <al>overwegende dat Nederland deelneemt aan militaire missies
met een hoog veiligheidsrisico voor de uit te zenden militairen;</al>
                                    <al>constaterende dat het daarbij een dure plicht is, onze militairen optimaal
uit te rusten en op te leiden en dat budgettaire beperkingen nooit mogen leiden
tot extra veiligheidsrisico's;</al>
                                    <al>verzoekt de regering om toekomstige operationele verliezen en onvoorziene
extra kosten van lopende militaire missies niet ten laste van de defensiebegroting
te laten komen,</al>
                                    <al>en gaat over tot de orde van de dag.</al>
                                </mtekst>
                                <voorz nw="nee">
                                    <al>Deze motie is voorgesteld door het lid Boekestijn. Naar mij blijkt, wordt
zij voldoende ondersteund.</al>
                                    <al>Zij krijgt nr. <stuknr>91</stuknr>(<vetnr>30800 X</vetnr>).</al>
                                    <witreg/>
                                    <al>Ik complimenteer u met uw maidenspeech en schors de vergadering enkele
ogenblikken opdat ook de collega's u geluk kunnen wensen.</al>
                                </voorz>
                            </motie>
                        </stage-direction>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20062007-3871-3874.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20062007-3871-3874.1.2.2.1">Deze motie is voorgesteld door het lid Boekestijn. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3871-3874.1.2.2.2">Zij krijgt nr. 91(30800 X).</p>
                        <stage-direction type="witreg">
                            <witreg/>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20062007-3871-3874.1.2.2.4">Ik complimenteer u met uw maidenspeech en schors de vergadering enkele ogenblikken opdat ook de collega's u geluk kunnen wensen.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20062007-3871-3874.1.2.3">
                        <p docno="h-tk-20062007-3871-3874.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Bolhuis" MPid="01845" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2001-04-11" topic="Agrarisch natuurbeheer" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20002001-4493-4498.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20002001-4493-4498.1.2" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="5" number-of-words="443" number-of-unique-words="236" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Landbouw <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Natuur- en landschapsbeheer</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Passtoors" MPid="02572"/>
                <speaker name="Bolhuis" MPid="01845"/>
                <speaker name="Schreijer-Pierik" MPid="02253"/>
                <speaker name="Van der Vlies" MPid="02682"/>
                <speaker name="Augusteijn-Esser" MPid="02502"/>
                <speaker name="Vos" MPid="02547"/>
                <speaker name="Faber" MPid="02905"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Bolhuis, die zijn maidenspeech houdt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2" speaker="Bolhuis" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Bolhuis  (PvdA)" MPid="01845">
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2.1" speaker="Bolhuis" function="De heer" MPid="01845">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Bolhuis (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Bolhuis</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2.1.2">Mevrouw de voorzitter! Dit debat is de afronding van een overleg dat wij voerden met de staatssecretaris over het programma Beheer. Daarin heb ik het grote belang benadrukt dat de PvdA hecht aan agrarisch natuurbeheer. Ik denk dat het belangrijk is dat wij voor bepaalde natuurdoeltypen de boer inschakelen voor het beheer. Denk aan weidevogelgebieden en dergelijke. In andere gebieden is het logischer dat Staatsbosbeheer of terreinbeherende instanties het natuurbeheer op zich nemen.</p>
                        <p docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2.1.3">Er is gelukkig sprake van enorme belangstelling van de kant van boeren voor het agrarisch natuurbeheer, zelfs zodanig dat wij zo'n beetje kunnen spreken van wachtlijsten, zoals wij die ook in de gezondheidszorg kennen. De staatssecretaris heeft aangegeven dat haar budget ontoereikend is om tegemoet te komen aan de versnelling die voort zou vloeien uit het honoreren van alle aanvragen voor agrarisch natuurbeheer en dat zij daarom enigszins terughoudend moet zijn.</p>
                        <p docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2.1.4">Van de zijde van de VVD is aangegeven dat er dan maar verder bezuinigd moet worden op de kosten van verwerving van natuurgebieden. Dat vindt de PvdA niet zo'n goede gedachte. Buurmans grond is vaak meer één keer te koop. Als zulke gebieden niet kunnen worden aangekocht dan krijgen zij vaak een andere bestemming en gaan zij achteruit qua natuurwaarde. Er is nu al een tekort voor verwerving van natuurgebieden, waardoor de realisatie van natuurgebieden achterloopt op de planning. Dit betekent dus een verlies aan natuurkwaliteit.</p>
                        <p docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2.1.5">Ondanks de goede bedoelingen van de heer Passtoors om het agrarisch natuurbeheer te stimuleren met zijn motie kan ik die motie niet steunen. Ik wijs er overigens op dat het agrarisch natuurbeheer voor veel natuurdoeltypen aanmerkelijk duurder is dan beheer door natuurbeschermingsorganisaties. Uitvoering van deze motie leidt eerder tot een verdere vertraging van de uitvoering van de EHS dan tot een versnelling. Bovendien vraag ik mij af of correct is wat in de motie gesteld wordt, namelijk dat het bedrag, vermeld in het amendement-Van der Vlies, niet volledig verwerkt is in de definitieve begroting. Ik dacht dat als de Kamer een amendement aanneemt, de inhoud daarvan in de wetgeving wordt opgenomen.</p>
                        <p docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2.1.6">Een en ander neemt niet weg dat ik het met de VVD eens ben dat er een noodzaak is voor meer financiële middelen, ook voor het agrarisch natuurbeheer, maar dan gericht op evenwicht tussen de verschillende vormen van natuurbeheer. Ik wil daarom graag de volgende motie aan de Kamer voorleggen, waarin wij vragen om meer middelen voor het natuurbeleid.</p>
                        <stage-direction docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2.1.7" type="motie">
                            <hyperlink xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl" pm:dossiernr="27400 XIV" pm:ondernr=""/>
                            <motie>
                                <mtekst>
                                    <al>De Kamer,</al>
                                    <al>gehoord de beraadslaging,</al>
                                    <al>overwegende dat na de invoering van het programma Beheer gebleken is dat
agrariërs, provincies en natuurbeschermingsorganisaties voortvarend willen
participeren in nieuwe vormen van het natuurbeheer;</al>
                                    <al>overwegende dat gebleken is dat het beschikbare Bolhuisbudget blijkens
mededelingen van de staatssecretaris ontoereikend is;</al>
                                    <al>verzoekt de regering, voor 1 juni aan de Kamer te laten weten hoe zij
de noodzakelijke middelen beschikbaar zal stellen,</al>
                                    <al>en gaat over tot de orde van de dag.</al>
                                </mtekst>
                                <voorz nw="nee">
                                    <al>Deze motie is voorgesteld door het lid Bolhuis. Naar mij blijkt, wordt
zij voldoende ondersteund.</al>
                                    <al>Zij krijgt nr. <stuknr>89</stuknr> (<vetnr>27400 XIV</vetnr>).</al>
                                    <al>Ik feliciteer de heer Bolhuis met zijn maidenspeech en schors de vergadering.</al>
                                </voorz>
                            </motie>
                        </stage-direction>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2.2.1">Deze motie is voorgesteld door het lid Bolhuis. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.</p>
                        <p docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2.2.2">Zij krijgt nr. 89 (27400 XIV).</p>
                        <p docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2.2.3">Ik feliciteer de heer Bolhuis met zijn maidenspeech en schors de vergadering.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2.3">
                        <p docno="h-tk-20002001-4493-4498.1.2.3.1">De vergadering wordt enige minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Deze motie is voorgesteld door het lid Bolhuis. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Bos" MPid="02212" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="1998-10-13" topic="Economische Zaken" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-19981999-738-762.xml?view=nl/proceedings#h-tk-19981999-738-762.1.4" which-speech-in-topic="3" number-of-paragraphs="26" number-of-words="2804" number-of-unique-words="980" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Leers" MPid="02881"/>
                <speaker name="Van Zuijlen" MPid="02555"/>
                <speaker name="Bos" MPid="02212"/>
                <speaker name="Rabbae" MPid="02537"/>
                <speaker name="Voûte-Droste" MPid="02548"/>
                <speaker name="Van Walsem" MPid="02564"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid="02792"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Bos, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-19981999-738-762.1.4" speaker="Bos" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Bos  (PvdA)" MPid="02212">
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1" speaker="Bos" function="De heer" MPid="02212">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Bos (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Bos</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.2">Mevrouw de voorzitter! De minister wil een sterke en dynamische economie. Dat willen wij ook, maar niet alleen vandaag, liefst ook in de volgende eeuw. En daar beginnen de problemen, want de structuur van de Nederlandse economie steekt op een aantal punten nog altijd schraal af in vergelijking met benchmarklanden. Nederlandse bedrijvigheid is energie-intensief, kent een groot beslag op milieu en ruimte, heeft een lage toegevoegde waarde, creëert weinig werkgelegenheid, gebruikt weinig kennis en innoveert te weinig. Dat zijn geen conclusies van de PvdA, maar conclusies die de regering zelf op diverse plaatsen trekt.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.3">Er lijkt dus alle noodzaak voor een structuur- of sectorpolitiek, maar dat is een woord dat je op Economische Zaken hoogstens nog mag fluisteren. Het zou te veel suggereren dat de overheid op de stoel van de ondernemer zit en dan beslist waar die ondernemer zijn centen in zou moeten steken. Dat is inderdaad iets waar de overheid ver van weg zou moeten blijven. Tegelijkertijd is het duidelijk dat er in Nederland natuurlijk wel degelijk structuurpolitiek wordt gevoerd, alleen noemen wij het niet zo. Het vindt dan ook nauwelijks op Economische Zaken plaats, maar vooral op andere departementen, bijvoorbeeld op VROM, bij het vaststellen van de randvoorwaarden van milieu en ruimtelijke ordening; op Verkeer en Waterstaat, bij het investeren in infrastructuur en het vaststellen van prijzen voor verkeer en vervoer; op Onderwijs, bij het investeren in kennis; op Sociale Zaken, bij het verzekeren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt; bij Landbouw en Visserij, bij het landbouw- en visserijbeleid en natuurlijk in Brussel. Het zou in dit verband interessant zijn om te horen welke rol EZ op zich neemt in de discussie over de verdeling van de structuurfondsen. In de begroting lezen wij er in ieder geval niets over.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.4">De minister zal dus in haar streven naar structuurversterking en wat ons betreft vooral structuurvernieuwing maar ten dele beoordeeld kunnen worden op de inzet van haar eigen instrumentarium, maar veeleer op haar effectiviteit in het opereren en interveniëren over de grenzen van haar eigen departement heen. Voor de PvdA is de kernvraag: hoe stelt de minister zich op in het debat over structuurvernieuwing, hoe beïnvloedt zij dat debat en waar en hoe intervenieert zij? Dit is een debat dat speelt en hoort te spelen onder andere in de context van discussies over de houtskoolschets en de vijfde nota ruimtelijke ordening, de besluitvorming rondom grote infrastructurele projecten, de voeding en aanwending van het FES en de besteding van de ICES-gelden. In veel van deze debatten zijn alle antwoorden nog lang niet gevonden en daar hoeft nu ook niet op vooruitgelopen te worden. Wel willen wij de minister helpen met het formuleren van een viertal uitgangspunten die de fractie van de PvdA zal gebruiken bij het toetsen van het optreden van de minister in deze discussie.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.5">Het eerste uitgangspunt is de noodzaak tot het ontwikkelen van een toekomstvisie. De Rotterdamse hoogleraar Welters constateerde in een artikel in Het Financieele Dagblad van vorige zomer, dat de Nederlandse overheid er niet in slaagt om duidelijk te maken waar Nederland in de volgende eeuw zijn geld mee wil verdienen. Hijzelf deed een poging en beschreef een toekomstvisie op Nederland als het Singapore van de 21ste eeuw, hetgeen van een hoogleraar haveneconomie die tevens directeur is van de Rotterdamse havenwerkgevers misschien ook niet verwonderlijk is. Maar de poging is lovenswaardig, want ook in deze begroting van EZ worden de bekende knelpunten weer gedefinieerd, maar worden de doeleinden van beleid nauwelijks geformuleerd. Wat willen wij nu eigenlijk zijn als Nederland in de volgende eeuw? Distributieland, agroland, waterland, bankenland of à la Andriessen glazenwassersland? Het is bepaald geen theoretische kwestie, omdat het negeren van deze structuurvragen het EZ-beleid op andere terreinen lijkt tegen te werken. Zo vallen de resultaten van het ICT-beleid tegen omdat de huidige economische structuur kennelijk te weinig effectieve vraag ontwikkelt naar vernieuwende ICT-projecten. Zo constateert een rapport dat in opdracht van EZ zelf is geschreven maar helaas nooit naar de Kamer is gestuurd, dat de huidige sectoraccenten in de Nederlandse structuur voor de helft verklaren waarom in ons land zo weinig research en development wordt gedaan. Een visie op deze interne spanning in het huidige structuurbeleid ontbreekt helaas ten enenmale.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.6">Mevrouw de voorzitter! Een tweede uitgangspunt betreft de noodzaak om niet alleen de kwantiteitsaspecten, maar ook de kwaliteit van de groei te benadrukken. De PvdA is zich bewust van de problemen die een puur kwantitatieve benadering van groei met zich brengt in termen van milieu, energie en ruimtebeslag. Daarom heeft fractieleider Melkert er tijdens de algemene politieke beschouwingen de nadruk op gelegd dat niet elk vliegtuig dat op Schiphol landt, even belangrijk is voor de Nederlandse economie, net zoals niet elk schip dat op de Maasvlakte aanlegt en elke vrachtwagen die over de A2 rijdt, evenveel waarde toevoegt in termen van nationaal inkomen en werkgelegenheid. Kwaliteit en selectiviteit zijn begrippen die nadrukkelijk in de discussie over economische structuur van een klein en dichtbevolkt landje als Nederland thuishoren.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.7">Dit brengt mij bij het derde punt, de noodzaak tot een zorgvuldige analyse van de kosten en baten van grote infrastructurele projecten. De historie in Nederland is er in ieder geval een van overschatting van de baten en onderschatting van de kosten. De PvdA is van mening dat ook hier publiek-private samenwerking haar meerwaarde kan bewijzen. Immers, door de private sector in een vroegtijdig stadium te betrekken bij de discussie over financiering en exploitatie van grote infrastructurele projecten, kan vroegtijdig zicht gekregen worden op wat het de private sector zelf waard is, hoe groot die zogenaamde onrendabele top eigenlijk is en waar de private sector een rol kan en vooral de publieke sector een rol moet hebben. Te kunnen beschikken over deze kennis in een vroeg stadium is een onmisbaar ingrediënt in het daaropvolgende besluitvormingsproces. Dit is dus ook de reden dat fractieleider Melkert in de TNLI-discussie – de discussie over de tweede nationale luchthaven – de besluitvorming verbonden heeft aan inzicht in de financieringsmogelijkheden. Dat is ook de lijn die de fractie van de PvdA ook bij andere grote projecten, zoals een tweede Maasvlakte, zal volgen, niet omdat bij al die projecten private financiering de maat zal moeten zijn, wel omdat de pijlen van privaat commitment aan deze projecten een onderdeel van de besluitvorming moeten zijn. Het stellen van de financierings- en exploitatievraag is een buitengewoon nuttige methode en dus ook daar ligt een meerwaarde voor publiek-private samenwerking, niet bij het vinden van slimme financieringsconstructies, maar bij het verhogen van de kwaliteit van de besluitvorming in vaak zeer complexe ruimtelijk-economische vraagstukken. Dan gaat het om ordening, marktwerking en aanbesteding en dat zijn onderwerpen die eerder op Economische Zaken dan op Financiën thuishoren.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.8">Ons vierde uitgangspunt betreft de noodzaak tot het veiligstellen van overheidsinvesteringen. Het tweede kabinet-Kok is al door velen en niet in de laatste plaats door onszelf beschreven als een investeringskabinet. Dat willen wij ook waarmaken. Het FES, het Fonds economische structuurversterking, is een aantal jaren geleden in het leven geroepen om de gelden, benodigd voor het plegen van die overheidsinvesteringen, veilig te stellen. Maar met alles wat wij nu weten, moeten wij helaas concluderen dat de in het regeerakkoord aangekondigde wijzigingen van de FES-systematiek deze functie van het FES dreigen aan te tasten. Dit is een reden om deze wetsvoorstellen te zijner tijd nog eens goed te bekijken. Wij zouden graag tijdens dit debat al – en wij weten dat wij over een aantal maanden of weken er met de minister nog nader op kunnen ingaan – onze zorgen aan de orde willen stellen. Die zorgen komen kortweg op het volgende neer.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.9">De gelden die op dit moment in het FES geraamd worden, vormen nog ongeveer de helft van de totale gelden die benodigd zullen zijn in de periode tot 2010 voor het doen van de zogenaamde ICES-investeringen. De gelden die niet in het FES zitten, zullen rechtstreeks verdeeld worden over de relevante begrotingshoofdstukken en uit die hoofdstukken zal vervolgens geput worden. Dit betekent dat dus ongeveer 50% van de gelden, benodigd voor die overheidsinvesteringen, in principe niet zo veilig is gesteld als de gelden die in het FES zitten. Dat is onze eerste zorg.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.10">Onze tweede zorg is dat de nieuwe 41,5%-formule ook de autonome impuls van het eerste kabinet-Kok, de 500 mln. per jaar (6,5 mld. tot 2010) omvat. De bodem van het FES is daarmee niet meer gegarandeerd. Ook al zegt de minister in antwoord op onze vragen dat dit slechts een theoretische kwestie is, het signaal is in ieder geval in psychologische zin volstrekt verkeerd.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.11">Wij hebben ook vragen gesteld met betrekking tot de systematiek voor het bepalen van meevallende gasbaten. Het antwoord van de minister op die vragen is volslagen onduidelijk. Er wordt gerefereerd aan een negatief saldo in het FES en bij ons beste weten zit de Wet FES zodanig in elkaar dat van een negatief saldo per definitie nooit sprake kan zijn. De minister zou ons bijzonder kunnen helpen door onze zorgen op deze punten nu al weg te nemen en met name op het laatste punt nu al duidelijkheid te scheppen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.12">Mevrouw de voorzitter! Voordat ik overga op mijn volgende onderwerp, merk ik op dat de Kamer tijdens de algemene politieke beschouwingen de motie-Melkert heeft aangenomen, waarin de Kamer uitspreekt aan te geven van welke specifieke beleidsonderwerpen prestatiegegevens moet worden opgenomen in de jaarverslagen over het komende begrotingsjaar. De PvdA-fractie zal de minister vragen in het jaarverslag over 1999 dat in het voorjaar van 2000 behandeld zal worden, prestatiegegevens op te nemen over de inzet van het EZ-instrumentarium in het kader van het grotesteden- en integratiebeleid, met name voor wat betreft het daarmee gemoeide werkgelegen- heidsbelang. De PvdA-fractie doet dit mede gezien het kennelijke voornemen van minister Van Boxtel om de wet op de kansenzones niet in te voeren – kan de minister dit overigens bevestigen – en het recente advies van de kamers van koophandel en fabrieken van Amsterdam, Haaglanden, Rotterdam en Utrecht, waarin geconstateerd wordt dat er in het grotestedenbeleid veel meer gebruik gemaakt kan worden van de bij de bedrijfsleven aanwezige expertise en ideeën.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.13">Dit, mevrouw de voorzitter, brengt mij bij mijn laatste onderwerp. Om daaraan te beginnen, heb ik heel lang gezocht naar een passend citaat van de Rolling Stones, de muziekvoorkeur van de minister kennende. Ik ben helaas bij een tijdgenoot terechtgekomen. De minister moet het doen met Bob Dylans 'The times they are changing'. De minister wijdt in haar begroting daaraan mooie woorden: de veranderende verhoudingen tussen overheid en markt, publieke sector en private sector, burgers en maatschappelijke bewegingen. Een van de trends betreft het feit dat de overheid niet meer als enige aangesproken kan en wil worden op de behartiging van het publieke belang. In de memorie van toelichting wordt uitgebreid ingegaan op de terreinen waarop de overheid terugtreedt of terug moet treden en eigenlijk nauwelijks op de spiegelbeeldige trend die wij ook zien, namelijk dat de particuliere sector zelf initiatieven neemt ten behoeve van het algemeen belang, of in ieder geval ten behoeve van doelen die verder liggen dan het enge eigenbelang. Het is bemoedigend dat steeds meer ondernemers beseffen dat zij niet slechts verantwoordelijk zijn voor financiële resultaten, maar ook aangesproken mogen worden op de manier waarop zij in bredere zin in de maatschappij staan; dat zij niet slechts verantwoording hoeven af te leggen aan aandeelhouders, maar ook aangesproken mogen worden door consumenten, overheden, actiegroepen, burgers en omwonenden.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.14">De PvdA vindt dit een buitengewoon aansprekende trend. Het laat immers zien dat sterk en sociaal prima samen kunnen gaan en dat sterk ook sociaal kan zijn. De voorbeelden zijn legio. Organisaties als Pax Christi, Amnesty International en de Vereniging NCW zijn met een groeiend aantal bedrijven in gesprek over gedragscodes met betrekking tot buitenlandse investeringen. Het Netwerk bedrijfsethiek Nederland en het European business ethics network winnen aan leden en populariteit. Het aantal bedrijven dat bereid is in jaarverslagen verslag te doen van hun inzet en positie ten aanzien van moeilijke maatschappelijke kwesties groeit. Het aantal bedrijven en ondernemers dat uit eigen initiatief investeert in buurten, verenigingen en andere onderdelen van de sociale infrastructuur is voor ieder die zich erin verdiept altijd weer groter dan verwacht. Voor ons blijft dan als kernvraag over of de overheid hier eigenlijk ook nog een rol heeft. De vorige staatssecretaris van Economische Zaken Anneke Van Dok meende van wel en startte geheel tegen de cultuur van het departement in een discussie met verscheidene NGO's. Wij lezen er nauwelijks iets meer over in de begroting. Wij herinneren de minister er bij deze aan, net zoals de FNV dat overigens doet in haar commentaar op de begroting. Het ministerie van Economische Zaken straalt niet bepaald uit dat maatschappelijk verantwoord ondernemen een goede zaak is, laat staan dat het lopende initiatieven binnenshuis en buitenshuis erkent en aanmoedigt. Juist nu steeds meer werkgevers zelf hun bredere verantwoordelijkheid oppakken, geeft het werkgeversministerie niet thuis. Dat moet dus anders!</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.15">Het staat daarbij ook voor de PvdA vast dat de waarde van veel particuliere initiatieven bestaat bij de gratie van het feit dat bedrijven en ondernemers niet tot deze initiatieven gedwongen worden, maar dat zij op grond van eigen drijfveren deze keuzes maken. Dat daarbij ook vaak sprake is van eigenbelang, is geen punt. Integendeel, het laat juist zien hoe vaak de tegenstelling tussen sterk en sociaal een schijntegenstelling is. Het betekent volgens de PvdA-fractie echter niet dat de overheid helemaal geen rol meer heeft. Wij praten hier immers niet over dwang, maar wel over het gesprek aangaan; niet over verplichtingen, maar wel over stimuleren, faciliëren, belonen, duwen en trekken.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.16">De PvdA vindt het verstandig om nader te kijken naar een aantal onderwerpen die zich, onder de noemer van maatschappelijk verantwoord ondernemen, lenen voor een activerende overheidsrol. Wij doen daarbij de volgende tien concrete suggesties, die wij voor het gemak vooralsnog vermomd hebben als vragen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.17">1. Kan de overheid het gebruik van gedragscodes stimuleren door het uitbreiden van de verslagleggingsplicht van bedrijven, bijvoorbeeld met betrekking tot de ILO-code? De code wordt daarbij dus niet opgelegd, maar bedrijven kunnen wel aangesproken worden op de vraag of deze code wordt gebruikt.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.18">2. Kan de overheid het gebruik van gedragscodes stimuleren door een selectief vergunningenbeleid, dat wij al kennen onder de naam contract compliance?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.19">3. Kan de overheid in haar instrumentarium voor export- en handelsbevordering clausules opnemen die verwijzen naar de ook door de Nederlandse overheid onderschreven ILO-code?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.20">4. Worden vertegenwoordigers van vakbonden, maar ook van mensenrechtenorganisaties voldoende betrokken bij de voorbereiding en de uitvoering van handelsmissies?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.21">5. Kan het begrip 'ethisch beleggen' zodanig geoperationaliseerd worden, dat wellicht een fiscaal gunstige behandeling, vergelijkbaar met die van groene fondsen, mogelijk wordt?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.22">6. Kunnen in dit verband met name de miljarden die geparkeerd zijn bij de pensioenfondsen, aangesproken en in de discussie betrokken worden?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.23">7. Is het mogelijk bedrijven die in de sociale infrastructuur investeren nadrukkelijker van overheidswege te erkennen, te stimuleren en te belonen? Geeft de overheid eigenlijk wel voldoende verspreiding aan bestaande 'best practices'?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.24">8. Is er een taak weggelegd voor Economische Zaken om op dit gebied makelend op te treden en partijen bij elkaar te brengen, net zoals Economische Zaken dat op andere punten doet? Is met name VWS, de afdeling sociaal beleid, waarvandaan nu veelal de initiatieven op dit gebied komen, voldoende in staat om het potentieel aan bijdragen van het bedrijfsleven aan te boren? Ik verwijs nogmaals naar het rapport van de kamers van koophandel dat ik net aanhaalde.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.25">9. Kan de overheid financieel en anderszins initiatieven ondersteunen waarbij standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen worden ontwikkeld, vergelijkbaar met uit Engeland en Amerika bekende voorbeelden?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.26">10. Hoe consequent passen wij eigenlijk het extraterritorialiteitsbeginsel toe, als wij zien dat ik als ik in de Filippijnen een vrouw ontvoer, in Nederland voor vrouwenhandel kan worden berecht, maar niet strafbaar ben als ik in de Filippijnen in mijn bedrijf kinderarbeid laat verrichten?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.1.27">Het is een buitengewoon complexe problematiek, met veel beren op de weg en veel haken en ogen, die een heel zorgvuldige analyse verdient. Wij zijn ervan overtuigd dat de overheid hier een activerende rol kan spelen, juist omdat de trend in het bedrijfsleven zelf zo overduidelijk al in deze richting gaat. Wij willen de minister in concreto vragen de gedane suggesties te onderzoeken en daar zo nodig zo spoedig mogelijk, in het verband van de Stichting van de arbeid of de SER, werkgevers- en werknemersorganisaties bij te betrekken. De PvdA staat voor sterk en sociaal, in een onverbrekelijke onderlinge samenhang. Wij zullen de minister steunen in haar ongetwijfeld voortdurende inzet om ons bedrijfsleven sterk te maken en sterk te houden. Maar dat sterk ook sociaal kan zijn, laten steeds meer ondernemers zelf al zien. Dat verdient erkenning, waardering en stimulering.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.2.1">Ik feliciteer de heer Bos met zijn maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.3">
