Weersverwachting voor
de 21ste eeuw
Warmer
en natter, maar niet overal
J.H. van Boxel &
L.H.
Cammeraat
Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica (IBED)
Universiteit van Amsterdam
John van Boxel en Erik Cammeraat zijn beiden
docent
bij de opleiding Aardwetenschappen/Fysische
Geografie
aan de Universiteit
van Amsterdam
NB: Dit artikel
is in enigzins aangepaste vorm gepubliceerd in Geografie Jaargang
9 Nr 3 (april 2000) paginas 18-21 (Van Boxel & Cammeraat 2000)
Meer over
een veranderend neerslagklimaat
Meer en meer beginnen we ons te realiseren dat
het klimaat verandert. 1998, 1997, 1995, 1990 en 1999 waren wereldwijd
gezien de vijf warmste jaren van de laatste 140 jaar. De laatste decade
van het afgelopen millennium is dan ook vrijwel zeker de warmste. Vinnikov
vond voor de periode 1900-1988 een toename van de wereldwijd gemiddelde
temperatuur van 0.5 °C per eeuw. Het afgelopen zeer warme decennium
heeft deze trend zeker versterkt. Algemeen wordt aangenomen dat de recente
stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde voor een belangrijk deel
wordt veroorzaakt door de toenemende CO2-concentratie in de
atmosfeer. Die CO2-concentratie is nog steeds stijgende en zal
de komende decennia blijven stijgen. Alle belangrijke klimaatmodellen geven
dan ook aan dat de gemiddelde temperatuur op aarde de komende decennia
verder toeneemt. Maar hoe zit het met de neerslag?
Inleiding
| Neerslag is een belangrijkere klimaatvariabele dan temperatuur. Te
weinig neerslag leidt in semi-aride en sub-humide klimaten meestal tot
mislukte oogsten en vaak tot honger. De droogte die het gevolg was van
de El Niño’s van 1983 en 1997 had in Indonesië veel bosbranden
tot gevolg. Zelfs in ons natte landje kan een droog jaar aanzienlijke opbrengstverliezen
tot gevolg hebben.
Te veel neerslag geeft vaak overstromingen. In bergachtige gebieden
leidt te veel regen ook vaak tot hellingonstabiliteit, aardverschuivingen
en modderstromen.
De ruim 20.000 doden die in 1998 in Midden Amerika vielen ten gevolge
van de orkaan Mitch waren voor het overgrote deel te wijten aan de extreme
neerslaghoeveelheden. Ook 1999 was op de Atlantische Oceaan een zeer actief
orkaan seizoen met 12 orkanen, waaronder de orkaan Lenny, die grote schade
veroorzaakte op Sint Maarten. |
|
|
Figuur 1: Te weinig neerslag is vaak catastrofaal
|
|
De regens horende bij een zeer zware tropische cycloon
kostten 29 oktober 1999 het leven van 10.000 mensen bij Orissa, India.
Extreme neerslag in december 1999 heeft in Venezuela mogelijk tienduizend
mensen het leven gekost. Ook in China en Japan veroorzaakten in 1999 overstromingen,
aardverschuivingen en vloedgolven tengevolge van tropische cyclonen
veroorzaakten vele doden. Overvloedige regens in Vietnam maakten honderdduizenden
mensen dakloos. Ook in Mexico en West Afrika veroorzaakten overvloedige
regens doden, daklozen en veel schade. Extreme sneeuwval kwam in 1999 voor
in centraal Europa, de Alpen, het noordwesten van de US en West Canada.
Maar er was ook droogte: de Oostelijke US (lente
en zomer), Oost Canada, Centraal Australië, oostkust Argentinië,
Midden Oosten (WMO 1999). In Noordoost Kenia zijn in 1998 en 1999 de oogsten
mislukt door de aanhoudende droogte, die waarschijnlijk verband houdt met
La Niña. In de rest van Kenia viel echter een normale tot boven
normale neerslag in deze jaren.
Voor een deel hangt het extreme weer in 1999 samen met de La Niña
die volgde op de sterke El Niño van 1997/98. Er zijn echter ook
langjarige trends te onderscheiden in het neerslagpatroon. Die worden in
dit artikel toegelicht.
|
|
Figuur 2: Ernstige erosie in honduras na overvloedige
neerslag
|
|
Ruimtelijke
en temporele variabiliteit
.
Bij het onderzoek naar veranderingen in de neerslagpatronen
komen een aantal problemen om de hoek kijken. We zullen deze toelichten
aan de hand van de neerslag in de 20ste eeuw in Nederland.
