home publications teaching links

Wetenschappelijke feiten en postmoderne fictie in de wetenschapsgeschiedenis

cover

Oratie, gehouden bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de natuurkunde,

10 februari 1999

door

Anne J. Kox

 

Samenvatting: Aan de hand van een historische gebeurtenis, die vanuit verschillende perspectieven wordt belicht, wordt een kritisch beeld gegeven van een aantal moderne ontwikkelingen in de manier waarop wetenschapsgeschiedenis wordt beoefend.


 
 

Mijnheer de Rector Magnificus,

Leden van het Curatorium van deze leerstoel,

Geachte aanwezigen,

Ik wil proberen u in de komende vijfenveertig minuten een beeld te geven van wat mijn vak, de geschiedenis van de natuurkunde of, ruimer opgevat, de geschiedenis van de natuurwetenschap inhoudt. Ik wil dat doen aan de hand van een historische gebeurtenis die ik vanuit een aantal verschillende invalshoeken zal benaderen. Daaruit zal blijken dat zelfs een ogenschijnlijk simpele historische gebeurtenis op soms totaal verschillende manieren kan worden beschreven en geïnterpreteerd. Dat dit verstrekkende gevolgen kan hebben voor ons historisch begrip van de ontwikkeling van de natuurkunde zal hopelijk duidelijk worden. Bovendien zal blijken dat een historicus zijn vak niet goed kan beoefenen zonder zich voortdurend kritisch te bezinnen op de principes die hij hanteert.

Ik neem u meer dan honderd jaar mee terug in de tijd, naar een dag in september 1896, om precies te zijn naar woensdag 2 september 1896. De plaats van handeling is een experimenteerkamer in het natuurkundig laboratorium van de Universiteit van Leiden. Een zeer jeugdig ogende blonde man heeft zojuist een opstelling voltooid en gaat ermee aan de slag. Laat ik hem zelf aan het woord laten:

“Een stuk asbest, doortrokken met keukenzout wordt in knalgasvlam gebracht. Met Rowlands tralie wordt een spectrum ontworpen. Het deel bij de D lijnen met loupe van Fresnel bekeken. De lijnen zijn zeer scherp te krijgen. Wordt de magneet aangezet dan verbreeden zich de lijnen en wel zoveel tot ze 2 à 3 malen breeder worden. De stroom was 30 Amp. De verbreeding schijnt symmetrisch te zijn.”

De ingewijden onder u hebben inmiddels begrepen dat de experimentator Pieter Zeeman is (niet geheel ontoepasselijk bij deze gelegenheid) en dat we hier te maken hebben met de eerste beschrijving van een effect dat later het Zeeman-effect zou worden genoemd. In korte trekken komt dit effect erop neer dat de aanwezigheid van een magnetisch veld invloed heeft op de aard van het door een stof uitgezonden licht--in dit geval het karakteristieke gele licht van natrium, ons allen bekend van de verlichting langs de snelweg of, meer prozaisch, van een overkokende pan met in zout water opgezette aardappels. Om het vervolg van mijn betoog te kunnen begrijpen hoeft u niet meer te weten. Belangrijk is alleen om de cruciale zin: “Wordt de magneet aangezet dan verbreeden zich de lijnen...” in gedachten te houden.

Tot dusver lijkt alles helder en simpel. We hebben hier te maken met een historisch feit, beschreven door een ooggetuige tijdens of vlak na de gebeurtenis. Maar nu begint het werk van de historicus pas. Willen we echt historisch met deze gebeurtenis uit de voeten kunnen, dan moet er meer gebeuren. We kunnen bijvoorbeeld vragen naar de reden die Zeeman had om dit experiment te doen. We willen weten hoe het door hem waargenomen verschijnsel past of niet past in de natuurkunde van zijn tijd. We zouden ons zelfs kunnen afvragen of hier wel sprake is van een echt nieuw verschijnsel, of dat Zeeman het slachtoffer is geworden van zinsbegoocheling of gezichtsbedrog. Ik noemde zojuist de term Zeeman-effect: u zult begrijpen dat die benaming niet meteen die tweede september in zwang kwam. Wanneer gebeurde dat dan wel? Die vraag is belangrijk als we willen weten wanneer de wetenschappelijke gemeenschap het erover eens was dat er sprake was van iets nieuws dat het verdiende om een eigen naam te krijgen.

