Beschermde diersoorten: een apart soort probleem
door Jelle van Zweden
Paragraaf 1: Inleiding
Korenwolf, knoflookpad of zandhagedis. Ondernemers worden regelmatig verrast door het nieuws dat op hun bouwterrein een beschermd dier rondloopt, zelfs nadat er milieueffectrapportages zijn gemaakt. Het Brabantse Vught kon geen huizen bouwen door de kamsalamander. De bouw van een pannenkoekenhuis in het Friese dorp Terherne is een jaar vertraagd omdat een ecologisch bureau eerst moet onderzoeken of de zeldzame noordse woelmuis voorkomt. Het Zeeuwse Aardenburg moest plannen voor de aanleg van een rondweg wijzigen wegens de boomkikker. En Das & Boom doet er alles aan om akkers in Limburg niet te laten omploegen en zo de korenwolf voor uitsterven te behoeden. Natuurverenigingen en omwonenden grijpen de aanwezigheid van menig beschermde diersoort aan om bouwprojecten af te kappen. Maar is het nou zo simpel? Wordt zo'n bouwproject al stilgelegd als er één piepklein beschermd diertje zit, waar nog nooit iemand van heeft gehoord? Kun je op het terrein van de ondernemer even een korenwolfje uitzetten en dan roepen: "Kijk, een beschermde diersoort! Stoppen met bouwen!" Nee, een amateur natuurfreak zal dit soort middelen misschien proberen te gebruiken, maar een beetje bouworganisatie laat eerst even uitzoeken of het hier wel om een populatie gaat. En, als er is vastgesteld dat het om een populatie gaat, hoe groot is hij? Kan de populatie wel op langere termijn voortbestaan?
De Nederlandse wet voor beschermde soorten houdt zich aan de Europese richtlijnen. Als een plant, dier of paddestoel eenmaal op de lijst van bescherming staat, zal geen enkel individu van deze soort meer mogen worden gekrenkt. Daarbij komt ook nog dat de habitat van de soort onaangetast moet blijven. In principe moet alle habitat waarin een beschermde diersoort zich mogelijk kan verspreiden worden beschermd. Voor een korenwolf moeten dus alle akkers, in de directe omgeving van hun burchten, worden beschermd. Daarentegen moet een populatie die zichzelf niet in stand kan houden of deel uitmaakt van een grotere populatie, elders zijn heil zoeken. De populatie moet dan wijken voor de bouwplannen en zoveel mogelijk van de individuen moeten worden verplaatst naar andere terreinen met geschikt habitat. Eén individueel dier mag dus niet worden gedood, maar hij kan in z'n eentje niet een heel bouwproject stopzetten. Hiervoor is een levensvatbare populatie wel de voorwaarde.
Een mooi voorbeeld is een citaat van de heer Dirkmaat, voorzitter van Das & Boom, die voornamelijk bekend is door de 'Breekijzer'-achtige manier waarop hij de korenwolf beschermt. "Als er in de Peel een verdwaalde das rondloopt, mag je daar van ons bouwen. Een das hoort daar niet. Wij zijn erg ruimhartig. Een van de grote dogma's in Nederland is dat het Groene Hart niet mag worden aangetast. Op grote delen landbouwgrond gebeurt ecologisch helemaal niets. Als je er huizen en bedrijven neerzet, zal de ecologische waarde toenemen. Een stad als Utrecht barst van de gierzwaluwen." Wat Dirkmaat dus ook zegt is dat lang niet alles wat groen is ook ecologisch iets voorstelt. Zo zie je maar dat ook de meest extreme natuurbeschermingsorganisaties niet alleen maar alles groen wil houden.
De ecologische waarde van een terrein neemt toe naarmate er meer aparte of zeldzame soorten zich huisvesten. Een park of weiland zal altijd uit ongeveer dezelfde soorten opgebouwd zijn, en van deze soorten zijn er dan ook genoeg. Dieren als duiven, eenden, koeien of planten als paardebloem of weegbree zie je overal. Ecologisch gezien stelt het dus erg weinig voor, ook al hebben ook deze dieren hun waarde. Al is het maar omdat ze leven. Maar het gaat erom dat de soorten, waarvan er te weinig zijn, behouden blijven. Doordat je ook hun habitat beschermt kun je een grote verscheidenheid aan natuur behouden. De verschillende typen habitat blijven behouden, wat ook weer voordelig is voor andere dieren en planten die in hetzelfde type habitat leven. De beschermde soorten werken dus als een soort paraplu: doordat hij wordt droog gehouden wordt voor de regen, worden ook andere organismen niet nat.
Verder heeft elke soort zijn functie in het ecosysteem. Elk diertje eet of wordt gegeten door een andere dieren. Als er één schakel wegvalt kan dit desastreuze gevolgen hebben. Roofvogels kunnen bijvoorbeeld geen hamsters meer vinden en ook zij sterven uit. Of de insecten die niet meer door de zandhagedis worden gegeten nemen toe in aantal. Dit zijn er op een gegeven moment zó veel dat het een ware plaag wordt.