In de negentiger jaren hebben we in Nederland verschillende
keren problemen gehad met grote hoeveelheden regen in ons land of in de
ons omringende landen en 1998 was het natste jaar van de eeuw. Toch is
het niet zo eenvoudig om aan te tonen dat de neerslaghoeveelheden ook daadwerkelijk
toenemen. Het ene jaar kan bijvoorbeeld erg droog zijn (bijv. 1996) en
dan kan het een paar jaar later extreem nat zijn (1998). Vervolgens is
1999 weer een vrij normaal jaar (een beetje te nat). In aride en semi-aride
klimaten is de neerslagvariabiliteit nog veel groter dan in ons vochtige
landje.
Neerslag vertoont bovendien grote verschillen van
plaats tot plaats. Op de ene plaats kan een stortbui vallen terwijl het
tien kilometer verderop droog blijft. Zelfs de gemiddelden over het jaar
kunnen sterk verschillen. In 1998 viel gemiddeld over Nederland 1055 mm
neerslag tegen een 792 mm normaal (normaal = gemiddelde over de periode
1961-90). Het natste station was Hoorn (NH) met 1255 mm (normaal 791 mm),
terwijl er op Terschelling slechts 833 mm viel (783 mm normaal). In Hoorn
(NH) viel dus 464 mm meer dan normaal en op Terschelling slechts 50 mm
meer dan normaal. In een ander jaar kan het precies andersom zijn.
De grote verschillen van jaar tot jaar (temporele
variabiliteit) en van plaats tot plaats (ruimtelijke variabiliteit) maken
dat het lastig is om statistisch aan te tonen dat de waargenomen trends
niet op toeval berusten. Als je naar de waarnemingen van één
enkel station kijkt zal de trend vaak niet significant zijn. Om aan te
tonen dat de trends significant zijn moeten de gegevens van een aantal
stations over een gebied ongeveer zo groot als Nederland gemiddeld worden
en moeten lange tijdreeksen (bijvoorbeeld 100 jaar) geanalyseerd worden.
Een bijkomend probleem is nog dat de meetmethoden
gedurende de afgelopen 100 jaar veranderd zijn. In het begin van de eeuw
werd in Nederland vaak gemeten op een hoogte van 1.5 of 2.0 m. Vanaf de
vijftiger jaren is de waarnemingshoogte 0.4 m, terwijl in Nederland tegenwoordig
de meeste KNMI-regenmeters in de zogenaamde Engelse opstelling staan, waarbij
de rand van de regenmeter ongeveer even hoog is als het omliggende maaiveld.
Hoe hoger de bovenkant van de regenmeter, hoe groter de windfout (een deel
van de regen wordt dan bij harde wind over de regenmeter heen geblazen).
Alleen al door het veranderen van de waarnemingshoogte kunnen de waarnemingen
dus trends te zien geven.
De
neerslag in Nederland is toegenomen
.
Van Boxel en Cammeraat bestudeerden van de neerslaggegevens
van vijf stations in Nederland voor de periode 1904-1998. De gemiddelde
jaarlijkse neerslag voor de twintigste eeuw was 756 mm met een toename
van 87 mm per eeuw. Deze toename was statistisch significant op het 95%
betrouwbaarheidsniveau. Können (1999) publiceerde de gemiddelde
neerslag in Nederland voor de periode 1906-1998 aan de hand van het gemiddelde
van 13 stations welke gecorrigeerd zijn voor de veranderde waarnemingshoogte.
Hieruit volgt een gemiddelde neerslag van 760 mm met een trend van 99 mm
per eeuw.
Belangwekkender dan het feit dat de gemiddelde neerslag
met 11 à 13 % toenam is het feit dat vooral extreem natte perioden
op het eind van de eeuw vaker voorkomen. Maanden met meer dan 100 mm neerslag
komen op het einde van de eeuw twee keer zo vaak voor dan in het begin
van de eeuw (zie figuur 3) en maanden met meer dan 120 mm neerslag bijna
vier keer zo vaak. Aan de frequentie van erg droge maanden (minder dan
25 mm neerslag) is niets veranderd. Het is dus niet zo verwonderlijk dat
we vooral op het einde van de eeuw veel last hadden van overstromingen.
|
|
Figuur 3: Het voorkomen van droge maanden (< 25 mm)
en natte maanden (> 100 mm) in Nederland.
|
De
gemiddelde neerslag op aarde is toegenomen
.