In het volgende wil ik proberen om te laten zien op welke manieren dit soort vragen kunnen worden beantwoord en u zult zien dat er nog flink gedebatteerd kan worden over de methode die moet worden gehanteerd en over de relevantie van de uitkomsten.

Ik begin met een simpel scenario dat je het heroïsche scenario zou kunnen noemen. Het is de aanpak die lang in de wetenschapsgeschiedenis in zwang is geweest. Dat scenario gaat zo: Zeeman was een briljant geleerde, met een ongelooflijke intuïtie. Hij had lang en diep nagedacht over de relatie tussen magnetisme en licht, en was tot de conclusie gekomen dat hij met behulp van het eerder beschreven experiment de invloed van magnetisme op licht zou kunnen aantonen. Dat gebeurde: het Zeeman-effect was ontdekt. Hij hoefde alleen nog maar te publiceren en dan kon hij wachten op het beroemde telegram uit Zweden dat de Nobelprijs aankondigt. De natuurkunde was een stap verder gekomen in zijn cumulatieve ontwikkeling en iedereen was tevreden.

Niet dus. Allereerst had Zeeman alleen maar een vage notie van wat hij te zien zou krijgen als hij door zijn kijkertje tuurde. Dat hij het experiment deed had als belangrijkste reden—althans, zo presenteert hij het en we hebben geen reden om daaraan te twijfelen—dat de door hem bewonderde Engelse natuurkundige Michael Faraday (1791–1867) het experiment ook al eens had gedaan, maar met minder krachtige apparatuur dan Zeeman en met negatief resultaat. Daar zien we dus al een nieuwe factor opduiken: Zeeman kon het experiment alleen doen bij de gratie van de aanwezigheid in het laboratorium van een krachtige magneet en van ander voor die tijd geavanceerd materiaal. Ook kunnen we ons gaan afvragen waarom Zeeman het experiment deed op die bewuste woensdag in 1896. Misschien had hij even zijn buik vol van de saaie metingen aan het geleidingsvermogen van vloeistofmengsels waar hij zich de weken daarvoor mee had beziggehouden. Misschien ook had hij zich even kunnen onttrekken aan het wakend oog van zijn chef, Heike Kamerlingh Onnes, die hem wellicht in zijn experimentele uitstapje zou hebben tegengehouden. U ziet het, het verhaal wordt al wat ingewikkelder: er zijn ook externe en “institutionele” factoren in het spel.

We volgen de gebeurtenissen wat verder in de tijd. In de loop van de maand september werkt Zeeman tussen de bedrijven door verder aan zijn opstelling. Hij probeert zekerheid te krijgen dat er hier werkelijk sprake is van een werking van het magnetisme, en niet van iets anders. Aan het eind van de maand voelt hij zich zeker genoeg om Kamerlingh Onnes erbij te halen. Die is voldoende onder de indruk om te besluiten dat er een publikatie aan gewijd mag worden. Dat wordt een artikel in de Zittingsverslagen van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Daarmee is meteen verklaard waarom Onnes zijn toestemming moest geven: Zeeman was geen Akademielid, maar Onnes wel en artikelen voor de Zittingsverslagen moeten door een lid worden ingediend.

Dat indienen vond plaats tijdens de vergadering van de afdeling Natuurkunde op zaterdag 31 oktober 1896. Zoals gebruikelijk werd daarbij de inhoud van het stuk aan de aanwezige leden gepresenteerd door het voorlezen van een samenvatting of misschien wel de hele inhoud. Dat had een snelle en belangrijke consequentie: de Leidse hoogleraar theoretische natuurkunde Hendrik Antoon Lorentz (1853–1928), bij wie Zeeman eerder assistent was geweest, kon de maandag volgende op de zaterdag van de vergadering al een theoretische verklaring voor het verschijnsel geven. Zoals Zeeman zich later herinnerde, riep Lorentz hem na het practicum bij zich en legde hij hem de verklaring voor.

