Het Epstein-Barr virus, veroorzaker van de ziekte van Pfeiffer

onderzocht aan de hand van een ziektegeschiedenis

Dominique Stokman

email: stokman@dds.nl

 

Inhoud

 

Docentenhandleiding

 

 

Ziektegeschiedenis

Een 17-jarig meisje komt op 20 juli 1992 binnen op de eerste hulp afdeling van een academisch ziekenhuis. Zij is onrustig, slaat wartaal uit en is af en toe suf. Zij wordt opgenomen op de intensive care afdeling. Zij blijkt al drie weken niet lekker geweest te zijn en heeft zes dagen geleden zelfs een kwartier lang een halfzijdige verlamming gehad. Al sinds een week heeft zij hevige hoofdpijn, wat gepaard gaat met meerdere malen braken.

Er wordt bloed afgenomen en er wordt een ruggenprik gedaan om de hersenvloeistof te kunnen onderzoeken. Het bloed levert geen aanknopingspunt op: alles is normaal. De CT scan vertoont geen afwijkingen in de hersenen. (De functie van een CT scan is om te kijken of er geen ontstekingshaard in de hersenen zit.) Het EEG is sterk diffuus gestoord. (Met een EEG worden de hersengolven gemeten. Als er iets mis is in de hersenen, zoals bijvoorbeeld een ontsteking in de hersenvliezen, is dat te zien: diffuus gestoord). Het hersenvocht bevat teveel witte bloedcellen, bij een normaal eiwit- en glucose gehalte.

Al deze uitslagen tezamen passen bij een virale meningitis. Meningitis is de medische term voor hersenvliesontsteking.

Het bloed en het hersenvocht worden onderzocht. Daaruit blijkt dat er mogelijk sprake is van een acute Epstein-Barr virus infectie. Het Epstein-Barr virus veroorzaakt de ziekte van Pfeiffer, de kusziekte. Als complicatie kan hersenvliesontsteking voorkomen.

De situatie verbetert snel: zes uur na opname is zij niet meer verward, maar de hoofdpijn en vermoeidheid blijven nog maanden bestaan. Uiteindelijk kan zij haar gewone leven weer oppakken.

Naar aanleiding van deze ziektegeschiedenis wil ik jullie meer vertellen over het onderwerp virale hersenvliesontsteking. Ik zal onder anderen antwoorden op de volgende vragen geven:

Wat is virale hersenvliesontsteking en wat is het klinische beeld daarvan?

Welke virussen kunnen virale hersenvliesontsteking veroorzaken?

Wat voor manieren zijn er om aan te tonen welk virus de veroorzaker is geweest van een virale hersenvliesontsteking?

Is het nodig om virale hersenvliesontsteking te behandelen?

Vervolgonderzoek van bovenbeschreven patiënte wijst uit dat er sprake zou kunnen zijn geweest van een infectie met het Epstein-Barr virus, maar wat is dat precies voor een virus?

 

naar inhoud

 

Wat is virale hersenvliesontsteking en wat is het klinische beeld daarvan?

Hersenvliesontsteking is een infectie van het centraal zenuwstelsel (CZS). De hersenen zijn omgeven door de hersenvliezen, meningen. Een van deze meningen omsluit een ruimte in de hersenen waarin het hersenvocht zit. Een ontsteking in deze ruimte en hersenvliezen leidt tot symptomen als hoofdpijn, koorts en pleocytose in het hersenvocht. Pleocytose wil zeggen dat er meer cellen voorkomen dan normaal. Meestal gaat het dan om een verhoogd aantal witte bloedcellen, met name lymfocyten. Andere symptomen kunnen zijn; nek- en rugpijn, misselijkheid, braken, spierpijn, verwarring, vermoeidheid, overgevoeligheid voor licht en een algemeen gevoel van zich slecht voelen.

Er zijn verschillende soorten hersenvliesontsteking. Een onderverdeling kan worden gemaakt in acute en chronische hersenvliesontsteking.

