De PAM-fluorometer
Download the English summary
Inleiding
Zoals je weet hebben alle planten en algen een
systeem waarmee ze licht in chemische energie kunnen
vastleggen (fotosynthese). De werking van dit systeem hangt
samen met de gezondheid van de cel. Of deze cellen gezond
zijn bepaald vervolgens hoe snel een boom groeit, hoe groot
de aardappelen van de boer worden en hoe goed er
bijvoorbeeld in algenindustrie mest in algenbiomassa kan
worden omgezet.
|
Het is dus van groot belang te weten hoe gezond
de cellen van een plant zijn. Hoe herken je nu een
ongezonde cel? Een ongezonde cel zal een minder
efficiënt systeem hebben. De efficiëntie
van dit systeem is dus een maat voor de gezondheid
van de cel. Hoe kun je deze nu op een eenvoudige
manier meten?
De fotosynthese bestaat uit verschillende
groepen van reacties. Er zijn tal van technieken
die kunnen meten hoe efficiënt een deel van
deze reacties van de fotosynthese bij cellen
verloopt. Een van de meest makkelijk toepasbare
technieken hiervoor is de PAM-fluorometer (pulse
amplified modulation fluorometer) meting. Met de
PAM fluorometer kan je, door de te onderzoeken cel
één lichtflits te geven, meteen zien
hoe het er met deze cel voorstaat.
De PAM meet op indirecte manier de
efficiëntie van de doorgave van elektronen
tijdens het fotosynthese proces. Om te weten hoe
dit precies kan is het belangrijk eerst goed te
begrijpen hoe de elektronenoverdracht geregeld is.
|
|
Met de PAM kun je meten
dat de iep in het midden niet gezond is.
|
|
terug
Fotosysteem II
Fotosysteem II (PSII) is een reactiecentrum waar
elektronen, door energie uit licht, in een 'aangeslagen'
toestand kunnen raken. Deze 'aangeslagen' elektronen
bevatten nu een bepaalde hoeveelheid energie. Deze energie
kunnen ze vervolgens, via andere elektronen, doorgeven aan
het volgende reactiecentrum: fotosysteem I (PSI).
|
|
Fotosysteem II geeft,
onder invloed van licht, elektronen door aan
fotosysteem I.
|
In een cel wordt doorgaans maar een gedeelte gebruikt van
alle aanwezige PSII's. De cel regelt, afhankelijk van de
hoeveelheid licht waarin de cel groeit, hoeveel er 'open' en
hoeveel er 'dicht' staan. Cellen die een tijdje in het
donker hebben gestaan, zullen ervoor zorgen dat al hun
fotosystemen open zijn, zodat ze al het nog aanwezige licht
kunnen opvangen. Cellen die in de volle zon staan zullen
juist zoveel mogelijk reactiecentra sluiten zodat ze niet te
veel energie te gelijk opnemen. In een cel die aan een
bepaalde hoeveelheid licht gewend is zal een deel van de
PSII's open staan en een deel dicht. De hoeveelheid licht
bepaald hoeveel reactiecentra er open zijn.
|
Lichtenergie kan op drie manieren worden
omgezet: in chemische energie, in warmte en in
fluorescentie. Chemische energie ligt vast in alle
verbindingen die gedurende de fotosynthese gevormd
worden (van CO2 tot glucose). Warmte wordt
eigenlijk bij bijna elk proces dat 'een tijdje'
(milliseconden) loopt, gevormd. Fluorescentie
treedt alleen op als elektronen terugvallen in de
grondtoestand. Dit laatste proces vindt binnen
korte (nanoseconden) tijd plaats.
|
De aangeslagen elektronen uit PSII kunnen op
verschillende manieren hun extra energie aan de omgeving
kwijt: ze kunnen zoals boven beschreven hun elektronen
overdragen richting PSI (route van de chemische energie). Ze
kunnen ook een deel van hun energie kwijt in de vorm van
warmte. Een laatste manier om lichtenergie kwijt te raken is
door het weer in de vorm van licht (van een hogere
golflengte) uit te zenden. Dit laatste proces heet
fluorescentie.
Een cel waarvan alle reactiecentra open staan zal
invallend licht vooral vastleggen in chemische verbindingen.