Dat Lorentz zo snel een verklaring had, komt voort uit het feit dat hij zich al jaren met elektromagnetische verschijnselen had beziggehouden en daar een omvattende theorie voor had uitgewerkt die later “elektronentheorie” genoemd zou worden. De verklaring van het Zeeman-effect past in die theorie en komt op het volgende neer: volgens Lorentz zijn binnen atomen en moleculen kleine geladen deeltjes aanwezig die in trilling kunnen raken en dan licht gaan uitzenden. Een magnetisch veld, tengevolge van de aanwezigheid van een magneet, beïnvloedt de aard van die trillingen en dus van het uitgezonden licht. Dat is het verschijnsel dat door Zeeman was waargenomen. Bovendien voorspelde Lorentz wat er te zien zou zijn als tussen de lichtbron en de kijker een polariserend filter zou worden aangebracht. Tot ieders grote tevredenheid bleek de voorspelling van Lorentz uit te komen. Een tweede publikatie volgde waarin dit alles werd uiteengezet.

We zouden deze episode kunnen zien als een klassiek geval van wisselwerking tussen theorie en experiment: de theorie doet een voorspelling, die vervolgens in een experiment wordt getoetst. Komt hij uit, dan is de theorie bevestigd, gebeurt dit niet, dan is de theorie fout en moet er een andere komen. Sommigen onder u zullen nu de naam Popper mompelen en meewarig het hoofd schudden over zoveel naiviteit. Inderdaad, het scenario dat ik zojuist schetste is ooit door de filosoof Karl Popper gepresenteerd als model voor de manier waarop wetenschap wordt beoefend: zodra een theorie door een experiment wordt gefalsifieerd moet de theorie worden verworpen of minstens drastisch worden herzien. Inmiddels is iedereen die wel eens met wetenschappelijk onderzoek te maken heeft gehad ervan overtuigd dat dit een veel te naief beeld is: zo gaat het niet in de praktijk. Elke onderzoeker kan bevestigen dat er vaak sterke redenen zijn om toch in een theorie te blijven geloven, ondanks experimentele uitkomsten die niet kloppen. In de wetenschapsgeschiedenis zijn daarvan tal van voorbeelden. De eerste die daarop heeft gewezen en die wereldwijd grote invloed heeft gehad, was de Amerikaanse wetenschapshistoricus en filosoof Thomas Kuhn. Van hem is de term “paradigma” afkomstig, een term die een serie theoretische uitgangspunten en geaccepteerde methoden en technieken aanduidt die in een bepaalde periode de wetenschap karakteriseren. Volgens Kuhn ontwikkelt de wetenschap zich zodanig dat af en toe een bestaand paradigma wordt vervangen door een nieuw paradigma, omdat het nieuwe beter voldoet. In Kuhns terminologie is dat een wetenschappelijke revolutie. Pas bij zo’n paradigma-overgang vindt een Popperiaanse theoriewisseling plaats; in de perioden tussen twee revoluties, die Kuhn perioden van “normale wetenschap” noemt, wordt het bestaande paradigma hoogstens op kleine punten bijgesteld, bijvoorbeeld op grond van nieuwe experimentele gegevens.

Over dit beeld van revoluties afgewisseld door perioden van betrekkelijke rust is tegenwoordig weer veel discussie gaande. Sommigen—en daar hoor ik ook toe—zien de grootste verdienste van Kuhn niet zozeer in zijn model van wetenschappelijke vooruitgang, maar in het feit dat hij de wetenschapshistorici erop heeft gewezen dat wetenschap door mensen wordt bedreven, met al het menselijke emotionele of irrationele gedrag van dien, en niet door robots die koel de regels van het spel volgen. Binnen de kringen van wetenschappelijke onderzoekers was dit al langer bekend, getuige de uitspraak van Max Planck dat een oude theorie niet op zuiver rationele gronden plaats maakt voor een nieuwe, maar dat dit een proces is dat pas is voltooid als de aanhangers van de oude theorie zijn overleden. Een mooi voorbeeld van een dergelijke ontwikkeling is de al eerder genoemde Lorentz, die tot het eind van zijn leven aan zijn elektronentheorie de voorkeur gaf boven de speciale relativiteitstheorie van Albert Einstein.