Acute hersenvliesontsteking ontstaat in uren of dagen en kan weer worden onderverdeeld in septische en aseptische hersenvliesontsteking. Septische, (ook wel: bacteriële) hersenvliesontsteking wordt meestal door bacteriën veroorzaakt. De meest voorkomende bacteriën zijn Streptococcus pneumoniae, Neisseria meningitidis, Haemophilus influenzae en Escherichia coli, afhankelijk van de leeftijd van de patiënt.

Aseptische hersenvliesontsteking wordt over het algemeen veroorzaakt door virussen, hoewel er ook verscheidene niet-virale verwekkers zijn. Virale hersenvliesontsteking komt het meest voor bij kinderen en jongvolwassenen.

Bij chronische hersenvliesontsteking blijven de symptomen van ontstoken hersenvliezen met pleocytose in het hersenvocht langer dan vier weken aanhouden. Deze vorm van hersenvliesontsteking kan worden veroorzaakt door bacteriën, virussen, schimmels en parasieten.

In deze tekst gaat het alleen over acute virale aseptische hersenvliesontsteking.

naar inhoud

 

 

Welke virussen kunnen virale hersenvliesontsteking veroorzaken?

Er zijn verschillende virussen die virale hersenvliesontsteking kunnen veroorzaken. Ik zal ze niet allemaal opsommen, maar een paar voorbeelden wil ik toch wel geven.

Een van de belangrijkste veroorzakers van virale hersenvliesontsteking is de groep van de enterovirussen. Een bekend voorbeeld van een enterovirus is het poliovirus.

Een andere groep van virussen die virale hersenvliesontsteking kunnen veroorzaken zijn de herpesvirussen. Een bekend voorbeeld van een herpesvirus is het herpes simplex virus (HSV). Dit virus veroorzaakt onder andern de bekende koortslip. Een ander voorbeeld van een herpesvirus is het varicella-zoster virus, dat veroorzaakt op jonge leeftijd waterpokken en op latere leeftijd gordelroos. Het Epstein-Barr virus is ook een voorbeeld van een herpes virus. Dit virus veroorzaakt de ziekte van Pfeiffer, de zogenaamde kusziekte. Op dit virus komt ik later in deze tekst nog uitgebreid terug.

Naast deze twee belangrijkste groepen van virussen zijn er nog een aantal virussen die virale hersenvliesontsteking kunnen veroorzaken. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld het bofvirus, het mazelenvirus en HIV (het virus dat AIDS veroorzaakt).

Deze virussen hebben allemaal met elkaar gemeen dat ze virale hersenvliesontsteking kunnen veroorzaken als complicatie van de ziekte die ze eigenlijk veroorzaken. Dus niet iedereen die geïnfecteerd wordt met een van deze virussen krijgt ook de ziekte virale hersenvliesontsteking. Slechts in enkele gevallen komt het voor.

naar inhoud

 

 

Wat voor manieren zijn er om aan te tonen welk virus de veroorzaker is geweest van een virale hersenvliesontsteking?

Aandoeningen zoals bacteriële hersenvliesontsteking, de ziekte van Lyme (dat is die tekenziekte) en toxoplasmose lijken wat betreft het ziektebeeld op virale hersenvliesontsteking. De eerste twee ziektes worden veroorzaakt door bacteriën en toxoplasmose is een parasiet. Deze ziektes gaan niet over zonder medicatie. Therapie voor virale hersenvliesontsteking is echter in de meeste gevallen niet nodig aangezien de prognose over het algemeen gunstig is. De patiënt geneest meestal binnen twee weken zonder medicatie. Het is dus van belang om zo snel mogelijk een diagnose te stellen zodat behandeling van de patiënten of het achterwege laten daarvan kan beginnen.

Om de diagnose hersenvliesontsteking te kunnen stellen moet het hersenvocht onderzocht worden. Bij alle patiënten met een vermoede hersenvliesontsteking moet een ruggenprik worden uitgevoerd waarbij de druk van het hersenvocht opgenomen moet worden. Met die ruggenprik wordt een beetje hersenvocht uit de ruggenwervel gehaald.

Bij een virale hersenvliesontsteking is de druk van het hersenvocht normaal of iets verhoogd. Het aantal witte bloedcellen in het hersenvocht is verhoogd.