Hierdoor blijft er een minimale hoeveelheid energie over
voor fluorescentie. Een cel waarvan alle reactiecentra
gesloten zijn zal de lichtenergie niet kunnen omzetten in
chemische energie en vooral over gaan op fluorescentie. De
PAM meet deze fluorescentie.
terug
Het licht van de PAM
Drie soorten licht
De PAM kent drie soorten licht: het meetlicht, een
verzadigende puls van licht en het actinische oftewel
achtergrond licht. Het meetlicht (ML) is zo zwak dat het
niet in staat is om een elektronenstroom op gang te brengen.
Het meetlicht wordt in hele kleine pulsjes gegeven. Deze
pulsjes zijn net sterk genoeg om het chlorofyl zoveel
energie te geven dat er minimale fluorescentie optreedt. Er
vindt geen warmtevorming plaats en ook wordt er geen energie
vastgelegd in chemische verbindingen (geen fotosynthese). De
verzadigende lichtpuls (SP) is bedoeld om in
één klap (binnen 600 microseconden) alle
PSII's te voorzien van lichtenergie. Het resultaat is dat
alle PSII's gesloten worden. Het achtergrond licht (AL)
dient ervoor om algen in hun natuurlijk lichtklimaat te
houden. De sterkte van het licht hangt af van de
omstandigheden waaronder de algen gekweekt zijn. Het AL
brandt constant en heeft wel invloed op een aantal
meetwaarden van de PAM (zie hieronder).
De lichtdetector
Een monster wordt dus met verschillende soorten licht
beschenen. Samen met het fluorescentielicht gaat al dit
licht richting de lichtdetector.
|
Na het passeren van een aantal filters bereikt
al het licht met een golflengte van ongeveer die
van het fluorescentie licht de detector. Toch wil
je uiteindelijk alleen het fluorescentie licht
meten. Hoe kan dit? Dit is de grote 'truc' van de
PAM: het meetlicht wordt gepulseerd gegeven!
Hierdoor treedt de fluorescentie ook gepulseerd op
(deze reageert immers onmiddellijk op het
meetlicht). De detector versterkt alleen dit
gepulseerde licht. De rest van het licht wordt niet
versterkt en zal op de meting dan ook nauwelijks
effect hebben.
|
|
|
|
De Mini-PAM, een
draagbare uitvoering van de PAM.
|
terug
Meten met de PAM
Met de PAM heb je de mogelijkheid om op een aantal
verschillende momenten de fluorescentie te bepalen. Door de
cellen die je wilt meten een half uurtje in het donker te
zetten zullen alle reactiecentra open gaan. De fluorescentie
die je nu meet is de minimale fluorescentie (F0). Door nu
een hele sterke lichtpuls te geven (verzadigende lichtpuls)
zullen alle fotosystemen sluiten en vervolgens maximaal gaan
fluoresceren (Fm). Door de cellen een half uurtje bij een
bepaalde licht intensiteit te houden zal een deel van de
fotosystemen dicht gaan, om overbelichting (foto-inhibitie)
te voorkomen. De fluorescentiewaarde die je nu meet (F) is
iets hoger dan de minimale fluorescentie (F0). Als je de
cellen nu belicht met een extra hoge lichtpuls dan meet je
een fluorescentie (F'm) die net iets lager is dan de Fm (zie
de afbeelding hierboven). Hoe komt het dat deze waarde lager
is, ondanks dat ook nu alle reactiecentra gesloten zijn? In
het licht vindt er continu warmtevorming plaats.
Warmtevorming is een trager proces dan fluorescentie en
heeft dus op een meting met een enkele puls geen invloed.
Als de cellen echter al een half uur in het licht staan is
dit proces al op gang. Een deel van de lichtenergie zal dan
niet naar fluorescentie gaan maar naar warmteproductie. Dat
deze 'maximale' fluorescentie in licht iets lager is dan die
in het donker komt doordat er nu ook sprake is van een
continue warmtevorming.