Aan de hand van neerslaggegevens voor de periode
1900-1988 van 5300 stations over de gehele wereld concludeerden Dai et
al. dat de El Niño-La Niña cyclus een grote invloed heeft
op de wereldwijd (alleen landoppervlak) gemiddelde neerslag. Daarnaast
vonden zij een toename van de wereldwijd gemiddelde jaarlijkse neerslag
boven land van 24 mm per eeuw (zie figuur 4). Deze trend was vooral te
wijten aan een toename van de neerslag in Noord America, Noord en Midden
Europa, de voormalige Sovjetunie, Argentinië en Australië. In
de tropen zijn de neerslaghoeveelheden eerder dalend. Ook Vinnikov et al.
vonden dat in de periode 1891-1986 de neerslaghoeveelheden toegenomen waren
in Noord-Amerika (met uitzondering van Noord-Canada), Scandinavië
en de voormalige Sovjetunie. Zij vonden een licht dalende trend in het
deel van Europa ten zuiden van de 55-ste breedtegraad.
Dai et al. brengen de toegenomen neerslag in verband met de toegenomen
temperatuur, hetgeen ondersteund wordt door berekeningen met GCM’s (Global
Circulation Models) die globaal dezelfde trends laten zien voor een klimaat
waarin tengevolge van de verhoogde CO2-concentratie de gemiddelde
temperatuur op aarde toegenomen is.
 |
Figuur 4: Wereldwijd gemiddelde neerslaganomalie (afwijking
van het gemiddelde) en de El Niño index SOI.
Southern Oscilation Index, afgeleid uit het luchtdrukverschil tussen
Tahiti en Darwin.
Een SOI-waarde kleiner dan circa –1.0 wijst op een El Niño.
|
Neerslagverdeling
op aarde in de 20ste eeuw
Het IPCC (Intergovernmental Panel on Climatic Change;
de toonaangevende organisatie op het gebied van klimaatveranderingen) heeft
gegevens gepubliceerd over de neerslag voor het landoppervlak op aarde,
voor de periode 1900-1990. Voor de periode 1961-90 is daarbij gebruik gemaakt
van de gegevens van 19295 weerstations, maar in het begin van de eeuw waren
dat er aanzienlijk minder. Deze gegevens zijn grondig gecontroleerd, gecorrigeerd
voor de veranderingen in de waarnemingshoogte en geïnterpoleerd tot
een grid van 0.5° bij 0.5° (259200 gridpunten).
De gemiddelde neerslag over de periode 1900-1990 is
weergegeven in Figuur 5. Goed te zien zijn de vochtige tropische klimaten
rond de evenaar (Amazone gebied, Centraal Afrika, Indonesië Nieuw
Guinea, Filippijnen) en het moessonklimaat in Zuidoost Azië. Ook de
aride gebieden zijn goed te zien (Noord Chili, Patagonië, Namibië,
Centraal Australië, Sahara, Somalië, Midden Oosten, Turkmenistan
& Oezbekistan, Noord China). In Zuid-Amerika valt het effect van een
bergrug in combinatie met de overheersende wind op: Op de gematigde breedten
(ten zuiden van 30° ZB) overheersen de westenwinden en is de westkant
van de Andes vochtig en de oostkant droog; In de tropen, waar de oostenwinden
overheersen, is het andersom.
|
|
Figuur 5: Gemiddelde neerslag op aarde in de periode
van 1900 tot 1990.
|
|
|
Figuur 6: Relatieve verandering van de neerslaghoeveelheden
in de periode van 1900 tot 1990
|
Geografische
verdeling van de veranderingen in de neerslaghoeveelheden
De IPCC gegevens van 1900-1990 zijn gebruikt om voor
ieder gridpunt met behulp van lineaire regressie de verandering van de
hoeveelheid neerslag te berekenen, uitgedrukt in procent per eeuw. Dit
is weergegeven in Figuur 6.
Op 42% van het landoppervlak van de aarde veranderde
er weinig (minder dan 5% toename of afname per eeuw). Het betreft hier
vooral de vochtige equatoriale gebieden, zoals het Amazonegebied, vochtig
tropisch Afrika, Zuidoost Azië, maar ook delen van de Verenigde Staten,
Canada, Europa en Rusland.
20% van het landoppervlak is de afgelopen eeuw meer
dan 5% droger geworden, en op 12% van het landoppervlak bedroeg de afname
van de hoeveelheid neerslag zelfs meer dan 10%. Droger werden vooral de
toch al droge gebieden, zoals: Noord Chili, Sahara, Sahel, Midden Oosten
en Noord China.
