Van Mendel hebben we geleerd dat wederkerige kruisingen een zelfde resultaat opleveren. Als twee organismen (b.v. planten) met elkaar kruisen en de één is homozygoot dominant (AA) voor een bepaalde eigenschap en de ander is homozygoot recessief voor dezelfde eigenschap (aa), dan zullen alle nakomelingen heterozygoot (Aa) zijn voor die eigenschap. Het maakt voor het resultaat niet uit welke ouder het dominante allel heeft overgegeven. (AA x aa = aa x AA; beide leveren heterozygote Aa nakomelingen op.)

Volgens de erfelijkheidswetten van Mendel is de overerving van eigenschappen dus onafhankelijk van de ouderlijke herkomst van die eigenschappen. Het maakt niet uit of je een bepaalde eigenschap van je moeder of van je vader hebt geërfd. Het blijkt echter dat het in sommige (uitzonderlijke) gevallen wèl uitmaakt of een gen van je moeder of je vader afkomstig is. In die gevallen is sprake van 'imprinting'.
Alle diploïde organismen, zoals de mens, krijgen in de regel per paar chromosomen één chromosoom van de moeder en één van de vader.
Als je twee exemplaren van elk chromosoom hebt,
betekent dat ook dat je van elk gen op die chromosomen twee
exemplaren (allelen) hebt. Van elk gen erf je het éne allel
van je moeder en het andere van je vader.
Meestal komen beide allelen van een gen tot
expressie. Maar in een aantal uitzonderlijke gevallen kan door
imprinting de expressie verschillen al naar gelang de ouderlijke
afkomst van het allel. Van bepaalde genen komt alleen het allel op
het chromosoom dat van de vader afkomstig is tot expressie. Of juist
alleen het allel op het chromosoom van moederlijke afkomst komt tot
expressie. De expressie van het andere allel is dan
onderdrukt.
Hoe imprinting is
ontdekt
Volgens de erfelijkheidsleer van Mendel mag het
dus niet uitmaken of een chromosoom (of een gen op het chromosoom)
afkomstig is van de vader of de moeder. Om te kijken of dit klopt
hebben onderzoekers muizen-embryo's die alleen chromosomen van de
moeder of juist alleen chromosomen van de vader bevatten tot
ontwikkeling gebracht.
Daarvoor hebben ze direct na de bevruchting -nog
vóór de versmelting van de celkernen van de eicel en de
zaadcel- een van de twee (haploïde) celkernen uit de bevruchte
eicel verwijderd. Vervolgens vervingen ze die verwijderde celkern
voor een andere.
Als de moederlijke kern werd verwijderd, werd die
vervangen voor een vaderlijke kern uit een zaadcel. Zo ontstond er
een embryo met het diploïde aantal chromosomen waarbij alle
paren chromosomen van de vader afkomstig waren. Andersom kon een
embryo worden met alleen chromosomen van de moeder: als de vaderlijke
haploïde celkern werd vervangen door een tweede moederlijke uit
een andere eicel. In figuur 3 wordt deze techniek nog eens
uitgelegd.

Figuur 3 Direct na de bevruchting wordt de vaderlijke haploïde kern verwijderd en vervangen voor een tweede moederlijke kern (uit een andere eicel). Er ontstaat een embryo met het diploïde aantal chromosomen, waarbij alle chromosomen van moederlijke afkomst zijn. Andersom kan een embryo verkregen worden met alleen chromosomen van vaderlijke afkomst.
Uit het onderzoek bleek dat embryo's met alleen
vaderlijke chromosomen vooral placenta-weefsel ontwikkelden. De
vorming van het embryo zelf bleef achter. Terwijl embryo's met alleen
moederlijke chromosomen vooral het embryonale weefsel ontwikkelden.
De vaderlijke, noch de moederlijke embryo's ontwikkelde zich normaal.
Alle embryo's stierven nog voor de geboorte af.
Deze experimenten lieten zien dat de chromosomen
van moederlijke èn van vaderlijke afkomst beide onmisbaar zijn
voor een goede ontwikkeling van het embryo. Embryo's met twee paar
chromosomen van één ouderlijke afkomst konden immers
niet tot geboorte komen.
Bovendien bleek dat de bijdrage van de chromosomen
uit de zaadcel aan de ontwikkeling van het embryo verschilt van die
uit de eicel. Embryo's met alleen vaderlijke chromosomen ontwikkelden
immers vooral een grote placenta. Terwijl bij embryo's met alleen
moederlijke chromosomen de placenta juist heel klein
blijft.