                        <p docno="h-tk-19981999-738-762.1.4.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Ik feliciteer de heer Bos met zijn maidenspeech.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Bosma" MPid="03127" party="PVV" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2007-02-07" topic="Artikel 139a Reglement van Orde" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20062007-2377-2388.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20062007-2377-2388.1.6" which-speech-in-topic="5" number-of-paragraphs="6" number-of-words="504" number-of-unique-words="285" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Parlement</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Kant" MPid="02226"/>
                <speaker name="Pechtold" MPid="02993"/>
                <speaker name="Van der Staaij" MPid="02252"/>
                <speaker name="Zijlstra" MPid="03068"/>
                <speaker name="Bosma" MPid="03127"/>
                <speaker name="Duyvendak" MPid="02307"/>
                <speaker name="Depla" MPid="02292"/>
                <speaker name="Jan de Vries" MPid="02373"/>
                <speaker name="Cramer" MPid="03072"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Bosma, die ook zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20062007-2377-2388.1.6" speaker="Bosma" party="PVV" function="De heer" title="De heer Bosma  (PVV)" MPid="03127">
                    <speech party="PVV" docno="h-tk-20062007-2377-2388.1.6.1" speaker="Bosma" function="De heer" MPid="03127">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Bosma (PVV)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Bosma</naam>
                                <partij>PVV</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20062007-2377-2388.1.6.1.2">Voorzitter. Wat zou het prachtig zijn als aan nieuwe ministers de vragen worden gesteld die nu vaak achterwege blijven, bijvoorbeeld aan beoogd minister Aboutaleb wat hij in zijn vorige functie heeft gedaan met die 80 mln. en wat dat betekent voor zijn geschiktheid om minister te worden. Dit soort vragen zou perfect passen in een nieuw artikel 139a, waarbij de Kamer de kritische vragen stelt die nu vaak achterwege blijven. De Partij voor de Vrijheid steunt daarom graag mevrouw Halsema. Ooit vroeg voorzitter Vondeling of de Kamer leeuw of lam was. Wat het antwoord ook moge zijn, vandaag kunnen wij ervoor zorgen dat het beestje in ieder geval scherpere tanden krijgt.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2377-2388.1.6.1.3">Een hoorzitting kan een nuttig instrument zijn om aankomende ministers uit te horen, niet om Philomena Bijlhout en Charles Swietert te ontmaskeren. Het ontbreekt de Kamer nu eenmaal aan middelen om serieus antecedentenonderzoek te doen. Je moet er maar opkomen om te vragen "bent u wel eens lid geweest van een volksmilitie?". Een hoorzitting is wel goed geschikt om de nieren te proeven van de nieuwe bewindspersonen die wij voor ons hebben en te achterhalen wat de visies zijn van de nieuwe ministers op hun beleidsterreinen, wat zij daar in het verleden over hebben gezegd en hoe zij zich hebben opgesteld.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2377-2388.1.6.1.4">De Kamer komt het medebeslissingsrecht uiteraard niet toe, dat blijft bij de Kroon liggen, zie artikel 48 van de Grondwet. Een informatieronde staat echter geenszins op gespannen voet met ons staatsrecht. Het recht zich te informeren maakt juist deel uit van dat staatsrecht en is bijvoorbeeld al vastgelegd in het recht op enquête.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2377-2388.1.6.1.5">Deze hoorzittingen betekenen ook een versterking van het dualisme. Kamer en kabinet blijven immers een eigen verantwoordelijkheid houden. De Kamer komt echter sterker te staan in haar rol, zeker in een periode, de formatie, die toch al monistische trekjes vertoont, bijvoorbeeld doordat het de fractieleiders zijn die onderhandelen en niet ministers. De Kamer versterkt haar controlerende rol. Het aanstaande kabinet dat nu al aankondigt naar de mensen te willen luisteren, kan hier niet anders over denken.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2377-2388.1.6.1.6">Ik heb nog een vraag aan de geachte indiener. Kan zij iets meer vertellen over het tijdpad? Gaan wij straks alle 16, 17 of misschien wel 18 of 19 ministers uithoren? Wat betekent dat dan voor de bordesscène? Gaat die een maand later plaatsvinden? Dat moeten wij niet willen.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2377-2388.1.6.1.7">Gisteren was het 96 jaar geleden dat Ronald Reagan werd geboren. Van hem zijn de woorden bekend: linkse mensen zijn heus niet dommer dan andere mensen, alleen zit hun hoofd vol met de verkeerde informatie. Wat zou het een prachtig verjaardagscadeau zijn voor Dutch Reagan als wij vandaag dit voorstel aan een meerderheid helpen, zodat wij kunnen uitzoeken welke informatie in welke hoofden zit. De PVV, de vijfde partij in dit huis, is daar klaar voor en heeft genoeg te vragen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20062007-2377-2388.1.6.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20062007-2377-2388.1.6.2.1">Dank u wel, mijnheer Bosma. Ook uw bijdrage zal, denk ik, in de toekomst nog wel reacties opleveren. Ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20062007-2377-2388.1.6.3">
                        <p docno="h-tk-20062007-2377-2388.1.6.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Dank u wel, mijnheer Bosma. Ook uw bijdrage zal, denk ik, in de toekomst nog wel reacties opleveren. Ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Brinkman" MPid="03099" party="PVV" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2007-01-23" topic="Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20062007-2199-2217.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20062007-2199-2217.1.9" which-speech-in-topic="8" number-of-paragraphs="9" number-of-words="1152" number-of-unique-words="495" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Cramer" MPid="03072"/>
                <speaker name="Kalma" MPid="03080"/>
                <speaker name="Kuiken" MPid="03075"/>
                <speaker name="Spies" MPid="02371"/>
                <speaker name="Van Raak" MPid="03035"/>
                <speaker name="Van Beek" MPid="02209"/>
                <speaker name="Griffith" MPid="02410"/>
                <speaker name="Brinkman" MPid="03099"/>
                <speaker name="Van Gent" MPid="02218"/>
                <speaker name="Pechtold" MPid="02993"/>
                <speaker name="Van der Staaij" MPid="02252"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>het woord is aan de heer Brinkman, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20062007-2199-2217.1.9" speaker="Brinkman" party="PVV" function="De heer" title="De heer Brinkman  (PVV)" MPid="03099">
                    <speech party="PVV" docno="h-tk-20062007-2199-2217.1.9.1" speaker="Brinkman" function="De heer" MPid="03099">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Brinkman (PVV)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Brinkman</naam>
                                <partij>PVV</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20062007-2199-2217.1.9.1.2">Voorzitter. Alles lijkt in Politie Nederland prima te gaan. Echter, niets is minder waar. De overheid heeft de slag om het vertrouwen verloren. De burger heeft van de politie het beeld van het fanatiek bonnen schrijven, maar op het moment waarop een boef met 75 kilo cocaïne gepakt kan worden, heeft de politie geen tijd. De burger heeft geen respect meer voor de politie. In Lelystad mag je zelfs "fuck you" naar de politie roepen. Boeven worden opgepakt, maar zij staan voordat hun proces-verbaal uit de printer rolt alweer op straat. Ik ben van mening dat de politie datgene moet doen waarom de burger vraagt.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2199-2217.1.9.1.3">In de periode van deze minister is de politie een soort politiek instrument geworden. De politieman wordt de straat op gestuurd met de opdracht per jaar 350 bonnen uit te schrijven. Het gaat helemaal niet om het soort overtreding, maar om de aantallen: kwantiteit is belangrijker dan kwaliteit. Ik kan mij herinneren dat een politieman twee weken voor het einde van het jaar met een radar de straat op werd gestuurd, omdat het quotum van het wijkteam niet gehaald zou worden. Door het fanatieke schrijven van deze politieman werd dit aantal wel gehaald en vervolgens werd hij beloond met een bonus.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2199-2217.1.9.1.4">Begin vorig jaar bleek ineens dat het bonnenquotum niet meer zo belangrijk was. Er moest gewerkt worden aan het verkrijgen van opgeloste misdrijven met een dader. Ook nu weer hetzelfde principe met nog verdergaande gevolgen. Opeens gaat de politie zich namelijk richten op zaken die gemakkelijk op te lossen zijn. De politie gaat opnieuw voor de aantallen en niet voor datgene waaraan de burger behoefte heeft. De politie gaat zich bijvoorbeeld richten op winkeldiefstallen, niet omdat het tegengaan daarvan prioriteit heeft, maar omdat deze zaken eenvoudig en snel afgehandeld kunnen worden, terwijl zij wel voor een misdrijf tellen. Dit werkt preventie richting de detailhandel niet in de hand. De mensen die werkten aan reeds ingezette preventieprojecten kregen te horen dat men graag een andere koers wilde, namelijk de winkeldief gewoon zijn gang laten gaan en daarna aanhouden.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2199-2217.1.9.1.5">Er is een ander nadeel. Bij de behandeling van misdrijven heb je politiemensen achter de bureaus nodig en dus geen politiemensen in uniform op straat. In de regio Amsterdam is bijvoorbeeld een trek gaande van politiemensen in uniform in de wijkteams naar rechercheurs in burger. Deze rechercheurs moeten misdrijven afhandelen. Dit betekent feitelijk dat in Amsterdam de komende jaren minder politie in blauw op straat loopt, terwijl juist de politiek reeds jaren de burger belooft om meer blauw de straat op te sturen. Is de minister bereid om dit beleid met deze uitwerking een halt toe te roepen?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2199-2217.1.9.1.6">Deze misstanden hebben een organisatorische oorzaak. Binnen de politie hebben wij namelijk twee kapiteins op één schip: de handhaving van de openbare orde en de opsporing van strafbare feiten zijn gedecentraliseerd naar de driehoek korpsbeheerder, hoofdofficier van justitie en korpschef. De PVV is ervan overtuigd dat de macht van die driehoek moet worden gebroken. De handhaving van de openbare orde en de justitietaak moeten gedaan worden waar zij democratisch gezien gedaan behoren te worden, namelijk door de minister, gecontroleerd door de Tweede Kamer en niet door een ondemocratisch gekozen driehoek die voor allerlei besluiten moeilijk democratisch gecontroleerd kan worden. De PVV wiléén minister van veiligheid, verantwoordelijk voor beheer en beleid op het gebied van openbare orde en justitie, waarin dus justitie en politie zijn samengevoegd. De PVV wil de macht van de theedrinkende burgemeesters breken. Hoe staat de minister tegenover deze zienswijze? Is hij bereid naar de haalbaarheid en wenselijkheid van een dergelijke reorganisatie onderzoek te doen? Zo ja, dan stel ik ook voor te kijken naar het aantal regio's. Een verdergaande centralisatie naar vier regio's en het KLPD zal veel effectiever werken. Graag de mening van de minister hierover.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2199-2217.1.9.1.7">Ik noem twee voorbeelden van deze problematiek. Het eerste voorbeeld is de kraak van het fort Pannerden. Ik wil het hebben over de belachelijke deal die de burgemeester van deze gemeente met de krakers heeft gemaakt. Na eerst honderdduizenden euro's te hebben verknald aan ontruiming van dit fort, werd het na een paar dagen weer gekraakt. Wat doet de overheid vervolgens? Zij gaat met de krakers om tafel zitten, en als beloning krijgen zij een beheersfunctie voor het fort. In plaats dat deze lieden worden aangehouden en worden leeggeplukt voor de schade die zij hebben aangericht, worden zij beloond en krijgen zij geen straf. Bijna alle burgemeesters werken zo. Als de krakers sympathie krijgen en er geweld moet worden gebruikt, krijgt men slappe knieën en gaat men over tot het sluiten van deals. Is de minister eindelijk bereid, zijn verantwoordelijkheid hierin te nemen door centrale regels op te stellen met betrekking tot de aanpak van kraakpanden?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2199-2217.1.9.1.8">Het volgende voorbeeld hoort thuis in de categorie "bestrijding islamitisch terrorisme". Er zijn burgemeesters die van het bij elkaar houden hun levenswerk hebben gemaakt, zij het totaal op de verkeerde manier, namelijk door het bekende kopje thee drinken in de moskee, en onder andere ook door bijeenkomsten bij te wonen van bijvoorbeeld B&amp;W van de stad Amsterdam met het bestuur van de El Tawheed-moskee, waarbij bijna moet worden gesmeekt, anti-Israël-opmerkingen van de moskeesite af te halen. Een ander voorbeeld is de invoering in Amsterdam van een radicaliseringsexpert. Deze man gaat de wijk in en zou jongeren moeten herkennen die aan het radicaliseren zijn, terwijl dit ook door buurtregisseurs binnen de politie wordt gedaan. Het was een buurtregisseur die een rapport heeft opgemaakt over Mohammed Bouyeri, waarin melding werd gemaakt van diens radicaliseringsproces, maanden voordat hij Theo van Gogh vermoordde. Is er iets gedaan met dit rapport? Zijn andere instanties aangestuurd? De minister en ik weten het antwoord. Is hij ook hierin bereid, eindelijk zijn verantwoordelijkheid te nemen en een meer centrale aanpak op te leggen, zodat wij niet allerlei zaken dubbel gaan doen en geld weggooien?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2199-2217.1.9.1.9">Deze voorbeelden zijn van belang om aan te geven dat het beleid bij die burgemeester te dicht bij het volk staat, waardoor burgemeesters als het even moeilijk wordt bakzeil halen. Deze mentaliteit is overal aanwezig in onze maatschappij, en dat ziet de burger. Degene die het hardst schreeuwt, krijgt het meest gedaan. De politieman op straat heeft daar last van. Als hij moet optreden, kan hij twee dingen doen: doorlopen of de confrontatie aangaan, wetende dat als hij het laatste doet, hij de kans loopt een klacht aan zijn broek te krijgen. Deze klacht wordt binnen onze maatschappij met alle egards behandeld, en zijn baas vindt dit niet leuk, of die klacht nu terecht is of niet.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2199-2217.1.9.1.10">Het zou mooi zijn indien deze minister, na ruim vierenhalf jaar op het departement te hebben gewerkt, aan het einde van zijn periode mijn suggesties van een man uit de praktijk durft over te nemen. Dit is goed voor de politie, en nog beter voor het land.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20062007-2199-2217.1.9.2">
                        <p docno="h-tk-20062007-2199-2217.1.9.2.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Brood" MPid="02214" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="1998-11-05" topic="Klachten bestuursorganen" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-19981999-1356-1379.xml?view=nl/proceedings#h-tk-19981999-1356-1379.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="17" number-of-words="1919" number-of-unique-words="733" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Bezwaar en klachten</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Staatsrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Bestuursrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Bestuur <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Brood" MPid="02214"/>
                <speaker name="Apostolou" MPid="02966"/>
                <speaker name="Biesheuvel" MPid="02822"/>
                <speaker name="Schutte" MPid="02676"/>
                <speaker name="Hoekema" MPid="02520"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid="02792"/>
                <speaker name="Peper" MPid="02901"/>
                <speaker name="Scheltema" MPid=""/>
                <speaker name="Brood" MPid="02214"/>
                <speaker name="Apostolou" MPid="02966"/>
                <speaker name="Biesheuvel" MPid="02822"/>
                <speaker name="Schutte" MPid="02676"/>
                <speaker name="Hoekema" MPid="02520"/>
                <speaker name="Van den Berg" MPid="02792"/>
                <speaker name="Peper" MPid="02901"/>
                <speaker name="Scheltema" MPid=""/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Brood, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2" speaker="Brood" party="VVD" function="De heer" title="De heer Brood  (VVD)" MPid="02214">
                    <speech party="VVD" docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1" speaker="Brood" function="De heer" MPid="02214">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Brood (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Brood</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.2">Voorzitter! Iedere gemeenschap kent haar 'initiatieriten'. Riten stellen individuen in staat om in een gemeenschap te worden opgenomen. De rite vormt daarmee de verbinding tussen het verleden en het heden en tussen het heden en de toekomst. Ook dit huis kent zijn riten en mores die deze verbinding vormen. Tot die riten behoort de maidenspeech, tot de mores rekent men het recht om ongestoord de maidenspeech te kunnen volbrengen. De maidenspeech vormt de weg naar volledige deelname aan de activiteiten in dit huis. Ik beschouw het als een bijzonder voorrecht om mij aan deze rite te mogen onderwerpen om vervolgens volledig, in uw midden, aan het werk in dit huis te mogen deelnemen. Verwacht geen lange uiteenzettingen; ik weet dat u allemaal een keer naar huis wilt. Mijn deelname zal geïnspireerd zijn door het besef van de unieke waarde van het individu als constituerend element van de gemeenschap en door waarden als vrijheid, gelijkheid en sociale rechtvaardigheid.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.3">Ook het thans voorliggende wetsvoorstel verbindt het verleden met het heden en het heden met de toekomst. In het ontstaan van ons land en meer in het bijzonder in het ontstaan van de positie van dit huis vormt het jaar 1566 een belangrijk moment: toen wisten groepen edelen zich met een rekest tot de landvoogdes te wenden. Dat had vergaande gevolgen en zij moesten dat met de dood bekopen. Nooit eerder zal het besef sterker zijn geweest dat men zich gevaarloos met klachten tot zijn bestuur moet kunnen wenden. Dat recht is inmiddels in de Grondwet verankerd.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.4">De wijze waarop wij aan rechtsstatelijke uitgangspunten ter bescherming van het individu gestalte geven, komt echter in toenemende mate op gespannen voet te staan met sociale en economische belangen. Dit proces wordt wel aangeduid als juridisering van de samenleving. De overtuiging van mijn fractie is dat juridisering een rem op onze economische ontwikkeling vormt, omdat zij de economische groei vertraagt in een tijdperk waarin tal van maatschappelijke belangen juist om groei vragen. Als men om zich heen kijkt, ziet men stagnerende economieën en wensen te over om te investeren in de samenleving. Daar is geld voor nodig; dat geld kunnen wij halen uit economische groei, maar vergaande juridisering is daarvoor een beletsel.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.5">Wellicht is dit voor sommigen een nieuwe gedachte. Daarom neem ik u allen kort mee met een 'gedachte-experiment' op dit punt. De meeste investeringsbeslissingen in onze samenleving zijn afhankelijk van het verlenen van vergunningen. Als je als projectontwikkelaar een winkelcentrum wilt bouwen, heb je vergunningen nodig om uiteindelijk de spa in de grond te kunnen steken en het winkelcentrum te kunnen bouwen. Die afhankelijkheid van vergunningen brengt met zich dat de investering pas zal worden geëffectueerd op het moment waarop de vergunning definitief is verleend. Die definitieve vergunningverlening kan worden vertraagd door fouten van het openbaar bestuur of door te voeren rechterlijke procedures. Deze vertraging leidt vervolgens tot vertraging van de effectuering van de investeringen. Vertraging van deze effectuering leidt tot een vertraging in het ontstaan van de toegevoegde waarde en dus tot een vertraging van de economische groei. Daarmee vertraagt de ontwikkeling van het nationaal product en de inkomsten die de gemeenschap hiermee genereert voor belangrijke maatschappelijke vragen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.6">Kortom: juridisering is een serieus maatschappelijk probleem en bedreigt de economische groei en de verdere ontwikkeling van onze samenleving. Met die mening staan wij niet alleen. Recente publicaties van de Nederlandse vereniging voor bouwondernemingen geven aan dat de huizenprijzen in ons land onder andere door de trage productie van nieuwe woningen als gevolg van stagnerende besluitvorming aan de hoge kant zijn. Is de VVD dan uit op een absolutistische overheid die ongehinderd haar eigen prioriteiten kan nastreven? Nee. De VVD is op zoek naar nieuw rechtsstatelijk evenwicht. Daartoe zijn in het regeerakkoord belangrijke stappen gezet, die zowel de wetgeving, het bestuur als de rechtspraak betreffen. In dit licht past de benadering voor het klachtenrecht die de VVD zal zoeken.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.7">Het klachtenrecht kan, mits goed gehanteerd, bijdragen aan een aanzienlijke versterking van de kwaliteit van besluitvorming en de kwaliteit van de bestuurlijke organisatie. Bij de totstandbrenging van de eerste en tweede tranche van de AWB is stilgestaan bij het leereffect van de bezwaarschriftenprocedure. Uit de recente rapportage van de commissie Evaluatie Algemene wet bestuursrecht – een commissie zonder enige verdenking voorgezeten door de oud-staatsraad Polak – blijkt dat er bij de overheid geen structurele belangstelling bestaat voor deze leereffecten. Derhalve zijn er ook geen gegevens voorhanden om te toetsen in hoeverre van bezwaarschriftenprocedures en de fouten die daarmee naar voren komen, wordt geleerd door bestuursorganen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.8">In het regeerakkoord is het bestuur verantwoordelijk gemaakt voor een betere kwaliteitszorg en snellere besluitvorming. Ik neem aan dat wij allen, voorzover wij ons aan het regeerakkoord hebben gecommitteerd, deze tekst serieus nemen. Dat wil zeggen dat wij iets moeten doen aan de kwaliteit van het openbaar bestuur. Klachtrecht kan, mits goed gehanteerd, een belangrijke bijdrage leveren aan het proces van dejuridisering. Een snelle afhandeling van klachten kan conflictbeheersend werken en bijdragen tot het tijdig signaleren van fouten en potentiële conflicten door de overheid. Bestuursorganen zouden ervoor moeten waken deze klachtenprocedures te zwaar op te tuigen. Men kan denken aan klachtenarbiters binnen organisaties. Het gaat om mensen die kort kennisnemen van een klacht, daarop vrij snel interveniëren en de organisatie bijsturen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.9">Gelet op de klachten vanuit het openbaar bestuur en de aandrang om tot dejuridisering te komen, nemen wij deze situatie ernstig. Dejuridisering kan slechts slagen als iedereen: bestuur, rechter en wetgever, zich inspant. Het maatschappelijk belang is hier te groot om van zo'n gemeenschappelijke inspanning af te zien.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.10">Ook bij de behandeling van deze wet is weer stilgestaan bij de leereffecten die deze wet veronderstelt te hebben. Zowel de PvdA, het CDA, D66, de RPF als de SGP hebben dit onderwerp aangekaart.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.11">De minister heeft in eerste instantie een wettelijke ondersteuning van het leerproces afgewezen met een verwijzing naar de eigen verantwoordelijkheid van bestuursorganen. Daar staat tegenover dat de mogelijkheid om de leereffecten en leerprocessen vorm te geven al jaren aanwezig is. Wij moeten echter, hoe spijtig ook, constateren dat daarvan weinig terechtkomt.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.12">Uit de eerdergenoemde evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht blijkt dat er een zeer magere belangstelling is om dit proces zelf vorm te geven. Het openbaar bestuur erkent dat zij dit probleem wil aanpakken. In het juridiseringsrapport van de commissie-Van Kemenade wordt gezegd: 'niet alleen dient de aanwezige juridische deskundigheid en vaardigheid waar nodig te worden versterkt'. Daarnaast ontbreekt het echter aan een effectieve opbouw en organisatie van een dergelijk leerproces. De VVD vat deze passage op als een roep om versterking van het leereffect, waar gebleken is dat de evaluatie van de AWB laat zien dat het openbaar bestuur uit eigen beweging maar zeer incidenteel aan het vormgeven van dit leerproces toekomt.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.13">Daarom willen wij een licht instrument in het leven roepen om de leereffecten een vaste plaats in het ontwikkelingsproces van het openbaar bestuur te geven. Een daartoe strekkend amendement zal door ons worden ingediend. Wat is de bedoeling van het amendement? Iedere klacht die binnenkomt, zal in principe worden geregistreerd. Een gemeente heeft, net als ieder openbaar bestuur, een postboek. Iedere klacht die binnenkomt, wordt dus geregistreerd. Vervolgens zal dat met moderne techniek in een pc worden verwerkt en terechtkomen in het systeem van de gemeente of van een andere bestuurlijke organisatie. Daarin wordt vervolgens ook opgeslagen wat men met die gegevens heeft gedaan, hoe men de klacht heeft onderzocht en wat de uitspraak is. Iedere normale, modern functionerende organisatie doet dat.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.14">Wat willen wij dan met de verdere ondersteuning van het leerproces? Wij willen dat een keer per jaar iemand met behulp van de muis wat knipt en klapt en vervolgens het blokje aanklikt waardoor er een briefje uitgaat. De feiten worden dus in feite gebundeld en naar buiten gebracht. Veel meer verlangen wij niet. Het is een heel eenvoudige en lichte methode om voor anderen inzichtelijk te maken hoeveel klachten er zijn en wat er met die klachten is gebeurd. Het is vervolgens aan de bestuursorganen zelf om daar een verdere invulling aan te geven. De wet gebiedt hen niet verder te gaan dan het strikt registreren wat men heeft gedaan, dat te bundelen en te publiceren. Dat is alles wat we van ze vragen, maar wij denken dat daardoor informatie beschikbaar komt voor anderen, waardoor het leerproces in de bestuurlijke organisatie kan worden versterkt. Een overheid die haar werk goed doet, zal hiervan nauwelijks last hebben; een gemeente waarvoor dat niet geldt, heeft wellicht enige steun in de rug nodig om dit proces een keer op gang te brengen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.15">Een andere reden om aan publicatie te hechten is het feit dat wij in onze bestuurlijke organisatie ook te maken hebben met bestuursorganen die niet rechtstreeks democratisch worden gecontroleerd. Ik denk hierbij in het bijzonder aan de ZBO's, een groep overheidsorganen die te weinig aandacht krijgt. Transparantie van de activiteiten van deze organen kan zinvol zijn voor de controle. Ook voor deze is het belangrijk dat gegevens voor anderen beschikbaar komen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.16">Voorzitter! Nog enkele technische vragen en punten. Een klacht kan ook worden ingediend tegen een handeling waartegen tevens bezwaar kan worden gemaakt. Deze samenloop van procedures leidt niet tot het verval van het recht om bezwaar in te dienen, aldus de memorie van toelichting, omdat het te laat indienen als gevolg van klachtenbehandeling van een bezwaarschrift als een niet verwijtbaar verzuim in de zin van artikel 6:12 AWB wordt aangemerkt. Voorzitter! Deze benadering is juridisch gezien niet onjuist – gelet op de deskundige ondersteuning die de minister heeft meegebracht, zou ik de discussie hierover niet aandurven – maar verdient geen schoonheidsprijs. Het ware beter geweest een klacht die betrekking heeft op een voor bezwaar vatbare handeling, wettelijk als bezwaar aan te merken. Maar goed, de burger wordt hier niet tekortgedaan en daarom zie ik geen reden om een amendement in te dienen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.17">Artikel 9:8 geeft aan dat het bestuur niet verplicht is een klacht te behandelen indien deze betrekking heeft op een gedraging waartegen bezwaar had kunnen worden ingediend. Dit opent een discretionaire bevoegdheid voor het bestuur, namelijk om dat wél te doen. Dat vormt op zichzelf weer de grondslag voor een besluit en dat besluit is weer vatbaar voor gerechtelijke procedures. Kortom, het gevaar bestaat dat op een bepaald moment een klacht toch wordt behandeld nadat in feite de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken. Hoe kijkt de minister naar deze mogelijkheid, in relatie tot de rechtszekerheid van andere belanghebbenden en de vaste termijnen voor het indienen van bezwaar- en beroepschriftprocedures ex artikel 6:7 AWB? Ik kan mij voorstellen dat dit er langs de lijn van de Sint-Oedenrodejurisprudentie toe leidt dat uiteindelijk beslissingen niet vast komen te staan na een klachtenprocedure. Daarmee kan in feite de formele rechtskracht van besluiten op termijn worden doorbroken. De vraag is of dit een gewenst effect is van dit wetsvoorstel.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.1.18">Voorzitter! De burger heeft recht op een kwalitatief goede en tijdige besluitvorming. Daar hebben wij als samenleving ook een collectief belang bij. Het klachtrecht kan een belangrijk instrument hiertoe zijn en daarom zal de VVD de gedachte van deze wet steunen. Ter versterking van deze gedachte hebben wij het amendement ingediend waarop ik zojuist heb gedoeld.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.2.1">Ik feliciteer de heer Brood van harte met zijn maidenspeech. Mijnheer Brood, u sprak zojuist over een leerproces. Als ik u zo hoor, denk ik dat u uw leerproces al voor een groot gedeelte, uiteraard nog niet geheel, heeft doorlopen. Overigens, zoals u weet hangt dat ook altijd af van de leermeesters...</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.3">
