De diagnose van kanker
Inhoud bovenbouwtekst "De diagnose van kanker"
InleidingDieren, net zoals planten en de meeste schimmels, zijn multicellulair ( dat betekent dat ze bestaan uit heel veel cellen). Ze bestaan niet enkel uit kolonies van dezelfde cellen, maar zijn opgebouwd uit verschillende typen cellen die elk een karakteristieke grootte, vorm, structuur en functie hebben. In de meeste dieren zijn cellen georganiseerd in weefsels, weefsels in organen en organen in orgaansystemen. Zelfs in de meest simpele dieren, de sponzen, is er een taakverdeling tussen de verschillende celtypen. In alle andere organismen zijn cellen niet alleen gespecialiseerd, maar georganiseerd in weefsels. Een weefsel bestaat uit een aantal nauw verwante cellen die aangepast zijn aan bepaalde specifieke omstandigheden. Dierlijk weefsel kan worden ingedeeld in vier primaire weefsels waarin alle cellen kunnen worden ondergebracht en waaruit alle organen bestaan. Deze vier primaire weefsels zijn:
Bij de diagnose van ziekten zoals de veel voorkomende ziekte kanker is het van belang om een goed onderscheid te kunnen maken tussen normaal en abnormaal weefsel. Het is namelijk van levensbelang dat tumorweefsel van normaal weefsel kan worden onderscheiden omdat dan, als men concludeert dat het om kanker gaat, meteen met therapie begonnen kan worden. In het ziekenhuis bestudeert de patholoog anatoom weefsels van patiënten en spoort hij eventuele abnormaliteiten op. Het is dan ook van essentieel belang dat hij perfect weet hoe de vier primaire weefsels er uitzien bij een gezond persoon. Dit is absoluut geen gemakkelijke klus. Elk organisme is immers uniek en geen enkel weefsel is helemaal hetzelfde. In deze tekst worden eerst de vier primaire weefsels afzonderlijk besproken om je een indruk te geven van de complexiteit van het menselijk en dierlijk lichaam. Deze bestaan immers uit combinaties van al deze weefsels. Vervolgens wordt er nog even ingegaan op de diagnose van kanker. 1. EpitheelweefselDe buitenste laag van de huid, dat gedeelte van het ademhalings en verteringsstelsel dat in rechtstreeks contact staat met de buitenwereld en ook de nierbuisjes bestaan allemaal uit epitheelweefsel. Epitheelweefsel bestaat uit een laag cellen die dicht op elkaar zitten en die zo een continue laag van cellen vormen. Dit weefsel bedekt zowel het lichaamsoppervlak als de lichaamsholten (dus eigenlijk al die oppervlakken die in contact staan met de buitenwereld). Deze epitheellaag zit aan de onderliggende weefsels verbonden met het basaalmembraan en met enkele vezels. Dit basaalmembraan wordt door de epitheelcellen zelf gemaakt. Epitheelweefsel speelt een rol bij de bescherming van het lichaam, op en afgifte van stoffen en er bevinden zich in dit weefsel tastzintuigen. De epitheellaag van de huid, de epidermis, bedekt het hele lichaam en beschermt het tegen verwondingen, gaat het indringen van bacteriën tegen en overmatig waterverlies. De epitheellaag die het verteringsstelsel omgeeft absorbeert voedingsstoffen en water die zo het lichaam inkomen. Andere epitheelcellen kunnen georganiseerd zijn in kliertjes die hormonen, enzymen of zweet uitscheiden. Bepaalde typen epitheelweefsel kunnen worden onderscheiden door te kijken naar het aantal cellagen, naar de vorm van de cellen en naar de rangschikking van de cellen. Epitheel kan eenlagig, bestaande uit een enkele cellaag, of meerlagig, bestaande uit meerdere cellagen, zijn. Het kan ook zo zijn dat het lijkt alsof epitheel meerlagig is, maar dat het vervolgens eenlagig blijkt te zijn. Dit wordt pseudomeerlagig epitheel genoemd. Wanneer er gekeken wordt naar de vorm van de cellen dan kan men drie verschillende epitheelweefsels onderscheiden: plaveisel(platte cellen), kubisch( kubusvormige cellen) en cilinder(langgerekte cellen) epitheel.Zo is de huid een voorbeeld van meerlagig plaveiselepitheel en wordt de maag bedekt met eenlagig cilinderepitheel. Het oppervlak van het epitheel dat in contact staat met de buitenwereld kan bedekt zijn met gespecialiseerde structuren zoals microvilli die het darmepitheel bedekken.
Een klier bestaat uit een of meerder epitheelcellen die een product, zoals slijm, zweet, melk, speeksel, hormonen of enzymen, produceren en uitscheiden.Zo zitten er in het mondepitheel kliercellen die speeksel maken en afgeven aan de mondholte zodra dit nodig is.
