De Bloem |
De Ware Vrucht |
De Schijnvrucht |
De Opdrachten |
Antwoorden |
Docentenhandleiding |
Wat is het eigenlijk dat je eet bij een appel? En hoe komt een kers tot stand? Om op deze vragen een antwoord te kunnen geven kijken we eerst naar de opbouw van de bloem. Het is algemeen bekend dat een vrucht ontstaat na de bevruchting van een bloem. Figuur 1, een dwarsdoorsnede door een bloem, laat zien welke onderdelen de bloem heeft om zich voort te kunnen planten. Deze bloem is tweeslachtig, zij heeft zowel meeldraden (de mannelijke geslachtsorganen) als een stamper (het vrouwelijk geslachtsorgaan).

De meeldraden bestaan uit een helmdraad en een helmknop. In de helmknop worden de pollen aangemaakt. Als de pollen rijp zijn springt de helmknop open. Hierdoor kunnen ze verspreid worden door de wind.
De stamper, bestaande uit stempel, stijl en vruchtbeginsel, onderschept de pollen op de stempel. De stempel, die uit carpellen (vergroeide bladachtige structuren) bestaat, maakt speciaal hiervoor een kleverige substantie aan waarin de pollen blijven plakken. Figuur 2 laat een lengtedoorsnede door de zaadknop met een stamper zien. Op de stempel zitten twee pollenkorrels vastgeplakt. Deze pollenkorrels ontwikkelen zich langzaam tot pollenbuizen. Beide pollenbuizen boren een weg naar de embryozak in het vruchtbeginsel. Deze embryozak zit vast in het vruchtbeginsel aan de navelstreng. Om in de embryozak te komen gaat de pollenbuis door een opening, de micropyle. De micropyle is de opening naar de embryozak toe. Deze zit tussen de integumenten, dit zijn wanden die zorgen voor de bescherming van de embryo. In de pollenbuis verplaatst de spermacel zich naar de embryozak. Hier bevindt zich ook de eicel. Na de bevruchting ontwikkelt de embryo zich in de embryozak. Slechts èèn pollenbuis zorgt voor de bevruchting.
Zodra de bevruchting heeft plaats gevonden, beginnen de embryo en het endosperm zich te ontwikkelen. Het endosperm vormt het voedsel waarmee de jonge embryo zich kan voeden
totdat het in staat is om zelf voor voedsel te zorgen. De beide integumenten, die om de embryozak heen zitten, verdrogen en verharden. Zo vormen zij een vliezig laagje om de embryozak heen. Dit laagje wordt de zaadhuid genoemd. Dit gebeurt binnen het vruchtbeginsel. Tegelijkertijd verdikt de wand van het vruchtbeginsel. Figuur 3 laat het eindresultaat van deze activiteiten zien. Hier heeft de ontwikkeling van een ware vrucht plaats gevonden.
De bovenstaande tekst en plaatjes geven de ontwikkeling van een vrucht weer. Is dit nu de ontwikkeling van een schijnvrucht of een ware vrucht? Beide ontwikkelen zich op dezelfde manier. Voor de ontwikkeling van een ware vrucht is het bovenstaande verhaal het uitgangspunt. Alle vruchten ontwikkelen zich op deze manier. De structuren die de ware vruchten aanmaken zijn verschillend, de opbouw is hetzelfde. Bij een schijnvrucht worden andere structuren van de plant betrokken in de ontwikkeling. In de volgende paragraaf worden nu eerst enkele ware vruchten aan de hand van voorbeelden uitgelegd, waarna nog een paar schijnvruchten worden besproken.
Een mooi voorbeeld van een ware vrucht is de kers (Prunus cerasus). De kers valt onder de steenvruchten. In figuur 4 wordt een lengtedoorsnede van een kers getoond.
De wand van het vruchtbeginsel, de voormalige carpel, is hier uitgegroeid tot het vlezige deel van de vrucht. Het is opgedeeld in drie lagen: het exocarp, het buitenste schilletje, het mesocarp, het sappige vruchtvlees en het endocarp, een harde ondoordringbare laag. In het endocarp zit het zaad. Het zaad, bestaande uit embryo en zaadhuid, heeft zich hier al een cotyl gevormd (het eerste blad van de kiemplant) en plumula (het eerste echte blad).
De pit is dus niet het zaad, de pit is het verharde endocarp met het zaad daarin. Vergelijkbare steenvruchten zijn bijvoorbeeld de perzik en amandel.
De aardbei (Fragaria vesca) is een mooi voorbeeld van een schijnvrucht. Wat we eten is de uitgegroeide, vlezige roodgekleurde
bloembodem van de aardbeiplant. Op deze bloembodem staan talrijke stampers die elk hun eigen vruchtbeginsel hebben. Na de bevruchting ontwikkelt elk afzonderlijk vruchtbeginsel zich tot een zaadje. Figuur 5 laat een lengtedoorsnede van een aardbei zien. Bij elk zaadje bevinden zich de overblijfselen van de stamper. Meestal is alleen de uitgedroogde stijl nog te zien. Ook hier bestaat het zaadje uit een zaadhuid en embryo. Wanneer slechts èèn bloem verantwoordelijk is voor het ontstaan van meer dan een vruchtje dan spreken we over veelvoudige vruchten. Bramen en frambozen ontstaan ook uit een enkele bloem. Alleen is de ontwikkeling van elk afzonderlijk vruchtje te vergelijken met de kers. Het zijn veelvoudige steenvruchtjes.
De appel, Malus domestica, is geen ware vrucht. Bij het vormen van de appel wordt ook weer de bloembodem verwerkt. Bekijken we in figuur 6 de appel van binnen naar buiten dan zien we hier in het midden vijf zaden zitten.
De stamper van de appelbloesem bevat meer dan een embryozak. Om de zaden zit het endocarp. Bij de appel is dit een vliesachtige laag. Hierop volgt het mesocarp, een vlezige laag. Om het mesocarp ligt een laagje exocarp, bij de appel is dit nauwelijks te onderscheiden van de aangrenzende lagen (meestal alleen door de iets andere verkleuring na het doorsnijden). De net genoemde onderdelen horen bij het carpel. De rest wordt gevormd door de bloembodem. De eerst volgende laag (de vierde) is het merg, normaal het binnenste deel van een stengel. Hierop volgt de vaatring, waarin de vaten liggen (De vaten zorgen voor het transport van stoffen in de plant). Na de vaatring komt de schorslaag, de beschermende buitenlaag van de plant, die net zoals de bladeren en stengel afgesloten wordt door het epidermis. Het merg, de vaatring, het schors en de epidermis komen allemaal voort uit de bloembodem.
De tekst is als toelichting bedoeld. De leerlingen moeten kijken en tekenen aan de hand van de tekst. Het practicum duurt zeker twee uur en kan het beste gedaan worden aan het einde van het lesjaar. Dan zijn er aardbeien.
Voor extra informatie zie:
Voor vragen email naar: Tessa Wiegman