Op 38% van het landoppervlak nam de neerslag met meer
dan 5% per eeuw toe, en op 24% van het oppervlak was de toename zelfs meer
dan 10%. Natter werden vooral de subtropen en de gematigde breedten, m.n.:
Verenigde Staten, Europa, Rusland, Argentinië, Zuid-Afrika en Australië.
Ook Oost Afrika is vochtiger geworden. Opmerkelijk is dat vooral het vrij
droge Patagonië en Centraal Australië aanzienlijk vochtiger geworden
zijn.
Wanneer uit deze gegevens de gemiddelde verandering
van de hoeveelheid neerslag wordt berekend voor het gehele landoppervlak
van de aarde, dan geeft dat een toename van 2.8% per eeuw, oftewel een
toename per eeuw van de jaarlijkse neerslag met 27 mm. Dit komt zeer goed
overeen met de resultaten van Dai et al., die 24 mm per eeuw vonden.
Voor Nederland nam de gemiddelde neerslag met circa 12% toe, maar de
kans op een natte maand (>100 mm) is ongeveer verdubbeld. Ook in andere
landen (Canada, Noorwegen, Rusland, Verenigde Staten, Mexico, Australië)
is gebleken dat een toename van de gemiddelde neerslag vooral komt door
de toename van het aantal erg natte dagen, terwijl het totaal aantal met
neerslag niet sterk veranderde.
In de tropen zou je verwachten dat een toename van
de temperatuur zou leiden tot meer orkanen; orkanen hebben immers warm
water (> 26.5 °C) nodig om te kunnen ontstaan. Hogere zeewatertemperaturen
zouden kunnen betekenen dat een groter deel van de tropische oceanen geschikt
wordt voor het ontstaan van orkanen en gedurende een groter deel van het
jaar. Voorlopig zijn er echter nog geen aanwijzingen voor een toename van
de frequentie van orkanen, of een toename van de kracht van orkanen. Mogelijk
komt dat omdat de temperatuurveranderingen ten gevolge van het broeikaseffect
in de tropen het zwakst zijn en op dit moment nog zo klein zijn dat ze
nog geen merkbaar effect hebben op orkanen.
| Verandering |
Toename of afname |
Deel van het
aardoppervlak |
Weinig verandering |
< 5 % |
41.7 % |
Toename |
> 0% |
60.7 % |
| |
> 5 % |
38.3 % |
| |
> 10 % |
24.0 % |
| |
> 25 % |
4.4 % |
| Afname |
> 0 % |
39.1 % |
| |
> 5 % |
20.0 % |
| |
> 10 % |
12.5 % |
| |
> 25 % |
5.0 % |
|
| Tabel 1: Percentage van het landoppervlak waar de neerslag
toeneemt of afneemt |
Modelberekeningen
broeikaseffect voor de 21ste eeuw
Als het CO2 gehalte van de atmosfeer stijgt, wordt een groter
deel van de door de aarde uitgezonden langgolvige straling in de atmosfeer
geabsorbeerd, waardoor dan verwacht mag worden dat de gemiddelde temperatuur
op aarde stijgt. Bij een hogere temperatuur zal er waarschijnlijk op de
oceanen ook meer water verdampen. Omdat de verblijftijd van water in de
atmosfeer maar kort is (ongeveer één week), betekent dat
ook dat dan de hoeveelheid neerslag, gemiddeld over de gehele aarde, zal
stijgen. Deze trends worden reeds bevestigd door de waargenomen veranderingen
in de twintigste eeuw. De effecten van het toenemend CO2 gehalte
worden enigszins getemperd doordat ook meer sulfaat aërosol in de
atmosfeer komt, waardoor een groter deel van de zonnestraling wordt gereflecteerd.
Om een schatting te kunnen maken van de mate waarin het klimaat op
aarde verandert als de CO2 concentratie toeneemt wordt gebruik
gemaakt van GCM’s (Global Circulation Models). Dit zijn een soort weermodellen,
die het klimaat voor de gehele aarde berekenen. Daarin zitten allerlei
terugkoppelingen verwerkt, zoals bijv. verandering van de bewolkingsgraad
en de effecten die dat heeft op de weerkaatsing van zonnestraling en de
temperatuur op aarde. Als je dit soort modellen gebruikt is de vraag vervolgens
hoe snel verandert de CO2 concentratie en de hoeveelheid sulfaat
aërosol. Voor dit artikel hebben we de resultaten gebruikt van vier
toonaangevende klimaatmodellen, waarbij we zijn uitgegaan van een scenario
waarbij het CO2 gehalte en de hoeveelheid sulfaat aërosol
met 1% per jaar toenemen.