Terug naar Zeeman. Hoe passen de zojuist genoemde inzichten in het verhaal van de ontdekking van het Zeeman-effect? We kunnen ons de vraag stellen wat er zou zijn gebeurd als de voorspelling van Lorentz niet zou zijn uitgekomen. Eigenlijk past het een historicus niet een dergelijke vraag te stellen—ik kan hier de uitspraak van de bekende wetenschapshistoricus Martin Klein citeren, dat het al moeilijk genoeg is er achter te komen wat er wèl is gebeurd—maar ik wil het toch doen. Had Lorentz dan zijn gehele elektronentheorie op de helling moeten zetten? Dat ligt niet voor de hand, gezien de successen van de theorie op allerlei andere gebieden. Hoogstens had hij een andere aanname moeten maken over het inwendige van atomen. Ik word in die opvatting gesterkt door de gebeurtenissen van enkele jaren later, toen allerlei nieuwe vormen van het Zeeman-effect werden ontdekt waarvoor Lorentz’ theorie geen verklaring had. Toch bleef de elektronentheorie in zijn algemeenheid overeind. Sterker nog, in 1902 kregen Lorentz en Zeeman samen de Nobelprijs voor hun werk aan de relatie tussen elektromagnetisme en licht. In de discussies binnen het Nobelcomité die aan de toekenning van de prijs voorafgingen, werd het falen van de theorie bij de nieuwere vormen van het Zeeman-effect weliswaar benadrukt, maar alle andere successen van de elektronentheorie maakten dit ruimschoots goed en wettigden de uitreiking van de prijs aan zowel Lorentz als Zeeman.

Na de publikatie van het tweede artikel breekt een nieuwe fase aan in de geschiedenis van het Zeeman-effect. Het is de fase van de ontvangst door de wetenschappelijke gemeenschap en de uiteindelijke consensus dat Zeeman zijn werk goed had gedaan en dat hier inderdaad sprake was van een nieuw effect. In vroeger tijden werd door historici aan dit proces weinig aandacht besteed, maar de laatste jaren is op dit gebied een felle discussie uitgebroken. Ik kom daar straks nog op terug. Nu eerst de ontvangst. Een simpel scenario is dat de collega’s het artikel kritisch lezen en bij zichzelf nagaan of de auteur, in dit geval Zeeman, zijn experiment zoals hij het beschrijft zorgvuldig heeft uitgevoerd en of zijn werk en zijn resultaten geloofwaardig zijn. Ook de theoretische verklaring wordt kritisch geanalyseerd en getoetst aan alternatieve theorieën. Sommigen komen wellicht met andere theorieën, die vervolgens worden bekritiseerd. Anderen besluiten het experiment van Zeeman te herhalen en vinden dezelfde uitkomst. Als dat alles is gebeurd worden de resultaten van Zeeman geaccepteerd en kan de zaak als afgedaan worden beschouwd. Kortom, alweer een volstrekt rationele manier van handelen.

Nu een andere visie, een visie die voortkomt uit het werk in de afgelopen decennia van een aantal auteurs, meest wetenschapssociologen. Hun raamwerk is het zogenaamde sociaal constructivisme. Volgens die opvatting bestaat er niet zoiets als een wetenschappelijk feit, maar is wetenschappelijke kennis niets meer dan een menselijke creatie die geen directe relatie heeft met de natuur of met een fysische werkelijkheid. Zo’n feit is bovendien pas een feit als het door de wetenschappelijke gemeenschap is geaccepteerd; vóór die tijd kunnen zelfs de begrippen goed of fout niet worden toegepast. Verder is het acceptatieproces een onderhandelingsproces tussen de leden van de wetenschappelijke gemeenschap, waarbij degene die het zwaarste retorische geschut in stelling kan brengen uiteindelijk zegeviert. In de meest extreme variant leidt dit sociaal constructivisme tot de opvatting dat kennis alleen maar een taalkundig fenomeen is, zonder enige relatie met de werkelijkheid, en dat er niet zoiets is als “waarheid”. Toegepast op onze historische gebeurtenis leidt deze benadering tot de conclusie dat het Zeeman-effect alleen maar een afspraak is tussen geleerden. Dat die werd geaccepteerd komt doordat Zeeman handig was in het debat, overtuigende artikelen schreef en het prestige van het Leidse laboratorium achter zich had. Het hele begrip “effect” als een wetenschappelijk feit dat iets in de natuur weerspiegelt, heeft zijn betekenis verloren.