                        <p docno="h-tk-19981999-1356-1379.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Ik feliciteer de heer Brood van harte met zijn maidenspeech. Mijnheer Brood, u sprak zojuist over een leerproces. Als ik u zo hoor, denk ik dat u uw leerproces al voor een groot gedeelte, uiteraard nog niet geheel, heeft doorlopen. Overigens, zoals u weet hangt dat ook altijd af van de leermeesters...</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Buijs" MPid="02213" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="1998-09-02" topic="Geneesmiddelenvoorziening" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-19971998-6386-6417.xml?view=nl/proceedings#h-tk-19971998-6386-6417.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="21" number-of-words="2012" number-of-unique-words="695" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Zorg en gezondheid <pm:entity> Geneesmiddelen en medische hulpmiddelen</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Hermann" MPid="02223"/>
                <speaker name="Buijs" MPid="02213"/>
                <speaker name="Van Blerck-Woerdman" MPid="02570"/>
                <speaker name="Van Vliet" MPid="02562"/>
                <speaker name="Rouvoet" MPid="02541"/>
                <speaker name="Arib" MPid="02203"/>
                <speaker name="Kant" MPid="02226"/>
                <speaker name="Oudkerk" MPid="02533"/>
                <speaker name="Borst-Eilers" MPid="01615"/>
                <speaker name="Hermann" MPid="02223"/>
                <speaker name="Buijs" MPid="02213"/>
                <speaker name="Van Blerck-Woerdman" MPid="02570"/>
                <speaker name="Van Vliet" MPid="02562"/>
                <speaker name="Arib" MPid="02203"/>
                <speaker name="Kant" MPid="02226"/>
                <speaker name="Oudkerk" MPid="02533"/>
                <speaker name="Borst-Eilers" MPid="01615"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Buijs. Ook hij houdt zijn maidenspeech.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3" speaker="Buijs" party="CDA" function="De heer" title="De heer Buijs  (CDA)" MPid="02213">
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1" speaker="Buijs" function="De heer" MPid="02213">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Buijs (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Buijs</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.2">Mevrouw de voorzitter! Alhoewel ik vandaag mijn maidenspeech houd, zou ik willen afzien van het gewoonterecht niet geïnterrumpeerd te kunnen worden, zeker niet daar waar het dit debat kan verhelderen of verlevendigen. De bijdrage van het CDA aan de beraadslagingen over de wijziging van artikel 13 Wet op de geneesmiddelenvoorziening zal bestaan uit drie delen. Allereerst zal worden ingegaan op de motivering van dit wetsvoorstel. Ten tweede gaat het om de plaats van dit wetsvoorstel binnen het totale kader van de geneesmiddelenvoorziening. Ten derde zullen enkele specifieke onderwerpen aan de orde komen. Maar dit alles niet nadat ik collega Oudkerk heb gecomplimenteerd voor zijn inspanningen om met dit initiatiefwetsvoorstel te komen, waarvoor een rechterlijke uitspraak in het geval van verpleeghuis De Flecke in Joure de directe aanleiding was.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.3">Voorzitter! Toen ik iets meer dan 26 jaar geleden de huisartsenpraktijk van mijn voorganger overnam, kreeg ik twee dingen cadeau, te weten een bloeddrukmeter en een pen. Met het eerste zou ik volgens hem veel geld verdienen en met het tweede, de pen, het meeste geld uitgeven. Met dit laatste, voorzitter, wordt vanzelfsprekend niet mijn eigen bankrekening bedoeld, maar verzekeringsgeld. Ik moest hier dan ook aan denken bij de voorbereiding van mijn bijdrage inzake het onderhavige wetsvoorstel.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.4">Er worden drie argumenten genoemd op basis waarvan de wijziging van artikel 13 zou moeten plaatsvinden. Het eerste is het opheffen van het primaat van de vrijgevestigde apotheken, waardoor mogelijkerwijze – ik zeg met nadruk: mogelijkerwijze – een kostenreductie in de geneesmiddelenvoorziening zou plaatsvinden. Het tweede is een verbetering van de kwaliteit van de geneesmiddelenvoorziening in intramurale instellingen. Met name zijn genoemd verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en instellingen voor zwakzinnigen. Het derde argument voor de wijziging is dat invoering van de wijziging van artikel 13 zoals die nu voorligt sneller zou gaan dan een algehele wijziging van de WOG.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.5">Wat dit laatste, de snelheid, betreft is overigens een pikant detail dat de PvdA in mei 1996, dus nu meer dan twee jaar geleden, al voorstelde dit artikel 13 te wijzigen. Nu staan wij dan hier. Na indiening van het voorstel in juni 1997 is er een aantal tekstwijzigingen geweest. De laatste wijziging mochten wij onlangs, op 26 augustus, ontvangen. Ik zeg dit met nadruk niet om de PvdA te kapittelen, want ook de fractie van het CDA erkent dat dit in technisch opzicht niet zo'n gemakkelijke klus was. Eens temeer blijkt dat bij dit soort voorstellen tot wetswijziging naast de technisch moeilijke aspecten ook moet worden geconstateerd dat in de gezondheidszorg in het algemeen en in de geneesmiddelenvoorziening in het bijzonder alles met alles samenhangt.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.6">Dat brengt mij tot een korte beschouwing over de kostenbeheersing in de geneesmiddelenvoorziening in algemene zin. Naar mijn mening zou het namelijk niet juist zijn om dit wetsvoorstel compleet geïsoleerd te zien van de door de regering voorgestelde ingrijpende wijzigingen in de geneesmiddelenvoorziening zoals verwoord in het regeerakkoord. De regering noemt in het regeerakkoord de snelle stijging van de uitgaven voor de geneesmiddelen "een bijzonder punt van zorg". Zij verwacht "dat in de komende periode bij ongewijzigd beleid de overschrijdingen van de kosten in de geneesmiddelensector zullen oplopen tot 1,7 mld.". Overigens zou dit nog wel eens een grotere tegenvaller kunnen zijn, afhankelijk van recente tegenvallers en eventueel nog nieuw toe te laten geneesmiddelen. De minister-president heeft ons toegezegd nadere informatie te zullen verstrekken. Het CDA zal dan ook ten tijde van de begrotingsbehandeling aan de hand van de dan verstrekte informatie hierop terugkomen.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.7">Voorzitter! Ik wil vooropstellen dat het CDA zich eveneens zorgen maakt over de kostenontwikkeling, vooral in relatie tot het in een breder kader beschikbaar gestelde volume van middelen, namelijk 2% oftewel ongeveer 2,2 mld. Als we daar dan tegen afzetten dat in het eerste halfjaar van 1998 de kosten van de geneesmiddelen met bijna 14% zijn gestegen – ik citeer de stichting Farmaceutische kerngetallen – op een totaalbedrag van 6 mld., dan kan iedereen zien dat hier een wezenlijk probleem ligt. Maar tegelijkertijd moet ik zeggen dat die toename van de kosten voor geneesmiddelen niet nieuw is. Die toename was ook een grote zorg voor het vorige kabinet. Met maatregelen op het gebied van prijzen en distributie kon met succes een besparing op de groei van 2,2 mld. worden gerealiseerd. Ik doel hier op het geneesmiddelenvergoedingensysteem en de Wet op de geneesmiddelenprijzen. Maar de autonome groei van circa 10% – dit is een schatting – wordt en kan daarmee niet teniet worden gedaan. Dat kan ook niet met de maatregelen van Koopmans, zoals die zijn voorgesteld in het regeerakkoord, omdat de autonome groei van de kosten geneesmiddelenvoorziening ook te maken heeft met de groei van de bevolking, de vergrijzing, de etnografische ontwikkelingen, de emancipatie en, niet te vergeten, met het op de markt komen van nieuwe en vaak duurdere geneesmiddelen en verder ook met het verschijnsel substitutie. Met dit laatste doel ik op de kortere duur van opnames binnen ziekenhuizen, waardoor het extramurale gebruik van geneesmiddelen eerder en langduriger zal zijn. Het rapport van het Instituut onderzoek overheidsuitgaven heeft daar recentelijk nog op gewezen. Dit laat overigens onverlet dat de maatregelen van Koopmans de moeite waard zijn om nader te bestuderen en dan met name de maatregelen die beogen het voorschrijfgedrag van artsen te beïnvloeden.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.8">Zoals ik al zei: de bron van de kostentoename is de pen van de arts. Tegelijkertijd moeten wij evenwel constateren dat het voorschrijfgedrag van artsen in dit land ten opzichte van dat in ons omringende landen zeer prudent is, maar het kan nog beter, zoals ik al heb gezegd.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.9">Dit gezegd hebbende zullen wij er naar de mening van het CDA niet aan ontkomen principiële keuzes te maken. Accepteren wij een wat hogere kostengroei van de geneesmiddelenvoorziening of moeten wij keuzes maken op het gebied van het basisgeneesmiddelenpakket en/of een eventuele aanvullende verzekering? Op deze plaats doe ik hierover nog geen uitspraak, maar ik ben er benieuwd naar of de minister de wezenlijke discussie over keuzes in de zorg met de Kamer wil aangaan.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.10">Zoals ik al heb gezegd, heeft de commissie-Koopmans min of meer in het verlengde van de werkgroep kosten geneesmiddelen een aantal voorstellen gedaan inzake kostenbeheersing, die ertoe kunnen leiden dat de Wet op de geneesmiddelenvoorziening en andere wetten op het gebied van tarieven en distributie drastisch gewijzigd moeten worden. Het wetsvoorstel waarover wij vandaag praten, levert hieraan mogelijk een kleine bijdrage; ik zeg het heel voorzichtig. In dit kader stel ik wederom de vraag aan de indiener, eerder in de nota naar aanleiding van het verslag door het CDA gesteld, of het verstandig is nu met een klein onderdeel te komen terwijl er een ingrijpende wijziging van de WOG wordt voorgesteld. Dit onderdeel interfereert bovendien sterk met het totaalpakket. De commissie-Koopmans stelt bijvoorbeeld een totale scheiding van inkoop en zorg voor. Zijn wij op dit moment bezig met details en ontwijken wij de principieel te nemen keuze?</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.11">Ik heb uit het verslag begrepen dat onze minister in de afgelopen periode meer voelde voor een integrale wijziging van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening, overigens zonder zich expliciet tegen dit voorstel te keren. Ik ben er wel benieuwd naar of de minister in het licht van de maatregelen vermeld in het regeerakkoord, het onderhavige voorstel nog steeds steunt. Het CDA is van mening dat het de voorkeur verdient de maatregelen die voor de geneesmiddelenvoorziening genomen moeten worden, in breder perspectief te plaatsen, te weten in het licht van een totaalpakket aan maatregelen, en hierover een discussie met de Kamer te voeren.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.12">Deze voorkeur uitgesproken hebbend, kom ik bij een ander niet onbelangrijk punt, een reden om deze wijziging voor te stellen. Dit is de genoemde verbetering van de kwaliteit van de geneesmiddelenvoorziening in verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en instellingen voor zwakzinnigenzorg bij eventuele dienstverlening door ziekenhuisapotheken. Dit argument onderschrijft het CDA voor de in artikel 13, lid 3, genoemde instellingen. Mevrouw Hermann wees er al op dat dit overigens op veel plaatsen al feitelijk de praktijk is. In ongeveer 50% van de gevallen is de situatie al zoals ik net beschreef. Het CDA is met de indiener van deze wetswijziging van mening dat de zorg in een verpleeghuis zo intensief en specialistisch geworden is, dat zij als tweedelijnszorg kan worden beschouwd, met als bijkomend argument dat de genoemde instellingen veelal gebruik maken van specialistische consultatie uit een ziekenhuis, op grond waarvan betere afstemming en medicatiebewaking mogelijk zijn in het verkeer tussen specialist en ziekenhuisapotheker. Dit kwaliteitsaspect dient afgezet te worden tegen het argument van een mogelijke kostenbesparing en partiële wijziging van de WOG, vooruitlopend op de totale wijziging. Het CDA is wel van mening dat dit kwaliteitsaspect vooralsnog zwaar gewogen mag worden.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.13">Dit voorstel gaat echter veel verder. Niet alleen patiënten in genoemde instellingen zullen door de ziekenhuisapotheek van geneesmiddelen kunnen worden voorzien. Ook iedere andere patiënt met een recept kan bij het ziekenhuis terecht. Dit stuit heel duidelijk op bezwaren bij onze fractie. Allereerst kan dit een gevaar voor de gezondheid van de patiënt meebrengen. Ik doel hiermee op een goede medicatiebewaking. Mevrouw Hermann zei al dat dit ook voor haar een bezwaar was. Ik onderstreep dit, want het elektronisch verkeer tussen de intramurale en de extramurale sector maakt op dit moment afstemming tussen huisarts en specialist of ziekenhuisapotheek niet goed mogelijk. De kans dat door specialist en huisarts medicijnen worden voorgeschreven welke elkaar niet verdragen, met alle risico's van dien, is daarmee toch sterk toegenomen.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.14">Een ander mogelijk bezwaar in dat opzicht, voorzitter, is dat de geneesmiddelenvoorziening op het platteland in gevaar komt. Apotheekhoudende huisartsen verstrekken vooral in die gebieden medicijnen waar het voor apothekers niet rendabel is. Een omzetdaling zou kunnen betekenen dat deze categorie de lier aan de wilgen hangt. Al met al, alles overziende, betekent dit dat zonder goede medicatiebewaking een brede functie van ziekenhuisapotheken voor de totale populatie voor het CDA niet acceptabel is.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.15">Ik heb nog een aantal meer specifieke vragen over dit wetsvoorstel, voorzitter, om ook wat meer inzicht te krijgen in de gewenste doelstelling.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.16">1. Het voorstel artikel 19 te laten vervallen, is blijkens dit wetsvoorstel ingetrokken. Betekent dit dat de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst ook gewijzigd moet worden?</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.17">2. Is onderzocht of concurrentie tussen een vrijgevestigde apotheker of apotheekhoudend huisarts en een ziekenhuisapotheker (die in loondienst is) niet in strijd is met een concurrentie- of mededingingswet of andere wetgeving terzake?</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.18">3. Is de indiener van dit wetsvoorstel het met mij eens dat vooraleer een eventuele invoering van dit wetsvoorstel geëffectueerd wordt, het noodzakelijk is dat er zo snel mogelijk een elektronische communicatie tussen ziekenhuis en huisarts komt om een goede medicatiebewaking te kunnen garanderen?</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.19">Voorzitter! Via u heb ik ook een vraag aan minister Borst. Het regeerakkoord maakt melding van extra middelen voor het bevorderen van de elektronische communicatie in de zorgsector. Is het zo dat de minister hiermee ook bedoelt de elektronische communicatie huisartsen-specialisten in het kader van medicatiebewaking? Indien dit het geval is, wanneer denkt de minister met een voorstel te komen?</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.20">Voorzitter! Samenvattend: het CDA is met de indiener van dit voorstel van mening dat de kwaliteit van de geneesmiddelenvoorziening in intramurale instellingen mogelijk zal kunnen verbeteren, maar plaatst kanttekeningen bij het tijdstip waaróp, in relatie tot de geplande verderstrekkende wijziging van de WOG, en heeft bezwaren op het punt van de medicatiebewaking. Daarnaast heeft het CDA bezwaren op het punt van de distributie op het platteland.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.21">Om toch het goede aspect van kwaliteitsverbetering van de geneesmiddelenvoorziening in de in dit wetsvoorstel genoemde instellingen, intramuraal, te kunnen verbeteren, heeft het CDA een amendement op dit voorstel voorbereid – als het goed is, is het in uw bezit – waardoor de strekking van dit wetsvoorstel zich beperkt tot deze genoemde instellingen. Acceptatie van dit amendement zal ertoe leiden dat het CDA zijn bezwaar tegen dit wetsvoorstel intrekt.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.1.22">Voorzitter! Tot nu toe was het gezegde van toepassing "al is de minister nog zo snel, de prijzen achterhalen haar wel". Laten wij nu proberen dit te voorkomen door zo snel mogelijk de meer brede inhoudelijke discussie aan te gaan over het totaalpakket aan wijzigingen betreffende de geneesmiddelenvoorziening.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.2.1">Ik feliciteer u met uw maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.3">
                        <p docno="h-tk-19971998-6386-6417.1.3.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Ik feliciteer u met uw maidenspeech.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Cramer" MPid="03072" party="ChristenUnie" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2006-12-05" topic="Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20062007-1547-1576.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20062007-1547-1576.1.8" which-speech-in-topic="7" number-of-paragraphs="13" number-of-words="1714" number-of-unique-words="711" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Waalkens" MPid="02257"/>
                <speaker name="Atsma" MPid="02204"/>
                <speaker name="Van Velzen" MPid="02342"/>
                <speaker name="Snijder-Hazelhoff" MPid="02289"/>
                <speaker name="Graus" MPid="03128"/>
                <speaker name="Van Gent" MPid="02218"/>
                <speaker name="Cramer" MPid="03072"/>
                <speaker name="Van der Ham" MPid="02317"/>
                <speaker name="Thieme" MPid="03100"/>
                <speaker name="Van der Vlies" MPid="02682"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Cramer, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8" speaker="Cramer" party="ChristenUnie" function="De heer" title="De heer Cramer  (ChristenUnie)" MPid="03072">
                    <speech party="ChristenUnie" docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1" speaker="Cramer" function="De heer" MPid="03072">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Cramer (ChristenUnie)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Cramer</naam>
                                <partij>ChristenUnie</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1.2">Voorzitter. "En zie, het was zeer goed. Zo bezag God zijn schepping." Wij hoeven maar om ons heen te kijken om te zien dat er sindsdien het nodige mis is gegaan. Wij mensen gebruiken de aarde niet alleen, maar verbruiken haar ook steeds meer. Voor de ChristenUnie vormt rentmeesterschap het uitgangspunt bij het omgaan met de schepping. Daarbij speelt de ChristenUnie de ecologie niet tegen de economie uit, maar beziet die aspecten in samenhang. De ChristenUnie is immers een partij met oog voor en visie op de gehele werkelijkheid. Mijn fractie zal dus ook deze begrotingsbehandeling weer, ook al staat hier een nieuwe woordvoerder in een vernieuwde Kamer, proberen op een evenwichtige manier alle belangen te wegen om zo tot verantwoorde besluitvorming te komen.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1.3">Daarbij is de ChristenUnie dus een partij voor de dieren, maar ook voor mensen, voor planten, voor bomen, voor arbeid, voor vrijheid en ga zo maar door. Dus zal de ChristenUnie niet op voorhand tot welk kamp dan ook te rekenen zijn.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1.4">Een cruciale vraag die tijdens dit debat blijkbaar centraal staat, is hoe wij omgaan met dieren. Het belangrijkste uitgangspunt voor ons is de erkenning dat dieren medeschepselen zijn. Dieren hebben een waarde in zichzelf. Die waarde mag niet worden aangetast. Dit houdt niet in dat mensen geen dieren mogen houden of doden. Het punt is dat dieren in hun waarde moeten worden gelaten en niet mogen worden gereduceerd tot louter productiemiddelen. Kippen, varkens, nertsen en koeien zijn meer dan machines die onder optimale omstandigheden moeten functioneren. Dieren moeten een bepaalde mate van natuurlijk gedrag kunnen vertonen. Varkens hebben niet voor niets een snuit om mee te wroeten en kuddedieren als koeien kun je niet eenzaam laten verkommeren.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1.5">Dergelijke noties hebben verregaande consequenties voor de intensieve veehouderij, zoals wij die nu kennen. Oplossingen voor de hedendaagse dierenwelzijnsproblematiek en de kosten daarvan moeten wat mijn fractie betreft niet eenzijdig worden neergelegd bij agrariërs. Voor de ontwikkeling in de landbouw is namelijk niet alleen de agrarische sector verantwoordelijk maar ook de overheid en de samenleving als geheel. Verder zijn maatschappelijke veranderingen niet zonder gevolgen gebleven. Wat vroeger bijvoorbeeld woeste gronden heetten, is tegenwoordig natuurschoon, en dat is ook goed. Zo is er tegenwoordig gelukkig ook meer oog voor de intrinsieke waarde van het dier, althans bij de burger. In zijn hoedanigheid als consument valt hij immers nog altijd voor de verleiding van de kiloknaller. De afgelopen jaren heeft op initiatief van de minister een maatschappelijk debat over de intensieve veehouderij plaatsgevonden. De uitkomst ervan was dat deze, ook in Nederland, toekomst heeft maar wel anders moet: milieuvriendelijker en diervriendelijker.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1.6">Een actueel en ongemakkelijk onderwerp in dit kader is het castreren van biggen. Iedereen in Nederland, van veehouder tot Kamerlid, wil daar vanaf. Het einddoel is dus duidelijk. Alternatieven voor castratie zullen mogelijk in 2009 beschikbaar zijn. Een veelbepleite tussenstap totdat een alternatief voor castratie, zoals detectie aan de slachtlijn, beschikbaar is, is het castreren onder plaatselijke verdoving. Daarbij is een belangrijke vraag tot op heden onbeantwoord, terwijl deze voor een behoorlijke besluitvorming wel essentieel is. Het gaat om de vraag of deze tussenstap inderdaad een verbetering van het dierenwelzijn betekent. Wat is dierwelzijnsvriendelijker, verdoofd of onverdoofd castreren? Ik heb gezocht naar het antwoord op deze vraag, maar ik heb geen eenduidig antwoord kunnen vinden, ook niet bij de diverse partijen in de verschillende kampen. Kan de minister mij het onderzoek doen toekomen dat op deze vraag wel een eenduidig antwoord geeft? Wil hij er anders zo spoedig mogelijk opdracht toe verstrekken? Ik verneem hierop graag de reactie van de minister. Als wij tot een dergelijke tussenstap zouden besluiten, dient dat te gebeuren op basis van deugdelijke argumenten, niet op basis van emotie. Ik verzoek de minister om in Europees verband gas te geven om deze pijnlijke ingreep naar de geschiedenisboekjes te verwijzen. Slachterijen en verwerkers, bijvoorbeeld in Duitsland, maar ook elders, dienen de urgentie van de problematiek dringend te gaan inzien.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1.7">Voorzitter. Het is een open deur dat jonge boeren bepalend zijn voor de toekomst van de landbouw. Ik kijk ook naar het feit dat zoveel partijen daarvoor in dit debat al een lans hebben gebroken. Het is daarom terecht dat er een steunmaatregel bestaat die jonge boeren een steuntje in de rug biedt in de eerste zware jaren na de bedrijfsovername. Deze regeling is succesvol. Zelfs zo succesvol, dat er te weinig budget voor beschikbaar is. Volgend jaar dreigt een tekort van ruim 3 mln. Daarom vraagt mijn fractie aan de minister om het budget te verruimen. Graag verneem ik daarop de reactie van de minister.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1.8">Vorig jaar heeft mijn fractie bij monde van collega Slob aan de minister gevraagd om meer gebruik te maken van de probleemgebiedenvergoeding. Naar onze mening zou zowel het bedrag per hectare omhoog kunnen als de omvang van de aangewezen gebieden groter mogen worden. Binnen de begroting zit het er waarschijnlijk niet in om het bedrag op te hogen van €&#160;94 tot €&#160;150 per hectare. Ik wil de minister wel vragen om naast het veenweidegebied, het Limburgs Heuvelland en Midden-Delfland ook de Noordelijke Wouden en Texel in aanmerking wil laten komen voor de probleemgebiedenvergoeding. Ook daarop verneem ik graag de reactie van de minister.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1.9">Voorzitter. Terecht schrijft de minister in zijn begroting dat het nieuwe mestbeleid veel van ondernemers vraagt. Voor 2007 is een tussenbalans van het nieuwe mestbeleid aangekondigd. Met het oog op deze tussenbalans breng ik graag het volgende onder de aandacht van de minister. Hij heeft meermaals betoogd dat de mestdistributie essentieel is voor het welslagen van het nieuwe mestbeleid. Over de verschillende sporen hebben de Kamer en de minister al vaak gesproken. Uit de sector bereiken ons berichten dat de mestboekhouding een enorme spreiding laat zien in de uitkomsten. Kan de minister dit bevestigen? Heeft hij er een verklaring voor? Welke consequenties hebben de spreiding in de uitkomsten voor de sanctionering? Kan de minister duidelijkheid bieden wanneer een boer wordt beboet en wanneer niet? Vanaf welke marge zal de minister onverkort handhaven?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1.10">De minister kent de inzet van mijn fractie voor de visserij. Over dit punt kan ik dus kort zijn. Het is weer het oude liedje in de kottervisserij. Voor 2007 dreigen weer lagere quota en minder zeedagen. Dat laatste is zo langzamerhand het grootste probleem voor de Noordzeevisserij. Zo goed als de minister erin is geslaagd om het vertrouwen van de boeren in de overheid te herstellen, zo slecht is het gesteld met het vertrouwen van de vissers in de overheid. Vorig jaar heeft collega Slob een amendement ingediend om dit jaar 10 mln. te investeren in de verduurzaming van de visserij. De minister heeft de Kamer toen verzekerd dat hij zeer zeker met extra investeringen zou komen in de verduurzaming van deze sector. Hij heeft woord gehouden. Hij heeft 7 mln. op jaarbasis toegevoegd aan de begroting. Dat geld is beschikbaar voor de broodnodige verduurzaming, zowel wat betreft vangstmethoden als een schonere motor. Het is weliswaar 3 mln. minder dan de wens van de ChristenUnie, maar op dit moment lijkt het mij een goede basis waarop de visserijsector aan de slag kan. Wel vraag ik de minister, extra middelen beschikbaar te stellen als die in de praktijk nodig blijken te zijn.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1.11">De betrokkenheid van Nederlanders bij de natuur en het milieu groeit gelukkig nog steeds. De natuur- en milieuorganisaties hebben gezamenlijk ruim 4 miljoen leden. Het aantal leden dat actief betrokken raakt bij natuurbescherming, groeit gestaag. Toch is er tegelijkertijd, zeker bij jongeren, sprake van vervreemding van natuur. Dit vindt de fractie van de ChristenUnie zeer zorgwekkend. Helaas worden initiatieven van het middenveld om te werken aan een versterking van het maatschappelijk draagvlak voor een verdergaand natuur- en milieubeleid gefrustreerd door een onvoldoende voorwaardenscheppend beleid van de overheid. Het ministerie van LNV kent voor dit doel de Regeling draagvlak natuur. Voor deze regeling was dit jaar 2,8 mln. beschikbaar, maar dit bedrag is zes maal overtekend. Veel belangrijke initiatieven en activiteiten vonden daardoor geen doorgang. Er is in 2007 een budget van ongeveer 10 mln. nodig om dit enthousiasme in het maatschappelijk middenveld voor deze belangrijke activiteiten te steunen. Deze investering zou de minister alvast kunnen doen, vooruitlopend op het voorwaardenscheppend beleid dat voort zal vloeien uit de nog steeds niet ontvangen Nota natuur- en milieueducatie. Wanneer komt deze nota naar de Kamer? Ik vraag de minister om een reactie op mijn suggestie en mijn vraag.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1.12">De uitvoering van de ecologische hoofdstructuur ligt volgens de minister op koers. Daarover denkt de Algemene Rekenkamer ietwat anders. Ook uit de Natuurbalans 2006 blijkt dat er veel problemen zijn in de uitvoering van de ehs, maar ook met groen in en om de stad en met de nationale landschappen. Het kernprobleem is volgens het Milieu- en Natuurplanbureau de aansturing. Daarnaast zijn er problemen met de kwaliteit van de natuur en ligt het tempo van realisatie te laag. Kan de minister dit verschil in taxatie van hem en de genoemde instanties verklaren?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1.13">De heer Slob heeft schriftelijke vragen gesteld over de bomenkap in Nunspeet door Staatsbosbeheer. In dit kader heeft de fractie van de ChristenUnie de Boswet uit 1961 nog eens bestudeerd. Onze conclusie is dat deze wet verouderd is. Is de minister bereid deze wet te wijzigen, zodat die weer bij de tijd is en wordt afgestemd op de wensen van decentrale overheden, de maatschappij en EU-regelgeving?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.1.14">Het heeft er alle schijn van dat deze begrotingsbehandeling, hoewel het mijn eerste is, de laatste van de minister zal zijn. Sommige fracties hebben zeer kritische woorden over zijn beleid geuit. Ik heb er behoefte aan om namens de fractie van de ChristenUnie een woord van dank te richten aan de minister. Minister Veerman heeft namelijk in de sector op onnavolgbare wijze werk gemaakt van herstel van vertrouwen in de overheid. Met visie, kennis van zaken, realiteitszin en betrokkenheid heeft hij de vertrouwensbreuk geheeld, die was ontstaan tussen de boeren en de overheid. Hoe zijn toekomst er ook uit ziet, ik wens hem van harte Gods zegen toe bij het werk dat nog wacht.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.2.1">Mijnheer Cramer, ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech. Mijns inziens kwam uit uw inbreng uw inspiratie en overtuiging nadrukkelijk naar voren. Ik wens u toe dat u daaraan bij uw verdere Kamerwerk veel daadkracht zult ontlenen.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.3">
