VRAAGSTUKKEN

voor vraagstukken na twee weken klik Hier


LES I: ELKAAR HELPEN OM TE OVERLEVEN

De Beldingís grondeekhoorn is een knaagdier dat in groepen in holen in de grond leeft. Het dier heeft een speciale alarmroep als hij een roofdier ziet dat via de grond komt. Deze alarmroep is een speciale staccato fluit (zie figuur ). In dit vraagstuk gaan we de redenen bekijken van het geven van een alarmroep.

Eén van de hypotheses voor de alarmroep is dat het roofdier verward raakt door de alarmroep van de grondeekhoorn, want de eekhoorn waarschuwt met zijn roep soortgenoten en dan kunnen ze met zijn allen vluchten.

1. Is dit directe of indirecte selectie? verklaar je antwoord

2. Kan je nog een andere hypothese bedenken, één waar directe selectie een rol speelt, waarom de grondeekhoorn een alarmroep geeft? Niet de hypothese als antwoord geven die hier beneden wordt behandeld.

Een andere hypothese is dat de alarmgever korter leeft (doordat het roofdier hem eerder aanvalt), maar dat hij daarmee andere familieleden waarschuwt en zij kunnen ontkomen.

3. Dit is een geval van altruïsme, leg dat uit. gebruik de term indirecte selectie

Bij deze grondeekhoornen trekken de mannetjes weg van hun geboortenest. De vrouwtjes blijven echter achter en wonen daar met moeder, dochters, nichtjes, zussen, enz.

4. Als de altruïsme hypothese klopt zullen dan mannetjes of vrouwtjes meer alarmroepen geven? verklaar je antwoord.

5. Als je er achter wil komen of de hypothese van vraag 1 of van vraag 3 de waarheid is op welke factor moet je dan letten?

6. Het is in de dierenwereld vaak lastig om te weten te komen of een dier altruïstisch is of niet. Kan jij een altruïstische daad bij mensen bedenken? leg je antwoord uit en bedenk goed dat de altruïst absoluut geen voordeel van zijn/haar daad mag hebben.


LES II: EVOLUTIE VAN EUSOCIALE INSECTEN

7. Vergelijk de verwantschap coëfficiënten tussen moeder-dochter en dochter-dochter in een haplodiploïde insectensoort en een diploïde insectensoort. In welke van de twee soorten zal de dochter-dochter relatie heel sterk zijn, en waarom?

8. In de tekst staat dat je zelf moet nagaan dat vrouwtjesbijen voor 25% gerelateerd zijn met hun broertjes. Toon dit aan.

9. Bij naakte molratten bestaat ook eusociaal gedrag. Deze dieren zijn zoogdieren en zeker niet haplodiploïd. Toch zijn deze dieren onderling zeer verwant hoe kan dat? leg je antwoord uit.

10. Haplodiploïdie is niet de enige factor verantwoordelijk voor het ontstaan van eusociaal gedrag. Probeer nog (minstens) twee factoren die hebben kunnen bijdragen bij de evolutie tot eusociaal gedrag.

Bij de mier Veromessor pergandei werken twee of drie ongerelateerde vrouwtjes samen een kolonie op te richten. Ze werken samen totdat de eerste nakomelingen ontstaan. Op dat moment gaan de vrouwtjes vechten en de winnares vermoordt uiteindelijk haar concurrenten.

11. Omschrijf waarom dit gedrag voordelig is voor het ontstaan van eusociaal gedrag. gebruik de term verwantschapcoëfficient.

12. Zou er ook eusociaal gedrag hebben kunnen ontstaan als de drie koninginnen naast elkaar bleven leven? verklaar je antwoord

13. Er wordt wel eens gezegd dat een eusociale insectenkolonie zich gedraagt als één organisme. Verzin daar eens wat argumenten voor en ben je het daar mee eens?