Inleiding
Soorten veeteelt
Problematiek
Toekomst
Vragen
Discussieopdracht
Docentenhandleiding
De Nederlandse veehouderij is sterk geïntensiveerd na de tweede wereldoorlog. In die tijd was er een voedseltekort en werden boeren gestimuleerd om hun productie omhoog te brengen. Al snel werd er voldoende voedsel voor de Nederlandse bevolking verbouwd. Er kwamen overschotten (graanbergen, boterbergen), waarvoor de EG, door de gegarandeerde minimumprijs, flink betaalde. De steun kwam vooral ten goede aan de grootste bedrijven. Productie richtte zich steeds meer op export. Om meer winst te maken zijn bedrijven op steeds grotere schaal gaan produceren en hebben ze zich gespecialiseerd in één soort dieren per bedrijf.

Nu wonen er meer dan 37 miljoen kippen, bijna 44 miljoen slachtkuikens, een kleine 14 miljoen varkens, 4,5 miljoen stuks rundvee en meer dan anderhalf miljoen schapen in Nederland. Daarbij komen nog zo'n 16 miljoen mensen. Nederland is op dit moment op de Verenigde Staten en Frankrijk na de grootste exporteur van vlees ter wereld. De veehouderij brengt 4 % van het Bruto Nationaal Product in.
De intensieve productiemethoden hebben negatieve effecten op het milieu (watervervuiling, bodemuitputting) maar ook op dierenwelzijn en -gezondheid.
In deze tekst lees je over de ontwikkeling van de veeteelt over de afgelopen decennia. Verschillende soorten veehouderij worden besproken, evenals de problemen die zijn ontstaan en mogelijke oplossingen.
In deze tekst wordt niet alleen aandacht besteed aan de biologische processen en problemen die bestaan in de veehouderij, maar ook de maatschappelijke/ ethische aspecten ervan. De bedoeling is dat je de veehouderij in een breder perspectief kunt plaatsen
In Nederland onderscheiden we verschillende typen veehouderijen, waarvan de voornaamste takken (de intensieve veehouderij, extensieve veehouderij en biologische veehouderij) hieronder worden besproken.
Kenmerk van intensieve veehouderij is dat de dieren in stallen worden gehuisvest op bedrijven met weinig of geen grond. Het gaat daarbij vooral om de productie van vlees of eieren. De intensieve veehouderij, ook wel bio-industrie genoemd, levert een belangrijke bijdrage aan onze export. Voorbeelden van de bio-industrie zijn legbatterijen voor kippen en kistkalveren.
Dieren leven in een gecontroleerd systeem, waarin ze precies in hun behoefte aan voer worden voorzien en zijn afgeschermd van de bedreigingen die de buitenwereld zou kunnen leveren.

Binnen de veehouderij is er de laatste jaren een relatief sterke groei van niet-intensieve veehouderijsystemen; de zogenaamde scharrelhouderijen. De bekendste producten zijn het scharrelei en het scharrelvlees. Het voornaamste kenmerk van extensieve veehouderij is dat ze minder grond per dier gebruiken
In de biologische landbouw gaat men nog een stapje verder. Uitgangspunten van biologische productie zijn:

Op dit moment is ongeveer één procent van alle landbouwproductie en -consumptie in Nederland biologisch, waarvoor 1,4 procent van alle landbouwgrond in Nederland wordt gebruikt. Niet veel consumenten kiezen nu biologische producten omdat ze duurder zijn. Dat komt omdat biologische boeren intensiever met de productie bezig zijn, hetgeen meer tijd kost. Het is bijvoorbeeld sneller om onkruid te bespuiten met bestrijdingsmiddelen dan om het weg te schoffelen. Het ministerie van LNV heeft als doelstelling van haar beleid, dat in 2010 tien procent van de landbouw en veeteelt biologisch is.
De veehouderij kampt al enige tijd met een aantal problemen. Hieronder zullen enkele van die problemen worden besproken.
De enorme veestapel in Nederland wordt gevoed met landbouwproducten als maïs en cassave uit andere delen van de wereld. Hiervan is 33% afkomstig uit Derde Wereld landen. De geïmporteerde nutriënten uit de voeding, zoals stikstof en fosfaat, komen na uitscheiding als mest bij ons in het milieu terecht.
De verhouding tussen stikstof, fosfaat en kalium in mest van dieren is een min of meer onbeïnvloedbaar gegeven. De verhouding tussen de verschillende nutriënten in mest van een aantal diersoorten is te zien in tabel 1.