                        <p docno="h-tk-20062007-1547-1576.1.8.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer Cramer, ik feliciteer u van harte met uw maidenspeech. Mijns inziens kwam uit uw inbreng uw inspiratie en overtuiging nadrukkelijk naar voren. Ik wens u toe dat u daaraan bij uw verdere Kamerwerk veel daadkracht zult ontlenen.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Crone" MPid="02507" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="1998-09-29" topic="Algemene financiële beschouwingen/Financiën" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-19981999-291-309.xml?view=nl/proceedings#h-tk-19981999-291-309.1.3" which-speech-in-topic="2" number-of-paragraphs="4" number-of-words="9825" number-of-unique-words="2306" number-of-interruptions="27">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Balkenende" MPid="02207"/>
                <speaker name="Crone" MPid="02507"/>
                <speaker name="Van der Vlies" MPid="02682"/>
                <speaker name="Vendrik" MPid="02245"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Crone, die weliswaar zijn maidenspeech houdt als financieel woordvoerder, maar deze valt niet onder het strikte regime van maidenspeeches.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-19981999-291-309.1.3" speaker="Crone" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Crone  (PvdA)" MPid="02507">
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.1" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.1.2">Ik zal graag 'misbruik' maken van het recht om de heer Balkenende te feliciteren. Ik zal verheugd zijn wanneer ik mijn eerste echte interruptie op hem mag plegen, en ik ben benieuwd naar zijn antwoord daarop. Zijn betoog belooft veel goeds voor de toekomst, terwijl wij op een aantal punten nog wel divergerende meningen hebben. Aan het eind van mijn betoog zal ik daar kort iets over zeggen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.1.3">Voorzitter! Als iets opvalt in de politieke en economisch-politieke ontwikkelingen van de laatste tijd, is het wel de terugtocht van het conservatief-liberalisme, van het simplistische geloof in markt en individualisme en het neoliberale gedachtegoed.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.1.4">Nadat de Muur is gevallen en het marktliberalisme een onstuitbare opmars leek door te maken, is nu overal de inspanning erop gericht om juist de markt weer van muren te voorzien, regels en randvoorwaarden te stellen, paal en perk te stellen aan 'uitwassen', niet om minder overheid te bereiken, maar een andere, sterke overheid. Enerzijds om maatschappelijke prioriteiten waar de markt blind voor is, te beschermen, zoals cultuur en de sociale kwaliteit en milieukwaliteit, en een overheid te creëren die actief intervenieert om schaarste te verdelen en te herverdelen. Anderzijds een actieve overheid, omdat de markt alleen niet werkt. Zonder transparantie, zonder een actief tegengaan van machtsmonopolies en zonder bescherming van zwakke marktpartijen, leidt marktliberalisme niet tot een optimale uitkomst, lees welvaartswinst voor grote groepen, maar leidt het veeleer tot verspilling, verrijking van enkelen en armoede voor velen, tot zelfs nepotisme en machtsmisbruik en uitputting van sociaal en milieukapitaal. Rusland, ooit het voorbeeld en bewijs dat plansocialisme niet kan, nu het voorbeeld dat een markteconomie ook niet kan zonder een oersterke overheid die regels stelt, die beschermt en herverdeelt en die machtsconcentraties voortdurend openbreekt en controleert. Rusland – velen bezien het nu met distantie – is ver weg. Maar het is ook in al zijn extremiteit een leerzame spiegel, die leert dat ordening een wezenlijk, zo niet hét wezen van de overheidstaak is. Die rode draad wil ik het kabinet en zeker deze bewindslieden van Financiën vandaag voorhouden: zij zitten op een kruispunt van vele financiële belangen, kapitaalstromen, grote kapitaalbeheerders, nationaal en internationaal, in Nederland, in euroland en op de wereldmarkt van flitskapitaal. En natuurlijk zitten zij aan het stuur van de belastingen, een instrument van herverdelen, maar ook van allocatie, van prikkels om te doen of te laten. Deze bewindslieden zullen actiever moeten interveniëren.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.1.5">De volgende vijf hoofdthema's loop ik langs. Onze reactie op de ontwikkelingen in de wereldeconomie en het budgettair kader. De ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de Nederlandse arbeidsverhoudingen. Juist nu moeten wij voor de ontwikkeling van werkgelegenheid vasthouden aan de succesvolle combinatie van sterk en sociaal, die onderling moet worden versterkt. Zaken als verlof, scholing en investeringen in de technologie nu niet in de ijskast zetten. Bedrijven kunnen dat best betalen, waarmee wij vertrouwen moeten scheppen voor een voortgezette beheerste loonkostenontwikkeling.</p>
                    </speech>
                    <speech party="SP" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.2" speaker="Marijnissen" function="De heer" MPid="02529">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Marijnissen (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Marijnissen</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.2.2">Aan het begin van uw betoog zei u dat toch sprake is van enige kanteling, waar het gaat om het neoliberale denken. Dat gaat meer in de richting van het opwerpen van muren door de overheid om de vrijheid enigszins in te perken. Wanneer is dat inzicht bij de Partij van de Arbeid doorgebroken?</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.3" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.3.2">Ik kan mij niet herinneren dat het bij ons ooit ontbroken heeft. Ik herinner mij nog vele debatten, bijvoorbeeld met de vorige minister van Economische Zaken, over de rol van de overheid en de markt. Hij begon met de stelling: markt waar het kan en overheid waar het moet. Prioriteiten in de markt! Ik heb voortdurend betoogd dat er juist een sterkere overheid nodig is waar een markt is, bijvoorbeeld in de vergelijking met nutssectoren. Ik ben dat debat steeds aangegaan, ook met u. U zit te veel op de lijn waarbij de kansen van de markt niet voldoende benut worden, al kan uw voorstel om grootverbruikers te prikkelen wel als een marktconform instrument gezien worden, maar daar zal ik nu niet te diep op ingaan. Ik ben blij dat u aansluit bij de ecotaks.</p>
                    </speech>
                    <speech party="SP" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.4" speaker="Marijnissen" function="De heer" MPid="02529">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Marijnissen (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Marijnissen</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.4.2">Daar kunnen wij vanavond misschien nog verder over bomen. Nu wil ik het hebben over uw opmerking dat u het punt van de sterkere overheid in verschillende debatten met de minister van Economische Zaken hebt aangezwengeld. Dat is allemaal mooi, maar het gaat er natuurlijk om wat politiek relevant is. Politiek relevant is dat de marktwerking onder Paars I op een aantal terreinen, waar dat traditioneel niet aan de orde was, onmiskenbaar is geïntroduceerd. Ik denk aan het openbaar vervoer en aan de thuiszorg. Zelfs de ziekenhuizen moeten gaan concurreren. Ik denk ook aan de marktwerking bij de uitvoering van de sociale zekerheid. U kunt nu wel net doen alsof de PvdA op dit punt weer voor een ideologische en meer fundamentele benadering kiest, maar in de praktijk van Paars I is dat er niet uitgekomen en aan de hand van het regeerakkoord van Paars II kan ik ook een aantal voorbeelden geven van besluiten die niet conform uw verhaal zijn.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.5" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.5.2">Ik zie dat iets anders. Onder Paars I – maar ook tijdens regeerperiodes van kabinetten daarvoor – is ontdekt dat het voor een aantal sectoren niet altijd de beste oplossing is als de overheid het monopolie heeft. Ik kan vele voorbeelden noemen van verspilling, bijvoorbeeld in de elektriciteitssector en zelfs in de socialezekerheidssector. Gebleken is dat het niet goed gaat met die sectoren als de prikkels alleen via de overheid verlopen. Daar is marktwerking geïntroduceerd, maar nooit ongeclausuleerd. Altijd zijn er randvoorwaarden gesteld. Ik geef u graag toe dat het wel een zoekproces is. Ook de afgelopen vier jaar hebben wij nog ontdekt dat wij bepaalde zaken anders moeten aanpakken. Over dat proces wordt een voortgaande discussie gevoerd en ik hoop dat u aan dat debat wilt meedoen in plaats van alleen maar te roepen dat u tegen marktwerking bent.</p>
                    </speech>
                    <speech party="SP" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.6" speaker="Marijnissen" function="De heer" MPid="02529">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Marijnissen (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Marijnissen</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.6.2">Wij zijn ervoor dat er fors wordt ingegrepen. Laat ik maar meteen een heikel punt noemen. De heer Koenders heeft de afgelopen week in een algemeen overleg, maar ook in het blad Pro van de PvdA en in Het Financieele Dagblad een vlammend pleidooi gehouden voor het beperken van de kapitaalvrijheid, dus de vrijheid van de kapitaalstromen in deze wereld. Ik zou graag van de heer Crone vernemen welk standpunt de PvdA vanavond op dit punt inneemt tijdens de financiële beschouwingen met deze liberale minister van Financiën.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.7" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.7.2">Ik neem hier het stokje van collega Koenders over. Overigens heeft onze fractievoorzitter Melkert hierover ook opmerkingen gemaakt tijdens de algemene politieke beschouwingen. Het gaat zeker om het inperken van de vrijheid van het kapitaal in algemene zin, het stellen van randvoorwaarden. Ook moet ervoor gezorgd worden dat particuliere banken de risico's die zij in positieve zin willen lopen – vanwege het maken van grote winsten – ook in negatieve zin willen opvangen in plaats van de belastingbetalers. Ik kom straks uitvoerig op dit punt terug.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GPV" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.8" speaker="Schutte" function="De heer" MPid="02676">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Schutte (GPV)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Schutte</naam>
                                <partij>GPV</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.8.2">Kan de heer Crone concreter aangeven wie hij op het oog heeft als hij zegt dat het conservatief-liberalisme op de terugtocht is en dat het marktliberalisme bestreden moet worden. Zijn dat krachten die alleen maar ergens buiten dit huis aanwezig zijn en die hier bestreden moeten worden, of zijn dit ook stromingen die hij hier in dit huis ziet. Dan zou ik zeggen: noem man en paard.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.9" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.9.2">Ik ga geen personen aanwijzen en zelfs geen partijen, want dit is een discussie die dwars door de partijen heenloopt, zeker binnen de grotere partijen. Dat vind ik juist winst. Het is een voortdurende zoektocht naar het evenwicht tussen markt en overheid. Het ligt niet in het ene extreme, maar ook niet in het andere extreme. Ik zie zeker bij de VVD – en dat was voor ons een uitstekende basis voor voortgezette samenwerking – een open debat over marktwerking. Het is een open debat en soms een hard gevecht, want er spelen nu eenmaal tegengestelde belangen. Dat zal zo blijven.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GPV" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.10" speaker="Schutte" function="De heer" MPid="02676">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Schutte (GPV)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Schutte</naam>
                                <partij>GPV</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.10.2">Dat is mij duidelijk, maar u gebruikt pittige woorden. U heeft het over conservatief-liberalisme. Mij dunkt dat het niet veel zin heeft om dat in de Kamer aan de orde te stellen als het geen punt is dat hier in de Kamer bestreden moet worden. Ik begrijp nu van u dat het conservatief-liberalisme zich binnen alle partijen voordoet; dus kennelijk ook binnen uw eigen partij. Als ik dat goed heb begrepen, maakt u nu van de gelegenheid gebruik om ook uw eigen partijgenoten toe te spreken. Dat lijkt mij een beetje vreemd.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.11" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.11.2">Nee, u vraagt ernaar en ik geef aan dat dit debat ook binnen de PvdA gevoerd wordt. Hoe meet je een maatschappelijke onderstroom of een ideologisch debat? Na het vallen van de Muur ontstonden er discussies over het einde van het socialisme en over de hegemonie van het liberalisme in de meest simpele zin van het woord. Dergelijke stukken lees je nu niet meer. Nu gaat het erom greep te krijgen op het wereldkapitaal. Daar gaan de debatten nu over.</p>
                    </speech>
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.12" speaker="Balkenende" function="De heer" MPid="02207">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Balkenende (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Balkenende</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.12.2">Het voordeel van discussies over marktwerking is dat je er een hele tijd over kunt praten in tamelijk abstracte zin. Ik heb een concrete vraag aan de heer Crone. Wij hebben vanmiddag de heer Van der Ploeg in deze Kamer gehoord over zijn visie op het omroepbestel. Hij pleit in de verhouding tussen publiek en privaat in medialand nadrukkelijk voor marktwerking. Bent u het met zijn opvattingen over het mediabestel eens? Ik zou graag van u horen wat voor u marktwerking in concrete zin betekent.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.13" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.13.2">Ik zal hier geen uitvoerig exposé over de media houden, maar het is evident dat er sprake is van marktwerking in ons publieke bestel. Er wordt een gevecht geleverd om de ledenaantallen en soms ook om de kijkcijfers, terwijl dat niet de bedoeling was van ons publieke bestel. Je kunt niet zeggen dat marktwerking vies is of dat je dat niet wilt. Zij bestaat. De vraag is alleen of er niet te veel wordt 'opgegeten' door de vrije krachten. De staatssecretaris heeft interessante gedachten daarover. De vraag is hoe je wat je wilt beschermen, kunt afschermen voor een overdreven commerciële invloed.</p>
                    </speech>
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.14" speaker="Balkenende" function="De heer" MPid="02207">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Balkenende (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Balkenende</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.14.2">U onderschrijft zijn opvattingen?</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.15" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.15.2">Niet in die letterlijke zin, maar wij kunnen niet voortgaan met het huidige systeem en zeker niet teruggaan naar wat het was.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.16" speaker="Vendrik" function="De heer" MPid="02245">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Vendrik (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Vendrik</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.16.2">Voorzitter! De heer Crone houdt een interessant betoog over de ontsporing in de afgelopen jaren, maar zeker in het laatste jaar op de internationale financiële markten. Hij zegt daarbij dat er wat hem betreft ingegrepen kan worden in de markt. Dat pleidooi bevalt mij. Hoe beoordeelt hij het optreden van de minister-president in zijn vorige functie en wel als minister van Financiën van 1989 tot 1994? Ik herinner de heer Crone eraan dat in die periode internationaal de vrijheid van kapitaalverkeer met alles wat daarbij hoort, maximaal is gestimuleerd en politiek aanvaardbaar gemaakt. Dat gebeurde kennelijk met inbegrip van politieke steun van de minister-president in zijn vorige functie. Neemt de heer Crone afstand van wat er toen is gebeurd, ook onder leiding van een sociaal-democratische minister van Financiën?</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.17" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.17.2">Je kunt geen krant openslaan of je ziet hoe groot de invloed is van de persoon Kok op het denken in Europa. Ik noem het Poldermodel enzovoorts, en dat vandaag op zijn verjaardag! Hij heeft natuurlijk meegedaan aan het debat in Europa in het kader van het IMF en de Wereldbank. Er is toen echter niet gesproken in de trant van: maak alles maar vrij en dan komt het wel goed, integendeel. Juridische structuren ontstaan soms niet alleen op basis van ervaring, maar ook op basis van de ontwikkelingen op de internationale kapitaalmarkt. Daar zijn wij nu aan toe. Ik hoop dat wij samen daarin verder komen, ook in dit debat.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.18" speaker="Vendrik" function="De heer" MPid="02245">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Vendrik (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Vendrik</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.18.2">De eerste wet die de heer Kok als minister van Financiën in de Kamer verdedigde, was de afschaffing van de beursbelasting. Dat was een initiatief van de heer De Grave. Daarmee is de internationale chaos van vandaag de dag niet verklaard zijn, maar het roept vragen op over de oriëntatie van de toenmalige minister van Financiën.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.19" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.19.2">Ik heb ook niet gezegd dat ik voor alle belastingen ben en hoe meer belastingen de marktwerking verstoren, hoe beter. Uit het feit dat de beursbelasting is afgeschaft, nog los gezien van het internationale klimaat van dat moment, mag niet de conclusie worden getrokken dat alle belastingen goed zijn of dat zij allemaal moeten worden afgeschaft. Ik vind dat geen onderbouwing, zelfs niet uit het ongerijmde, van mijn stelling.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.19.3">Voorzitter! Voordat ik straks uitvoerig in zal gaan op de euro, ga ik eerst in op het algemeen economisch beleid, de huidige conjuncturele ontwikkeling. Wij zijn over het hoogtepunt van de groei heen. Dat blijkt ook uit de ramingen. De groei daalt, maar komt nog steeds uit boven het trendmatige niveau van de laatste vijftien jaar. De werkgelegenheid, de werkloosheid, de koopkracht en de investeringen ontwikkelen zich dan ook aanhoudend goed. Wij moeten onszelf op basis van de feiten dan ook geen pessimisme aanpraten. Er is ook nog steeds voldoende ruimte om de collectieve uitgaven te verhogen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.19.4">Interessant is de vraag of deze ramingen niet te optimistisch zijn, gezien de internationale woelingen in de reële economieën van Azië, Latijns-Amerika en Rusland en gezien ook het gewoel op de beurzen. Het is nog te vroeg om daar iets definitiefs over te zeggen, maar steeds meer risico's tekenen zich af. In de onzekerheidsvariant van het CPB is opgenomen dat de groei in 1999 0,5% lager uit kan komen als de wereldhandel verder inzakt dan al is voorzien en als de koersen op de effectenbeurzen 20% dalen. Maar zelfs dan blijft er sprake van een groeiscenario van nog boven behoedzaam. Voor de overheidsfinanciën zijn de effecten ook dan nog steeds beperkt. Op korte termijn neemt het EMU-tekort 0,1% toe. Op de lange termijn ontstaan dan wel problemen in de sfeer van een daling van winsten en investeringen. Dat leidt tot grotere problemen. Sta ik echter langer stil bij de overheidsfinanciën – dat is bijna een antwoord op de inbreng van collega Balkenende – dan blijkt dat wij die wel voldoende solide vinden.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.19.5">De overheidsfinanciën zijn allereerst geënt op een behoedzame groei. Net gaf ik al aan dat wij op dat lage niveau nog niet terechtkomen, zelfs niet als het nog meer tegenvalt dan wij nu denken. Daarnaast zijn aanzienlijke budgettaire buffers ingebouwd. Allereerst is de rente conservatief hoog ingeraamd, namelijk op 6%. Deze komt nu al krap boven de 4% uit en dat levert 4 mld. op omdat minder hoeft te worden uitgegeven aan rente. Dat is een zeer groot bedrag. Ook de gasinkomsten zijn laag ingeschat. Anders dan vier jaar geleden, is nu al rekening gehouden met een forse groei van de overheidsuitgaven. Bij de zorg wordt de groei per jaar nu al geraamd op meer dan 2%. Wij gaan al uit van een hele in plaats van een halve koppeling. De onderwijsbegroting stijgt aanzienlijk. Een aantal overheids-CAO's is al meerjarig. Al met al worden extra tegenvallers tijdens de rit minder waarschijnlijk en minder aannemelijk dan vier jaar geleden.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.19.6">De inkomstenmeevallers zullen conform de afspraak in het regeerakkoord met voorrang naar het financieringstekort en de lastenverlichting gaan. Omdat die kansen in 1998 en 1999 nog aanwezig zijn, is dat ook een extra buffer, naast de al ingebouwde 1 mld. reservebuffer. Mochten er dan nog tegenvallers zijn, dan worden die in eenzelfde verhouding als bij de meevallers verwerkt: 75% en 25% voor het tekort respectievelijk de lastenverhoging, tot het EMU-tekort op 1,75% is uitgekomen. Daarboven is het fiftyfifty. Er is dan minder ruimte voor de voorziene lastenverlichting, bijvoorbeeld voor het belastingplan 21ste eeuw, maar er hoeft dan niet extra te worden bezuinigd of gesneden in intensiveringen. Mede daarom is dat voor ons een aanvaardbaar compromis waarmee wij de toekomst kunnen ingaan.</p>
                    </speech>
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.20" speaker="Balkenende" function="De heer" MPid="02207">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Balkenende (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Balkenende</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.20.2">Het betoog van de heer Crone is volstrekt helder. Het is een redeneertrant die ook de minister van Financiën regelmatig ten beste geeft: wij hebben behoedzaam geraamd, wij kunnen er uitkomen. Het is toch wel interessant om van de heer Crone te vernemen hoe hij aankijkt tegen de ambtelijke notitie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In die notitie wordt een tamelijk somber beeld geschetst van de economie. Dan krijg ik bepaald niet het gevoel dat het allemaal zo gemakkelijk gaat.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.21" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.21.2">Het is een ambtelijke notitie. Vergeleken met de gegevens uit de MEV stond daarin niets nieuws. Het is meer een soort handige samenvatting met een wat eenzijdige kleuring, want er staan alleen maar de risico's in. Het rijtje buffers dat ik net noemde, staat daar bijvoorbeeld niet in. Het leek mij toch functioneel om die de Kamer ook voor te houden. Ik antwoord echter niet met een tegenvraag. Het is evident dat die risico's er zijn, maar daar gaan wij ook van uit. De groei kan lager zijn. Laat ik de vraag doorspelen naar de minister van Financiën. Ik hoorde op de gang – ik weet niet of het waar is – dat hij in een interview met de GPD-bladen heeft gezegd dat zelfs een groei van 1% zijn budgettaire doeleinden nog niet echt in het geding brengt. Laten wij maar eens vragen waar zijn bodem ligt. 1% is nog lager dan ik dacht.</p>
                    </speech>
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.22" speaker="Balkenende" function="De heer" MPid="02207">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Balkenende (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Balkenende</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.22.2">Bij die vraag sluit ik mij graag aan. Ik begrijp best dat de heer Crone zegt dat er niet zoveel nieuws in die notitie staat. Als het ministerie zegt dat er iets moet gebeuren met de loonafspraken, dan is dat toch wel een indringend signaal. Dan meen ik dat er toch iets meer aan de hand is. De beschrijving van de situatie kennen wij wel. Er was toch wel iets aan de hand in die notitie.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.23" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.23.2">Het zou toch wel gek zijn als zelfs in ambtelijke documenten geen samenvattingen van overigens bekende stukken mogen staan. De conclusie over loonmatiging staat daarin niet zo rechtstreeks, maar dat doet er ook niet toe. Het stuk is uiteraard onder ministeriële verantwoordelijkheid geschreven, maar dat geldt voor ieder ambtelijk stuk. Maar daarmee is het nog geen ministerieel standpunt. Dat is evident. Dat staat ook in de begeleidende brief. Ik wil dus graag horen – die vraag zou ik straks ook hebben gesteld, dus die zal ik niet meer herhalen – waarvoor het kabinet zich zal inzetten in het najaarsoverleg. Omdat wij donderdag antwoord krijgen, zal ik ook meteen naar het resultaat vragen.</p>
                    </speech>
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.24" speaker="Balkenende" function="De heer" MPid="02207">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Balkenende (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Balkenende</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.24.2">Minister Jorritsma heeft afgelopen week gezegd dat economen niet moeten somberen. Ik heb het al aangehaald. Uit dat signaal blijkt duidelijk dat het allemaal wel meevalt. Nu klinkt vanuit Sociale Zaken echter een heel ander geluid. Vindt de heer Crone dat niet opvallend? Dat is toch geen actie die overtuigt van eenheid in het kabinetsbeleid?</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.25" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.25.2">Misschien is er wel een ambtelijke notitie van een andere ambtenaar die het tegendeel beweert. Moet ik die ook opvragen? Vallen zij dan tegen elkaar weg? Ik maak mijn eigen analyse. Daarvoor ben ik hier in dienst genomen.</p>
                    </speech>
                    <speech party="D66" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.26" speaker="Bakker" function="De heer" MPid="02503">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Bakker (D66)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Bakker</naam>
                                <partij>D66</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.26.2">Het is interessant om je in dat verband af te vragen wat nu de werking is van zo'n ambtelijke notitie, maar die vraag stel ik straks aan de minister.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.26.3">De heer Crone sprak net over de kabinetsafspraak over de inkomstentegenvallers. Deze zullen voor 75% resulteren in een hoger tekort en voor 25% in hogere lasten, tot 1,75% tekort is bereikt. Dan wordt het fiftyfifty. De heer Crone had het in dat kader over een aanvaardbaar compromis. Mijn eerste vraag is: hoezo compromis, tussen wie eigenlijk? Ik weet van geen enkel compromis op dit punt.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.26.4">De tweede vraag – en die is nog belangrijker – luidt als volgt. Vindt de heer Crone het verstandig om op voorhand en zonder dat nu duidelijk is op wat voor situatie die afspraak betrekking kan hebben, al hogere lasten in te boeken? Die kunnen er immers makkelijk toe leiden dat een tegenvallende groei nog sterker tegenvalt en dat de economische ontwikkeling als het ware nog eens wordt verscherpt. Zij kunnen er voorts toe leiden dat wij looneisen over onszelf afroepen, waar wij nu juist zoveel mee worstelen. Bovendien maken wij daarmee de mogelijkheden om het belastingstelsel in 2001 te herzien minder gemakkelijk, terwijl wij dat allemaal zo belangrijk vinden.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.27" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.27.2">De vragen zijn helder. Ik bedoelde een compromis naar aanleiding van het standpunt van het reële uitgavenkader zoals dat eigenlijk door economen is bedacht en zoals dat bijvoorbeeld door Zijlstra is toegepast. Het CDA zou de echte bedoelingen van Zijlstra dus meer moeten volgen. Het reële uitgavenkader betekent dat je het uitgavenplafond vaststelt. Punt! Heb je vervolgens meevallende of tegenvallende inkomsten aan de belastingkant, dan laat je die helemaal weglopen in het tekort. Wat hier bepleit werd, en zelfs nog een beetje onder verwijzing naar Zijlstra, is dus helemaal niet het omgekeerde. Alsof je de uitgaven elke keer zou kunnen aanpassen, integendeel! Het compromis bestaat eruit dat hier niet 100% van de tegenvallers in het tekort wegloopt, maar dat het voor een deel terechtkomt in lastenverzwaring of lastenverlichting. Het is dus een compromis tussen twee ideeën. Het is geen compromis tussen partijen. Het is een voorstel van het kabinet en wij vinden dat zelf ook een doordacht compromis. Of je nu tegenvallers laat weglopen in hogere lasten – dat doen wij dus niet, het gaat om minder lastenverlichting – of dat je het doet in bezuinigingen, het heeft hetzelfde cyclisch effect. Daarbij denken sommigen dat lastenverlichting misschien wat eerder in Mallorca terechtkomt, zoals afgelopen weekend op de Duitse televisie werd gezegd, terwijl bezuinigingen in de overheidssfeer wellicht hier direct een negatief effect hebben. Dat is een afweging en ook daarbij staat het verstand niet stil. Ik vind het terecht dat je het bij een oplopend tekort en een tegenvallende economische groei niet automatisch en alleen zoekt in bezuinigingen, maar dat je daar een evenwicht in bereikt. Dat is verstandig.</p>