Een aantal plantensoorten zal daar dan weer last van hebben. Met het beschermen van een soort kun je een heel ecosysteem redden. En misschien dat sommige van de soorten, die je op deze manier redt, in de toekomst veel waarde voor mensen zullen hebben door bijvoorbeeld eiwitten aan te maken die weer als wij dan weer als medicijn kunnen gebruiken. In het tropisch regenwoud bijvoorbeeld zijn nog zoveel soorten niet ontdekt, dat er makkelijk één bij zou kunnen zitten met een middel tegen kanker.
Als er dus is vastgesteld dat er een populatie van een beschermde diersoort zit moet er worden uitgezocht of deze op de lange termijn zichzelf in stand kan houden. Dit is namelijk de voorwaarde voor het stoppen met het bouwproject. Ik geef hier een beschrijving van hoe je uitzoekt of een populatie levensvatbaar is. Hiervoor heb ik het voorbeeld van de zandhagedis genomen. 
Op een terrein van ongeveer 5.5 hectare bij Ruigenhoek (Z-H) was een project gepland, waarbij er vakantiebungalows en een motel zouden worden gebouwd. De aanwezigheid van de zandhagedis gooide echter roet in het eten. Het terrein maakt deel uit van de binnenduinrand van de Nederlandse kustduinen en Stichting Duinbehoud eiste dat abrupt de bouw werd stilgelegd en dat er werd uitgezocht om hoeveel zandhagedissen het ging. Onafhankelijk van elkaar zouden de Universiteit van Amsterdam en een Natuurinventarisatie-bureau onderzoek doen naar de kansen van een levensvatbare populatie. Beiden gingen ongeveer als volgt te werk.
Allereerst was er een vegetatieopname nodig om te bepalen hoe geschikt de het terrein is als habitat. Alle planten die op het terrein stonden zijn genoteerd en het totaalbeeld is ingedeeld in een typering van alle landschappen die in de duinen voorkomen. Dit gebeurt aan de hand van de soorten die het meest aanwezig zijn; dominante soorten. Het stuk duin bij Ruigenhoek werd getypeerd als duindoornvegetatie met stukken open zand. Laat dit nou net dé voorkeurshabitat van de zandhagedis zijn. Het open zand, waar de dieren hun naam aan te danken hebben, is nodig voor de eiafzet. De struiken duindoorn zijn geschikt als schuilplaats voor de dieren (mede dankzij de stekels). Daarbij geeft de zandhagedis vaak de voorkeur aan geaccidenteerd terrein met kleine holletjes in het struikgewas om in te zonnen. Doordat er vaak in het terrein werd gemotorcrosst, zijn er wat hoogteverschillen ontstaan en wordt ook aan deze eis voldaan. 
Vervolgens is er een populatieschatting gedaan om te bepalen of er wel genoeg hagedissen zouden zitten om het lang vol te houden. Er moeten tenminste 500 dieren bij elkaar zitten om het een levensvatbare populatie te noemen. Bij deze hoeveelheid zandhagedissen is het erg onwaarschijnlijk dat bijvoorbeeld alle vruchtbare vrouwtjes wordt gepakt door vossen of een valk. Een grotere hoeveelheid dieren is dus minder gevoelig voor toevalstreffers. Je moet hierbij ook denken aan bijvoorbeeld een storm die een aantal dieren het leven kost. Hierbij is de kans dat mannetjes en vrouwtjes elkaar tegenkomen groter bij een grote populatie. Kleine populaties hebben bovendien meer last van inteelt. Dit fenomeen ontstaat als zeer verwante dieren met elkaar kruizen. Kapotte genen hebben dan een grotere kans om bij elkaar te komen in één individu. Deze dieren zijn dan misvormd of hebben een aangeboren ziekte.
Een populatiegrootte (N) kun je als volgt schatten, wanneer je, zoals bij de zandhagedis, niet alle dieren zomaar kunt tellen. Je gaat een dag zoeken en vangen. Je merkt alle gevangen dieren of zorgt er in ieder geval voor dat je ze kunt herkennen. Nu heb een bepaalde hoeveelheid herkenbare dieren (M). Als je vervolgens nóg een dag op onderzoek uitgaat en een bepaalde hoeveelheid dieren vangt (n), zitten er waarschijnlijk een aantal bij die al eerder zijn waargenomen (terugvangsten, r). Als de steekproef maar groot genoeg is, kun je zeggen dat het aantal terugvangsten ten opzichte van het totaal aantal dieren dat je de tweede dag vangt (r : n) hetzelfde is als de verhouding tussen het totale aantal herkenbare dieren en de totale populatiegrootte (M : N). Aangezien je drie van de vier variabelen weet kun je de populatiegrootte nu schatten met behulp van de volgende formule: N = M * n / r.