Als uit het onderzoek van het hersenvocht blijkt dat er sprake is van een virale hersenvliesontsteking weet men nog niet door welk virus de ziekte is veroorzaakt. Om dat te weten te komen zijn er verschillende methodes beschikbaar om de virale verwekker aan te tonen. Het virus kan met behulp van weefselkweek worden geïsoleerd. Met behulp van serologie, het aantonen van antistoffen in bloed, kunnen antistoffen tegen virussen in het hersenvocht en in het bloed worden aangetoond. Op deze manier kan worden bepaald of een infectie al eens is doorgemaakt of dat de infectie zich nog in zijn acute stadium bevindt. Met behulp van een speciale techniek dat DNA kan vermeerderen kan virusspecifiek DNA worden aangetoond.

Virus isolatie met behulp van weefselkweek:

Voor het isoleren van virussen in weefselkweek worden weefselcellen van bijvoorbeeld apennieren kunstmatig gekweekt. Vervolgens wordt er patiëntenmateriaal bij gedaan. Dat patiëntenmateriaal kan het hersenvocht zijn dat bij de ruggenprik is geïsoleerd, maar het kan ook urine, feces of bloed zijn. Gedurende een aantal dagen wordt dan elke dag naar de weefselcellen gekeken of er al beschadigingen te zien zijn. Zodra dat het geval is weet je dat het een virus is geweest dat de virale hersenvliesontsteking heeft veroorzaakt. Voor elk virus zijn specifieke weefselcellen beschikbaar zodat je ook wat kunt zeggen over welk virus de ziekte veroorzaakt heeft.

Het isoleren van virussen uit het hersenvocht in weefselkweek is moeilijk voor de meeste virussen die ziektes aan het centraal zenuwstelsel veroorzaken. In ongeveer 80% van de gevallen van vermoede virale hersenvliesontsteking blijft het veroorzakende virus onbekend doordat veel virussen moeilijk in weefselkweek te isoleren zijn.

Serologie:

Het is niet altijd mogelijk om virussen te kweken. Gelukkig kan ook het bloed onderzocht worden op de aanwezigheid van antilichamen tegen ziekteverwekkers, serologie. Jullie hebben al geleerd dat antilichamen geproduceerd worden door lymfocyten, witte bloedcellen. Er zijn 5 klassen antilichamen, namelijk IgM, IgG, IgA, IgE en IgD. In deze tekst is het alleen van belang om iets te weten over IgM en IgG.

IgM is een vroeg antilichaam, het onstaat het eerst na een infectie. Het blijft echter niet lang aanwezig, het verdwijnt alweer binnen een paar maanden. Als in het bloed IgM wordt geïsoleerd duidt dat op een recente infectie.

IgG speelt vooral een rol bij de secundaire immuunrespons. De productie van IgG komt iets later op gang dan de IgM respons, maar blijft dan de rest van het leven aanwezig en is belangrijk in het voorkomen van herinfectie (immuniteit).

Meestal spelen antilichamen geen directe rol in het doen eindigen van acute virale infecties, maar zijn wel belangrijk in het voorkomen van herinfectie. Als de infectie een tijdje geleden heeft plaatsgevonden zal er een verhoogde hoeveelheid virusspecifiek IgG aangetoond kunnen worden. Voor veel virussen zijn serologische testen beschikbaar die alleen dàt virus aantonen.

PCR:

De polymerase ketting reactie (PCR) is een techniek waarbij DNA of RNA van bepaalde gedeeltes van het genoom kan worden vermenigvuldigd. Het is een zeer gevoelige methode. Het kan één enkel DNA molecuul in een monster aantonen in een tijd van enkele uren. Deze methode wordt steeds vaker gebruikt voor het aantonen van lage hoeveelheden virus bij infecties.

De PCR is een zeer gevoelige methode, gevoeliger dan virus isolatie met behulp van weefselkweek. In het geval van hersenvliesontsteking wordt het hersenvocht als patiëntenmateriaal gebruikt om het virus aan te tonen.

naar inhoud

 

 

Is het nodig om virale hersenvliesontsteking te behandelen?