2. BindweefselEen van de taken van bindweefsel is het tot stand brengen en in stand houden van de lichaamsvorm. In deze mechanische functie vormt het een materiaal dat cellen en organen verbindt en het lichaam steun geeft. Bovendien beschermt bindweefsel onderliggende organen en kan het materiaal opslaan of transporteren. In tegenstelling tot epitheelweefsel, bestaat bindweefsel uit relatief weinig cellen die gescheiden worden door grote hoeveelheden intercellulaire substantie. Deze substantie bestaat uit nietlevende, draadachtige vezels die zich in een dunne gel van polysacchariden, de matrix genoemd, bevinden. Deze intercellulaire substantie wordt gemaakt en uitgescheiden door bindweefselcellen die fibroblasten heten. Er zijn drie typen bindweefselvezels: collageen, elastische, en reticulaire vezels. Collageenvezels komen het meest voor en bestaan uit het eiwit collageen. Deze vezels zorgen ervoor dat het bindweefsel niet oneindig kan worden uitgerekt en dat het lichaam dus zijn vorm behoudt. De trekvastheid van deze vezels wordt vergeleken met die van staal. Reticulaire vezels zijn een typische vorm van collageen vezels die voorkomen in nauwe samenhang met een bepaald type bindweefselcel, de reticulumcel. Het zijn fijne vezels die steun verlenen aan de cellen van het beenmerg en lymfoïde organen (zoals de milt). De trekvastheid van deze cellen behoort niet tot de belangrijkste functie van de vezels. Elastische vezels zijn goed rekbaar, dit is vergelijkbaar met een rubber bandje. Deze vezels zijn dunner en verlopen strakker dan collageenvezels. Bovendien vormen deze vezels een echt netwerk doordat heel veel vertakken. Elastische vezels vind je bijvoorbeeld in de wanden van bloedvaten die heel rekbaar moeten zijn. Doordat bindweefsel zoveel verschillende functies in het lichaam heeft, zijn er ook zeer veel verschillende bindweefselvormen. Wanneer men kijkt naar bindweefsel, dan kan men dit onderverdelen in losmazig bindweefsel, straf bindweefsel, elastisch bindweefsel, reticulair bindweefsel. Vetweefsel, bloed, lymfe en weefsels die bloedcellen produceren zijn bindweefsels met een speciale functie. En kraakbeen en bot zijn bindweefsels die ook wel steunweefsel genoemd worden vanwege hun functie. Losmazig bindweefsel bevat zowel collageen als elastische vezels. Het is gemakkelijk vervormbaar maar heeft weinig weerstand tegen rek. Het is het bindweefsel dat in het lichaam het meeste voorkomt. Het ondersteunt zenuwcellen, bloedvaten en spieren. Bovendien is het te vinden onder het huidepitheel. Straf bindweefsel daarentegen bevat hoofdzakelijk collageenvezels die in bundels liggen. Het is dan ook minder vervormbaar. Kapsels om organen en pezen zijn voorbeelden van dit bindweefsel.
Een derde vorm van bindweefsel is het elastisch bindweefsel. Structuren die uitrekken en weer naar de rusttoestand teruggaan, zoals de wanden van grote slagaders en longweefsel, worden door dit type omgeven. Het wordt ook gevonden in de gewrichtsligamenten die twee botdelen met elkaar verbinden. Dit weefsel bestaat hoofdzakelijk uit bundels elastische vezels. Reticulair bindweefsel bestaat uit met elkaar verbonden reticulaire vezels die zo een netwerk vormen. Dit netwerk ondersteunt veel organen, zoals de lever, milt en lymfknopen. Het vetweefsel heeft een functie als voedselreserve bij het metabolisme van een organisme. Het heeft daarnaast ook een duidelijk mechanische functie b.v. bij de steun van de oogbol en het onderhuids vet. Bloed en lymfe zijn bindweefsels die speciaal zijn doordat hun intercellulaire substantie vloeibaar is en doordat deze vloeistof niet gemaakt is door de bloedcellen. Het zijn circulerende weefsels die ervoor zorgen dat verscheidene weefsels in het lichaam kunnen communiceren door allerlei signaalstoffen zoals hormonen te vervoeren. Het ondersteunend skelet van organismen bestaat uit bot en kraakbeen. Bot is het hoofdbestanddeel van het skelet. Het is een van de hardste weefsels van het menselijk lichaam Het combineert de trekvastheid van collageen met de drukbestendigheid van een door kalkzouten verharde matrix. Ondanks de compacte bouw is dit weefsel ook in volwassen toestand nog sterk dynamisch. Dit is mogelijk door een voortdurende afwisseling van afbraak en opbouw. Het buitenste deel van het externe oor, het topje van de neus en gedeelten van de luchtpijp bestaan uit kraakbeen. Het is sterk en toch elastisch. Het kan weerstand bieden tegen druk zonder blijvend vervormd te raken. Behalve steun aan weke delen verschaft het kraakbeen met zijn gladde oppervlak een glijvlak voor gewrichten, waardoor botstukken t.o.v. elkaar soepel kunnen bewegen. Verder vervult het kraakbeen een essentiële rol bij de groei van lange beenderen zowel voor als na de geboorte.