Het zal u niet verbazen dat deze bizarre ideeën in natuurwetenschappelijke kringen op grote schaal worden verworpen en het zal u evenmin verbazen dat ik ook weinig zie in zo’n relativistische benadering. Ik ga er toch op in, omdat ook in de wetenschapsgeschiedenis de ideeën van het sociaal constructivisme zijn doorgedrongen, zij het gelukkig niet altijd in de meest extreme vorm. Zo schreef een vooraanstaand Nederlands wetenschapshistoricus onlangs “Wat wij ‘de natuur’ noemen komt pas tijdens het onderzoek tot stand, is er eerder het resultaat van dan dat het vooraf gegeven zou zijn.” Ik ben het daar niet mee eens.

Het succes van de natuurwetenschap, die uitgaat van het bestaan van natuurlijke processen en het als zijn opgave ziet deze zo goed mogelijk te beschrijven, maakt een dergelijke opvatting volstrekt ongeloofwaardig. Om een concreet voorbeeld te noemen: zou een vliegtuig nu werkelijk alleen maar in de lucht blijven doordat wetenschapsmensen met elkaar hebben afgesproken wat de wetten van de aerodynamica zijn? Zonder nu meteen conclusies te trekken over het al of niet bestaan van een objectieve realiteit—hoewel de meeste natuurkundigen zich zonder aarzeling zullen bekennen tot een dergelijke opvatting, door veel filosofen smalend afgedaan als naief realisme—valt er toch veel te zeggen voor een geloof in de correlatie tussen wetenschappelijke resultaten en natuurlijke processen. Met andere woorden, voor een geloof in wetenschappelijke feiten als meer dan afspraken tussen mensen onderling. Zo’n wetenschappelijk feit kan juist of onjuist zijn en het is de natuur die dat uiteindelijk bepaalt.

Toch zijn er elementen in het constructivisme die me aanspreken en die een verrijking vormen van het arsenaal aan methoden dat de historicus ten dienste staat. Als we naar het Zeeman-effect kijken, zien we bijvoorbeeld dat het retorische element en het element van academisch prestige een rol spelen. Dat komt vooral naar voren als we met behulp van Zeemans correspondentie het acceptatieproces in zoveel mogelijk detail proberen te reconstrueren. Zo was het voor Zeeman op grond van zijn status makkelijker de bezwaren van minder bekende collega’s te bagatelliseren of te negeren en dat zien we ook gebeuren. In dat opzicht is een brief van Kamerlingh Onnes aan Zeeman tekenend: hij stuurt een briefje door van een Belgische collega waarin deze kritiek uit op Zeemans werk. Het commentaar van Onnes is: “ ’t Zal wel niets zijn! De Belgen zijn zulken knoeiers.” Tegelijkertijd mogen we niet uit het oog verliezen dat zijn collega’s ook heel precies inhoudelijk naar Zeemans werk keken en dat hij ook van verschillende kanten kritiek kreeg. Dat anderen snel zijn resultaten konden repliceren, speelde ook een belangrijke rol in het acceptatieproces. Darnaast was ook de succesvolle theoretische verklaring een factor van belang. Kortom: we moeten de traditionele benadering wel aanvullen met andere elementen, maar niet vervangen door een uitsluitend constructivistische of relativistische aanpak.