                    </speech>
                    <speech party="D66" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.28" speaker="Bakker" function="De heer" MPid="02503">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Bakker (D66)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Bakker</naam>
                                <partij>D66</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.28.2">Voorzitter! Mijn punt was juist dat de afspraak wees op een automatisme en niet op een op dat moment gebruiken van je gezond verstand en dat bovendien risico's worden genomen met dat belastingplan in 2001. Een kernelement daarvan is nu juist dat aan de onderkant van de arbeidsmarkt, dus niet op Mallorca, werken beter beloond wordt. En dat vinden wij allemaal heel verstandig. Dat is ook een van de bases waarop de gunstige effecten van het kabinetsbeleid zijn gebaseerd.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.29" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.29.2">Ik ben het met de heer Bakker eens. Daarom zeg ik ook dat ik het in principe een goed en aanvaardbaar compromis vind. Daarmee geef ik al aan dat het in beweging is. Het is echter niet zo dat het belastingplan of de totale budgettaire structuur staat of valt met iets meer of minder lastenverlichting alleen, als je daarnaast ziet dat de overheid enorme bezuinigingen moet gaan toepassen of iets dergelijks. Ik neem aan dat wij op dat punt samen blijven voortdenken.</p>
                    </speech>
                    <speech party="SP" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.30" speaker="Marijnissen" function="De heer" MPid="02529">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Marijnissen (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Marijnissen</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.30.2">Voorzitter! Ik wil mij graag aansluiten bij de vragen die de heer Balkenende heeft gesteld over de ambtelijke notitie. De heer Crone zei zojuist dat hij zijn eigen analyses maakt. Dat vind ik heel erg goed voor een dualistisch ingesteld Kamerlid. Wat vindt hij van de toonzetting van deze ambtelijke notitie, die door de minister is doorgestuurd naar de sociale partners? Dat is natuurlijk niet voor niets gebeurd aan de vooravond van het najaarsoverleg.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.31" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.31.2">Er staat niet dat de notitie als document van het kabinet of zelfs van de minister als politiek standpunt is doorgestuurd naar de sociale partners. Hij verbaast zich er zelf over dat de notitie deze externe functie krijgt. Dat zal hij niet voor niets zeggen. De heer Marijnissen probeert te suggereren dat het om een kabinetsstandpunt gaat. Ik neem aan dat dat nog steeds niet zo is. Nogmaals, de toonzetting heeft een bepaalde negatieve strekking. Ik heb echter ook gezegd dat het kabinet al uitgaat van een lagere groei dan wij nu hebben. Wij gaan er dus al van uit dat de economie wat verder terugzakt, maar dat zij wel blijft groeien. Dat staat overigens ook in de notitie. Wij gaan al uit van een aantal tegenvallende ontwikkelingen. Ik voeg toe aan de notitie dat wij een aantal buffers hebben ingebouwd. Die heb ik al genoemd. Kortom, er zit nooit één werkelijkheid aan een ambtelijke notitie.</p>
                    </speech>
                    <speech party="SP" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.32" speaker="Marijnissen" function="De heer" MPid="02529">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Marijnissen (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Marijnissen</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.32.2">Voorzitter! Bij de conclusies wordt expliciet gezegd dat een contractloonstijging van 2,7% in 1999 toch wel haalbaar moet zijn met dit in de hand. De FNV heeft gezegd dat het 3,5% moet zijn en het CNV zit iets lager, namelijk op 3,25%. De heer Crone maakt zijn eigen analyses. Wat is zijn analyse? Moet het inderdaad 2,7% worden of heeft de vakbeweging wel degelijk een juiste inzet?</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.33" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.33.2">Ik zal de laatste zijn – niet alleen om historische redenen, maar ook in mijn functie als parlementariër – om de loononderhandelingen hier even over te doen. Zelfs de inzet wil ik niet becommentariëren. Ik signaleer alleen wel dat de loonkostenraming oploopt. Dat betreft zowel een stijgende loonontwikkeling als een daling van de afzetprijzen, waardoor de arbeidsinkomensquote iets oploopt. Aan die stijging van de reële arbeidskosten zit enig risico vast, maar ik word er niet zenuwachtig van. De notitie leert immers dat een arbeidsinkomensquote van een – in vergelijking met het begin van de jaren negentig – redelijk goed niveau iets oploopt, maar nog niet in de gevarenzone terechtkomt; in het begin van de jaren negentig lag het uitgangspunt aanzienlijk hoger, want volgens mij bedroeg de arbeidsinkomensquote toen 86%. Wij zaten toen dus al in de gevarenzone en het werd nog iets erger. Ik neem aan dat de vakbondseconomen dat soort argumenten in het najaarsoverleg naar voren zullen brengen, maar ik bemoei mij niet met de loononderhandelingen. Wel vraag ik het kabinet het volgende: dit kabinet spreekt toch niet alleen over loonmatiging, maar toch ook over de totale ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden en over het investeren in mensen en dus in scholing en andere voorzieningen? Daardoor komen werkgevers en werknemers misschien samen wel tot de conclusie dat er zoveel in zorgverlof en scholing wordt geïnvesteerd dat er iets minder aan loonstijging moet worden gedaan; dat is dan echter hun conclusie en niet de onze.</p>
                    </speech>
                    <speech party="SP" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.34" speaker="Marijnissen" function="De heer" MPid="02529">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Marijnissen (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Marijnissen</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.34.2">Ik doe een laatste poging. Die 2,7% wordt expliciet genoemd. De media staan vandaag bol met oproepen van het kabinet, inclusief de minister-president, om de looneisen te matigen. In dit land stelt de vakbeweging al heel gematigde looneisen; dat heeft zij in het verleden ook altijd gedaan. U hoeft niet te interveniëren in de onderhandelingen; ik vraag u gewoon rechtstreeks of u de oproep van het kabinet steunt om die 3,5% naar beneden bij te stellen, zoals in deze ambtelijke notitie staat.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.35" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.35.2">Ik heb geen rechtstreekse oproep van het kabinet gezien om de looneisen te matigen. Ik wacht af wat de inzet van het kabinet in het najaarsoverleg zal zijn en wat de uitkomst van dat overleg zal zijn. U hebt zelf gezegd dat de vakbeweging ervaring heeft in de omgang met de loonontwikkeling binnen een gematigde loonkostenontwikkeling; er is altijd een evenwicht tussen de directe loonstijging en de overige investeringen in zorgverlof, scholing of andere zaken; vroeger werd dat 'de goede doelen' genoemd.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.35.3">Tot slot wil ik iets zeggen over het uitgavenkader. Wij wijzen op het risico van de eventuele stijging van de contractlonen in de collectieve sector. Het kabinet heeft een reservering gemaakt om die eventuele stijging op te kunnen vangen. Dat vinden wij op zichzelf verstandig, temeer omdat premier Kok duidelijk heeft gemaakt dat het niet om een nieuw spaarpotje gaat, maar dat juist gemikt wordt op een anticiperend begrotingsbeleid. Zo vatten wij ook de nieuwe tiende begrotingsregel op. De indruk dat meevallers in de uitgavensfeer niet in hetzelfde departement tot nieuwe uitgaven of intensiveringen zouden mogen leiden, is niet juist. Het gaat slechts om een afwegingsmoment op kabinetsniveau. Zo interpreteren wij de uitspraak van premier Kok bij de algemene beschouwingen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.35.4">Een zeer goed punt in de Miljoenennota is dat nu een overzicht wordt gegeven van de zogenoemde belastinguitgaven, de aftrekposten die niet bij de primaire structuur van de belastingheffing horen. Het lijkt mij goed dat dit wordt opgevat als een begin van een toename van de beleidscontrole door het kabinet, maar ook door de Kamer; zal dit uiteindelijk leiden tot een belastinguitgavenkader?</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.36" speaker="Vendrik" function="De heer" MPid="02245">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Vendrik (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Vendrik</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.36.2">Ik heb een vraag over het punt van een bovenmatige stijging van de contractlonen. Ik herinner mij dat de fractievoorzitter van de PvdA, de heer Melkert, in deze microfoon heeft gezegd dat het, als er sprake is van een bovenmatige ontwikkeling, logisch zou zijn dat de bijbehorende mee- en tegenvallers aan de uitgaven- en inkomstenkant in samenhang worden bezien. Nu spreekt de heer Crone over de consequenties van een hoge contractloonstijging voor datgene wat er met het uitgavenkader gebeurt, maar ik heb hem niet horen zeggen wat dat gaat betekenen voor het inkomstenkader. Kan hij daar explicieter over zijn? Is, wat hem betreft, aan de orde dat het automatisme van lastenverlichting en financieringstekortreductie bij uitgavenmeevallers uit hoofde van een hoge contractloonstijging even opzij wordt gezet? Zo hebben wij de woorden van de heer Melkert geïnterpreteerd. Of handhaaft de heer Crone de afspraak uit het regeerakkoord?</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.37" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.37.2">Ik denk dat wij beiden de afspraken in het regeerakkoord handhaven, maar de heer Melkert heeft nog op een automatisme gewezen. Als er een hogere salarisontwikkeling is, dan zijn er ook hogere inkomsten aan de inkomstenkant. Op dat moment staat het denken bij ons niet stil en wij zullen daar dan ook met gezond verstand naar kijken. Dat is een koppeling die wij onder ogen zullen zien op het moment dat het zich voordoet, maar dat heeft hij vrij theoretisch genoemd en ik denk dat het ook zo is.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.38" speaker="Vendrik" function="De heer" MPid="02245">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Vendrik (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Vendrik</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.38.2">Voorzitter!...</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.39" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.39.1">Ik stel voor dat de heer Crone zijn betoog voortzet. U moet nog iets voor uw maidenspeech overhouden.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.40" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.40.2">Voorzitter! Dan wil ik graag even stilstaan bij het investeringspakket. Het kabinet trekt aanzienlijke bedragen uit voor meer investeringen in de ICES-sfeer en de FES-sfeer, maar de vraag is of het allemaal wel gedekt is of dat er nog een tekort is. Op de ene plek lees je dat 22 mld. van de 28 mld. nog niet is gedekt, maar als je in het FES kijkt, lijkt alles weer wel gedekt. Mag ik ook voorstellen om dit gezichtsbepalende onderdeel van het regeerakkoord in het vervolg jaarlijks in een aparte bijlage in de Miljoenennota terug te laten keren, zodat iedereen ziet wat erin en wat eruit gaat? Het gaat mij dus om een nieuwe bijlage in de Miljoenennota.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.40.3">Dan houden nog twee vragen ons sterk bezig bij de investeringen. De eerste betreft de publiek-private samenwerking. Het gaat daarbij niet, eigenlijk zelfs in de laatste plaats, om het vinden van een andere of goedkopere financieringsbron dan de rijksfinanciering, want niemand kan goedkoper lenen dan minister Zalm. Het Rijk heeft tenslotte altijd de laagste rente. De winst moet liggen in het van aanvang af anderen erbij te betrekken: in de ontwerpfase door innovatieve aanbesteding en door bij de organisatie en zelfs de exploitatie samen te werken met private partijen. Dan haal je efficiencywinst en wordt er een meerwaarde bereikt. Bijzonder effectief kan samenwerking vanuit verschillende sectoren zijn, bijvoorbeeld de samenloop van een spoorweg met woningen en bedrijfsgebouwen bij de stations. Dat zijn veel meer organisatie-, ordenings- en marktwerkingsvraagstukken dan financieringsvraagstukken. Wij zien dus meer logica in het positioneren van het kenniscentrum PPS bij Economische Zaken, zeker nu minister Zalm in antwoord op vraag 4 of 5 bij de schriftelijke vragen aangeeft dat hij geen privaat aandeel in de begrotingen van departementen wil opnemen voor investeringsprojecten. Er ligt dus kennelijk geen prikkel bij departementen om dat deel van de private financiering ook echt binnen te halen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.40.4">Bij de ICES-financiering gaat het over de vraag of het boven de afspraken in het regeerakkoord niet toch wenselijk kan zijn om naast de discussie over algemene uitgavenmeevallers – die wij natuurlijk altijd kunnen inzetten – ook nog eens een discussie te hebben over de opbrengst en de verkoop van staatsdeelnemingen en meevallende gasbaten. Wij zien met belangstelling de voorstellen voor een nieuwe FES-systematiek tegemoet, maar onze vraag blijft: wat te doen bij tegenvallende gas- en dollarprijzen. Werkt het dan ook omgekeerd? Dat weten wij dan vaak achteraf. Bovendien willen wij toch ook wel blijven meedenken over de vraag of de nieuwe voeding via de omweg van verlaging staatsschuld en het inzetten van het rentevoordeel daarop niet beter kan worden aangevuld met rechtstreekse stortingen in het FES, zoals tot nu toe gebruikelijk was, uiteraard zonder afbreuk te doen aan de afspraak om een reservering van 300 mln. te doen, zoals in het regeerakkoord is afgesproken.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.40.5">Voorzitter! Ik zal nu nog maar heel kort stilstaan bij de ontwikkelingen in de marktsector en de loonontwikkeling, want daar heb ik bij interruptie al veel over gezegd. De hoofdboodschap is en blijft dat juist nu het investeren van belang is voor de arbeidsmarkt en de arbeidsmarktproblemen. Wel is de vraag interessant of de arbeidsmarkt flexibeler is geworden. Ik ben benieuwd naar de visie van de minister daarop. Van de werknemers heeft ongeveer 10% een flexibele baan en daarnaast is 10% werkzaam als zelfstandige. Het zijn juist deze mensen die als eersten zullen worden getroffen door een eventuele economische teruggang of minder groei, want zij zullen als eersten worden ontslagen of minder worden opgeroepen. Dat is de keerzijde van de flexibilisering, ook al is de afgelopen tijd veel ingezet op bescherming van de positie van flexwerkers. Ook hier zal het poldermodel zich moeten bewijzen, want het is toch redelijk om van de aangesterkte bedrijven juist nu te verwachten dat zij in ieder geval op korte termijn proberen om zoveel mogelijk mensen binnen de poort te houden en dat zij trajecten doorzetten om die mensen langer aan het bedrijf te binden. Wie nu te snel desinvesteert in mensen, loopt immers extra risico dat mensen bij een opgaande conjunctuur te traag instromen, zeker omdat veel flexibele arbeid ook hooggekwalificeerde arbeid is.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.40.6">Een tweede interessante vraag aan het kabinet is hoe het de economische structuur beoordeelt. Is die nu versterkt onder de situatie van de loonkostenbeheersing van de laatste jaren en is dat omgezet in structuurversterking door 'upgrading' van het producten- en dienstenpakket of is het zonder meer loonmatiging geweest en blijft onze economie toch in sterke mate een bulkeconomie die afhankelijk is van lage kosten en dus ook extra conjunctuurgevoelig? Ook dat zou een extra reden zijn om de inspanningen in research en development en scholing van werknemers absoluut niet te verminderen. Alleen in zo'n investeringsklimaat ligt een basis om van mensen een beheerste loonontwikkeling te vragen.</p>
                    </speech>
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.41" speaker="Balkenende" function="De heer" MPid="02207">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Balkenende (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Balkenende</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.41.2">Het is mij opgevallen dat er in het bedrijfsleven behoorlijk kritische geluiden klinken over de lastenverzwaring volgend jaar. Dat hangt ook samen met de veranderende concurrentiepositie in het internationale bedrijfsleven. Hoe beoordeelt u die lastenverzwaring volgend jaar als het gaat om het functioneren van de marktsector met name richting andere landen?</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.42" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.42.2">Ik heb er al op gewezen dat er nu verschillende invloeden zijn op de loonkostenontwikkeling. U mag dit onderdeel daarin meenemen, want dat telt in het arbeidskostenplaatje. Het is ook expliciet aangegeven. Daar ligt dus een zeker zorgpunt. Maar ik heb ook gezegd dat de bedrijven wel enige ruimte hebben om niet bij het eerste stootje alweer te hoeven piepen. Het lijkt mij dat wij juist een buffer inbouwen. Ik had 'm nog niet eens genoemd, maar als de fondsen op peil zijn en het minder gaat, dan is ook dat weer een buffer waardoor je minder hoeft te knijpen in uitkeringen of andere uitgaven.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.42.3">Dan, voorzitter, de internationale financiële kapitaalmarkt en de aandelenbeurzen. Het is belangrijk dat het CPB constateert dat er in Nederland geen sprake is van grote ongedekte groei van het aandelenbezit. Er is geen 'beurszeepbel'; de schulden van gezinnen lopen macro in de pas met de gegroeide waarde van het huizenbezit. Dus geen Japanse of Zuid-Aziatische toestanden.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.42.4">Cynisch genoeg heeft de internationale financiële crisis voor Nederland voorlopig alleen gunstige effecten. Immers, het overvloedige wereldkapitaal trekt zich terug in de veilige westerse landen, waardoor de rente bij ons blijft dalen. De invoering van de euro geeft daar waarschijnlijk ook nog een positieve impuls aan. Tegelijkertijd is er wel het risico van het 'flitskapitaal'. Landen die het moeilijk hebben, worden tegenwoordig nog extra in de problemen gedrukt doordat buitenlands kapitaal sneller wegstroomt dan het gekomen is. Om dat tegen te gaan wordt de rente in zo'n land excessief verhoogd, wat de economische groei onder druk zet en grote valutasteun nodig maakt, bijvoorbeeld via het IMF. Met name in Azië en Latijns-Amerika heeft het flitskapitaal – en in feite ook de steun die het IMF eraan geeft – de rottende financiële structuren en het slechte overheidsbeleid helpen verhullen en feitelijk verergerd. Het IMF en andere instellingen hebben hieraan meegedaan. In dat opzicht vinden wij het niet gepast dat volgens het Algemeen Dagblad minister Zalm heeft gezegd dat het IMF geen sociale instelling is. Dat is het fonds natuurlijk ook niet, maar het omgekeerde is ook niet het geval. Het IMF heeft de taak om de financieel-economische en bestuurlijke verhoudingen in deze landen goed in te schatten en te zorgen voor een degelijk financieel-economisch beleid. Zelfs daaraan heeft het geschort. Het is dus wel duidelijk dat er nu terecht een wereldwijde oproep is om een herstructurering van IMF en Wereldbank tot stand te brengen. Daarbij moet expliciet een rol spelen dat de private westerse banken wel de vruchten van risicovolle internationale financiering willen plukken (snel veel geld verdienen), maar bij schade willen terugvallen op de internationale fondsen die de kredieten moeten afdekken, waardoor in feite indirect de belastingbetalers voor de schade moeten opdraaien. Wij vragen minister Zalm dan ook nadrukkelijk zich ervoor in te zetten dat de banken verplicht worden hogere reserves aan te houden naarmate de risico's toenemen. Daarin is nu niet voorzien. Wil hij er ook voor zorgdragen dat het toezicht wordt aangescherpt? Moeten landen voorts niet ook voor korte tijd gevrijwaard kunnen worden van kapitaalvlucht om een adempauze te krijgen teneinde orde op zaken te stellen?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.42.5">Wij hebben zowel bij de algemene beschouwingen als vorige week via collega Koenders gevraagd om een visie op de Tobin-tax. Wij hebben kortelings een reactie van de minister gekregen. Zijn conclusies zijn ons te negatief. Wij zullen het debat over de Tobin-tax dan ook graag voortzetten. Wij zien er meer voordelen in dan nadelen en hopen dat de minister er toch internationaal meer de boer mee op wil gaan.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.42.6">De minister heeft het afgelopen weekend in Oostenrijk zijn best gedaan voor meer Europese invloed op de G7. Wij zouden het principieel onjuist vinden als het resultaat zou zijn dat naast president Duisenberg drie presidenten van nationale banken, namelijk die van Frankrijk, Duitsland en Italië, bij de G7 aanschuiven. Dat ondergraaft namelijk de positie van de ECB en van de ECB-president. Hij moet daar alleen zitten. Greenspan neemt toch ook niemand uit Californië mee? Op dit punt horen wij graag de visie van de minister. Wij willen dit vrij principieel stellen. Wij steunen de assertieve houding van minister Zalm om ook de fungerend voorzitter van Europa af te vaardigen. Zullen de rapporten van internationale instellingen waarin het bankwezen, de economische positie en dergelijke van landen worden geanalyseerd, openbaar worden gemaakt, zodat van die rapporten een preventieve werking uitgaat? Ten slotte zijn wij blij met zijn toezegging dat de Nederlandse bijdrage middels kwartaalrapportages toegankelijker zal worden.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.43" speaker="Vendrik" function="De heer" MPid="02245">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Vendrik (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Vendrik</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.43.2">Afgelopen donderdag heeft de heer Koenders een aantal heldere stellingnames betrokken met betrekking tot de positie van het IMF. Dit weekend gaat de minister naar de jaarvergadering van het IMF. Daarbij is aan de orde de uitbreiding van de middelen van het IMF. Vorige week leek het zo te zijn dat de heer Koenders de instemming van de PvdA-fractie met die uitbreiding afhankelijk maakte van een aantal nadere condities. Is dat nog steeds het geval? Of zegt de PvdA de steun toe aan de minister als het gaat om de uitbreiding?</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.44" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.44.2">Wij nemen dit onderwerp buitengewoon serieus. Anders had onze fractie er niet voor de derde keer in twee weken over gesproken. Ik neem aan dat de minister zal pogen ons tegemoet te komen. Dan is er geen probleem. Als dat niet gaat lukken, dan is er misschien wel een probleem. Ik ga ervan uit dat wij met z'n allen willen dat een aantal dingen goed worden geregeld. Er is wat meer staatsinterventie nodig om deze kapitaalstromen in goede banen te leiden. Ik zie geen reden daarover thans scherpe woorden uit te spreken.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.45" speaker="Vendrik" function="De heer" MPid="02245">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Vendrik (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Vendrik</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.45.2">Juist omdat al voor de derde keer – overigens terecht – een bijdrage van de fractie van de PvdA is gegeven, is het misschien prettig als de heer Crone iets preciezer is. Welke voorwaarden verbindt hij aan de goedkeuring van de fractie van de PvdA met de uitbreiding van de middelen van het IMF? Waaraan moet de minister voldoen? Mij is het niet helder. Dat was donderdag ook het geval.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.46" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.46.2">Ik heb een reeks punten genoemd. De minister zal wel aangeven wat hij denkt daarvan binnen te kunnen halen en wat niet kan. Daarvan zal afhangen hoe wij er verder mee omgaan. Ik wil er niet op vooruitlopen. Het moet in de tweede termijn leuk blijven.</p>
                    </speech>
                    <speech party="SP" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.47" speaker="Marijnissen" function="De heer" MPid="02529">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Marijnissen (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Marijnissen</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.47.2">Het is in dit soort gedachtewisselingen interessant om de bodylanguage van de betreffende bewindspersonen in de gaten te houden. De heer Zalm kan wel vaker een glimlach of een uitbundige lach niet onderdrukken. Dat was net ook het geval, toen de heer Crone zei dat de minister ervoor moet zorgen dat binnen het IMF een aantal zaken moet veranderen. Ik sluit aan bij de heer Vendrik. De heer Crone heeft terecht opgemerkt dat er vele miljarden van belastingbetalers naar doelen gaan via het IMF waar dat geld eigenlijk niet thuishoort. Ik doel dan op de Rivièra en dat soort gebieden. De middelen worden oneigenlijk aangewend. Ik vind het terecht dat de fractie van de PvdA zo fulmineert tegen de eerst binnenlandse stuitende en exhibitionistische verrijking. Wij moeten meer duidelijkheid krijgen van de fractie van de PvdA. Als de heer Crone aan de ene kant inzet op het veroordelen van het misbruik van de gelden van de belastingbetaler via het IMF, dan moet hij nu boter bij de vis geven en zeggen wat hij gaat doen indien de missie van de heer Zalm niet slaagt.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.48" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.48.2">Ik zou aan de minister willen vragen of deze dotatie een rol in de discussie speelt. Wat gaat er gebeuren als hij op andere punten niet zijn zin krijgt? Ik wil het debat in eerste en tweede termijn graag voeren. Beide zaken hebben met elkaar te maken.</p>
                    </speech>