In deze afbeelding is de gemeten
fluorescentie uitgezet tegen de tijd. Eerst krijgen
de cellen de tijd om te wennen aan volkomen
duisternis. Zelfs het meetlicht staat uit. Zonder
licht is er natuurlijk geen fluorescentie. Als nu
het meetlicht (ML) wordt aangezet (1) meet je een
minimale fluorescentie: de F0. Dit is de
fluorescentie van het chlorofyl. In de aan donker
gewende cellen staan alle PSII's open. Als er nu
een verzadigende lichtpuls wordt toegediend (2)
zullen alle reactiecentra elektronen opnemen en
vervolgens sluiten. Het resultaat is dat er nu een
maximale fluorescentie kan plaatsvinden: Fm. Na een
korte tijd is deze energiestoot verwerkt en komen
de cellen weer terug in hun oude toestand. Nu wordt
het actinische licht aangezet waardoor een gedeelte
van de PSII's sluit. Het gevolg hiervan is dat er
meer fluorescentie optreedt. Na een tijdje zijn
alle pigmenten opnieuw gerangschikt en wordt het
fluorescentiesignaal weer stabiel (3). Deze waarde
is een soort afgeleide van F0 en heet F. Ook nu kan
er weer een verzadigende lichtpuls worden
toegediend (4). Dit heeft weer als resultaat dat
alle open PSII's een elektron opnemen en dus een
maximaal fluorescentie signaal zullen afgeven. Deze
fluorescentiewaarde is een soort afgeleide van Fm
en heet F'm. Omdat nu ook een deel van de energie
omgezet wordt in warmte zal F'm iets lager liggen
dan de echte Fm.
|
terug
|
|
|
Elke cel heeft zijn eigen concentratie
chlorofyl en PSII. Niet bij elke proef zul
je met dezelfde concentratie cellen meten.
Door deze variabelen meet je per proef
vaak sterk uiteenlopende
fluorescentiewaarden. Als je immers een
hogere chlorofylconcentratie hebt zal er
ook een sterkere fluorescentie optreden.
Voor een betrouwbare interpretatie van
deze waarden is het echter wel belangrijk
dat ze tussen een bepaald minimum en
maximum in liggen. Om hiervoor te zorgen
kun je een aantal onderdelen van de PAM
afstellen. Ten eerste kun je het
actinische licht aanpassen aan de
lichtcondities waarin de te meten cellen
zijn gekweekt. Dit heeft nog niet veel
effect op het signaal van de PAM.
Vervolgens kun je het meetlicht ook
afstellen. Des te sterker dit meetlicht,
des te sterker wordt het eindsignaal. Je
moet er dan wel rekening mee houden dat
een sterk meetlicht ook een hogere basis
lichtsterkte betekent. Met de functie
'damping' kun je regelen hoe lang de
verzadigende puls duurt. Hierbij geldt hoe
langer de duur van de puls des te meer
signaal je zult meten. Het is belangrijk
om op te letten dat de puls volgens een
'nette' piek blijft verlopen. Tot slot kan
met de 'gain' afgesteld worden hoe sterk
het signaal door de detector versterkt
wordt. Bij een erg hoge gainwaarde kan het
wel gebeuren dat je extra veel verstoring
meet.
|
De yield
Met de F0 en Fm kan een yield berekend worden.
Een yield is een maat voor de efficiëntie
waarmee de elektronen worden doorgegeven. Als de
cel de energie van de elektronen nuttig gebruikt is
zijn yield hoog. De yield kan direct worden
berekend met de echte F0 en Fm volgend de formule:
yield in donker = (Fm - F0) / Fm Het grote voordeel
van het meten met aan het donker aangepaste cellen
is dat je hiermee kunt schatten hoeveel chlorofyl
de cel bevat. Want hoe meer chlorofyl de cel bevat
des te meer fluorescentie zal er worden gemeten.
Met andere worden hoe meer chlorofyl per cel des te
hoger is de F0 waarde die je zult meten. De yield
kan echter ook worden bepaald met de afgeleiden: F
en F'm.
De formule luidt dan: yield in licht = (F'm -
F0) / F'm.
Het voordeel van deze laatste maat is dat hij
beter de natuurlijke yield weergeeft dan de yield
die in het donker is gemeten: cellen groeien immers
nooit in het donker.
|
|
Elke cel heeft zijn
eigen concentratie chlorofyl. Van boven naar
beneden: diatomee (alg), gewoon appelmos, zachte
naaldvaren en een blad van een zomereik.
|
|
terug
Epiloog
In de biologie neemt de fotosynthese al van oudsher een
belangrijke plaats in. Meten met radioactieve zuurstof
isotopen leverde informatie over hoe goed een cel
presteert.
|
Dit soort proeven kan echter alleen maar gedaan
worden in goed beveiligde laboratoria. Zoals je nu
hebt kunnen lezen is de PAM veel eenvoudiger om te
gebruiken. In een korte tijd kun je er een hoop
gegevens mee verkrijgen. Wie weet kom je er ooit
nog wel eens mee in aanraking.
|
|
|
|
Het wordt steeds
eenvoudiger om wat van planten te weten te komen.
