Bodemdieren van de Noordzee

S.E. Holtmann, juni 2000

  1. Inleiding
  2. Zonering van de Noordzee
  3. Bodemdierenatlas
  4. Monitoring
  5. Huidige stand van zaken
  6. Literatuur
    Vragen
    Informatie voor de docent

 

 

1. Inleiding

Als we een dagje op het strand doorbrengen kan het gebeuren dat we bij een korte wandeling teken van leven tegen komen. Dat kunnen aangespoelde kwallen, kleine krabbetjes, of resten van schelpdieren zijn. Ook zien wij regelmatig zeevogels voorbij vliegen of een verdwaalde vlinder uit de duinen te voorschijn komen. Er is dus zeker leven in of op de Noordzee. Maar de meeste dieren leven verborgen in de zeebodem. Dieren die in de bodem leven worden zoobenthos genoemd. Als deze dieren groter zijn dan 1 mm dan spreken wij van het macrozoobenthos.

naar inhoud

 

2. Zonering van de Noordzee

De Noordzee is verdeeld in 7 verschillend grote delen, afhankelijk van het aantal landen die grenzen aan de Noordzee. Hiervan valt er één taartpunten onder het beheer van de Nederlandse overheid (Rijkswaterstaat). Dit is het Nederlands Continentale Plat (NCP) (zie Fig. 1).

Fig. 1. De Noordzee (klik voor een grotere versie)

Het Nederlandse deel van de Noordzee (NCP) kan op grond van de bodemstructuur (het sediment) verder worden onderverdeelt in de Kuststrook, de Zuidelijke Bocht, de Oestergronden en in het noorden de Doggersbank. In de Oestergronden vind je heel fijn sediment en in de Zuidelijke Bocht juist heel grof sediment. De andere twee gebieden hebben een gemiddelde bodemstructuur (zie Fig. 2).

Fig. 2. Bodemstructuur (klik voor een grotere versie)

Het leven in de bodem van de Noordzee, het benthos, heeft zich duidelijk aangepast aan het sediment. Zo zijn er soorten van bodemdieren die alleen in de Oestergronden te vinden zijn en andere soorten doen het juist heel goed in het grove sediment van de Zuidelijke Bocht. Dit noemen we een zonering van de bodemdieren. De Draadarmige slangster (Amphiura filiformis) (zie Fig. 3 & 4) komt met hoge aantalen (de donker bruine gebieden in Fig. 4) in het fijne sediment van de noordelijke Oestergronden voor. De Rechtsgestreepte platschelp (Tellina fabula) (zie Fig. 5 & 6) komt vooral in het grovere sediment boven de Waddeneilanden en in de Zuidelijke Bocht voor. Dit zijn maar twee voorbeelden van bodemdieren die een bepaalde bodemstructuur nodig hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen. Maar er zijn ook soorten die op het hele NCP te vinden zijn en dus geen echte voorkeur hebben voor het sediment.

Fig. 3. Draadarmige slangster (Amphiura filiformis)

Fig. 4. Verspreiding van Amphiura filiformis

Fig. 5. De Rechtsgestreepte platschelp (Tellina fabula)

Fig. 6. Verspreiding van Tellina fabula (klik voor een grotere versie)

naar inhoud

 

3. Bodemdierenatlas

In opdracht van Rijkswaterstaat zijn er in de jaren 1988 t/m 1993 op meer dan 400 locaties bodemmonsters genomen en is er gekeken welke soorten bodemdieren in welke hoeveelheden op deze plekken voorkomen. Tijdens dit onderzoek is een grote aantal data verzameld. Op grond van deze dataset was het mogelijk om een atlas van de bodemdieren op het NCP te maken (Holtmann et al., 1996). Deze zoobenthosatlas is de basis voor verdere onderzoeksprojecten over het leven in de Noordzee. Onderzoekers die bv. iets willen weten over het voedsel van vogels of vissen in een bepaald gebied kunnen in de atlas opzoeken welke bodemdieren er voorkomen. Want het macrozoobenthos vormt een belangrijke voedselbron voor andere dieren die in de Noordzee leven.

naar inhoud

 

4. Monitoring

Naast het maken van een atlas is Rijkswaterstaat ook bezig om te controleren of er in loop van de jaren veranderingen (trends) van het bodemleven in de Noordzee optreden. Hiervoor worden er elk jaar op 100 vaste locaties vanuit een schip bodemmonsters genomen en op het laboratorium geanalyseerd. Dit onderzoek dat elk jaar op dezelfde manier wordt uitgevoerd noemen we monitoring. De onderzoekers kijken als het ware door een soort monitor (=de resultaten van de bodemmonsters) om te controleren of er iets veranderd op de Noordzee. Dit is voor een goed beheer van het Nederlandse deel van de Noordzee noodzakelijk en kan helpen als er calamiteiten (bv. een scheepsramp) op zee voorkomen. Bovendien kan het zijn dat als er negatieve veranderingen van de bodemdieren worden opgemerkt de overheid (Rijkswaterstaat) beslist om bv. de visserij of het winnen van olie op de Noordzee te beperken.

naar inhoud

 

5. Huidige stand van zaken

De resultaten van het monitoring op de Noordzee in de periode tussen 1986 en 1998 zijn elk jaar in een datarapport vastgelegd. De laatste resultaten van de hele periode van het monitoring staan vermeld in het rapport van Holtmann et al., 1999.