                    <speech party="SP" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.49" speaker="Marijnissen" function="De heer" MPid="02529">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Marijnissen (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Marijnissen</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.49.2">Laten wij het er in dit stadium op houden, dat er in deze Kamer iets aan het veranderen is met betrekking tot Tobin-tax en de inperking van de vrijheid van kapitaal van kort geld. Ik ben erg benieuwd naar de tweede termijn.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.50" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.50.2">Het gaat ons om het relativeren van het belang van kort geld. Wij verhullen niet dat er structurele maatregelen nodig kunnen zijn.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.50.3">Na de strubbelingen van de invoering werpt de euro nu al zijn positieve vruchten in het eurolandgebied af. In tegenstelling tot eerdere mondiale recessies is het eurogebied nu een oase van rust. De valuta's van geen van de eurolanden staan onder druk. Landen hoeven elkaar niet met grootscheepse bedragen te ondersteunen. Ook de gekoppelde landen zoals Finland doen het prima. Dat is des te opmerkelijker omdat dit land sterk op Rusland is gericht. De euro en de onderliggende beleidsconvergentie werpen dus hun vruchten af. Euroland is zo omvangrijk, dat het flitskapitaal er geen greep op krijgt en de euro zelfs een veilige vluchtvaluta is. Wij zijn zo'n positie wel gewend, gelet op onze koppeling aan de D-mark, maar voor andere eurolanden is dat nieuw. Dat stemt tot tevredenheid. Daarbij willen wij het niet laten, want hiermee hebben wij een klimaat gecreëerd, waarmee ook de beleidscoördinatie op ander terreinen in Europa met veel succes ter hand kan worden genomen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.50.4">Het macro-economisch beleid mag wat ons betreft niet alleen gericht zijn op lage inflatie en harde euro en op louter budgettaire convergentie. Immers, euroland is één groot economisch gebied met relatief veel minder externe afhankelijkheid van in- en uitvoer en dus ook meer mogelijkheden en noodzaak voor macrobeleid om de economische ontwikkeling zo anticyclisch mogelijk te beïnvloeden. Hoe beoordeelt de minister dat de Europese Commissie de lidstaten reeds in 2002 op begrotingsevenwicht wil hebben? Is dat niet een al te procyclisch beleid, wat Nederland zelf overigens niet van plan is? Is er gevaar voor inflatie? Wij zitten in de VS en euroland eigenlijk al op nulinflatie omdat de indexcijfers een overwaardering kennen van 0,5 tot 1% door kwaliteitsverbetering. Er is dus alle reden om de rente, die reëel hoog is – bij ons 3 à 4% en in sommige andere Europese landen nog hoger – te verlagen. Wat is de opvatting van de minister daarover?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.50.5">Voorzitter! Euroland biedt ons een nieuwe democratische kans om het beleid te beïnvloeden. Vanaf januari 1999 zullen er in de eurolanden globale richtsnoeren voor economisch beleid komen. Die worden jaarlijks opgesteld door de Ecofin-raad in juni, met een voorbereiding drie weken eerder in het monetair comité. Dit worden cruciale richtsnoeren, in het kader waarvan Europese landen over ons beleid adviseren. Maar omgekeerd moeten wij niet schromen over andere landen te adviseren. De effecten van het economische beleid gaan elkaar meer beïnvloeden en daar kunnen wij last van krijgen als het in andere landen niet goed gaat. Wij willen die richtsnoeren voluit in de Tweede Kamer kunnen bespreken. Ik verzoek mijn collega's in hun termijn mee te delen of zij daarmee kunnen instemmen. Deelt minister Zalm onze mening en wil hij ons een agendavoorstel doen voor een ordelijke parlementaire bespreking? Dit worden waarschijnlijk belangrijkere besprekingen dan die over de MEV en wellicht zelfs de Miljoenennota! Hieraan voorafgaand willen wij president Wellink van De Nederlandsche Bank horen over zijn opvattingen, net zoals vorige week de heer Duisenberg door het Europees Parlement werd gehoord over zijn visie op de economische ontwikkeling. Hoe zal het kabinet de sociale partners hierbij betrekken, want die spelen hierbij een belangrijke rol, al was het alleen maar met betrekking tot het loon- en arbeidsmarktbeleid?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.50.6">Voorzitter! Er is een extra kans om het werkgelegenheidsbeleid een extra impuls te geven. Ik zal er niet uitvoerig op ingaan, maar ik wil de minister wel vragen wat er terecht zal komen van een sluitende aanpak in Nederland. In het regeerakkoord wordt hiervoor 250 mln. netto uitgetrokken. Kan de minister de garantie geven dat daarmee de Luxemburgafspraak wordt nagekomen, ook als het wat meer moeite kost?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.50.7">Voorzitter! Het infrastructuurbeleid en het milieubeleid kunnen natuurlijk veel beter gecoördineerd worden. Daar is helaas nog te veel sprake van witboeken en te weinig van echte beleidscoördinatie.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.51" speaker="Vendrik" function="De heer" MPid="02245">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Vendrik (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Vendrik</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.51.2">U betuigde net uw instemming met de globale richtsnoeren die straks uitkomen. Dan wordt het, zei u, een goede zaak als wij ons uitspreken over economisch beleid dat in andere landen wordt gevoerd. Ik herinner mij een overleg in juni met de heer Oosterwijk die namens de minister het woord voerde. Hij gaf daarin volmondig toe dat wat zich nu aandient aan conceptversies van die globale richtsnoeren, zich moeilijk verhoudt tot de werkgelegenheidspolitiek die op dit moment in Frankrijk wordt gevoerd. Daar is sprake van een zeg maar oud-linkse ADV-operatie. Wat vindt u hiervan? Als u die globale richtsnoeren accepteert als uitgangspunt voor onderlinge vergelijking, komt u in de positie dat u zich uitspreekt tegen hetgeen zich in Frankrijk op dit moment voltrekt. Of zie ik dat verkeerd?</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.52" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.52.2">Ik heb bepleit dat wij die richtsnoeren tot onderwerp van parlementair en maatschappelijk debat maken en dat wij daarmee als het ware een stuk van het Europees economisch beleid invullen, omdat wij dat weer naar ons toe trekken, zoals andere landen ook doen. Ik heb niet gezegd dat ik het met de inhoud van de richtsnoeren die jaarlijks ontstaan eens ben. Dat moet nu juist onderwerp zijn van het debat. Het is spannend dat wij daar eindelijk een debat over krijgen en dat wij dit niet alleen in de monetaire sfeer zullen voeren, maar juist ook in de sfeer van de economische ontwikkeling.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.53" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.53.1">Wij moeten echt een beetje opschieten. De heer Vendrik heeft nog een eerste termijn, een tweede termijn en als hij wil een derde termijn. Hij heeft nog een heel politiek leven voor zich. De heer Crone vervolgt nu zijn betoog.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.2">Voorzitter! Uiteraard zijn de belastingen ook een cruciaal onderwerp van beleidscoördinatie. Daar hebben beide bewindslieden al veel prioriteit aan gegeven. Toch heb ik nog een paar vragen. Hoe zit het met de Oostenrijkse voorstellen over de bronbelasting op rente? Hollen die de Nederlandse belastinggrondslag uit? Hoe denken zij over de coördinatie van ecotaksen, accijnzen, andere vergroeningen en de variabilisatie van autokosten, nu de rood-groene coalitie in het oosten gloort?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.3">Voorzitter! Is het juist dat Ierland de vennootschapsbelasting tot 12,5% wil verlagen? Is dit financieel mogelijk, gelet op het feit dat daar de nog altijd belachelijk hoge ontvangsten van structuurgelden tegenover staan? Hoe ontwikkelt zich de discussie over de vermogensaanwasbelasting? Ik vraag de staatssecretaris of hij een vermogensaanwasbelasting zou willen hebben als hij nu ook alle beursverliezen zou hebben moeten accepteren als omvangrijke aftrekposten. Misschien zijn er nu ook andere partijen die denken: toch niet zo gek bedacht, die vermogensrendementsheffing...</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.4">De pensioenen vormen een punt van zorg omdat er in de EU sterk uiteenlopende financieringssystemen zijn. Ik denk aan kapitaaldekking versus omslagstelsel. Ook heeft men te maken met verschillende fasen van vergrijzing. Als gevolg van dit alles kunnen grote budgettaire verschillen tussen landen ontstaan, die weer kunnen leiden tot een verslechtering van de europositie. Op Europees niveau zijn hiernaar nauwelijks inventariserende studies verricht, laat staan dat er sprake is van een begin van een beleidsreactie. Wil het kabinet daartoe initiatieven nemen?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.5">Vervolgens heb ik enkele vragen over de praktische invoering van de euro. Hoe worden de problemen bij de bedrijven, waaronder de detailhandel, en de consumenten opgelost? Erg democratisch gaat de voorbereiding er in elk geval niet aan toe. Ik stel vast dat wij er hier nog maar nauwelijks over hebben gepraat. Wordt dat niet tijd? Is het niet beter om te kiezen voor een 'big bang', een overgang naar de euro op één moment? Voor de detailhandel is dat beter dan het aanhouden van dubbele kasregisters. Belangrijker is nog dat hiermee kan worden voorkomen dat er per dag achtmaal zoveel geld in kas moet worden gehouden. Men moet 's ochtends al het wisselgeld hebben in euro's om de hele dag te kunnen uitgeven. Er komen maar weinig euro's terug: guldens mogen niet meer in omloop worden gebracht. Ook in Frankrijk, Latijns-Amerika en Oost-Duitsland heeft men bij dergelijke processen voor een overgang ineens gekozen. Als mensen met vakantie gaan, zullen ze vooraf een voorraadje euro's kunnen opnemen; op een ander moment zullen ze guldens bij de bank kunnen inleveren. Een bank als wisselkantoor; daar zijn ze toch voor.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.6">In Frankrijk zie je al in de supermarkten dat men op de producten twee prijzen aanbrengt: in francs en in euro's. Waarom wordt dat niet ook in Nederland gedaan? Is dat niet de beste manier om mensen al enig gevoel voor prijsverhoudin gen te geven? Hetzelfde geldt natuurlijk voor loon- en AOW-strookjes. Wanneer worden mensen hierop voorbereid?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.7">Voorzitter! In Nederland is er nog maar één echte bron van inflatie en die treft men aan bij de woonkostenontwikkeling; de MEV is daarover duidelijk. Zeker na de inhaalhuurverhogingen van de laatste jaren, óók ten opzichte van andere Europese landen, wordt het wat ons betreft de hoogste tijd om de huurverhogingen tot inflatieniveau te beperken. Ook de lage rente vormt in dit verband een argument. Verlaging van de huurprijsstijging heeft ook een gunstig budgettair effect. Dan kan immers de IHS omlaag of behoeft de IHS niet zo sterk te stijgen. In het regeerakkoord zijn hierover goede afspraken vastgelegd. Wanneer zal hieraan uitvoering kunnen worden gegeven?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.8">Thans is huren zonder subsidie vrijwel onmogelijk geworden. Nadat wij de brutering hebben gefinancierd en op die wijze door Den Haag de objectsubsidies zijn betaald, betalen wij nóg eens, namelijk via de huursubsidies. In feite gaat nu 3 mld. per jaar extra naar dezelfde verhuurders, vaak corporaties.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.9">Wij willen graag het eigenwoningbezit bevorderen. Er is al sprake van een regeling betreffende het maatschappelijk gebonden eigendom, in het kader waarvan al vijftien jaar lang een normale hypotheekvorm aftrekbaar is gesteld. Het wordt echter steeds duidelijker dat het ministerie van Financiën die aftrekbaarheid ter discussie stelt. Dat kunnen wij niet volgen; graag continueren wij die aftrekbaarheid. Wij vragen de bewindslieden om deze beleidslijn terug te draaien.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.10">Vervolgens vraag ik aandacht voor de verstrengeling in Nederland van de financiële conglomeraten van banken, verzekeraars, ziektekostenverzekeraars enz. De vraag rijst wat de minister gaat doen aan monopolievorming en vermenging van functies. Zo biedt het Zilveren Kruis met de regelmaat van de klok beleggingsproducten aan; ik weet het op grond van eigen ervaring. Je krijgt dan van de zorgverzekeraar het advies om toch écht in aandelen te gaan; een rendement van 12% wordt beloofd, nog steeds. Als je een paar keer dergelijke pakketten hebt ontvangen, denk je dat je een dief van je eigen portemonnee bent als je daar niet instapt. Is dat niet een vervelende vermenging van een zorginstelling, waar je toch een zeker vertrouwen in moet kunnen stellen, en commerciële taken?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.11">Voorzitter! In Nederland domineren de vijf grootste banken 80% van de nationale markt. Over concurrentie gesproken! In andere landen is dat veel minder. Is het geen tijd om bestaande structuren in het toezicht op de financiële instellingen en markten te heroverwegen? Zowel vanuit het oogpunt van bedrijfseconomisch toezicht op instellingen als op basis van het toenemend belang van integriteitstoezicht verdient een integratie van de toezichthouders de aandacht.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.12">De pluriformiteit van de financiële producten die aan de consument worden aangeboden rechtvaardigen ook een nadere studie op de integratie van de toezichthouders. Consumenten hebben recht op bescherming en scheiding van gegevens en adressenbestanden en dergelijke in plaats van commercieel misbruik. Wanneer komt het standpunt over aanvullende wetgeving, want er is nu toch veel duidelijk geworden op basis van de grote röntgenfoto naar aanleiding van het Vie d'Or-debacle? De fractie van de PvdA bepleit al veel langer de integratie van de functie van toezichthouders op de financiële markten en zij verzoekt de minister om niet langer vast te houden aan een gescheiden toezicht bij de Verzekeringskamer, De Nederlandsche Bank en de Stichting toezicht effectenverkeer. Is de tijd niet rijp voor overheveling van een deel van de toezichtstaken naar het internationaal niveau, de ECB, want ook op internationaal niveau ontbreekt scherp toezicht. Daar zou de ECB juist een aangewezen orgaan kunnen zijn.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.13">Voorzitter! Ik wil nog twee opmerkingen maken die een directe financiële consequentie zouden moeten hebben. Ik begin bij de cultuur. Allereerst zijn wij blij dat er nu een echt aankoopfonds komt; hulde daarvoor. Kan dit bericht dat wij in de krant lazen ook bevestigd worden? Daarnaast heeft het kabinet, terecht, extra geld voor cultuur uitgetrokken: 60 mln. op jaarbasis. Een deel daarvan spoelt echter weg door de algemene kaasschaven en door het vervallen van de eerder afgesproken gelden vanwege de motie-Van Nieuwenhoven. Tijdens de algemene beschouwingen is hierover een notitie toegezegd, maar die hebben wij nog niet gezien. Ons verzoek blijft toch hetzelfde; wij zouden graag zien dat deze 16 mln. van de motie-Van Nieuwenhoven wordt bijgeplust. Maar ook de algemene kortingen roepen vragen op. Waarom zijn die niet toegepast voor het sportdeel van de begroting? Zo verstoren wij een beetje het evenwicht tussen sport en cultuur. Kan er zonder meer sprake zijn van productiviteitswinst zonder kwaliteitsverlies: een speler minder op het toneel of in de orkestbak? Toch is daar structureel 14 mln. voor ingeboekt. Kan de minister dit ophelderen en kan hij duidelijk maken dat het niet ten koste van de kwaliteit zal gaan? Zo nee, dan zullen wij dat ook moeten bijplussen.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.14">Voorzitter! Vorige week is opnieuw, wederom unaniem, door de Kamer gevraagd om het vervoer van gehandicapte leerlingen eindelijk goed te regelen. Dat vergt enige coördinatie van de ministeries van OCW, V en W en BZK. Misschien mag ik hier verzoeken om die coördinatie te bevorderen en de daarvoor benodigde 9 à 10 mln. vrij te maken. Waarschijnlijk krijgt de minister daarvoor de steun van de hele Kamer.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.15">Ten slotte heb ik nog de vraag of wij de prestatiemeting bij deze begrotingen kunnen invoeren of versterken. Door uitvoering van de motie-Melkert is er al veel aan gedaan. Wij hebben daar drie voorstellen voor.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.16">1. De belastingdienst lijkt te groeien met iedere fiscale wijziging. Welke prestatiemeting ligt hier achter? Ik zie niet welke productiviteitswinst wij halen. Kunnen wij daarvoor een metingscijfer krijgen?</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.17">2. De belastinguitgaven kunnen natuurlijk bij uitstek getoetst worden op resultaat en prestatie. Dat is ook een onderwerp voor prestatiemeting.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.18">3. Vaak merken wij bij subsidies aan een sector dat sommige instellingen binnen zo'n sector rijk zijn, en andere arm. In de fractie werden de verschillen genoemd tussen bijvoorbeeld rijke en arme politiekorpsen, tussen rijke en arme corporaties, tussen rijke en arme gemeenten. Het zou goed zijn om in algemene zin bij het toetsen van prestatiegegevens hiermee rekening te houden en niet alleen naar de gemiddelde prestatie voor een sector te kijken, omdat die vaak de ongelijkheden in stand houdt of zelfs vergroot en de doelmatigheid niet dient.</p>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.54.19">Voorzitter! Tot slot wens ik de bewindslieden veel succes toe bij hun verdere interventies in de vrije markt.</p>
                    </speech>
                    <speech party="D66" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.55" speaker="Giskes" function="Mevrouw" MPid="02516">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Giskes (D66)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Giskes</naam>
                                <partij>D66</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.55.2">Ik wil nog even teruggrijpen op wat de heer Crone zei over het toezicht op de financiële conglomeraten. Hij pleit zelfs voor een ophoging naar Europees niveau door het te leggen bij de ECB. Hij weet net zo goed als ik dat dit een onafhankelijk instituut is. In Nederland woedt de discussie of en hoe de minister meer greep kan krijgen op de toezichthoudende activiteiten. Door dat toezicht meer daar te leggen, geef je het meer uit handen. Hoe kijkt de heer Crone daar tegenaan?</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.56" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.56.2">Wij vinden het toezicht in Nederland al te veel gescheiden. Er zou meer integratie, deels koppeling aan de NMA en deels aan De Nederlandsche Bank, maar ook anderszins moeten zijn. Ik wil hier graag de visie van de minister op krijgen. Daarnaast heb ik gewezen op het internationaal toezicht dat er vrijwel niet is, behalve het algemeen mededingingstoezicht. Juist de financiële instellingen zijn tegenwoordig per definitie al grensoverschrijdend. Er is hier een gat en de eerste suggestie is om de ECB dit te laten invullen. Ieder ander voorstel dat beter is, verdient natuurlijk steun. Die discussie moeten wij nu eindelijk eens proberen te voeren.</p>
                    </speech>
                    <speech party="D66" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.57" speaker="Giskes" function="Mevrouw" MPid="02516">
                        <stage-direction type="spreker">Mevrouw Giskes (D66)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>Mevrouw</aanspr>
                                <naam>Giskes</naam>
                                <partij>D66</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.57.2">Dus u denkt in termen van en-en, zowel nationaal als Europees?</p>
                    </speech>
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.58" speaker="Crone" function="De heer" MPid="02507">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Crone (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Crone</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.58.2">Ja, maar er zal altijd wel een soort taakverdeling blijven tussen nationaal en internationaal. Als het kan, willen wij die discussie zo snel mogelijk afronden met concrete besluitvorming en wetgeving. De minister heeft in een debat in het voorjaar gezegd dat hij het, gezien de gang van zaken, nog een tijdje wilde aanzien. Welnu, wij denken dat dit 'tijdje' voorbij is.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.59" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19981999-291-309.1.3.59.1">Zoals de woordvoerders weten, hebben wij afgesproken dat de heer Van der Vlies, die morgen in verband met persoonlijke verplichtingen niet aanwezig kan zijn, in ieder geval vanavond aan het woord zou mogen komen. Vandaar dat ik nu, inbrekend op de normale sprekersvolgorde, het woord geef aan de heer Van der Vlies.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="De Haan" MPid="02918" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="1997-06-24" topic="Verdrag van Malta" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-19961997-6699-6708.xml?view=nl/proceedings#h-tk-19961997-6699-6708.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="1" number-of-words="582" number-of-unique-words="290" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Belasting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="De Haan" MPid="02918"/>
                <speaker name="B.M. de Vries" MPid=""/>
                <speaker name="Ybema" MPid="02976"/>
                <speaker name="Janmaat" MPid="02736"/>
                <speaker name="Witteveen-Hevinga" MPid="02981"/>
                <speaker name="Vermeend" MPid="02783"/>
                <speaker name="De Haan" MPid="02918"/>
                <speaker name="B.M. de Vries" MPid=""/>
                <speaker name="Ybema" MPid="02976"/>
                <speaker name="Janmaat" MPid="02736"/>
                <speaker name="Witteveen-Hevinga" MPid="02981"/>
                <speaker name="Vermeend" MPid="02783"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Ik geef het woord aan de heer De Haan, die zijn maidenspeech zal houden, hetgeen betekent: oren open, monden dicht!</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2" speaker="De Haan" party="CDA" function="De heer" title="De heer De Haan  (CDA)" MPid="02918">
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.1" speaker="De Haan" function="De heer" MPid="02918">
                        <stage-direction type="spreker">De heer De Haan (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>De Haan</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.1.2">Voorzitter! Vriendelijk dank voor deze plezierige introductie en voor het feit dat u toch nog een gaatje hebt gevonden in de drukke Kameragenda, zodat de behandeling van dit verdrag nog voor de zomervakantie kan worden afgerond. Ik beloof dat dit een korte maidenspeech zal zijn. Ik zou het zelfs plezierig vinden als dit de kortste is die de laatste jaren is gehouden.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.2.1">Doe uw best!</p>
                    </speech>
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.3" speaker="De Haan" function="De heer" MPid="02918">
                        <stage-direction type="spreker">De heer De Haan (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>De Haan</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.3.2">Dat zal ik doen.</p>
                        <p docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.3.3">Dit wetsvoorstel heeft een voorgeschiedenis, zoals ieder wetsvoorstel. Het ligt al een aantal maanden bij de Kamer. Mijn fractievoorzitter, de heer De Hoop Scheffer – destijds nog gewoon Kamerlid – heeft bij de eerste behandeling reeds ernstig bezwaar gemaakt tegen het element van terugwerkende kracht in dit verdrag. Voor het overige moet met nadruk worden gesteld – ik herhaal dat – dat het gewoon een prima verdrag is. De leden van het CDA hebben echter ernstige bezwaren tegen het in het verdrag opgenomen element van terugwerkende kracht tot 1 januari 1994.</p>
                        <p docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.3.4">In de eerste plaats verwerpen wij de idee van terugwerkende kracht, omdat het de rechtszekerheid voor de belastingplichtige – maar in het algemeen voor iedereen – aantast. Wij hebben daarop reeds een- en andermaal gewezen, ook tijdens het debat over de notitie inzake terugwerkende kracht, die uit dit verdrag is voortgevloeid. Toen heeft mijn fractiegenoot Hillen volstrekt helder duidelijk gemaakt dat, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, terugwerkende kracht onacceptabel is.</p>
                        <p docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.3.5">In de tweede plaats wees hij ook op het element van de aantasting van de rechtszekerheid, maar voegde daaraan toe dat daarnaast de betrouwbaarheid van de overheid in het geding is. Een onbetrouwbare overheid leidt tot onzekerheid en dat is een van de voornaamste oorzaken van het niet doorgaan van transacties, bijvoorbeeld in de vorm van investeringen. Derhalve heeft het niet berekenbaar zijn van de overheid grote negatieve consequenties voor het gedrag van partijen, van ondernemingen, maar ook van individuen.</p>
                        <p docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.3.6">Een derde element waarom terugwerkende kracht onacceptabel is voor mijn partij is dat achteraf belastingplichtigen worden gestraft voor hun handelen, terwijl zij te goeder trouw zijn geweest.</p>
                        <p docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.3.7">Dit zijn de drie overwegingen voor de CDA-fractie om ernstige kritiek te hebben op het belastingverdrag van Malta. Is er in dit geval sprake van bijzondere omstandigheden? Het antwoord luidt klip en klaar "neen". Op bladzijde 4 van de toelichting op het verdrag heeft de staatssecretaris vermeld dat de datum van 1 januari 1994 uiteindelijk gebruikt moest worden om de Maltezer overheid aan de verdragstafel te krijgen. Naar mijn stellige opvatting is dat een oneigenlijk argument om in dit geval terugwerkende kracht van toepassing te verklaren.</p>
                        <p docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.3.8">Een tweede element spreekt mij helemaal niet aan. Het zou een categorie betreffen van fiscaal geprivilegieerde inwoners van Malta, hetgeen erop duidt dat terugwerkende kracht toegepast zou mogen worden om mensen te pakken omdat zij een hoog inkomen dan wel een groot fortuin zouden hebben. Dat lijkt ons volstrekt onjuist, want zaken als rechtszekerheid, goede trouw, maar ook de betrouwbaarheid van de overheid zijn volstrekt onafhankelijk van aard en omvang van de transacties. Derhalve is mijn partij tot de conclusie gekomen dat de staatssecretaris in zijn reactie wel buitengewoon creatieve argumenten moet aandragen om het CDA over te halen om voorstander te zijn van dit verdrag.</p>
                        <p docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.3.9">Ik ben altijd zeer onder de indruk geweest van de creatieve geest van de staatssecretaris, ook in de tijd waarin wij beiden onze wederzijdse alma mater dienden. Thans lijkt het mij echter onmogelijk dat hij nog argumenten kan aandragen die ertoe zullen leiden dat de CDA-fractie steun geeft aan dit verdrag.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.4">
                        <p docno="h-tk-19961997-6699-6708.1.2.4.1">De vergadering wordt enkele minuten geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="De Roon" MPid="03126" party="PVV" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2006-12-07" topic="Heffingen op mp3-spelers" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20062007-1682-1692.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20062007-1682-1692.1.4" which-speech-in-topic="3" number-of-paragraphs="4" number-of-words="555" number-of-unique-words="248" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Belasting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Burgerlijk recht</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Economie <pm:entity> ICT</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Cultuur en recreatie <pm:entity> Kunst</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Gerkens" MPid="02326"/>
                <speaker name="Van Dam" MPid="02464"/>
                <speaker name="De Roon" MPid="03126"/>
                <speaker name="Griffith" MPid="02410"/>
                <speaker name="Van Vroonhoven-Kok" MPid="02346"/>
                <speaker name="Vendrik" MPid="02245"/>
                <speaker name="Hirsch Ballin" MPid="02963"/>
                <speaker name="Van Gennip" MPid="02996"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer De Roon, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20062007-1682-1692.1.4" speaker="De Roon" party="PVV" function="De heer" title="De heer De Roon  (PVV)" MPid="03126">
                    <speech party="PVV" docno="h-tk-20062007-1682-1692.1.4.1" speaker="De Roon" function="De heer" MPid="03126">
                        <stage-direction type="spreker">De heer De Roon (PVV)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>De Roon</naam>
                                <partij>PVV</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20062007-1682-1692.1.4.1.2">Voorzitter. De fractie van de Partij voor de Vrijheid is zeer verontrust door de recente berichtgeving dat de voorzitter van de Stichting Onderhandelingen Thuiskopieregeling (SONT) heeft besloten om de kopieerheffing uit te breiden van cassettes, cd's en dvd's naar mp3-spelers en harddiskrecorders. Nog op 10&#160;oktober jongstleden heeft de minister van Justitie in de Kamer als zijn standpunt uiteengezet dat nieuwe heffingen pas aan de orde komen wanneer duidelijk is wat het standpunt van de Europese Commissie is. Tevens heeft de minister bij diezelfde gelegenheid gezegd dat hij overleg wilde voeren met de voorzitter van de SONT alvorens er door die voorzitter een besluit zou worden genomen. Ik verneem graag van de minister of dat overleg er is geweest en, zo ja, hoe dat is verlopen en welke conclusies de minister daaruit heeft getrokken. Heeft de minister nog een toelichting ontvangen van de voorzitter van de SONT op diens besluit? Zo ja, hoe luidt die toelichting dan?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1682-1692.1.4.1.3">Voorzitter. De fractie van de Partij voor de Vrijheid heeft er grote moeite mee dat iedere bezitter van een mp3-speler maar bij voorbaat wordt aangemerkt als iemand die daarop wel illegale kopieën van muziekbestanden zal opslaan en om die reden maar bij voorbaat aan een heffing moet worden onderworpen. Iedere bezitter van een mp3-speler die beschikt over een cd met daarop muziek waarover rechten zijn betaald en die deze muziek vervolgens kopieert naar zijn mp3-speler omdat hij die muziek bijvoorbeeld in de trein wil beluisteren, betaalt in het systeem dat de SONT beoogt, wel degelijk tweemaal de rechthebbende.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1682-1692.1.4.1.4">Voorzitter. Wij moeten af van het gemak waarmee maar weer eens is besloten dat de goeden maar onder de kwaden moeten lijden. De fractie van de Partij voor de Vrijheid vindt het onaanvaardbaar dat één man beslist of in Nederland een heffing wordt ingevoerd op mp3-spelers en harddiskrecorders zonder enige vorm van democratische controle. Weliswaar is de heffing vooralsnog op nul gesteld, maar de beslissing van de voorzitter van de SONT is absoluut te duiden als een voorbereidingshandeling. En deze voorbereidingshandeling is door die voorzitter gepleegd terwijl hij wist dat er in deze Kamer grote bedenkingen tegen bestonden, dat de minister recent nog had aangegeven dat nieuwe heffingen pas aan de orde mogen komen wanneer duidelijk is wat het standpunt van de Europese Commissie is en dat de minister kiest voor een gecoördineerde Europese aanpak.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-1682-1692.1.4.1.5">In zijn brief van 29&#160;november jongstleden aan de voorzitter van deze Kamer heeft de minister van Justitie laten weten dat, wat hem betreft, nu het moment is aangebroken om een algemene maatregel van bestuur voor te bereiden en dat deze zo nodig nog dit jaar ter advisering aan de Raad van State zal worden aangeboden. Ik vraag de minister om toe te lichten in welke situatie dat dan zijns inziens nodig zal zijn. Is dit, zo vraag ik mij af en zo vraag ik ook aan de minister, niet nu onmiddellijk nodig om de voorzitter van de SONT de pas af te snijden? Ook daarover verneem ik graag het standpunt van de minister.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20062007-1682-1692.1.4.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20062007-1682-1692.1.4.2.1">Ik feliciteer u met het uitspreken van uw maidenspeech, die getuigt van een diepgaand onderzoek van datgene wat u als onderwerp heeft behandeld. Dat belooft veel voor de toekomst. Ik schors de vergadering om u te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20062007-1682-1692.1.4.3">