Behandeling is in het geval van virale hersenvliesontsteking niet nodig. De meeste gevallen van aseptische hersenvliesontsteking worden gediagnostiseerd en behandeld of gaan spontaan over in één of twee weken. Patiënten met een normale afweer worden de infectie zelf de baas met behulp van hun immuunsysteem.

naar inhoud

 

 

Vervolgverhaal van de 17-jarige patiënte

Zeven jaar nadat deze patiënte virale hersenvliesontsteking gehad heeft, is ze benieuwd naar welk virus de veroorzaker zou kunnen zijn geweest van de virale hersenvliesontsteking. Uit serologisch onderzoek (het bepalen van de antilichamen IgM en IgG in het bloed) destijds bleek dat de mogelijkheid aanwezig was dat ze een acute infectie met het Epstein-Barr virus doormaakte. Het Epstein-Barr specifieke IgM was toen negatief, het IgG was zwak positief en er waren geen antilichamen tegen EBV geassocieerde nucleaire antigenen (EBNA) aanwezig. Deze antilichamen worden pas na drie maanden geproduceerd en kunnen daarom helpen bij het uitzoeken van het tijdstip van de infectie.

Dit beeld van de toen aanwezige antilichamen kan overeenkomen met een recente infectie met het Epstein-Barr virus waarbij het immuunsysteem nog niet begonnen is met het produceren van IgM. Dat het IgG zwak positief is kan komen omdat er weleens een piekje IgG gemeten wordt voordat IgM geproduceerd wordt. De patiënte heeft nog niet eerder een Epstein-Barr virus doorgemaakt, aangezien IgG slechts zwak aanwezig was en er dan ook antilichamen tegen EBNA moeten zijn geweest.

Op 9 september 1999 wordt bloed bij haar afgenomen om te kijken of er nu wel IgG en antilichamen tegen EBNA aanwezig zijn in haar bloed. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn.

Door de lange tussenpoos die er is tussen het bloedonderzoek tijdens de virale hersenvliesontsteking en dit bloedonderzoek kan er alleen geconcludeerd worden dat deze patiënte in de periode van 20 juli 1992 tot en met 9 september 1999 een keer een infectie met het Epstein-Barr virus heeft doorgemaakt.

Het zou heel goed kunnen dat de virale hersenvliesontsteking een complicatie is geweest van de ziekte van Pfeiffer na een infectie met het Epstein-Barr virus, aangezien de patiënte zich pas ongeveer een half jaar na de hersenvliesontsteking weer beter begon te voelen. Normaal gesproken genezen patiënten binnen een aantal weken van hersenvliesontsteking, maar een kenmerk van de ziekte van Pfeiffer is dat patiënten zich pas na maanden weer minder moe beginnen te voelen.

In de rest van de periode van zeven jaar is zij niet ziek geweest met symptomen die konden duiden op het doormaken van een acute infectie met het Epstein-Barr virus.

naar inhoud

 

 

Het Epstein-Barr virus. Wat is dat voor een virus en wat is het klinische beeld?

Het Epstein-Barr virus (EBV) behoort tot de herpesvirussen. Het veroorzaakt onder anderen de ziekte van Pfeiffer. Dat is een acute ziekte die voorkomt bij kinderen en jongvolwassenen. Kenmerken zijn koorts, een zere keel, opzwelling van de lymfklieren en in ernstige gevallen vergroting van de lever en de milt. Voordat deze specifieke symptomen beginnen kunnen klachten zoals vermoeidheid en een algemeen gevoel van zich slecht voelen (malaise) voorkomen. De symptomen van de ziekte van Pfeiffer worden voor het grootste gedeelte veroorzaakt door de immuunrespons op de Epstein-Barr virus infectie van het lichaam. Het immuunsysteem probeert het lichaam vrij te maken van virusdeeltjes, maar dat lukt niet compleet. Het hele leven lang zal het virus latent aanwezig blijven in het lichaam. Latent wil zeggen dat het virus er wel zit, maar dat het niet opnieuw ziekte veroorzaakt. Nog niet zo lang geleden konden wetenschappers aantonen dat iedereen die eenmaal geïnfecteerd is geweest met het virus ook tijdens zijn of haar hele leven besmettelijk blijft.