Tabel 1: Jaarlijkse mineraalproductie per dier (in kg per jaar).
|
|
Stikstof |
Fosfaat |
Kalium |
|
mestvarkens |
12,7 |
8,5 |
7,3 |
|
fokvarkens |
28,0 |
18,8 |
16,0 |
|
mestkalveren |
6,6 |
2,9 |
5,3 |
|
rundvee |
62,8 |
28,5 |
75,5 |
|
pluimvee |
0,4 |
0,4 |
0,2 |
Slechts een beperkte hoeveelheid van de voedingsstoffen kan worden opgenomen door landbouwgewassen. De mineraalonttrekking door verschillende landbouwgewassen staat gepresenteerd in tabel 2.
Tabel 2. Mineraalonttrekking door enkele gewassen (in kg per ha per jaar).
|
|
rogge |
aardappelen |
maïs |
|
Stikstof |
100 |
120 |
200 |
|
Fosfaat |
50 |
60 |
80 |
|
Kalium |
80 |
220 |
220 |
Een bruikbaar ecologisch principe is dat niet meer mest op het land wordt gebruikt dan voor aanvulling van de gebruikte nutriënten en dus voor het verkrijgen van een optimale vervolgoogst nodig is.
Door de vaststaande verhoudingen van mineralen in mest echter is niet te voorkomen dat bepaalde nutriënten in overmaat worden toegevoegd. Dit probleem wordt nog vergroot doordat de in mest aanwezige stikstof maar voor ongeveer 60 procent op korte termijn voor de mineraalkringloop beschikbaar is. Het percentage van een mineraal, dat beschikbaar is voor opname door een gewas wordt de werkingscoëfficiënt genoemd.
Boeren gebruiken naast dierlijke mest ook nog eens kunstmest om de aanvoer van voedingsstoffen afstemmen op het moment dat het gewas er behoefte aan heeft. Maar de totale hoeveelheid is vaak meer dan de behoefte.
Deze overschotten worden deels door de bodem geadsorbeerd en verrijken voor de rest oppervlakte- en grondwater. De bodem en het aquatisch systeem worden hierdoor geëutrofieerd.
Alleen de planten, die makkelijk meststoffen opnemen, overleven en verdringen andere soorten. Allerlei wilde planten verdwijnen op die manier en alleen de sterkste soorten blijven over. Zo verdringt het gras de heide.
In de sloot groeit het kroos extreem, waardoor andere waterplanten en vissen sterven. Bovendien kost het zuiveren van vervuild water, om het geschikt te maken voor drinkwater, veel geld.
Stikstofverbindingen in mest worden door bacteriën omgezet in ammoniak. Dat vervliegt, en vormt samen met zwaveldioxide in de lucht ammoniumsulfaat. Wanneer dat met regen neerslaat en in de bodem terecht komt, zetten nitificerende bacteriën ammonium om in nitraat. Daardoor treedt verzuring van de bodem op, hetgeen ongunstig is voor de groei van veel planten.

Om het mestprobleem te verminderen zijn een aantal maatregelen genomen. Alle veehouders hebben mestproductierechten. Die geven aan hoeveel mest er op de boerderij geproduceerd mag worden, en dus hoeveel dieren een boer mag houden. Hoeveel mestproductierechten een boer kreeg hing af van de hoeveelheid mest die zijn dieren vóór de nieuwe regels produceerden, of van de hoeveelheid grond die bij zijn bedrijf hoorde. Dit had vooral gevolgen voor de intensieve veehouderij, bijvoorbeeld voor varkenshouders die geen grond hadden. Deze veehouders voelden zich door de nieuwe
regels in hun bestaan bedreigd. Hun inkomsten zijn immers voor een groot deel afhankelijk van het aantal dieren dat zij kunnen houden. Als boeren meer mest produceren dan ze op hun eigen land kwijt kunnen, moeten ze een andere plek voor de mest vinden. Dat kan door een mestafzetcontract te sluiten met een ander bedrijf dat juist meer mest nodig heeft.
Ook kan het voer voor dieren worden veranderd. Als in het voer precies zoveel fosfaat en stikstof zit als dat de dieren nodig hebben om te groeien, zitten er minder nutriënten in de mest.