 

Geachte toehoorders,

Het zal u duidelijk zijn dat de wetenschapsgeschiedenis in de laatste decennia een sterke ontwikkeling heeft doorgemaakt, een ontwikkeling van een heroïsch, positivistisch vooruitgangsmodel naar een veel subtielere beschrijving waarbij ook sociologische en psychologische elementen een plaats hebben. Naast de elementen die ik al noemde is er tegenwoordig ook nog veel aandacht voor de rol van sociale en politieke factoren in de ontwikkeling van de wetenschap. Ik denk aan recente inzichten over de rol van de HBS en de hervorming van het hoger onderwijs als factoren bij de opbloei van de Nederlandse natuurwetenschap in de vorige eeuw. Maar ook op kleinere schaal zien we hoe bijvoorbeeld het onderzoek aan universiteiten soms ook inhoudelijk werd bepaald door politieke omstandigheden. Zo kon Zeeman pas weer spectroscopisch precisieonderzoek doen toen hij, na jaren touwtrekken met de gemeente Amsterdam, over een nieuw laboratorium beschikte.

Wat betekenen deze ontwikkelingen nu voor de wetenschapsgeschiedenis als universitaire discipline? Naar mijn mening veel. Door op de eerder geschetste multidisciplinaire manier te werk te gaan, kan de wetenschapshistoricus beter aansluiting vinden bij de groepen die van zijn werk kunnen profiteren. Ik roep u het beeld voor ogen dat de beroemde Nederlande wetenschapshistoricus E.J. Dijksterhuis in 1953 in zijn inaugurele rede gaf van de wetenschapshistoricus als een veerman die het contact tot stand probeert te brengen tussen de alfa-cultuur aan de ene kant van de stroom en de bêta cultuur aan de andere. Kennis van de wetenschapsgeschiedenis geeft de bêta’s meer inzicht in het functioneren van de wetenschappelijke gemeenschap en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis, terwijl de alfa’s hierdoor een beter begrip krijgen van de verworvenheden van de natuurwetenschap en van de plaats die deze wetenschap innam en nog steeds inneemt in onze cultuur.

Het is vanuit dat perspectief ook zo spijtig dat we in deze tijd worden geconfronteerd met een fenomeen dat bekend staat als de Science Wars. In 1959 hield de schrijver C.P. Snow een veel geciteerde rede over de kloof tussen wat hij de twee culturen noemde, en over het verschillende prestige dat deze twee hebben. Zijn tot de verbeelding sprekende voorbeeld was dat een bêta, die zich er in gezelschap op laat voorstaan niets van Shakepeare te weten medelijdend wordt aangekeken, terwijl een alfa met trots en bijval zijn onkunde van de tweede hoofdwet van de thermodynamica kan rondbazuinen. Die situatie is de laatste jaren op onverwachte, maar weinig constructieve wijze veranderd: in post-moderne filosofische literatuur wordt tegenwoordig gretig gebruik gemaakt van inzichten uit de moderne natuurwetenschap, waarbij vooral de quantumtheorie en de chaostheorie hoog scoren. Helaas worden de auteurs van dergelijke publikaties vaak niet gehinderd door kennis van zaken, waardoor enormiteiten worden gedebiteerd en bizarre conclusies worden getrokken uit verkeerd begrepen natuurkundige theorieën en resultaten. Daardoor is een paradoxale situatie ontstaan: de post-modernisten beweren enerzijds dat wetenschappelijke kennis slechts een taalkundig fenomeen is en niets met de werkelijkheid te maken heeft, terwijl ze anderzijds esoterische natuurwetenschappelijke resultaten op hocus-pocus achtige manier gebruiken om hun eigen betoog meer kracht bij te zetten en hun collega’s te imponeren. Dat er een krachtige tegenstroming tegen dit misbruik van de natuurwetenschap op gang is gekomen, vooral vanuit natuurwetenschappelijke kringen, zal u niet verbazen. Evenmin verbazingwekkend is dat de natuurkundige critici van de filosofen te horen krijgen dat zij geen verstand hebben van de diepzinnige filosofische vraagstukken waarover door deskundigen al eeuwen wordt nagedacht en dat ze zich bij hun vak moeten houden. Dat enigszins kinderachtige gekibbel staat nu bekend als de Science Wars, en daarmee zijn we in zekere zin verder van huis dan in de tijd van C.P. Snow: niet alleen is er een kloof tussen de culturen, de partijen zijn nu ook aan het ruziën geslagen.