De periode tussen het moment van besmetting en het verschijnen van symptomen, de incubatieperiode, is ongeveer vier tot zeven weken. Een aantal kinderen wordt geïnfecteerd op jonge leeftijd en zal nooit de ziekte van Pfeiffer ontwikkelen.

Dertig procent van de jongeren die geïnfecteerd wordt in de leeftijd tussen 15 en 25 jaar ontwikkelt symptomen van de ziekte van Pfeiffer. Van die 30% krijgt slechts 1 procent complicaties in de vorm van bijvoorbeeld hersenvliesontsteking. De hersenvliesontsteking die iemand krijgt van dit virus is niet ernstig en iedereen geneest daar na een tijdje weer van. De ziekte van Pfeiffer is zelden een ziekte met dodelijke afloop.

Hoe wordt het virus overgedragen?

De overdracht vindt meestal plaats via speeksel en het wordt daarom ook wel de kusziekte genoemd.

Epidemiologie:

Infectie met het Epstein-Barr virus komt over de hele wereld voor. Antilichamen zijn aangetoond in elke populatie die tot nu toe is getest, waaronder ook erg geïsoleerde stammen. Niet iedereen die geïnfecteerd wordt met het Epstein-Barr virus krijgt de ziekte van Pfeiffer. Ontwikkeling van de ziekte hangt onder anderen af van de leeftijd tijdens de blootstelling.

Het lijkt tegenstrijdig, maar een Epstein-Barr virus infectie zonder ziekte komt vaak voor bij bevolkingsgroepen in slechte socio-economische situaties waarbij iedereen al heel vroeg in het leven wordt geïnfecteerd. In ontwikkelingslanden en in tropische gebieden zijn de meeste kinderen geïnfecteerd op 6-jarige leeftijd. Infectie vindt dan plaats door slechte hygiëne en bijvoorbeeld door het voorkauwen van eten voor kleine kinderen. Als kinderen op jonge leeftijd worden geïnfecteerd worden ze niet zo ziek van dit virus. Om dit te begrijpen kun je denken aan kinderziektes zoals mazelen, waterpokken en de bof. Als jonge kinderen deze ziektes krijgen, worden ze daar niet zo heel erg ziek van, terwijl ouderen behoorlijk ziek van deze kinderziektes kunnen worden met ernstige complicaties.

In gebieden met goede hygiëne en betere socio-economische omstandigheden waar blootstelling aan het Epstein-Barr virus en infectie daarmee pas bij oudere kinderen en op jong volwassen leeftijd (tussen 15 en 25 jaar) plaatsvindt komt de ziekte van Pfeiffer aanzienlijk vaker voor. Bij deze gebieden horen Australië, Nieuw-Zeeland, Verenigde Staten, Canada en de meeste Europese landen.

Infectie vindt dan plaats door intiem mondeling contact, zoenen. De ziekte komt even vaak voor bij jongens als bij meisjes hoewel meisjes de ziekte eerder in hun leven lijken te ontwikkelen. Drie op de tien jongeren die pas in de leeftijd van 15 tot 25 jaar geïnfecteerd worden met het Epstein-Barr virus krijgen de ziekte van Pfeiffer. De andere zeven van de tien worden wel met het virus geïnfecteerd, maar ontwikkelen geen symptomen. Niet alleen leeftijd heeft invloed op het wel of niet ontwikkelen van de ziekte, ook factoren zoals stress en prestatiedruk kunnen bevorderen dat iemand de ziekte ontwikkelt.

Het is op zich geen ernstige ziekte, iedereen geneest na verloop van tijd, maar patiënten zijn vaak maanden zwaar vermoeid, zodat ze niets kunnen doen. Aangezien patiënten meestal op schoolgaande leeftijd zijn lopen ze door die ziekte vaak enorme vertragingen op met het schoolwerk. Sommigen blijven er zelfs een jaar door zitten.

naar inhoud

 

 

Testen voor het stellen van de diagnose

Weefselkweek is wel mogelijk om het Epstein-Barr virus aan te tonen, maar dat is een moeilijke methode en het duurt tussen 30 en 90 dagen voordat er resultaten bekend zijn. Een betere methode om het virus aan te tonen is het onderzoeken van het bloed, serologie.

