De bodems van NederlandWat is nou eigenlijk een bodem. Soms worden de termen bodem en grond hetzelfde gebruikt, maar ze verschillen erg van elkaar. De term grond wordt gebruikt om al het losse gesteentemateriaal op aarde aan te duiden, dat is een heel breed begrip. Heel algemeen gezegd is de bodem een laag verweerd, los materiaal die organische stof bevat en waarop planten kunnen groeien. De bodem van Nederland is volgens het classificatiesysteem van de Stichting voor Bodemkartering in Wageningen ingedeeld in vijf hoofdgroepen. De veengrond, de podzolgrond, de brikgrond, de eerdgrond en de vaaggrond. Elke bodem heeft zijn eigen specifieke kenmerken en eigen ontstaansgeschiedenis. BodemvormingBodemhorizontenDe podzolbodemOpdrachtenDocenten handleidingBodemvormingDoor allerlei processen zoals humusvorming, inspoeling, uitspoeling en oxidatie ontwikkelt zich een bodem. Dit is een heel lang proces wat ook nooit stopt. Een bodem bestaat uit verschillende lagen. Die lagen verschillen in kleur, soort materiaal, hoeveelheid voedingsstoffen, wel of niet waterdoorlatend en nog veel meer kenmerken. Die lagen noemen we horizonten en die kun je zien in figuur 1. In figuur 2 staan de horizonten in volgorde van boven naar beneden. Niet elke bodem heeft elke horizont. Figuur 1. Bodem met verschillende horizonten. BodemhorizontenA horizontO horizontE horizontB horizontC horizontR horizontA horizontDe meeste bodems hebben een bovenlaag die donkerder gekleurd is en meer organische stof bevat dan de ondergrond. Veel van die organische stof is niet meer herkenbaar als resten van planten en dieren. Boven- en ondergrondse plantenresten vormen het voedsel voor de bodemfauna en flora. Dit zijn bijvoorbeeld wormen maar ook schimmels en bacteriën. De grotere dieren zoals konijnen maken de plantenresten klein genoeg voor de kleinere dieren, zoals de wormen. Zo wordt plantenmateriaal omgezet in organische stof. Deze biologische omzetting van organische stof in de bovengrond van een bodemprofiel wordt gezien als het proces dat een A-horizont doet ontstaan. O horizontBoven een A-horizont kan nog een horizont liggen. De O-horizont, die bestaat vrijwel geheel uit moerig materiaal (veen). De omzetting van plantenresten naar organische stof is daar heel langzaam. Veen is er alleen als het heel nat is en in een natte omgeving is het omzettingsproces heel traag. E horizontDe E-horizont of uitspoelingshorizont heet ook wel eluviale horizont. Deze horizont is door verticale of laterale uitspoeling verarmd aan kleimineralen en voedingsstoffen. Dit proces wordt podzolering genoemd. Meestal heeft de E-horizont een lager humusgehalte dan de erboven liggende horizonten en is daardoor lichter van kleur. De zandkorrels zijn bleek van kleur. B horizontIn de B-horizont kunnen een aantal kenmerken/processen optreden: 1 Inspoeling van kleimineralen of humus uit hoger gelegen horizonten. Dit wordt dan een inspoelingshorizont genoemd. De inspoeling is onder andere te zien aan de zandkorrels, die hebben dan een 'huidje' van een bruine kleur om zich heen. Dit huidje kun je er makkelijk vanaf wrijven. In figuur 3 kun je die huidjes zien. 2 De bodem is gehomoniseerd door bodemdiertjes. Samen met de A-horizont is dit de horizont met de meeste voedingsstoffen. Hier zitten dus ook veel bodemdiertjes en die woelen alles om en mengen de grond goed. 3 Er zijn nieuwe kleimineralen ontstaan. In deze horizont vindt een verandering van bodemsamenstelling op, er treedt bodemvorming op. C horizontDe C-horizont is het oorspronkelijke moedermateriaal. Het geen vast gesteente meer, maar er heeft verder geen bodemvorming plaats gevonden. R horizontDe R-horizont is het vast gesteente van het moedermateriaal. Figuur 3. Links zandkorrels met een huidje van organisch materiaal. Rechts zandkorrels met een huidje van ijzeroxide. Al deze horizonten horen bij dezelfde bodem. Als er bijvoorbeeld een bodem in zand is gevormd met de horizonten A, B en C en eronder ligt een veenlaag. Dan geef je dat aan zoals in figuur 4. De eerste bodem is de veenbodem, de tweede (de jongere) is de zandbodem. Een veenlaag kan niet uit een zandbodem ontstaan. De horizonten kunnen ook nog extra kenmerken hebben, dat wordt dan aangegeven met een kleine letter na de hoofdletter. Ook kan er een BC-horizont bestaan, het is dan niet zo duidelijk of het een B- of een C-horizont is.