Sinds 1998 is het Mineralen aangifte systeem (MINAS) van start gegaan. Elk bedrijf moet bijhouden hoeveel van de mineralen fosfaat en stikstof er worden aangevoerd (in het voer, maar ook in de dieren die worden aangekocht) en hoeveel er worden afgevoerd (in dieren, in producten - bijvoorbeeld eieren of melk - en in mest). Als de aanvoer veel groter is dan de afvoer, moeten boeren een boete betalen. Zo krijgen de boeren zicht op de hoeveelheden mineralen die ze aan- en afvoeren en op welke manier ze het gebruik van mineralen nog kunnen terugdringen. Ook probeert men door het terugdringen van de veestapel de mestproductie te verminderen.
Al deze maatregelen hebben effect gehad; het mestoverschot is ondertussen behoorlijk teruggebracht.
Al die miljoenen dieren moeten worden gehuisvest. Omdat een boer zo efficiënt mogelijk wil omgaan met zijn ruimte, zal hij veel dieren bij elkaar in de stal of het hok plaatsen. Daarnaast kost het veel tijd om dieren buiten te laten lopen. Buiten lopen ze meer gevaar om bacteriën of virussen op te lopen. Om die redenen gaan dieren niet vaak naar buiten.
Een heleboel mensen vinden het zielig voor de dieren, dat ze in krappe hokken leven, waarin ze weinig naar buiten kunnen. Anderen denken dat de dieren zich daar toch niet zo bewust van zijn. Maatschappelijke organisaties, zoals de dierenbescherming, zetten zich in voor een verbetering van het welzijn van dieren. In 1992 is de diergezondheid en -welzijnswet ingevoerd. Naar aanleiding van maatschappelijk protest zijn de zogenaamde 'vijf vrijheden van het dier' opgesteld, die worden toegelicht in Box 1.
De laatste jaren was de veehouderij regelmatig in het nieuws door verschillende dierziektes.
In 1997 was er in Limburg en Brabant een enorme uitbraak van de klassieke varkenspest (KVP). Dit is een dodelijke virusziekte, die aan miljoenen varkens het leven heeft gekost.

Enige tijd later was er het schandaal rond dioxine kippen. Voer van de kippen bevatte het gif dioxine, wat zich ophoopt in hun vlees en zo ook weer voor de mens schadelijk is. Ook het gevaar van het eten van 'gekke koeien' is uitgebreid in het nieuws geweest; het eten van BSE-vlees bleek bij mensen de dodelijke ziekte van Kreutzfeld-Jacob te kunnen veroorzaken.
Als laatste bracht de mond- en klauwzeer epidemie in Europa in 2001 de vleesindustrie in opspraak. Hierop zal in het volgende stuk dieper worden ingegaan.
Mond- en klauwzeer (MKZ) is een zeer besmettelijke virusziekte, die voorkomt bij eenhoevigen (runderen, schapen, varkens, geiten, herten en sommige dierentuindieren). Dieren met mond- en klauwzeer krijgen blaren in hun mond en bij de hoeven. Deze springen na een paar dagen open. Daardoor ontstaan vochtige, pijnlijke rode plekken. De zieke dieren eten niet, en kwijlen en smakken overmatig. Verder krijgen ze hoge koorts en worden ze kreupel. Verspreiding van het virus vindt plaats door direct of indirect contact met het besmette dier. Het kan zich ook door de lucht over wel honderd kilometer verspreiden.
Besmette dieren beginnen enkele dagen voordat ze de symptomen vertonen met het uitscheiden van het virus. De incubatietijd verschilt van 2 dagen tot enkele weken.
Mond- en klauwzeer is bij minder dan 5 procent van de volwassen dieren dodelijk. Bij jonge dieren ligt dit een stuk hoger; meer dan 50 procent bezwijkt aan de ziekte. De melkproductie kan 25-100 procent lager liggen dan normaal.
Vroeger kwam MKZ vrij veel voor en richtte veel schade aan in veehouderijen. Middels het 'stamping-out' systeem, waarbij vee rond de besmettingshaard wordt gedood, werd getracht de ziekte in te dammen. In 1937 is voor het eerst een vaccin geïntroduceerd. Een vaccin is een minder gevaarlijke variant van het virus, die de productie van antistoffen stimuleert. Deze antistoffen werken ook tegen het echte virus.
Het vaccin werd pas in de jaren 50 gebruikt, toen een goedkoper vaccin was ontwikkeld. Door systematische, jaarlijkse vaccinatie op internationale schaal in combinatie met betere hygiëne is de ziekte onder controle gekregen.