                        <p docno="h-tk-20062007-1682-1692.1.4.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Ik feliciteer u met het uitspreken van uw maidenspeech, die getuigt van een diepgaand onderzoek van datgene wat u als onderwerp heeft behandeld. Dat belooft veel voor de toekomst. Ik schors de vergadering om u te feliciteren.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="De Rouwe" MPid="03054" party="CDA" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2007-04-11" topic="Veilige vaart binnenwateren" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20062007-3361-3366.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20062007-3361-3366.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="7" number-of-words="727" number-of-unique-words="347" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Verkeer <pm:entity> Water</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="De Rouwe" MPid="03054"/>
                <speaker name="Cramer" MPid="03072"/>
                <speaker name="Dezentjé Hamming" MPid="02416"/>
                <speaker name="Van der Staaij" MPid="02252"/>
                <speaker name="Madlener" MPid="03129"/>
                <speaker name="Roemer" MPid="03094"/>
                <speaker name="Roefs" MPid="02467"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer De Rouwe, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20062007-3361-3366.1.2" speaker="De Rouwe" party="CDA" function="De heer" title="De heer De Rouwe  (CDA)" MPid="03054">
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-20062007-3361-3366.1.2.1" speaker="De Rouwe" function="De heer" MPid="03054">
                        <stage-direction type="spreker">De heer De Rouwe (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>De Rouwe</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20062007-3361-3366.1.2.1.2">Mevrouw de voorzitter. Het is voor mij een bijzondere eer om hier vandaag te staan, niet alleen omdat dit de eerste keer is dat ik hier namens het CDA het woord mag voeren, maar ook omdat ik mij erg verbonden voel met het onderwerp van dit debat, de binnenvaart. Toen ik aan mijn vrienden vertelde dat ik onder meer woordvoerder zou worden op dit onderwerp, keken zij mij raar aan. Mijn oma deed dit niet, want zowel mijn grootvader als mijn overgrootvader kwamen uit de binnenvaart. Zij leven helaas niet meer, maar ik weet zeker dat zij het heel bijzonder hadden gevonden dat hun kleinzoon hier nu de Binnenvaartwet mag behandelen.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3361-3366.1.2.1.3">De Binnenvaartwet is een raamwet die in de plaats komt van drie andere wetten, de Wet vervoer binnenvaart, de Binnenschepenwet en de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart. De opzet van de regering is te komen tot vereenvoudiging van de regels en het verbeteren van de inzichtelijkheid. Uit onze gesprekken met de binnenvaartsector blijkt dat de regering aardig in die opzet is geslaagd. Onze complimenten daarvoor. Ik kan echter nog geen eindoordeel geven over de wet, want er moet nog een aantal pijnpunten worden geregeld. Ik noem ze even in volgorde van de algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3361-3366.1.2.1.4">De CDA-fractie heeft daarom een aantal vragen en opmerkingen, met name over de uitwerking van de wet. Allereerst maken wij ons zorgen over de regelgeving voor historische vaartuigen. In de nota naar aanleiding van het verslag gaat de regering uitgebreid in op onze vraag naar een ontheffingsbevoegdheid, maar zij geeft verder geen krimp. Het kan toch niet zo zijn dat een honderd jaar oud schip zodanig moet worden gemoderniseerd dat duidelijk afbreuk wordt gedaan aan de historische waarde? Ik vraag in dit kader speciale aandacht voor de traditionele Friese zeilschepen, oftewel de skûtsjes. Die moeten de staatssecretaris welbekend zijn. Graag hoor ik van haar welke mogelijkheden er zijn om het doel van de optimale veiligheid zo dicht mogelijk te naderen zonder de historische waarde van deze schepen geweld aan te doen.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3361-3366.1.2.1.5">De regering geeft aan dat in het toekomstige Binnenvaartbesluit de mogelijkheid zal worden opgenomen om historische vaartuigen onder een afwijkend regime te brengen, mits voor het schip een verklaring van de minister kan worden overlegd dat het als pleziervaartuig wordt gebruikt. Kan de regering aangeven in welke mate deze verklaring zal worden afgegeven en wat daarvoor de criteria zijn? En een technisch punt: is het de minister of de staatssecretaris die deze verklaringen zal afgeven?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3361-3366.1.2.1.6">Een ander zorgpunt met betrekking tot de pleziervaart betreft de lengte voor het zogenaamde "kleine patent". Ook dit is in de schriftelijke voorbereiding ruim aan de orde geweest. Na een heel betoog over scheepslengtes en internationale afstemming geeft de regering uiteindelijk toe dat zij zal gaan onderhandelen binnen de Centrale Commissie voor de Rijnvaart om de lengte van 35 meter voor het kleine patent te verhogen naar 40 meter. Dat is een goede stap, maar welke garanties hebben we? Kan de staatssecretaris de Kamer toezeggen dat deze toepassing er zal komen? Wanneer wordt dit geregeld en heeft de Kamer daar nog invloed op? Graag een duidelijke toezegging van de regering.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3361-3366.1.2.1.7">Nog een opmerking over de schippers die hun brood dagelijks binnen deze voor Nederland zo belangrijke sector verdienen. In de memorie van toelichting lezen we dat de administratieve lasten gering zullen dalen; ik noem het vergunningsbewijs en de vervoervergunning. Het CDA vindt dit een goede zaak, maar de vermindering van de administratieve lasten vloeit ook voort uit andere maatregelen, zoals de eenloketgedachte en ICT-toepassingen. Kortom, digitalisering en minder formulieren. Het CDA vraagt de staatssecretaris expliciet om dit verder op te pakken. Wellicht met een aanvullend onderzoek?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-3361-3366.1.2.1.8">Voorzitter, ik rond af. Het CDA is blij met de aanstaande wet, maar vraagt aandacht voor de historische schepen en de recreatieve sector. Met deze wet zijn we er nog niet, want er komen nog veel uitwerkingen van deze wet. Ik vraag de staatssecretaris om de gedachte achter deze wet te blijven koesteren: verbetering van de inzichtelijkheid en vereenvoudiging van de regels.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20062007-3361-3366.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20062007-3361-3366.1.2.2.1">Mijnheer De Rouwe, het was niet te merken dat dit uw maidenspeech was. Het is mijn voorrecht om u daarmee als eerste van harte te feliciteren. Ik schors de vergadering enkele ogenblikken om uw collega's de kans te geven, u ook te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20062007-3361-3366.1.2.3">
                        <p docno="h-tk-20062007-3361-3366.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Mijnheer De Rouwe, het was niet te merken dat dit uw maidenspeech was. Het is mijn voorrecht om u daarmee als eerste van harte te feliciteren. Ik schors de vergadering enkele ogenblikken om uw collega's de kans te geven, u ook te feliciteren.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="De Swart" MPid="01842" party="VVD" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2000-09-14" topic="Paspoortwet" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-19992000-6612-6621.xml?view=nl/proceedings#h-tk-19992000-6612-6621.1.2" which-speech-in-topic="1" number-of-paragraphs="9" number-of-words="907" number-of-unique-words="409" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Criminaliteit</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="De Swart" MPid="01842"/>
                <speaker name="Balkenende" MPid="02207"/>
                <speaker name="Schutte" MPid="02676"/>
                <speaker name="Scheltema-de Nie" MPid="02982"/>
                <speaker name="Zijlstra" MPid="02990"/>
                <speaker name="Van Boxtel" MPid="02556"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer De Swart, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2" speaker="De Swart" party="VVD" function="De heer" title="De heer De Swart  (VVD)" MPid="01842">
                    <speech party="VVD" docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.1" speaker="De Swart" function="De heer" MPid="01842">
                        <stage-direction type="spreker">De heer De Swart (VVD)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>De Swart</naam>
                                <partij>VVD</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.1.2">Mevrouw de voorzitter! Heden staat op de agenda de plenaire behandeling van stuk nr. 26977 (rijkswet 1644), algemeen bekend als de wijziging van de Paspoortwet. Bij de behandeling zal ik namens de VVD-fractie ingaan op de wetswijziging zelf. Voordat ik hiertoe overga, maak ik van de gelegenheid gebruik inleidend een historisch kader te schetsen waarin mede de aanleiding van deze noodzakelijke wetswijziging ligt. Het paspoort is nu eenmaal een onderwerp dat de gemoederen in de Nederlandse samenleving regelmatig heeft beziggehouden en tot op de dag van vandaag ook regelmatig bezighoudt. Afsluitend maak ik de overstap naar het paspoort zelf en de te verwachten introductie daarvan in april 2001.</p>
                        <p docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.1.3">Mevrouw de voorzitter! Paspoorten, het gebruik en het misbruik daarvan, gaan terug tot de Romeinse tijd. Het ontstaan van ondermeer een administratieve infrastructuur, een gedegen bestuurlijke opbouw en intensief reisverkeer in die tijd deden het fenomeen paspoort het licht zien. Fraude met paspoorten werd in de Romeinse tijd reeds zwaar gestraft op basis van de lex cornelia de falsis, de wet op valsheid in geschrifte. De handel die later in de Nederlanden opbloeide, onder de vlag van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de West-Indische Compagnie, leidde tot een toename van het reisdocumentenverkeer. In Nederland werd de werkelijke bureaucratisering echter in de Franse tijd ingevoerd. Er was sprake van nieuwe rechtsspraak en algehele registratie van de bevolking, welke vergezeld ging van een paspoortplicht. Koning Willem I voerde na het vertrek van de Fransen de Paspoortwet in.</p>
                        <p docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.1.4">Het bij velen van ons nog bekende zwarte boekje dateert van het begin van de Eerste Wereldoorlog. Met een aantal onderbrekingen heeft het zwarte boekje in verschillende vormen tot begin van de jaren negentig dienst gedaan. Alle pogingen om als gevolg van vele vervalsingen te komen tot een fraudebestendig paspoort hebben begin jaren negentig niet kunnen resulteren in een fraudebestendig paspoort. De paspoortaffaire ligt bij velen ongetwijfeld nog goed in het geheugen, mede door het aanhoudende misbruik en de fraude met paspoorten tot op de dag van vandaag.</p>
                        <p docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.1.5">Op 19 februari 1989 heeft Jan-Kees Wiebenga namens de VVD-fractie in de Zondageditie van de VARA aangegeven dat het toenmalige paspoorttraject twee doelstellingen had. Een daarvan was het paspoort meer fraudebestendig te maken. Ook vandaag is de wens het paspoort meer fraudebestendig te maken en het veelvuldig geconsta teerde misbruik tegen te gaan, een belangrijke, zo niet dé belangrijkste reden om de wet te wijzigen. Het belang van de betrouwbaarheid van reisdocumenten in het algemeen en van paspoorten in het bijzonder voor de open, internationaal georiënteerde Nederlandse samenleving is eerder door Philippe Brood onder de aandacht gebracht. Ik herhaal en onderstreep dat vandaag nog maar een keer. Daarnaast geven wijzigingen in het familierecht aanleiding, de wet te wijzigen.</p>
                        <p docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.1.6">Mevrouw de voorzitter! Ik kom toe aan de inhoudelijke behandeling van de wetswijziging. De wetswijziging levert, waar het familierechtelijke aanpassingen betreft, geen stof voor uitgebreide discussie op. Echter, de uitvoering van de bijschrijving van kinderen, in combinatie met een pasfoto bij invoering van het nieuwe paspoort in april 2001, roept bij de VVD-fractie de vraag op hoe zal worden omgegaan met het snel veranderende uiterlijk van jonge kinderen in relatie tot de in het paspoort opgenomen foto. Deze werkwijze sluit naar mening van de VVD-fractie fraude, bijvoorbeeld bij kindersmokkel, zeker niet uit. De VVD-fractie hoort daarover graag de visie van de minister.</p>
                        <p docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.1.7">In de wetswijziging wordt aangifte bij vermissing verplicht gesteld. De VVD-fractie kan hier in principe mee instemmen, zij het onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat het niet resulteert in administratievelastenverzwaring. De minister heeft bij eerder overleg aangegeven dat hiervan geen sprake zal zijn. Graag hoort mijn fractie welke mogelijkheden de minister ziet om een en ander te monitoren, waarbij in de rapportage ook verslag wordt gedaan van de effectiviteit van de maatregel. De VVD-fractie heeft bij eerder overleg gevraagd te komen tot één paspoortregister. Het voorstel is om te werken met een basisregister reisdocumenten, naast het register paspoortsignalering. De VVD-fractie hoort graag van de minister gegronde argumenten waarom een geïntegreerd systeem vooralsnog niet mogelijk is.</p>
                        <p docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.1.8">Mevrouw de voorzitter! Het voorliggende wetsvoorstel spreekt over het begrip gegrond vermoeden, bijvoorbeeld bij misbruik. Bij hantering van het begrip gegrond vermoeden ligt de rechtsongelijkheid op de loer, in het bijzonder waar het gaat om het weigeren dan wel het vervallen verklaren van een paspoort. De VVD-fractie vraagt de minister om duidelijke richtlijnen te formuleren met betrekking tot het te hanteren begrip, om zo het gevaar van rechtsongelijkheid uit te sluiten.</p>
                        <p docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.1.9">Mevrouw de voorzitter! Ik kom hiermee tot de afronding van mijn betoog. Na invoering van deze wetswijziging ligt het in de lijn der verwachting dat de invoering van het nieuwste paspoort in april 2001 zal plaatsvinden. Bij de presentatie van het eerste exemplaar door de minister op 22 juni jl. heeft de minister opmerkingen gemaakt over de veiligheidsgraad van het nieuwe paspoort. "De VVD-fractie vraagt de minister aan te geven hoe de door hem geuite opmerking over een 99% veilig paspoort moet worden geïnterpreteerd". Ik citeer hier De Telegraaf van 23 juni. Hoort de resterende 1% bij het aantal fraude- en misbruikgevallen bij het huidige paspoort, zoals dat op dit moment bekend is, of krijgt de Nederlandse burger vanaf 2001 te maken met een echt veilig en fraudebestendig paspoort?</p>
                        <p docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.1.10">Mevrouw de voorzitter! De VVD-fractie heeft een sterke voorkeur voor het laatste.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.2.1">Ik feliciteer de heer De Swart met zijn maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.3">
                        <p docno="h-tk-19992000-6612-6621.1.2.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Ik feliciteer de heer De Swart met zijn maidenspeech.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="De Wit" MPid="02940" party="SP" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="1998-06-17" topic="Strafmaat" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-19971998-5910-5927.xml?view=nl/proceedings#h-tk-19971998-5910-5927.1.6" which-speech-in-topic="5" number-of-paragraphs="10" number-of-words="1110" number-of-unique-words="454" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Openbare orde en veiligheid <pm:entity> Criminaliteit</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Recht <pm:entity> Strafrecht</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Weekers" MPid="02247"/>
                <speaker name="Dittrich" MPid="02512"/>
                <speaker name="Halsema" MPid="02220"/>
                <speaker name="Schutte" MPid="02676"/>
                <speaker name="De Wit" MPid="02940"/>
                <speaker name="Kalsbeek-Jasperse" MPid="02961"/>
                <speaker name="Van de Camp" MPid="02793"/>
                <speaker name="Sorgdrager" MPid="01622"/>
                <speaker name="Weekers" MPid="02247"/>
                <speaker name="Dittrich" MPid="02512"/>
                <speaker name="Halsema" MPid="02220"/>
                <speaker name="Schutte" MPid="02676"/>
                <speaker name="De Wit" MPid="02940"/>
                <speaker name="Sorgdrager" MPid="01622"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer De Wit, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6" speaker="De Wit" party="SP" function="De heer" title="De heer De Wit  (SP)" MPid="02940">
                    <speech party="SP" docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.1" speaker="De Wit" function="De heer" MPid="02940">
                        <stage-direction type="spreker">De heer De Wit (SP)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>De Wit</naam>
                                <partij>SP</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.1.2">Mevrouw de voorzitter! Artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht wordt steeds meer gebruikt door justitie. Dat blijkt uit de cijfers die de minister noemt in de nota naar aanleiding van het verslag, maar wij weten ook dat het niet altijd met succes wordt gebruikt. Ik noem hier de zaak tegen het journalistencollectief Opstand, de rellen rond de Eurotop in Amsterdam vorig jaar en de voetbalrellen in Beverwijk.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.1.3">Het wetsvoorstel waar wij het vandaag over hebben, bedoelt de strafmaat van artikel 140 te verhogen. Het gaat dan om criminele organisaties zoals die aan de orde zijn in de parlementaire enquête Van Traa, zo noem ik het maar gemakshalve. Speciaal heeft de minister op het oog organisaties van de grote drugsbaronnen. Het grote gebrek van dit wetsvoorstel is naar de mening van de SP-fractie dat het onvoldoende duidelijkheid verschaft wat nu onder "criminele organisatie" moet worden verstaan. Dat heeft twee consequenties.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.1.4">In de eerste plaats kan er strafvervolging worden ingesteld terwijl er geen sprake is van een criminele organisatie. Bij de zaken rond de Eurotop in Amsterdam hield de rechter bijvoorbeeld dat hele begrip "criminele organisatie" in het midden. De door mij genoemde voorbeelden maken duidelijk dat artikel 140 steeds verder wordt opgerekt. Het lijkt erop alsof justitie redeneert: als je niets beters weet, dan pak je maar artikel 140. De SP-fractie heeft in de eerdere debatten over artikel 140 gezegd dat dit onaanvaardbaar is. Het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken, leidt ertoe dat het begrip "criminele organisatie" nog verder wordt opgerekt. Ik constateer met de Nederlandse orde van advocaten, die spreekt over "aantrekkende werking", dat er inderdaad sprake is van een reëel risico, dat er sprake is van oprekkende werking.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.1.5">De tweede consequentie is dat er mogelijk geen strafvervolging wordt ingesteld terwijl er wel sprake is van een criminele organisatie. Zoals gezegd, denkt justitie bij dit wetsvoorstel aan de drugsbaronnen, aan de zware georganiseerde misdaad. Is dat niet een te eenzijdige opvatting? In de Volkskrant van 7 mei van dit jaar spreekt Van Duyne van een achterhaald misdaadbeeld. De vraag is gerechtvaardigd of er wel zoveel verschil bestaat tussen de zaak van drugshandelaars zoals de Hakkelaar en die van bijvoorbeeld de familie Van der Valk. De eerste wil zoveel mogelijk geld verdienen door handel in drugs, de tweede doet dit door het stelselmatig tillen van de belasting. De hele administratie van dat bedrijf was nota bene daarop ingericht. Beiden richten grote schade aan. Toch wordt bij de één artikel 140 ten laste gelegd en bij de ander niet. De eerste is dus volgens justitie een zwaardere crimineel dan de tweede. Dientengevolge is ook de opgelegde straf verschillend: gevangenisstraf voor de eerste en dienstverlening voor de tweede. Justitie meet naar mijn oordeel op die manier met twee maten. Bovenkerk noemt dit in datzelfde artikel in de Volkskrant een selectief vervolgingsbeleid van justitie.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.1.6">Nu de minister in het wetsvoorstel geen omschrijving geeft van het begrip "criminele organisatie", is het wetsvoorstel niet helder en moet zij niet vreemd opkijken als haar straks klassenjustitie wordt verweten of arrogantie van de macht. Ik doel dan op de opmerkingen zoals door hoofdcommissaris Nordholt gemaakt bij de Eurotop, in de trant van "zij zitten toch maar mooi vast". Daarmee zijn wij eigenlijk terug bij het eind van de jaren zestig, toen de toenmalige hoofdcommissaris van politie in Amsterdam, Koppejan geheten, demonstranten in vrachtwagens oplaadde en buiten de stad afzette, de inmiddels beruchte methode-Koppejan. Vindt de minister dat het wetsvoorstel wel voldoende helder omschrijft op welke criminele organisatie het nu van toepassing is? Wat vindt zij van de suggestie van Van Duyne om het begrip "criminele organisatie" te vervangen door het meer objectieve begrip "misdaadonderneming", om op die manier selectieve vervolging juist uit te sluiten?</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.1.7">Vervolgens wil ik ingaan op enkele onderdelen van het wetsvoorstel. Het begrip "leiderschap" wordt ingevoerd, naar de mening van de SP-fractie ook een onduidelijk begrip. Volgens de minister ben je al leider van een criminele organisatie als je initiatieven ontplooit, mits die maar worden nagevolgd. Daaruit zou gezag moeten blijken. Het zou erop neer kunnen komen dat wanneer de één de ander nadoet, de één wordt aangemerkt als leider en de ander niet. Het begrip "leider" is veel te vaag en ook niet nodig, nu de rechter in de praktijk uit de voeten kan met de reeds bestaande begrippen "bestuurder" en "oprichter".</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.1.8">Het wetsvoorstel maakt het verder mogelijk dat voorbereidingshandelingen strafbaar worden gesteld. Daar zit het volgende probleem. Nu het strafbare feit van een criminele organisatie op zich al iets van voorbereiding in zich heeft, wordt in wezen de voorbereiding van de voorbereiding strafbaar. Het Crimineel jaarboek 1998 spreekt in dit verband van een ongebreidelde uitbreiding van de voorbereidingshandeling. Graag hoor ik hierop de visie van de minister.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.1.9">Dan de strafmaat. Op zich kun je je bij langdurige straffen afvragen wat daarvan de zin is. Waar gaat het bij straffen om? Om vergelding of afschrikking? De criminelen op wie de minister doelt, zullen van de verhoging van de strafmaat met een jaar niet onder de indruk zijn. Afschrikkende werking heeft het dan ook nauwelijks. Ook hierover hoor ik graag de mening van de minister.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.1.10">Dit alles brengt de SP-fractie tot de conclusie dat het wetsvoorstel niet goed doordacht is, dat het een hoog spierballentaalgehalte heeft, bedoeld voor de zware jongens, maar dat het in de praktijk een heleboel onduidelijkheid en onzekerheid veroorzaakt. Dit brengt mij terug bij het debat in de Kamer van 26 juni vorig jaar, toen de SP-fractie een motie indiende, waarin de regering werd gevraagd met een notitie te komen over artikel 140 en het begrip "criminele organisatie", waarin wordt uiteengezet wat dat artikel nu precies bedoelt, waarop het van toepassing is en waarin ook nadere richtlijnen worden voorgesteld ter afbakening van de toepassing van het artikel. Helaas werd die motie verworpen. De vele vragen die het huidige wetsvoorstel oproept, maken naar de mening van de SP-fractie de noodzaak van een notitie opnieuw duidelijk. De SP-fractie zou het daarom beter vinden indien eerst de notitie komt, waarna vervolgens bekeken wordt of het huidige wetsvoorstel nog wel te handhaven is. Ik hoor graag wat de minister vindt van dit voorstel.</p>
                        <p docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.1.11">Mevrouw de voorzitter! Nu dit een van de laatste mogelijkheden is om het de minister te vragen, zou ik graag van haar vernemen hoe het staat met het onderzoek naar de tweedeling in de rechtspraak, dat zij de SP-fractie toezegde in het beleidsdebat over Justitie in de Eerste Kamer op 3 juni 1997. Is dat onderzoek al gestart en wanneer kunnen wij de resultaten ervan tegemoetzien?</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.2.1">Ik feliciteer de heer De Wit met zijn maidenspeech.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.3">
                        <p docno="h-tk-19971998-5910-5927.1.6.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Ik feliciteer de heer De Wit met zijn maidenspeech.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Dibi" MPid="" party="GroenLinks" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2007-01-17" topic="Justitie" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20062007-2011-2032.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20062007-2011-2032.1.12" which-speech-in-topic="11" number-of-paragraphs="6" number-of-words="545" number-of-unique-words="293" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Wolfsen" MPid="02349"/>
                <speaker name="Spekman" MPid="03076"/>
                <speaker name="Dijsselbloem" MPid="02200"/>
                <speaker name="Van Haersma Buma" MPid="02316"/>
                <speaker name="Sterk" MPid="02337"/>
                <speaker name="De Wit" MPid="02940"/>
                <speaker name="Teeven" MPid="02336"/>
                <speaker name="De Roon" MPid="03126"/>
                <speaker name="Fritsma" MPid="03131"/>
                <speaker name="Azough" MPid="02302"/>
                <speaker name="Dibi" MPid=""/>
                <speaker name="Huizinga-Heringa" MPid="02320"/>
                <speaker name="Pechtold" MPid="02993"/>
                <speaker name="Van der Staaij" MPid="02252"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Dibi, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20062007-2011-2032.1.12" speaker="Dibi" party="GroenLinks" function="De heer" title="De heer Dibi  (GroenLinks)" MPid="">
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-20062007-2011-2032.1.12.1" speaker="Dibi" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Dibi (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Dibi</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20062007-2011-2032.1.12.1.2">Voorzitter. De commissie-Blok concludeerde een tijdje geleden dat de integratie grotendeels ondanks en niet dankzij het kabinetsbeleid tot stand is gekomen, net als de huidige economische groei. Toch heeft het afgelopen jaar integratie hoog op de politieke agenda gestaan en terecht.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2011-2032.1.12.1.3">Allereerst ga ik in op de &amp;-campagne, die te kostbaar is geweest, tot weinig of geen resultaten heeft geleid en dankzij desintegrerende uitspraken van de minister vanaf het startsein ongeloofwaardig is geweest. Hoe rijmt minister Verdonk achteraf de uitlatingen over het lagere incasseringsvermogen van islamitische Nederlanders met de als verzoenend bedoelde &amp;-campagne?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2011-2032.1.12.1.4">Ik kom bij het lachwekkende antidiscriminatiebeleid. Het heeft geleid tot de voorpagina van het verkiezingsprogramma van de VVD, maar voor vrouwen, chronisch zieken en gehandicapten, ouderen en allochtonen heeft het niet geleid tot meer werk, een stageplek, een hypotheek of soms zelfs autorijles, uit angst voor daling van het slagingspercentage. Wat gaat de minister zo snel mogelijk doen om hierin verandering te brengen? Een motie van de leden Bussemaker en Weekers om tot een actief opsporingsbeleid te komen van discriminatie op de werkvloer heeft mijn inziens nog niet geleid tot enige verandering. Wat gaat de minister doen om de Commissie Gelijke Behandeling te versterken en om de Arbeidsinspectie een actievere rol te geven? Wat vindt hij bijvoorbeeld van een bestuurlijke boete bij de Arbeidsinspectie en van het feit dat de Commissie Gelijke Behandeling een zwarte lijst van naming and shaming zou kunnen opstellen waarop werkgevers die discrimineren met naam en toenaam worden genoemd? De heer Teeven zeg ik dat het raadzaam is dat politici rechtelijke instanties, en commissies als de Commissie gelijke behandeling met enige terughoudendheid benaderen, omdat zij over individuele gevallen gaan.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2011-2032.1.12.1.5">Hierop aansluitend vraag ik hoe het toch kan dat de minister organisaties pas subsidieert als zij een bepaald aandeel jongeren en vrouwen in het bestuur hebben, terwijl zijn eigen en veel andere ministeries weinig diversiteit vertonen.</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2011-2032.1.12.1.6">Ik sluit mij aan bij een vraag van de heer Dijsselbloem over het LOM-samenwerkingsverband. Ik heb de minister enkele keren ontmoet in mijn hoedanigheid van bestuurslid van één van de samenwerkende organisaties. Ik heb bij die gelegenheid felle kritiek geuit, maar kreeg toen, zelfs van de voorzitter, te horen dat ik mij koest moest houden omdat de minister deze organisaties subsidieert. Wat vindt de minister van deze overlegstructuur en wat raadt hij een volgend kabinet op dit punt aan?</p>