Samenvattend kan het volgende worden opgemerkt:

  • De resultaten laten veel variatie van het macrobenthos op het NCP zien.
  • In alle onderzoeksjaren was het zuidelijke deel van het NCP het armste gebied, waar maar weinig verschillende soorten voorkomen en de Doggersbank in het noorden het soortenrijkste gebied.
  • Er zijn een diverse belangrijke soorten in aantal (dichtheid) afgenomen in de periode tussen 1986 en 1998. Hierbij behoort ook de slangster Amphiura filiformis die alleen in de het noordelijke gebied van het NCP (Oestergronden) voorkomt en daar nog steeds vrij dominant is.
  • Langs de Nederlandse kust zijn de biologische kenmerken van de locaties heel verschillend. Naast locaties met hoge aantallen macrobenthos zijn er ook hele lage aantallen gevonden.

Ook zijn er een aantal duidelijke veranderingen waargenomen tijdens het monitoringonderzoek blijft het toch een probleem om de resultaten goed te verklaren. Er zijn namelijk ook natuurlijke afnamen en toenamen van de bodemdieren over de jaren. Over deze natuurlijke fluctuatie is er voor de meeste soorten nog weinig bekend. Bovendien is er ook weinig informatie over de 'normale' situatie op de zeebodem. Is de huidige toestand in vergelijking met 100 jaar geleden verslechterd of is het misschien juist verbeterd?

Waar de onderzoekers wel van overtuigd zijn is dat, het aantal verschillende soorten (biodiversiteit) dat in een gebied te vinden is, wel iets zegt over de toestand van de Noordzee. Een onverstoord gebied heeft in het algemeen meer soorten (hogere biodiversiteit) dan een gebied waar van buiten veel invloed wordt uitgeoefend (lage biodiversiteit). Deze verstoring kan door natuurlijke factoren (bv. storm, lage wintertemperaturen) maar ook door menselijke activiteiten veroorzaakt zijn.

Omdat er nog vele vragen onbeantwoord zijn over het leven in de bodem van het NCP is het noodzakelijk om ook de komende jaren het monitoringonderzoek voort te zetten en te zoeken naar de laatste puzzelstukjes van het macrobenthos in de Noordzee.

naar inhoud

 

6. Literatuur

HOLTMANN, S.E., A. GROENEWOLD, K.H.M. SCHRADER, J. ASJES, J.A. CRAEYMEERSCH, G.C.A. DUINEVELD, A.J. VAN BOSTELEN & J. VAN DER MEER, 1996. Atlas of the zoobenthos of the Dutch Continental Shelf. -Ministry of Transport, Public Works and Water Management, North Sea Directorate, Rijswijk: 244pp.

HOLTMANN, S.E., G.C.A. DUINEVELD & M. MULDER, 1999. The macrobenthic fauna in the Dutch sector of the North Sea in 1998 and a comparison with previous data. -NIOZ-report 1999-5, NIOZ, Texel, The Netherlands: 105pp.

LAANE, R., R.HISGE, A. VAN BERGE HENEGOUWEN, R. LEEUWIS & F. COLIJN. De zee, de zee, de Noordzee. -ISBN 9012067375: 225pp.

naar inhoud

 

Vragen

  1. Hoe worden de bodemdieren van de Noordzee nog genoemd?
  2. Met welke omgevingsfactor kun je het NCP indelen?
  3. Hoe heet het onderzoek dat wordt uitgevoerd om veranderingen van het bodemleven over vele jaren te controleren?
  4. Welke biologische kenmerken zegen iets over de toestand van een gebied?
  5. Hoe beïnvloed de mens het leven van de zeebodem?
  6. Zijn er ook natuurlijke factoren die het bodemleven van de Noordzee kunnen beïnvloeden? Zo ja, welke?
naar inhoud

 

Informatie voor de docent

  1. Het Noordzee ecosysteem (voedselweb) bespreken.
  2. Het verschil tussen plankton, nekton en benthos duidelijk maken.
  3. De milieutypen lucht, waterkolom, harde substraten en zachte bodem (sediment: zand, grind, slib) bespreken.
  4. Omgevingsfactoren sediment, diepte, zoutgehaltes noemen.
  5. De diergroepen noemen die in de bodem van de Noordzee leven (namelijk: Polychaeta, Mollusca, Echinodermata en Crustacea).
  6. Biologische kenmerken noemen (dichtheid, biomassa, diversiteit).
  7. Problemen bij het benthosonderzoek bespreken (scheepscapaciteit, weersomstandigheden…)
  8. Bespreken welke menselijke activiteiten naast de abiotische factoren het ecosysteem Noordzee verstoren en wat hier voor maatregelingen getroffen moeten worden
naar inhoud