In het geval van het terrein bij Ruigenhoek kwam de schatting op een getal van 61 dieren. Dit is dus veel te weinig om zelfstandig levensvatbaar te zijn. Er was echter nog een mogelijkheid: onderdeel van een grotere populatie. Een grotere populatie bestaande uit meerdere deelpopulaties, die onderling dieren uitwisselen, noem je een metapopulatie. Als de populatie onderdeel is van een metapopulatie, kan hij best langere tijd voortbestaan met zo weinig individuen. De populatie wordt dan steeds aangevuld door de grotere kernpopulatie. Om dit uit zoeken moest er aan de hand van genen bekeken worden of er uitwisseling plaatsvindt tussen het terrein en de aangrenzende grotere stukken duin (de Amsterdamse Waterleiding Duinen). Door de erfelijke functie kun je dit aan genen zien. Sporen van verwantschap blijven in de nakomelingen achter. En niet alleen kan bekeken worden of het terrein bij Ruigenhoek genetisch op de grotere stukken duin lijkt, ook kan worden bepaald of er veel inteelt is. Dit is allemaal aan de genetische opbouw van de zandhagedissen te zien. Er was hiervoor wel bloed van de dieren nodig en dat kan niet zomaar met een beschermde diersoort. Gelukkig kunnen hagedissen hun staart afstoten en gewoon later weer een nieuwe aangroeien. De dieren hoefden dus niet gedood te worden.
Uit de genetische analyse bleek dat de populatie heel erg leek op de metapopulatie in het aangrenzende duin. Ook waren er nauwelijks sporen van inteelt, wat er dus ook op wees dat de kleine populatie een onderdeel is van de grotere metapopulatie. Samengenomen met de geschikte vegetatie die op het terrein aanwezig is, kan deze (deel)populatie nog een hele tijd voort. Het was dus niet nodig om je zorgen te maken, althans voor de natuurbeschermers. De populatie kan langere tijd voortbestaan, wat voor de bouwondernemer een strop betekent. Hij moet nu het hele project afblazen en heeft eigenlijk niets meer aan het terrein. Hij mag er toch niets doen.
Aan dit voorbeeld kun je dus zien wat er allemaal moet gebeuren voordat een stuk natuur kan worden beschermd. Er gaat een heel proces van bepalen of het wel authentieke natuur is aan vooraf, voordat het met recht beschermd kan worden. Een bioloog zit daardoor vaak in het grijze gebied tussen natuurbescherming en beleidsmakers. Ze houden van de natuur en willen dit uit alle macht beschermen, maar ze moeten objectief blijven en goed kunnen bepalen of zo'n populatie het beschermen waard is. Als er een andere uitslag was geweest van het onderzoek bij Ruigenhoek (de populatie is niet op lange termijn levensvatbaar), zouden de zandhagedissen toch hebben moeten verhuizen.
Bij de korenwolf is het echter toch anders gegaan. Daar is op een bepaald veld de boer, tegen regels en adviezen in, toch gaan ploegen. Op deze manier heeft hij de complete habitat van de laatste wilde hamsters vernietigd. En op die manier kun je natuurlijk niet rekenen op begrip van natuurvereniging of ministerie. Natuurvereniging Das & Boom houdt echter het Ministerie van LNV verantwoordelijk, omdat zij al in een vroeg stadium hadden kunnen constateren dat de boer niet wilde meewerken. Ze hadden hem meer geld kunnen bieden of op een andere manier een oplossing kunnen zoeken. Inmiddels geven alle partijen elkaar de schuld en worden er rechtzaken aangespannen. Dan kun je misschien nu wel begrijpen waarom er zo'n ophef over is.
Om het probleem rond de korenwolf goed te kunnen laten zien, is een rollenspel een leuke vorm om het duidelijk te maken. Voor een rollenspel moet iedereen natuurlijk wel wat achtergrondinformatie hebben. Op www.korenwolf.nl staat de geschiedenis van de problematiek uitgeschreven. De leerlingen kunnen in groepjes de verschillende partijen vertegenwoordigen: de boer(en), het ministerie van LNV, natuurvereniging Das & Boom en natuurlijk de korenwolf. Elk groepje leest zich in op zijn eigen belangen en gebeurtenissen waarmee ze te maken hebben gehad. Vervolgens kan er klassikale discussie gevoerd worden over bijvoorbeeld de volgende punten:
Naast www.korenwolf.nl, staan op de volgende sites links of informatie over problemen rond beschermde soorten:
Ook is op http://www.nibi.nl/bulletin/177.html#top te vinden hoe een ethische discussie in de klas te houden en op wat voor problemen je kunt stuiten hierbij