Er zijn verschillende specifieke antilichamen die kunnen worden aangetoond in het bloed.

Zie voor een schematisch overzicht van de verschillende serologische kenmerken van een Epstein-Barr infectie het figuur op de volgende bladzijde.

 

Legenda:

  1. IgM
  2. IgG
  3. EBNA

*) moment van infectie

**) t= +/- 3 maanden

Figuur 1: kinetiek van de EBV-antistofrespons

De specifieke IgM antilichamen komen alleen voor tijdens de acute infectie. Nadat de patiënt is hersteld verdwijnen ze uit het bloed. Het geeft een primaire respons weer tegen het Epstein-Barr virus. Het wordt dan ook gebruikt om recente infecties met het Epstein-Barr virus aan te tonen.

De vorming van IgG tegen specifiek antigeen komt iets later (hooguit enkele dagen) op gang dan IgM, maar blijft dan voor vele jaren, waarschijnlijk voor de rest van het leven aanwezig. Het aantonen van dit antilichaam geeft aan dat er in het verleden een infectie met het Epstein-Barr virus heeft plaatsgevonden.

De aanwezigheid van antistoffen tegen EBNA kan worden aangetoond met een speciale test. Deze antistoffen worden pas na ongeveer drie maanden gevormd en kunnen daarom helpen bij het vinden van het tijdstip van de infectie.

Naast serologie is er ook de mogelijkheid om de PCR reactie te gebruiken bij het aantonen van een infectie met het Epstein-Barr virus. Deze reactie is vooral nuttig als de klassieke symptomen van een infectie met het Epstein-Barr virus ontbreken.

naar inhoud

 

 

Conclusie

Niemand ontkomt aan het Epstein-Barr virus. Iedereen wordt vroeg of laat met dit virus geïnfecteerd, waarbij vroeg beter is dan laat. In het algemeen geldt dat hoe later je geïnfecteerd wordt met dit virus hoe meer kans je loopt dat je de ziekte van Pfeiffer ontwikkelt.

naar inhoud

 

 

Vragen bij de tekst

 

  1. Ken je zelf iemand die de ziekte van Pfeiffer heeft gehad? Wat waren de verschijnselen?
  2. Waarom is het belangrijk om snel de diagnose virale hersenvliesontsteking te stellen?
  3. Maak het verschil duidelijk tussen IgM en IgG op het gebied van diagnostiek.
  4. Na het vervolgonderzoek bij de patiënte bleek dat de kans groot was dat de virale hersenvliesontsteking veroorzaakt was door het Epstein-Barr virus. Waarom konden ze dat niet met zekerheid vaststellen?
  5. Waarom komt de ziekte van Pfeiffer in de westerse wereld het meeste voor in de puberteit?
  6. Kun je verklaren waarom meisjes de ziekte van Pfeiffer op jongere leeftijd krijgen dan jongens?
  7. Waarom is een goede hygiëne niet altijd gunstig voor de volksgezondheid?
  8. Welk advies zou je kunnen geven aan ouders die hun baby’s eten geven?
(Het advies dat ze het eten moeten voorkauwen voor hun kinderen wordt hier niet bedoeld.)

 

Een paar weken geleden heb je een tekst gelezen over het Epstein-Barr virus naar aanleiding van een patiënte die de ziekte van Pfeiffer doormaakte met als zeldzame complicatie een hersenvliesontsteking. Hier volgen nu een paar vragen om te kijken hoeveel je van die tekst hebt onthouden.

  1. Geef aan welke diagnostische testen er beschikbaar zijn om vast te stellen met welk virus een patiënt besmet is.

     

  2. Waarom was bij de patiënte na zeven jaar geen IgM maar wel IgG aantoonbaar in het bloed?

     

  3. Schrijf alles op wat je nog weet over het Epstein-Barr virus.

naar inhoud

 

 

Docentenhandleiding

Voorkennis

Behandel het volgende vooraf:

Wat zijn virussen, hoe repliceren ze. Behandel een lytische infectie en een latente infectie.