(Uit Suske en Wiske:'De Klankentapper')
|
terug
Vragen bij de tekst
- Wat is het verschil tussen F0 en F? Leg uit welke
waarde hoger zal zijn.
erew
- Met een PAM-fluorometer zijn de volgende
fluorescentie waarden gemeten: F0 1100, Fm 3000, F 1200
en F'm 2800.
A Bereken de yield in het licht en in het donker.
B Leg uit hoe het komt dat de yield in het licht iets
lager is.
C Wat zegt dit over de invloed van licht op de gezondheid
van de alg?
erew
- Wat is er zo ' handig ' aan de lichtdetector van de
PAM?
jhhgj
- Met drie verschillende potjes algen wordt een proefje
gedaan. Alle drie de potjes worden veertig minuten in het
donker gezet. Een potje bevat algen soort A, eentje algen
soort B en eentje algensoort B in een twee keer zo hoge
concentratie.
A Heeft de concentratie van deze algen een invloed op de
yield die de PAM meet? Leg je antwoord uit. Soort A
blijkt een lagere F0 te hebben dan soort B.
B Wat zegt dit over soort A?
C Zal de F0 van het potje met soort B met de twee maal zo
hoge concentratie hoger of lager zijn dan die van soort B
met normale concentratie? Leg je antwoord uit.
fghf
- Stel dat er bij een bepaalde cel relatief weinig
licht wordt gebruikt voor chemische energie (maar
bijvoorbeeld voor warmte) meet je met de PAM dan een hoge
of juist een lage yield. Leg je antwoord uit.
ghf
- Uit een homogene algensuspensie worden twee gelijke
monsters gehaald. Het ene monster wordt onder een lamp
gehouden. In dit licht worden de bijbehorende lage en
hoge fluorescentie waarde bepaald.
A Wat zijn de symbolen voor de lage en hoge fluorescentie
waarden die op deze manier worden bepaald? Met het andere
monster wordt precies dezelfde meting gedaan, alleen nu
wordt een twee keer zo sterke lamp gebruikt.
B Zijn de waarden die je meet hoger of lager dan die bij
A?
C Leg uit hoe dit komt.
ghf
- Bij bijna alle chemische processen treedt
warmtevorming op. Ook bij fotosynthese. Hoe komt het dat
dit energieverlies niet (noemenswaardig) bijdraagt aan de
verlaging van je fluorescentiesignaal gemeten in het
donker?
ghf
- Aan een algensuspensie wordt een stofje toegevoegd
dat een groot deel van de elektronen die van PSII afkomen
wegvangt. Wat gebeurt hierdoor met de yield die je van
deze algensuspensie zou kunnen meten?
ghf
- Bedenk een onderzoek waarbij de PAM-fluorometer goed
van pas zou kunnen komen.
ghf
- De laatste jaren wordt er veel gepraat over verzuring
van de bossen. Doordat er veel 'zure ' regen valt,
produceren de bomen minder of slechter bladgroen. Leg uit
op welke manier je met de PAM kunt nagaan of dit klopt.
terug
Docentenhandleiding
Korte inleiding bij het gebruik van de tekst
De PAM-fluorometer is een apparaat dat op het gebied van
onderzoek naar alle fotosynthetiserende cellen (zowel
planten als algen) een steeds belangrijkere rol begint in te
nemen. Het apparaat komt in steeds meer diverse vormen voor;
zowel qua omvang als qua gevoeligheid en kwetsbaarheid.
Gezien de eenvoudige toepassing en de steeds handzamere
uitvoeringen (nu al ter grote van een stevige lunchtrommel)
is het zeker niet ondenkbaar dat dit apparaat in de toekomst
ook ter beschikking van het voortgezet onderwijs komt. De
theorie van de PAM sluit goed aan op de lessen over
fotosynthese.
Deze tekst is bedoeld om een indruk te geven hoe de PAM
grofweg werkt en welke informatie dit apparaat levert. Meer
specifieke gegevens wisselen per uitvoering van het
apparaat. Deze zullen dan ook uit een handleiding gehaald
moeten worden.
De tekst is ingedeeld in een basistekst die alle
begrippen rondom de PAM uitlegt. Daarnaast is hij uitgebreid
met een aantal tekstboxen die sommige begrippen wat verder
uitleggen. Er wordt vanuit gegaan dat de leerlingen al enige
idee hebben van het functioneren van een planten cel:
begrippen als chlorofyl en fotosynthese worden bekend
verondersteld. Meer gedetailleerde begrippen als fotosysteem
I en II worden beknopt uitgelegd. Dergelijke begrippen
worden echter als bijzaak beschouwd: het verdient dan ook
aanbeveling om in andere lessen hier dieper op in te gaan.