3. SpierweefselVoor de meeste organismen is het spierweefsel dat weefsel dat het meest voorkomt in het lichaam. Bij de mens is het weefsel verantwoordelijk voor bijna tweederde van het lichaamsgewicht. Spierweefsel is gespecialiseerd in contractie en zorgt ervoor dat een organisme een groot aantal bewegingen kan uitvoeren. Spiercellen worden, omdat ze lang en smal zijn, ook wel vezels genoemd. Spiervezels liggen in lagen, ook wel bundels genoemd, en worden omgeven door een laagje bindweefsel. Bij zoogdieren zijn drie soorten spierweefsel te onderscheiden op grond van hun bouw en functie.
Skeletspierweefsel, welke aan de botten gehecht is, is onderworpen aan de wil. Een organisme kan ervoor kiezen om dit weefsel te gebruiken. Het bestaat uit evenwijdig gerangschikte bundels zeer lange, cilindervormige, veelkernige cellen met een dwarse streping. Hun contractie is sterk en krachtig. Dit weefsel zorgt ervoor dat een mens kan lopen, schrijven, en vele andere bewegingen kan maken. Hartspierweefsel, waaruit het hart voornamelijk bestaat, heeft eveneens een dwarse streping en bestaat uit vertakte cellen die met hun uiteinden met elkaar verbonden zijn. Dit geeft een complex netwerk. De contractie wordt niet bepaald door de wil van het organisme, maar is onwillekeurig. Bovendien is deze contractie krachtig en ritmisch. De derde soort spierweefsel is het glad spierweefsel. Het bestaat uit lange spoelvormige cellen die geen dwarse streping vertonen. De contractie is, net als bij het hartspierweefsel, onwillekeurig. Bovendien is de contractie langzaam. Dit spierweefsel wordt vooral gevonden in het maagdarmkanaal waar het zorgt voor het bewegen van het voedsel in het verteringsstelsel. 4. ZenuwweefselZenuwweefsel ontvangt signalen, stimuli. Het zet ze om in zenuwimpulsen die dan vervolgens de spieren of sommige klieren bereiken en deze aanzetten tot een bepaalde actie. Het zenuwweefsel is hoofdzakelijk gelegen in de hersenen en het ruggenmerg. Maar in het gehele lichaam worden zenuwbundels gevonden. Ze vangen hier signalen op van zintuigen. Deze signalen worden dan vervolgens in de hersenen omgezet in bepaalde bewegingen. Zo zal je je hand wegtrekken als je je verbrandt. Het zenuwweefsel bestaat uit zenuwcellen, ook wel neuronen genoemd, en uit steuncellen, ook wel gliacellen genoemd. Een typische zenuwcel bestaat uit een cellichaam, dendrieten en een axon (zie plaatje). Dendrieten zijn gespecialiseerd in het opnemen van impulsen en het axon geleidt de impuls weg van de zenuwcel naar een andere zenuwcel of naar een spier.
5. De vier primaire weefsels en kanker.Een neoplasma of tumor is een abnormale massa cellen. Een goedaardige tumor groeit langzaam en de cellen worden vaak omgeven door een kapsel (= een laagje) van bindweefsel. Deze tumor kan gemakkelijk verwijderd worden tijdens een operatie. Een patiënt met een goedaardige tumor geneest dan ook bijna altijd helemaal. Kanker is de gemeenschappelijke naam voor alle kwaadaardige tumoren. Een kwaadaardige tumor bestaat uit cellen die weefsels binnendringen en niet omgeven worden door een kapsel zoals goedaardige tumoren. Deze cellen zijn bovendien veranderd van de cellen waaruit ze ontstaan zijn. Tumoren die ontstaan zijn uit bindweefsel of spierweefsel worden sarcomen genoemd. Carcinomen zijn tumoren die ontstaan uit epitheelweefsel. Wanneer een patholoog anatoom een stukje weefsel met hierin een kwaadaardige tumor onder de microscoop bekijkt, dan ziet hij een aantal 'vreemde' cellen die het normale gezonde weefsel binnendringen. Uit studies is gebleken dat veel tumoren slechts een paar millimeter groeien en vervolgens in een soort ruststadium komen. Dit stadium kan enkele maanden tot zelfs jaren duren. Ergens in dit stadium geven de tumorcellen een stofje af dat nabij gelegen bloedvaatjes de opdracht geeft om naar de tumor te groeien. Zo wordt de tumor dat van bloed voorzien en vanaf dat moment gaat de tumor heel snel groeien en vormt een levensbedreiging. Patiënten die sterven aan kanker, sterven bijna altijd aan de gevolgen van uitzaaiingen, zg. metastasen. Deze ontstaan doordat kankercellen via het bloed in andere delen van het lichaam terechtkomen en daar een nieu-we tumor vormen. Hierdoor kan de normale functie van het weefsel verstoord worden. Deze uitzaaiingen gaan zo snel dat er weinig meer aan te doen is.Het is dus van levensbelang dat een tumor snel wordt opgespoord en gemakkelijk van "gezond" weefsel kan worden onderscheiden. Zo kunnen metastasen worden voorkomen en heeft de patiënt meer kans om te overleven.
6. Vragen en opdrachten.
7. Docentenhandleiding
|