De podzolbodemEen groot deel van Nederland bestaat uit zandgronden. Een veel voorkomende bodem in zandgronden is een podzolbodem. In figuur 5 staat de profielbeschrijving van een podzolbodem.
Met Ah wordt bedoeld dat het een A-horizont is met een extra kenmerk, de h staat voor heel veel humus in deze horizont. Karakteristiek voor een podzol is het podzoleringsproces. Er zal dus altijd een laag zijn die er grijzig uit ziet omdat er humus/kleimineralen en ijzer uitspoelt. Er zal ook altijd een B-horizont zijn omdat daar het uitgepoelde materiaal inspoelt. De h staat in deze horizont ook voor humus maar dan ingespoelde humus uit de E-horizont. De horizont daaronder lijkt erg op de Bh-horizont. Er is alleen nog iets meer ingespoelt, namelijk kleimineralen. OpdrachtenOpdracht 1Op welke bodem woon jezelf? Of de omgeving, welke bodem(s) liggen daar? Opdracht 2Probeer eens te vinden in welke delen van Nederland de verschillende bodems liggen. De veengrond, de podzolgrond, de brikgrond, de eerdgrond en de vaaggrond. Je kunt daarbij gebruik maken van internet en de atlas. Opdracht 3Waarom zal het voor een boer belangrijk zijn te weten op wat voor bodem zijn grond ligt? En waarom is het belangrijk te weten wat voor bodem er ligt als er een weg wordt aangelegd? Opdracht 4Probeer van de onderstaande foto in te schatten welke horizont waar zit. Het is een podzolbodem. Docenten handleidingDeze tekst gaat over bodemvorming en behandelt daarbij de verschillende horizonten in de bodem. Ook wordt er aandacht besteed aan de podzolbodem, die beslaat een groot deel van de Nederlandse zandgronden. Deze tekst sluit aan bij het vak aardrijkskunde waarbij kennis van de bodem en de eigen omgeving één van de einddoelen is. De tekst kan klassikaal of individueel behandeld worden, datzelfde geldt voor de opdrachten. De tekst is geschikt om in 2 lesuren behandeld te worden en is bedoeld voor de bovenbouw. Toelichting bij de opdrachten.Opdracht 1 Bij deze opdracht zijn meerder antwoorden mogelijk, afhankelijk waar de leerlingen wonen. Het doel van deze opdracht is dat de leerlingen zelf opzoek gaan naar informatie, in atlas of op internet is veel te vinden. De antwoorden kunnen breed zijn, zoals bijvoorbeeld een zandgrond. Maar kunnen ook preciezer worden opgegeven zoals een duinvaaggrond in een zandgebied. Afhankelijk van tijd en interesse van leerlingen en leraar kan de opdracht uitgebreid worden. Opdracht 2 Deze opdracht gaar door op opdracht 1. Het doel is om het onderwerp te vergroten naar andere gebieden dan het gebied waarin je woont. Opdracht 3 Voor een boer is het belangrijk te weten of zijn grond rijk is of arm aan voedingsstoffen. Zandgronden zijn een stuk armer dan kleigronden. Maar kleigronden kunnen leiden tot stagnatie van het regenwater waardoor het gewas kan gaan rotten. Bij het aanleggen van een weg is het bijvoorbeeld belangrijk te weten of de grond veel gaat inklinken of hoe stabiel de grond is. Het doel van deze vraag is om te laten zien dat veel aspecten van een bodem ook in het dagelijks leven voor veel mensen van belang zijn. Mensen hebben een maatschappelijk belang bij de bodem. Opdracht 4 Deze vraag gaat dieper in op de theorie van een podzolbodem. De eerste horizont is een Ah horizont, heel zwart, met veel humus. De tweede horizont is een E horizont, veel voedingsstoffen en mineralen zijn uitgespoeld, met bleke zandkorrels. De laatste horizont is een Bh, inspoelingshorizont, vooral bovenin is veel humus ingespoeld. Voor meer informatie of vragen mail naar i_pijper@hotmail.com |