Vanaf de jaren '70 was Nederland praktisch vrij van de ziekte. Sinds 1992 zijn alle EU-landen gestopt met het vaccineren van dieren, omdat dat economische voordelen oplevert. Bij vleescontroles is gevaccineerd vlees namelijk niet te herkennen van ziek vlees. Daardoor lopen landen die gevaccineerd vlees importeren gevaar zo ook de ziekte binnen te halen. Vlees en dieren die het virus of vaccin niet bevatten zijn dus beter te exporteren.
Ook brengt het aanmaken van het vaccin de kans op een uitbraak met zich mee, omdat de verzwakte vorm van het virus ook nog gevaarlijk kan zijn. Wanneer men vaccineert wordt de kans op een uitbraak op eens in de vijf jaar geschat. Vaccineert men niet dan zou dit eens per 10 jaar zijn. Het aantal dieren dat geruimd zou moeten worden, is echter kleiner wanneer voor vaccinatie wordt gekozen. Het risico voor een uitbraak van mond- en klauwzeer is geschat in een periode dat de dichtheid van vee lager lag dan nu en er bovendien gevaccineerd werd.
In 2001 is MKZ opnieuw uitgebroken in Engeland en via een transport door Frankrijk ook in Nederland terecht gekomen. In totaal zijn 26 boerderijen besmet geweest. Men heeft geprobeerd de epidemie te beperken door het stoppen van transporten en het ruimen van zieke dieren. Uiteindelijk moest men ook dieren vaccineren, om verdere verspreiding stop te zetten. Ook gevaccineerde dieren zijn uiteindelijk geruimd.
Nog steeds bestaan er veel problemen in de veehouderij. De afgelopen MKZ-crisis heeft opnieuw de discussie doen oplaaien. Steeds meer beginnen ook consumenten te vragen om een drastisch andere aanpak. Hoe de veehouderij eruit komt te zien is nu nog niet duidelijk. Verschillende studies en adviezen worden op dit moment over het onderwerp uitgebracht.
Een van de punten, waarop de veehouderij verbeterd zou moeten worden is inzicht in de herkomst van producten. Consumenten weten vaak niet waar hetgeen ze eten vandaan komt. Dat wakkert de ongerustheid aan. Een manier om beter inzicht in de herkomst van producten te creëren is de zogenaamde ketenbenadering. Doordat iedere stap in het productieproces bekend moet zijn, weet de consument op welke manier zijn lapje vlees op zijn bord terecht is gekomen. Zo moet het vertrouwen van de consument worden herwonnen.
Niet alleen onderzoeksinstituten zijn bezig met het opstellen van nieuw beleid. Ook in een breder veld in de maatschappij houdt men zich bezig met de veehouderij. Zo is de Volkskrant gestart met serie artikelen over de toekomstige invulling van de veehouderij en meningen van verschillende partijen hierin. Deze zijn te vinden in dossier 'Parkstad Nederland' op www.volkskrant.nl.

1 Welke soorten veehouderij bestaan er en wat zijn hun kenmerken?
2 Welke problemen zijn binnen de veehouderij ontstaan?
3 Waarom is het invoeren van veevoeder voor zowel het milieu in Nederland als de landen waar het vandaan komt slecht? Wat is de reden dat we dan toch voer importeren? Wat zou een alternatief zijn?
4 Bereken hoeveel mest van rundvee aan een maïsakker op jaarbasis moet worden toegevoegd. Wat is de overdosering kalium en fosfaat die daarmee wordt toegediend?
5 Waarom is het voor boeren met een nutriënttekort binnen de bedrijfsvoering aantrekkelijker om kunstmest te gebruiken dan om dierlijke mest van andere bedrijven over te nemen?
6 Welk soort bedrijf is het beste in staat om nutriëntkringlopen in evenwicht te houden? Typeer het bedrijf aan de hand van inrichting, producten en productiewijzen.
7 Wat is een vaccin? Wat zijn de gevaren bij mond- en klauwzeer van het toepassen van het vaccin? Wat zijn de voordelen?
2 Wat is een vaccin?
3 Welke problemen zijn binnen de veehouderij ontstaan?
4 Welke partijen bestaan er binnen de discussie rond de veehouderij?
5 Wat zijn hun standpunten?
Als informatiebronnen bij het debat kunnen de volgende websites worden gebruikt:
Verkrijgbaar bij het Rathenau Instituut. Stuur uw verzoek per e-mail naar bestellingen@rathenau.nl en vermeld s.v.p. uw naam, adres en telefoonnummer.