Dat stemt somber. Maar ik wil deze rede niet met een sombere noot eindigen. Ik ben ervan overtuigd—en dat sluit aan op wat ik eerder zei—dat de wetenschapshistoricus als geen ander toegerust is om ook hier als bemiddelaar op te treden. Daarvoor zijn wel een aantal eigenschappen nodig die helaas niet elke wetenschapshistoricus bezit. Hij moet een grondige kennis hebben van de natuurwetenschappen--naar mijn mening is dit zelfs een onmisbaar element om het vak goed te kunnen beoefenen, al is lang niet iedereen het daarin met me eens. Daarnaast dient hij filosofisch, sociologisch en historisch goed te zijn geschoold. Met die combinatie van eigenschappen kan hij aan de slag om de wetenschapsgeschiedenis als werkelijk interdisciplinair vak te beoefenen en zo de verschillen tussen de twee culturen te overbruggen.


 
 

***

Geachte leden van het Curatorium van deze leerstoel, geachte leden van het bestuur van de Stichting Pieter Zeeman-Fonds.

Uw betrokkenheid bij de wetenschapsgeschiedenis, die blijkt uit de instelling van deze bijzondere leerstoel, is prijzenswaardig. U allen hebt daarvoor vele inspanningen moeten leveren; ik wil daarbij in het bijzonder de activiteiten van Norbert van den Berg noemen, die het ingewikkelde proces van het instellen en bezetten van een bijzondere leerstoel voortdurend heeft bewaakt en bevorderd. Voor mijn benoeming ben ik u zeer erkentelijk. Ik vat haar op als een eer en een verplichting.

Dat de leerstoel die ik bekleed zowel in de faculteit WINS als in de faculteit Geesteswetenschappen is gevestigd stemt mij tot grote tevredenheid. Het zal mijn inspanningen om als bemiddelaar te fungeren tussen de al eerder genoemde twee culturen makkelijker maken. Dat zie ik dan ook als een van mijn belangrijkste taken.


 

Waarde collega’s uit de faculteit WINS, instituutsgenoten van het Instituut voor Theoretische Fysica.

Hoewel ik geen actief onderzoeker meer ben in de theoretische fysica, het vakgebied waarin ik mijn oorspronkelijke opleiding heb genoten, beschouw ik mijzelf in veel opzichten nog als een van u, en ik vlei me met de gedachte dat velen van u dit gevoel met mij delen. Ik zou niet weten hoe ik mijn vak, de geschiedenis van de natuurkunde, zou kunnen beoefenen zonder de kennis van de natuurkunde die ik in uw midden heb opgedaan. Dat ik nu als hoogleraar in uw faculteit mijn vak mag uitoefenen, beschouw ik als een belangrijke erkenning van mijn discipline.


 

Waarde collega’s uit de Faculteit Geesteswetenschappen.

Hoewel ik sommigen van u al jaren ken, heb ik me in uw faculteit nog niet nadrukkelijk gemanifesteerd. Ik hoop echter snel mijn plaats te vinden. Ik verheug me erop te kunnen profiteren van uw kennis en op mijn beurt een bijdrage te leveren aan het onderwijs en het onderzoek in uw faculteit.


 

Dames en heren studenten.

Voor u staat de enige hoogleraar wetenschapsgeschiedenis aan deze grote universiteit. Ik hoop dat mijn rede bij u het verlangen heeft gewekt meer over mijn vak te weten te komen. Maak in dat geval onbekrompen gebruik van mijn aanwezigheid, loop de deur bij me plat, en profiteer van het onderwijs dat ik bied.


 

Hooggeleerde Klein, beste Martin,

Dat jij hier vanmiddag bent, speciaal overgekomen om naar mij te luisteren, vervult mij met trots en dankbaarheid. De lectuur van jouw Ehrenfest-biografie was dertig jaar geleden mijn eerste kennismaking met de wetenschapsgeschiedenis en daarna is mijn belangstelling voor het vak nooit verflauwd. Jouw stijl van werken is voor mij altijd een inspiratie en een voorbeeld geweest. Onze samenwerking in het Einstein project was een onvergetelijke ervaring. Dat we ooit collega’s zouden zijn had ik niet durven dromen.

Ik heb gezegd.

 


top
Last modified: 27 August 2000