HANDLEIDING VOOR DOCENTEN BIJ DE TEKST:
Sociaal gedrag bij dieren
De evolutie van eusociale insecten
De tekst waarover deze handleiding gaat, heeft als onderwerp de evolutie van eusociaal gedrag bij insecten. De tekst doet bij de leerlingen zowel een beroep op kennis over evolutie, als kennis over (moleculaire) genetica. De tekst is waarschijnlijk het meest geschikt voor de vijfde en zesde klas van het V.W.O.
De tekst bestaat uit twee delen. Elk deel zal waarschijnlijk één lesuur beslaan. Het eerste deel is een inleidend deel over sociaal gedrag bij dieren. Er wordt aangetoond dat altruïsme voordelig kan zijn voor een dier, terwijl dat dier op het eerste gezicht nadeel van zijn gedrag ondervindt. Het tweede deel van de tekst gaat over de evolutie van eusociaal gedrag bij insecten. Daarnaast zit in het tweede deel ook wat algemene informatie over eusociale levensgemeenschappen.
Beide delen worden gevolgd door een aantal vraagstukken om het
begrip van de leerlingen te testen en ze uit te dagen verder dan de
gepresenteerde stof te denken.
In de tekst worden de volgende begrippen als bekend verondersteld:
Ook wordt bekend verondersteld:
De volgende begrippen worden in de tekst uitgelegd:
Deze tekst is gebaseerd op teksten uit twee boeken over gedrags ecologie. Het zijn zeer leesbare boeken, waarin gedrag op een evolutionaire wijze begrijpelijk verklaard wordt.
De boeken zijn:
Veel plezier met de tekst,
Yuri Matteman, Amsterdam 1997.
ANTWOORDEN OP DE VRAAGSTUKKEN
1. Directe selectie, De roepende eekhoorn heeft er voordeel aan om met zijn allen hard weg te lopen.
2. 1. De predator weet dat hij ontdekt is en geeft de jacht op
2. Doordat de ene eekhoorn de ene keer een alarmroep geeft, zal een ander het de volgende keer doen
3. De roeper verkleint zijn overlevingskansen, maar verhoogt die van zijn familie. Dat is een typisch voorbeeld van indirecte selectie.
4. Vrouwtjes, zij leven met familie en als zij een alarmroep geven verhogen ze de overlevingskansen van familie. Mannetjes leven niet met hun familie en alarmroepen zullen dan geen geval zijn van indirecte selectie
5. Op het nadeel dat de alarmgever ervan ondervindt. Als hij geen nadeel ervan ondervindt, maar zijn overlevingskansen juist omhoog gaan is de hypothese uit vraag 1 waar. Ondervindt de alarmgever duidelijk nadeel van zijn gedrag en wordt hij eerder opgegeten door het roofdier dan kan de hypothese uit vraag 3 waar zijn.
6. -
7. In het haplodiploide geval, want daar hebben de dochters en verwantschap coëfficient van 0.75
8. Zussen krijgen 50% van hun DNA van hun moeder. Broertjes krijgen ook 50% van hun DNA van hun moeder. Omdat de moeder diploid is komt die 50% van een broer en zus voor 50% overeen, 50% x 50% = 25%.
9. inteelt
10. 1.Het bouwen van uitgebreide nesten.
2.gezamenlijke verdediging tegen vijanden
11. Als er maar één koningin is, is de verwantschap coëfficient tussen dochter 0.75. Als er meer zijn daalt deze coëfficient terwijl die r=0.75 de stuwende kracht was voor het ontstaan van eusociaal gedrag.
12. Ja, zie de antwoorden bij 10 en de drie voorspellingen in de tekst waar haplodiploide soorten aan moeten voldoen willen haplodiploidie voordeel geven.
13. Ieder organisme in de kolonie heeft een aparte taak die het geheel dient. De individuen zijn meer te zien als cellen in één organisme. Zij zijn zelfs bereid te sterven voor de kolonie. De koningin is dan op te vatten als het hart.
Natuurlijk zijn op vraag 13 nog veel meer antwoorden mogelijk.
NA TWEE WEKEN
1. zie tekst
2. zie tekst
3. zie tekst
4. zie tekst/ ouder-kind of broers, zussen, broer-zus
5. zie tekst
6. -Bij ouders blijven wonen en helpen opvoeden van broers en zussen.
-Het bereid zijn te sterven voor je familie
7. Het is een onmogelijke taak voor één
koningin om een gigantisch uitgebreid nest te maken in haar eentje.
Het zou voor haar dus voordelig zijn als zij helpers heeft die niet
zomaar wegtrekken. Onvruchtbare helpers zullen niet zomaar
wegtrekken. Het bouwen van een uitgebreid nest kan dus ook een
stuwende kracht zijn geweest bij het ontstaan van eusociaal
gedrag.