Hoe komen virussen het lichaam binnen en hoe reageert het lichaam op een virus infectie? Behandel in ieder geval fagocyten, b- en t-lymfocyten, IgM en IgG.

naar inhoud

 

Ideeën voor in de les

Practicum:

Doe een practicum proef die heel eenvoudig uit te voeren is. Maak buizen met apenniercellen. Laat ze daar zelf onder de microscoop naar kijken. Doe virus geïnfecteerd materiaal bij de helft van de buizen en laat ze daar elke dag even naar kijken onder de microscoop. Laat ze het verschil zien tussen apenniercellen die kapotgaan door het virus en apenniercellen die heel blijven. (Proef: diagnostiek weefselkweek)

Leg serologie en PCR uit aan de hand van de tekst.

Vertel dat de genoemde patiënte een paar jaar na de hersenvliesontsteking wil weten met welk virus ze geïnfecteerd zou kunnen zijn geweest. Vraag de leerlingen om aan de hand van de geleerde kennis te bedenken wat voor soort diagnostiek gedaan kan worden om een aantal jaar na het ontstaan van de ziekte te bepalen welk virus de veroorzaker kan zijn geweest.

Lees het vervolgverhaal van de patiënte voor.

Laat ze op het internet zoeken naar het Epstein-barr virus en laat ze een stukje schrijven over het Epstein-Barr virus. Een aantal onderwerpen moeten ze in ieder geval beschrijven: - manier van besmetting

  • beschrijving van de symptomen van de ziekte van Pfeiffer
  • leeftijdsgroep waarin het meeste voorkomt
  • beschikbare diagnostische testen
  • ziekte verloop

Laat ze in groepjes van twee een mini-opstel van maximaal een A-4 schrijven.

Geef ze na deze zoekopdracht het gedeelte van de tekst over het Epstein-Barr virus om te lezen.

naar inhoud

 

 

Antwoorden op de vragen

  1. Ervaringsvraag, het antwoord is voor iedereen verschillend.
  2. Het is belangrijk om snel de diagnose virale hersenvliesontsteking te stellen, omdat ziektes die erg op het ziektebeeld van virale hersenvliesontsteking lijken ernstige complicaties kunnen hebben. (Bacteriële hersenvliesontsteking, ziekte van Lyme en toxoplasmose) Deze ziektes moeten al in een vroeg stadium behandeld worden, het is dus belangrijk om snel een diagnose te stellen.
  3. IgM ontstaat en verdwijnt snel na de infectie en kan zodoende een recente infectie aantonen. IgG ontstaat pas later in de infectie, maar blijft waarschijnlijk voor de rest van het leven aanwezig. Dit antilichaam speelt ook een rol in het voorkomen van een secundaire infectie.
  4. Er zit een lange tussenpoos tussen de eerste en de tweede serologische bepaling. Het staat vast dat de patiënt in deze periode van 7 jaar eens een infectie met het EBV heeft doorgemaakt, gezien de serologische bepaling. Echter, aangezien niet alle infecties ook de ziekte veroorzaken (op die leeftijd in 3 op de 10 gevallen) zou het kunnen zijn dat de patiënte de infectie in die 7 jaar heeft doorgemaakt zonder de ziekte te krijgen.
  5. In de puberteit worden kinderen verliefd en gaan intiem zoenen met vriendjes en vriendinnetjes. Het virus wordt door speeksel overgedragen en zo worden kinderen in de puberteit geïnfecteerd.
  6. Meisjes zijn meestal jonger dan jongens als ze gaan zoenen.
  7. Een goede hygiëne is niet altijd gunstig voor de volksgezondheid. Als goede hygiëne betekent dat kinderen een infectie, die ze eigenlijk op jonge leeftijd moeten oplopen om er niet ziek van te worden, pas te laat krijgen en daardoor ziek worden is het niet gunstig voor de volksgezondheid.
  8. Een advies zou kunnen zijn om het lepeltje waarmee babyvoeding wordt gegeven of de speen telkens af te likken voordat het gegeven wordt aan het kind.

naar inhoud