Blijkbaar komen genen die de ontwikkeling van de
placenta stimuleren vooral tot expressie van chromosomen uit de
zaadcel (vaderlijke afkomst). Op de chromosomen uit de eicel
(moederlijke afkomst) staan die genen juist 'uit'. Hiermee werd dus
ontdekt dat bepaalde genen verschillend tot expressie komen
afhankelijk ervan of ze van de vader of de moeder afkomstig zijn. Dit
hebben de onderzoekers 'imprinting' genoemd.
Waarom bestaat
imprinting?
Als biologen iets ontdekken, willen ze ook altijd
weten waarom het bestaat. Ze willen de functie kennen van wat ze
hebben gevonden. Als zo'n ingewikkeld mechanisme als imprinting
bestaat, zal het ook wel een bepaald nut dienen. Daarom hebben
onderzoekers zich de vraag gesteld waarom imprinting
bestaat.
Die vraag is helaas nog niet beantwoord. Maar er
bestaan wel verschillende theorieën over de functie van
imprinting. Eén van die theorieën is gebaseerd op de
waarnemingen aan de embryonale ontwikkeling zoals die hierboven
beschreven staan. Die theorie wordt hieronder uitgelegd.
Imprinting zou een bepaald evolutionair
selectie voordeel kunnen geven. Vanuit het oogpunt van de evolutie
bekeken is ieder individu erbij gebaat zoveel mogelijk (gezonde)
nakomelingen te krijgen. Hoe meer nakomelingen je krijgt, hoe meer
kans je hebt dat jouw genen worden overgedragen aan volgende
generaties.
Als bevruchting plaatsvindt 'willen' de
chromosomen van de mannelijke ouder ervoor zorgen dat de zwangerschap
resulteert in een sterke nakomeling. Daarvoor is het voordelig om een
grote placenta te laten ontstaan, zodat het embryo goed door de
moeder gevoed kan worden. De vrouwelijke ouder is er echter meer bij
gebaat een limiet te stellen aan de grootte van de placenta zodat ze
meer kans heeft op meerdere succesvolle zwangerschappen. (Als de
placenta heel groot zou worden zou haar baarmoeder misschien geen
volgende zwangerschap meer aankunnen.)
Daarom zouden de chromosomen van de vader zo
imgeprint zijn dat ze zorgen dat er een grote placenta ontstaat bij
zwangerschap, terwijl de moederlijke chromosomen juist een limiet
stellen aan de groei van de placenta. Dat is precies wat de
onderzoekers vonden bij de ontwikkeling van embryo's met enkel
chromosomen van vaderlijke of juist moederlijke afkomst.
1. Bij geslachtsgebonden overerving zie je dat alleen een
van beide ouders een bepaalde eigenschap kan doorgeven aan de
kinderen (zoals bij de overerving van kleurenblindheid). Dit heeft
niets met imprinting te maken. Weet je hoe geslachtsgebonden
overerving werkt?
2. Wanneer spreken we van imprinting?
3. Wessel heeft bruin haar. Hij is
heterozygoot voor haarkleur: hij heeft een gen voor bruin
haar van zijn moeder en een gen voor blond haar
van zijn vader gekregen.
Is het gen voor bruin haar tot expressie
gekomen?
Kan het gen voor blond haar tot expressie zijn
gekomen?
4. Hoe komt het dat je twee
allelen hebt van elk gen?
5. Komt meestal maar
één van de allelen tot expressie of beide? Wanneer komt
er maar één van de twee allelen tot
expressie?
6. Gen Q komt alleen tot expressie van het chromosoom dat
je van je moeder hebt gehad. Heeft gen Q een moederlijke of een
vaderlijke imprint?
7. Margriet en Wouter krijgen samen kinderen.
a. Hebben hun zoon en dochter een verschillend imprinting
patroon van hun ouders geërfd?
Gen A heeft een moederlijke
imprint, gen B een vaderlijke.
b. Komt gen A bij de kinderen tot expressie van het
chromosoom dat ze van hun moeder hebben gekregen of van het
chromosoom dat ze van hun vader hebben gekregen? En gen B?
8. Beschrijf in je eigen woorden een mogelijke functie voor
het bestaan van imprinting.