De stof is vrij pittig en verseist daarom als ingangsniveau
minimaal 4 VWO.
Antwoorden op de vragen
- F0 wordt gemeten in het donker aan cellen die gewend
zijn aan het donker. Vrijwel alle reactiecentra zullen
open staan. Er zal een minimale fluorescentie waarde
worden gemeten. F wordt gemeten in het licht aan cellen
die kort daarvoor nog in het licht waren. Hierdoor sluit
een aantal reactiecentra. Het gaat niet om een
verzadigende lichtpuls dus maar een relatief klein deel
van de reactie centra zal dicht zijn. Toch resulteert dit
kleine verschil erin dat de F fluorescentie waarde net
iets hoger is dan de F0 fluorescentie waarde.
ghf
- A yield in licht = 2800 - 1200 / 2800 = 0.57
yield in donker = 3000 - 1100 / 3000 = 0.63
B Omdat het verschil tussen de lage en de hoge
fluorescentiewaarden in licht kleiner is dan het verschil
tussen de waarden gemeten in het donker.
C Blijkbaar is licht tevens een beperking voor de
efficiëntie van de elektronenoverdracht. Hoe meer
licht des te minder efficiënt werkt de overdracht.
Te veel licht is voor een cel dan ook ongezond.
ghf
- De lichtdetector versterkt alleen gepulseerd licht.
Alleen het fluorescentie signaal pulseert. Dus alleen dit
signaal (en niet het achtergrondlicht) wordt
versterkt.
- A Nee. De yield is een eigenschap die wat zegt over
de gezondheid van je cel. Deze is niet afhankelijk van de
concentratie van de cellen.
B Soort A bevat minder chlorofyl dan soort B.
C Deze zal hoger zijn. De fluorescentie wordt hoger
naarmate er een hogere concentratie cellen (en dus een
hogere concentratie chlorofyl) aanwezig is.
ghf
- Van de totale hoeveelheid lichtenergie gaat een deel
verloren aan warmteproductie. Deze energie kan niet meer
gebruikt worden als chemische energie. De cel haalt op
deze manier minder chemische energie uit dezelfde
hoeveelheid lichtenergie. Dit betekent dat de cel minder
efficiënt werkt. De PAM zal dus een lagere yield
meten.
ghf
- A F en F'm.
B De F is hoger. De F'm is lager.
C Een twee keer zo hoge lichtsterkte zorgt er voor dat de
algen meer reactiecentra zullen sluiten om overbelichting
te voorkomen. De energie van het licht dat valt op een
gesloten reactiecentrum zal niet meer gebruikt kunnen
worden voor chemische energie. Deze lichtenergie zal
daarom deels in warmte en deels in fluorescentie omgezet
worden. De (extra) fluorescentie-energie levert een
hogere F waarde op. In het licht vindt er continu
warmtevorming plaats. Warmtevorming is een trager proces
dan fluorescentie en heeft dus op een meting met een
enkele lichtpuls geen invloed. Als de cellen echter al
een half uur in het licht staan is het
warmtevormingsproces al op gang. Een deel van de
lichtenergie zal dan niet naar fluorescentie gaan maar
naar warmteproductie. Als het achtergrondlicht tijdens de
meting sterker is zal er meer energie gaan naar
warmteproductie en dus minder naar fluorescentie: de
F'm-waarde is dan lager.
ghf
- Zoals bij 6c al is uitgelegd is het proces van
warmtevorming een veel trager (milliseconden) proces dan
fluorescentie (nanoseconden). In eerste instantie wordt
dus alle energie gebruikt voor fluorescentie. Pas later,
na de meting van de PAM, gaat een deel van de
lichtenergie naar warmtevorming en zal de fluorescentie
afnemen.
ghf
- Doordat een deel van de elektronen wordt weggevangen
zal de overdracht van elektronen minder efficiënt
verlopen dan voor de toevoeging van de stof. Het
resultaat is dus een minder efficiënte
elektronenoverdracht oftewel: een lager yield.
ghf
- Elk onderzoek naar het functioneren van organismen
met chlorofyl (PSII).
ghf
- Door de yield in de bladeren van een 'verzuurde' en
een niet 'verzuurde' boom te bepalen. De gezonde boom
heeft, als het goed is, een hoger yield.
|
|