Alle modellen voorspellen dat de temperatuur in de 21ste
eeuw verder zal stijgen, waarbij de toename het grootst is in de poolstreken
en het kleinst in de tropen.
Voor de neerslag voorspellen alle modellen een verdergaande
toename van de jaarlijkse gemiddelde neerslag op aarde met 22 to 50 mm.
Dit is redelijk vergelijkbaar met de 24 tot 27 mm die waargenomen is voor
de 20ste eeuw.
Wat betreft de ruimtelijke verdeling van de veranderingen
zitten er aanzienlijke verschillen tussen de modellen (zie figuur 5). Alle
modellen voorspellen dat Canada, Noord-Europa, Rusland en een flink deel
van de Sahara natter worden en dat zuidelijk Afrika en het mediterraan
gebied droger worden. Het ene model laat de westelijke helft van Australië
natter worden, terwijl de andere modellen Australië overwegend droger
laten worden. Voor de Verenigde Staten, de Sahel, Oost-Afrika, het Midden
Oosten en India geldt dat ze in het ene model droger worden en in het andere
juist natter. Op dit moment zijn er nog nauwelijks objectieve criteria
te geven op grond waarvan kan worden besloten welke van de modellen het
meest geloofwaardig is.
|
Figuur 7: Voorspellingen voor de veranderingen in de
21ste eeuw;
een vergelijking van vier klimaatmodellen
|
Conclusies
-
Neerslag vertoont een grote ruimtelijke en temporele variabiliteit.
Bij de analyse van trends in neerslagreeksen is het daarom nodig gebruik
te maken van lange reeksen en de gegevens van meerdere weerstations te
middelen. Korte reeksen of gegevens van afzonderlijke weerstations geven
vaak trends die statistisch niet significant zijn.
-
In de twintigste eeuw is in Nederland de jaarlijkse neerslag
toegenomen. De toename was ongeveer 11% tot 13% per eeuw. Opvallend daarbij
is dat vooral erg natte maanden later in de eeuw vaker voorkwamen, terwijl
in de frequentie van voorkomen van droge maanden weinig veranderde.
-
In de twintigste eeuw is de gemiddelde hoeveelheid neerslag
op aarde (landoppervlak) met ongeveer 2.5% toegenomen. Op sommige plaatsen
was de toename aanzienlijk meer dan 2.5%, terwijl andere plaatsen juist
droger werden.
-
Als de CO2 concentratie in de atmosfeer blijft
stijgen, voorspellen alle vooraanstaande klimaatmodellen voor de 21ste
eeuw een verdere toename van de gemiddelde hoeveelheid neerslag op aarde
van circa 2% tot 5%. Wat betreft de ruimtelijke verdeling van de gebieden
die droger worden en de gebieden die natter worden zijn er tussen de verschillende
modellen grote verschillen.
Literatuur
Boxel,J.H.
van & L.H. Cammeraat 1999a. Wordt
Nederland
steeds natter? Een analyse van de neerslag in deze eeuw.
Meteorologica
9 (1): 11-15.
Boxel,
J.H. van & L.H. Cammeraat 1999b. Nog
meer nattigheid. Weerspiegel
26: 667-672.
Boxel,
J.H. van & L.H. Cammeraat 2000. Weersverwachting voor de 21ste
eeuw: Warmer en natter, maar niet overal. Geografie 9 (3) 18-21.
Dai,
A., I.Y. Fung & A.D del Genio, 1997. Surface observed land precipitation
variations during 1900-88. J. Climate 10: 2943-2962.
Groisman,
P. Ya et al., 1999. Changes in the probability of heavy precipitation:
Important indicators of climatic change. Climatic Change 42: 243-283.
Können,
G.P., 1999. De toestand van het klimaat in Nederland 1999. KNMI, De
Bilt. (ook http://www.knmi.nl/voorl/nader/klim/klimaatrapportage.html).
IPCC,
1999. The IPCC data distribution centre; The CRU global climate set. http://ipcc-ddc.cru.uea.ac.uk/cru_data/cru_index.html.
New,
M., M. Hulme & Ph. Jones, 1999. Representing twentieth century
space-time climate variability. Part 1: Development of a 1961-90 mean monthly
terrestrial climatology. Journal of Climate 12: 829-856.
Vinnikov,
K.Ya., P.Ya. Groisman & K.M. Ligina, 1990. Empirical data on contemporary
global climate changes (temperature and precipitation). Journal of climate
3: 662-677.
WMO,
1999. 1999 closes the warmest decade and the warmest century of the
last millennium according to WMO annual statement on the global climate.
World meteorological Organisation press release, http://www.wmo.ch/web/Press/Press644.html.