                        <p docno="h-tk-20062007-2011-2032.1.12.1.7">De basis van elke beschaving is het onderwijs aan haar jeugd, die klaargestoomd wordt om actief te participeren in onze samenleving. Met 57.000 drop-outs per jaar, een kwart van de allochtone jongeren werkloos en de probleemwijken die minister Winsemius zo treffend benoemde, is deze basis mijns inziens in gevaar. Daarom concludeer ik dat de integratie door de voorgaande kabinetten-Balkenende vanuit het ministerie van Justitie in de beschuldigende sfeer is geplaatst, en niet in de participerende sfeer. In dit laatste ligt de kern van integratie. Ik zie uit naar een nieuw integratiebeleid van een nieuw kabinet, dat een verzoenend integratiebeleid zou moeten zijn. Ik overweeg hierover in tweede termijn een motie in te dienen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20062007-2011-2032.1.12.2" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20062007-2011-2032.1.12.2.1">Ik heb de eer, u als eerste te mogen feliciteren met uw maidenspeech. Ik schors de vergadering om ook de collega's de kans te geven, u te feliciteren.</p>
                    </speech>
                    <stage-direction type="draad" docno="h-tk-20062007-2011-2032.1.12.3">
                        <p docno="h-tk-20062007-2011-2032.1.12.3.1">De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.</p>
                    </stage-direction>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie>Ik heb de eer, u als eerste te mogen feliciteren met uw maidenspeech. Ik schors de vergadering om ook de collega's de kans te geven, u te feliciteren.</felicitatie>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Dibi" MPid="" party="GroenLinks" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2008-06-12" topic="Natuurbeschermingswet" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20072008-6776-6814.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20072008-6776-6814.1.9" which-speech-in-topic="8" number-of-paragraphs="5" number-of-words="2483" number-of-unique-words="836" number-of-interruptions="7">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Natuur en milieu <pm:entity> Natuur- en landschapsbeheer</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Polderman" MPid="03133"/>
                <speaker name="Jacobi" MPid="03079"/>
                <speaker name="Cramer" MPid="03072"/>
                <speaker name="Van der Vlies" MPid="02682"/>
                <speaker name="Snijder-Hazelhoff" MPid="02289"/>
                <speaker name="Graus" MPid="03128"/>
                <speaker name="Jager" MPid="02375"/>
                <speaker name="Dibi" MPid=""/>
                <speaker name="Ouwehand" MPid="03108"/>
                <speaker name="Verburg" MPid="02246"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Dibi. Dat is niet echt een maidenspeech, maar wel de eerste keer dat hij op dit terrein een steentje bijdraagt.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9" speaker="Dibi" party="GroenLinks" function="De heer" title="De heer Dibi  (GroenLinks)" MPid="">
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.1" speaker="Dibi" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Dibi (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Dibi</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.1.2">Mijn eerste keer in de natuur, voorzitter. Om te beginnen een compliment aan de heer Polderman. Het is raar om dat als jonkie tegen een ouder Kamerlid te zeggen, maar toen ik hem hoorde, leek het alsof hij hier al heel vaak het woord had gevoerd. Heel veel succes in de toekomst!</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.1.3">Wij spreken vandaag over de wijziging van de Natuurbeschermingswet die in 1998 in het leven is geroepen om een wettelijke grondslag te geven aan de bescherming van onze natuur en ons landschap. Bij de beoordeling van de voorliggende wetswijziging dient dan ook in de eerste plaats gekeken te worden naar het realiseren van de natuurdoelstellingen. Er komt een evaluatie aan van de natuurwetgeving: de Boswet, de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet uit 1998. Voordat wij op basis van die evaluatie tot verdere stappen kunnen komen, ligt er alweer een ingrijpende wijziging op tafel. Helaas wordt er met dit wetsvoorstel vooruit gelopen op de komende evaluatie van de natuurwetgeving. Het is voor de fractie van GroenLinks voorbarig om op dit moment een wijziging van de Natuurbeschermingswet te bespreken terwijl de resultaten van de evaluatie van diezelfde wet nog enkele maanden op zich laten wachten. Dit was het procedurele gedeelte van mijn bijdrage. Dat vind ik, ook getuige het spoeddebat over de wachtlijsten in de jeugdzorg van vanochtend, ondergeschikt aan de inhoud.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.1.4">De fractie van GroenLinks vindt de wetswijziging een natuurramp. De minister moet kiezen en de keuze is helder. Kiest zij voor een land dat straks helemaal vol is gebouwd met blokkendozen of wordt het een Nederland met ruimte voor flora, fauna en mensen? Ik kies voor een land waarin mensen wonen, werken en recreëren, maar waarin ook ruimte is voor natuur en biodiversiteit. De kern van dit debat ligt voor mij dan ook in de balans tussen economie en ecologie. Zoals gewoonlijk lijken wij alleen te gaan voor economische belangen en niet voor natuurbescherming of maatregelen tegen de klimaatverandering.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.1.5">Het wetsvoorstel beoogt de bestaande wetgeving af te zwakken onder het mom van het reguleren van bestaand gebruik en stelt dat de vergunningsplicht alleen gaat gelden voor significante verstoringen van de Natura 2000-gebieden, een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Voor Nederland gaat het in totaal om 162 gebieden. Waar voorheen een vergunningsplicht gold voor verstorende en verslechterende effecten op het beschermd gebied, is nu gekozen voor een vaag en subjectief criterium. Wanneer is er sprake van een "significante verstoring"? Is daarvan pas sprake wanneer er weer een diersoort uitsterft? Nederland heeft zich, net als andere landen in Europa, vastgelegd op internationale, Europese en nationale doelstellingen. Die gaan wij volgens het Milieu- en Natuurplanbureau niet halen, sterker nog: wij gaan de verkeerde kant uit. Dit baart mij grote zorgen.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.1.6">De Europese Commissie heeft onlangs Frankrijk een laatste waarschuwing gegeven over de Elzasser hamster. Het beestje dreigt uit te sterven als het niet beter wordt beschermd. Ik loop nu het gevaar dat ik op de heer Graus ga lijken! Brussel stapt naar het Europese Hof van Justitie als Frankrijk geen aanpassingen doet in de landbouw en de stedenbouw die de leefomgeving van de hamster verwoesten. Voor sommige mensen lijkt dit insignificant, maar als Europese zoogdieren met uitsterven worden bedreigd, is dat een noodkreet van moeder Natuur. Ook in Nederland krijgen wij geregeld wake up-calls van de natuur over bedreigde vogelsoorten. Ik snap in dit licht de inbreng van de heer Graus niet helemaal. Hij komt altijd op voor dierenrechten en vindt dat de minister zich er als een leeuw voor moet werpen als dierenmishandelaars onze dieren iets aandoen. Toch is hij erg meegaand over deze wetswijziging. Het gaat hier wel degelijk om het bestaan van dieren in Nederland.</p>
                    </speech>
                    <speech party="ChristenUnie" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.2" speaker="Cramer" function="De heer" MPid="03072">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Cramer (ChristenUnie)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Cramer</naam>
                                <partij>ChristenUnie</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.2.2">Ik complimenteer de heer Dibi die dan wel niet zijn maidenspeech houdt, maar toch zeer ingewerkt lijkt in dit voor hem nieuwe dossier.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.2.3">De heer Dibi vraagt zich af wat "significant" nu precies inhoudt. Als het echter wordt weggelaten, staat er een nog vagere tekst. Hoe beoordeelt hij die?</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.3" speaker="Dibi" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Dibi (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Dibi</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.3.2">Daarover zijn de heer Cramer en ik het nu juist eens. Dat wil ik echter niet bezien voordat er een evaluatie komt van alle samenhangende wetgeving. Dat is mijn grootste punt. Waarom gaan wij nu al een wetswijziging doorvoeren? Wij hebben, misschien verwijtbaar, sommige dingen in het verleden niet helemaal goed gedaan, zoals de heer Jager al zei. Dat gebeurde omdat het te moeilijk was, zo zei hij letterlijk. Dan moeten wij het nu aan laten komen op een moment waarop wij allemaal precies weten wat de feiten zijn. Wij lossen het probleem niet op door nu een volgens de heer Cramer vaag criterium te vervangen door een nog steeds vaag criterium.</p>
                    </speech>
                    <speech party="ChristenUnie" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.4" speaker="Cramer" function="De heer" MPid="03072">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Cramer (ChristenUnie)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Cramer</naam>
                                <partij>ChristenUnie</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.4.2">Op zich kan ik de redenering van de heer Dibi volgen. Met het toevoegen van het woord significant sluiten wij echter wel aan bij wat in de richtlijnen staat. Daarmee hebben wij het luik gesloten waarover nu wel eens strijd is bij het beoordelen van vergunningen. Dat is nu de relevantie van het woord significant. Ik ben het met de heer Dibi eens dat wij daar wel een nadere duiding aan moeten geven.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.5" speaker="Dibi" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Dibi (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Dibi</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.5.2">Daar ben ik het op zichzelf mee eens. Alleen wat is die nadere duiding dan? Als "significant" tot effect heeft dat de natuurdoelstellingen waar wij ons ook aan gecommitteerd hebben, niet gehaald of mogelijk verslechterd worden, dan houden wij ons ook niet aan de afspraak. Wij houden ons dus op twee terreinen niet aan de afspraak. Die liggen op gespannen voet met elkaar. De heer Cramer zegt eigenlijk ook dat wij met deze wetswijziging geen oplossing voor het probleem creëren. Hij zegt immers dat "significant" een nadere duiding moet krijgen. Die is er nu niet. Dus waarom zou hij dan instemmen met deze wetswijziging?</p>
                    </speech>
                    <speech party="ChristenUnie" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.6" speaker="Cramer" function="De heer" MPid="03072">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Cramer (ChristenUnie)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Cramer</naam>
                                <partij>ChristenUnie</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.6.2">Wij lossen wel een probleem op. Dat heeft te maken met het systeem van de huidige rechtspraak. Er lopen nu vergunningen. Met een wijziging van deze wet kunnen wij daar in ieder geval helderheid in bieden. Wij geven op dit moment de duidelijkheid die er nodig is. Ik ben het inderdaad met de heer Dibi eens dat wij naar een nadere duiding van het begrip "significant" toe moeten.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PVV" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.7" speaker="Graus" function="De heer" MPid="03128">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Graus (PVV)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Graus</naam>
                                <partij>PVV</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.7.2">Er zijn twee punten waar ik even kort op wil reageren. Dat is allereerst de hamster. Nogmaals, ik denk dat de heer Dibi eerder op de Partij voor de Dieren doelt dan op de Partij voor de Vrijheid. Wij strijden inderdaad samen met zijn fractievoorzitter voor dierenrechten in de Grondwet. Mijn fractievoorzitter heeft daarvoor zelfs een amendement ingediend. Maar ik zie niet in wat dat te maken heeft met dit debat. Ik scheid dat heel correct. Ik doe ook economische zaken, en daar praat ik ook nooit over dierenwelzijn. Ik weet niet waarom mij dat nu hier voor de voeten wordt geworpen. Ik ben mij bovendien van geen kwaad bewust, want ik heb niets gezegd wat het dierenwelzijn in gevaar zou kunnen brengen.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.8" speaker="Dibi" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Dibi (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Dibi</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.8.2">Het gaat niet om uw woorden, maar om de wetswijziging. Ik noemde de hamster omdat die wordt bedreigd in zijn leefomgeving door landbouw en stedenbouw. Wij beogen met deze wetswijziging dat er meer ruimte komt voor ondernemers om bedrijvigheid te creëren rondom kwetsbare natuurgebieden. Dat kan ertoe leiden dat diersoorten daar negatieve gevolgen van ervaren. Misschien is het een beetje moeilijk, maar er is echt sprake van een causaal verband. De aanwezigheid van allerlei ondernemers in een gebied waar allerlei diersoorten leven en de biodiversiteit daar, staan met elkaar op gespannen voet. Ik zal zo nog een voorbeeld geven.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.9" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.9.1">Dat zou ik maar niet doen, gezien de tijd.</p>
                    </speech>
                    <speech party="PVV" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.10" speaker="Graus" function="De heer" MPid="03128">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Graus (PVV)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Graus</naam>
                                <partij>PVV</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.10.2">Ik zie het verband nog steeds niet. Wij zijn voor dierenrechten en dierenwelzijn. Wij hebben het nu meer over bedrijven, boeren en dat soort zaken gehad. Ik zie ook niet de dreiging daarvan. Dat er dieren uitsterven, dat is gewoon de evolutie van de aarde. Je ziet ook geen mammoet meer rondlopen. Meer dieren zijn uitgestorven. Je kunt niet alles tegenhouden door wet- en regelgeving. Sommige dieren sterven gewoon uit. Dat vind ik ook heel triest, als dierenambassadeur en dierenliefhebber, maar het is niet anders.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.11" speaker="Dibi" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Dibi (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Dibi</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.11.2">Voorzitter. Ik kan niet zoveel met opmerkingen als "vroeger was het allemaal beter" of "dit is gewoon de evolutie van de aarde". Dat zijn heel simplistische voorstellingen van een weerbarstige werkelijkheid.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.11.3">In dat licht snap ik ook niets van de voorliggende wetswijziging. De duinen boven Zandvoort tonen het bewijs voor de positieve invloed die natuurbescherming op de biodiversiteit kan hebben. Nadat het waterleidingbedrijf PWN er stopte met het winnen van drinkwater, nam de verdroging af en keerden zeldzame planten en dieren er, geholpen door natuurbeschermers, terug. Deze zogeheten Kennemer Duinen zijn onderdeel van de Natura 2000-gebieden waar in 2010 de daling van de biodiversiteit gestopt moet zijn. Het Planbureau voor de Leefomgeving stelt dat de doelstellingen niet gehaald zullen worden. Dan is het des te onbegrijpelijker dat de minister de Natuurbeschermingswet aan het uitkleden is, terwijl juist extra inspanningen nodig zijn. Alle deskundigen stellen dat met de huidige maatregelen de internationale doelstellingen irreëel zijn en dat actie noodzakelijk is, niet alleen uit het oogpunt van natuurbescherming maar ook vanuit het oogpunt van volksgezondheid.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.11.4">Hoogleraar biodiversiteit Wim van der Putten zegt daarover: ziekten en plagen vormen een steeds grotere bedreiging als de natuurlijke vijanden verdwijnen van organismen die ze overbrengen. Ik zie de minister nu een beetje lachen. Zij vindt het waarschijnlijk een heel grote stap, maar die dingen staan echt wel in relatie tot elkaar. Daar waar Nederland ooit de ambitie had om een van de koplopers te zijn op het gebied van natuurbescherming is er nu letterlijk sprake van een "race to the bottom".</p>
                    </speech>
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.12" speaker="Jager" function="De heer" MPid="02375">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Jager (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Jager</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.12.2">Sommige soorten sterven uit en sommige soorten komen terug. Wij zien ook in de grote steden dat bepaalde vogelsoorten zoals huismus vertrekken, althans niet meer in grote mate voorkomen, en dat parkieten daarvoor terugkomen. Dat is een heel andere soort. Dit gebeurt ook vanwege de temperatuurwisseling. Moet je dan niet alleen kijken naar soortenbeheer, maar bijvoorbeeld ook naar meer dynamisch natuurbeheer?</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.13" speaker="Dibi" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Dibi (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Dibi</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.13.2">Op zich ben ik het daarmee eens. Ik ben het ook met de heer Jager eens als hij zou zeggen dat het verdwijnen van diersoorten of het komen van nieuwe diersoorten niet altijd alleen maar met natuurbescherming te maken heeft, maar ook met externe factoren waarop wij weinig invloed hebben. De voorbeelden die ik zojuist gaf, zijn echter voorbeelden die juist laten zien dat dingen die je op nationaal niveau doet echt effect hebben op de biodiversiteit en op de aanwezigheid van bepaalde dieren. Maar ja, dynamisch natuurbeheer is inderdaad prima, als dat maar niet betekent dat je daarmee de economische belangen voorop gaat stellen boven de ecologische belangen. Ik denk dat wij daarover niet van mening verschillen.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.14" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.14.1">Dank u wel. Ik dacht dat u klaar was.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.15" speaker="Dibi" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Dibi (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Dibi</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.15.2">Nee, ik ben nog niet klaar, voorzitter, sorry.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.15.3">Ik sprak zojuist vanuit het oogpunt van de volksgezondheid. Je kunt er inderdaad van alles bij betrekken. De eerste en mijn belangrijkste vraag aan de minister is, of ik vandaag spreek met de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of met de minister voor Woningbouw, Infrastructuur en Bedrijvigheid? Is de minister bereid deze wetswijziging in te trekken totdat wij alle samenhangende wetgeving hebben geëvalueerd? Waarom is er nu een wetswijziging nodig? Wat is volgens de minister het probleem – ik heb al andere partijen daarover gehoord – dat door deze wetswijziging wordt opgelost? Hoe reageert de minister op de uitspraken van deskundigen dat met de huidige inspanningen de doelstellingen nooit zullen worden behaald? Is de minister bereid, extra inspanningen te leveren om de doelstellingen wel te behalen? Garandeert de minister dat wij niet in allerlei juridische procedures zullen vervallen door de beoogde wetswijziging? Er wordt immers gewezen op allerlei procedures die er nu zijn, maar het wordt waarschijnlijk ook een feestje voor juristen met deze wetswijziging.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.15.4">Aangezien ik dit debat van de fractie moest doen, zal ik er maar mijn stempel op drukken. Dit is mijn laatste punt. Natuurbeleving lijkt zo vanzelfsprekend, maar als je niet oplet, word je op een dag wakker en is dat beetje bij beetje verdwenen. De boerenzwaluw heeft bijvoorbeeld modder nodig om een nest te bouwen. Doordat wij alles asfalteren, krijgt hij het steeds moeilijker. Zo is er voor iedere kwetsbare soort wel een reden te geven waarom het slechter gaat. Wat houd je dan over voor de toekomstige generaties?</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.15.5">Ik ben zelf in Vlissingen geboren. Ik heb dus volop kunnen genieten van de natuur en dat heeft mijn kijk op de wereld zeer vergroot. Stel dat je uit de grote stad komt of dat wij de verrommeling van het landschap in deze vaart voortzetten, dan is er voor de volgende generatie weinig natuur te beleven. Sla een willekeurige krant of magazine er op na: kinderen die nog volop ervaringen opdoen in de natuur zijn haast zelf een bedreigde diersoort. Natuur is ver en is buiten. Waarom zou je als kind een boom beklimmen als je Google Earth hebt? Waarom zou je soldaatje spelen als je de World of Warcraft hebt? Dat is een zeer populair spelletje. In te veel steden zijn groene plekken waar je als jongen gewoon je gang kunt gaan schaars.</p>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.15.6">Natuurbeleving is niet alleen een verrijking voor deze grotestedelingen, maar zal hen ook inspireren om zelf een bijdrage te leveren aan de natuurbescherming in de toekomst. Ik vraag de minister daarom om de natuurbeleving onder jongeren een impuls te geven. Is zij bereid, met een plan te komen om jongeren bijvoorbeeld in de Vogelaarwijken te laten kennismaken met onze beschermde natuurgebieden? En, zo ja, hoe wil zij dat doen?</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.16" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.16.1">De relatie met het debat ontging mij een beetje, maar ik vond het wel mooi.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.17" speaker="Dibi" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Dibi (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Dibi</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.17.2">Als wij natuurbescherming in de toekomst ...</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.18" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.18.1">Nee, nee, u moet dat niet gaan uitleggen, want volgens mij bent u op dit moment buiten de orde.</p>
                    </speech>
                    <speech party="CDA" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.19" speaker="Jager" function="De heer" MPid="02375">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Jager (CDA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Jager</naam>
                                <partij>CDA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.19.2">Ik ben het ermee eens dat je mensen meer bij die natuurbeleving moet betrekken. Ik vind het uitstekend dat daarvoor verschillende programma's lopen. Ik heb nog een vraag. De heer Dibi sprak over het aanleggen van asfalt. Ik wil niet zeggen dat dat altijd even goed is, maar bij de opening van de A30, waar dus een laag asfalt ligt en een talud is gegraven door mensen ten behoeve van de aanleg van die weg, zat dat talud vol met boerenzwaluwen, waardoor de weg tijdelijk niet kon worden geopend en vertraagd werd geopend. Ook menselijk handelen kan met de aanleg van asfalt soms een bijdrage leveren aan meer broedgebied voor vogels. Of niet?</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.20" speaker="Dibi" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Dibi (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Dibi</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.20.2">Ja, en daarom moet de overheid daar via beleid invloed op uitoefenen. Daaraan zitten allerlei verschillende kanten. Ik ga dus geen ongenuanceerd verhaal vertellen dat het meteen ten koste van de natuur zal gaan als je iets bouwt. Dat zeg ik niet. Maar de vraag is of deze wetswijziging niet zal leiden tot een verslechtering van de ecologische belangen en van de biodiversiteit. Dat is mijn hoofdvraag. Ik hoop dat de minister daarop een klip en klaar antwoord heeft.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.21" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.21.1">Dank u zeer.</p>
                    </speech>
                    <speech party="GroenLinks" docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.22" speaker="Dibi" function="De heer" MPid="">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Dibi (GroenLinks)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Dibi</naam>
                                <partij>GroenLinks</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.22.2">Alstublieft.</p>
                    </speech>
                    <speech docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.23" function="Voorzitter">
                        <p docno="h-tk-20072008-6776-6814.1.9.23.1">Wij zullen u nog missen.</p>
                    </speech>
                </scene>
            </maidenspeech>
            <felicitatie/>
        </speech>
    </maidenspeech>
    <maidenspeech speaker="Dijsselbloem" MPid="02200" party="PvdA" function="MP( De heer)" house="Tweede Kamer" date="2000-11-08" topic="Landbouw, Natuurbeheer en Visserij" url="http://mashup1.science.uva.nl:8080/nl/data/HAN1995/h-tk-20002001-1467-1494.xml?view=nl/proceedings#h-tk-20002001-1467-1494.1.5" which-speech-in-topic="4" number-of-paragraphs="21" number-of-words="2831" number-of-unique-words="926" number-of-interruptions="0">
        <meta>
            <pm:categories xmlns:pm="http://www.politicalmashup.nl">
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Begroting</pm:entity>
                </pm:entity>
                <pm:entity>Financiën <pm:entity> Organisatie en beleid</pm:entity>
                </pm:entity>
            </pm:categories>
            <speakers-in-topic>
                <speaker name="Stellingwerf" MPid="02544"/>
                <speaker name="Schreijer-Pierik" MPid="02253"/>
                <speaker name="Waalkens" MPid="02257"/>
                <speaker name="Dijsselbloem" MPid="02200"/>
                <speaker name="Vos" MPid="02547"/>
                <speaker name="Snijder-Hazelhoff" MPid="02289"/>
                <speaker name="Passtoors" MPid="02572"/>
            </speakers-in-topic>
        </meta>
        <speech>
            <announcement>Het woord is aan de heer Dijsselbloem, die zijn maidenspeech zal houden.</announcement>
            <maidenspeech>
                <scene docno="h-tk-20002001-1467-1494.1.5" speaker="Dijsselbloem" party="PvdA" function="De heer" title="De heer Dijsselbloem  (PvdA)" MPid="02200">
                    <speech party="PvdA" docno="h-tk-20002001-1467-1494.1.5.1" speaker="Dijsselbloem" function="De heer" MPid="02200">
                        <stage-direction type="spreker">De heer Dijsselbloem (PvdA)</stage-direction>
                        <stage-direction type="wie">
                            <wie>
                                <aanspr>De heer</aanspr>
                                <naam>Dijsselbloem</naam>
                                <partij>PvdA</partij>
                            </wie>
                        </stage-direction>
                        <p docno="h-tk-20002001-1467-1494.1.5.1.2">Voorzitter! Bescherming van natuurlijk bos, ontwikkeling van natuurmonumenten, bescherming van Antarctica, bescherming van open landschappen nabij de steden en verhoging van het budget voor verwerving van natuurgronden. Dit zijn niet mijn vijf hoofdthema's voor vandaag. Dit is de natuuragenda van de nog altijd mogelijk nieuwe president Al Gore. Ik begin hiermee om aan te geven dat wij hier weliswaar druk in debat zijn, maar dat wij ook gespitst zijn op de uitslag van de presidentsverkiezingen. Ik zie echter dat de voorzitter de gang van zaken op internet volgt. Ik geef haar toestemming om mij te interrumperen als er nieuws is!</p>
                        <p docno="h-tk-20002001-1467-1494.1.5.1.3">Het begrotingsdebat doorkruist ongelukkigerwijs het debat over de nieuwe natuurnota Natuur voor mensen. Dat debat is halverwege gestaakt omdat er nog onvoldoende zicht was op de financiële tekorten op het bestaande natuurbeleid. Rond het weekeinde ontvingen wij een brief van de staatssecretaris met gedetailleerde cijferreeksen over taakstelling, kosten en dekking. Ik ga hier straks uitgebreid o
